De geestelijke sabbat

01-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Verlos ons, Here, onze God, verzamel ons weder uit de volken, opdat wij uw heilige naam loven, ons beroemen in uw lof  (Psalm 106:47)

Deze psalm geeft een stuk geschiedenis. Hierin wordt heel uitvoerig de uittocht uit Egypte beschreven en de reis door de woestijn. En dan eindigt deze psalm met een bede, en dat lezen we in vers 47. En deze regels zijn toch ook wel heel actueel voor de gemeente in deze tijd. Let erop, dat er staat: verzamel ons weder. Dat gaat dus blijkbaar niet over die uittocht uit Egypte, maar dit gaat weer een stap verder. Hier wordt dus kennelijk verondersteld, dat het volk van God op een gegeven moment verstrooid geraakt is, en daarom staat er: verzamel ons opnieuw. Het volk van God moet dus uit de ballingschap komen; er staat immers: uit de volken. Het volk van God moet dus uit de volken vandaan komen. Het moet dus een volk apart worden. Als je erop gaat letten, merk je dat dit een thema is, dat je door heel de Bijbel tegenkomt. Het volk van God moet een volk zijn, dat anders is dan de volken rondom. Vandaar dat dit ook zo’n belangrijk gebed is: verzamel ons uit de volken. Door de eeuwen heen is het altijd een probleem geweest, dat het volk van God wilde opgaan in die volken. Eén van de dieptepunten lees je dan in 1Samuël 8:5:

Stel nu een koning over ons aan om ons te richten, als bij alle andere volken.

Dat was een ernstige zaak. Niet zozeer in de eerste plaats het feit, dat ze een koning wilden hebben, maar hun motief! Hun motief was: wij willen zijn als de volken. Daar zat vanuit de geestelijke wereld heel duidelijk iets achter. Hier kwam dan ook heel speciaal naar voren: wij willen iets hebben in de zichtbare wereld. We willen een koning hebben, dan kunnen we tenminste ook ergens mee voor de dag komen. Het oog wil ook wat. Maar als het oog ook wat wil, wordt het meestal knap gevaarlijk. Als motief van de bede in Psalm 106 vers 47 lezen we dan:

opdat wij uw heilige naam loven, ons beroemen in uw lof

Vanuit die positie – van weder verzameld volk – komt dan de lof voor God. Dan wordt inderdaad door dat volk van God Gods naam geëerd. Daar zit een verband in: het volk van God moet inderdaad een volk apart zijn, om de lof van God te kunnen verkondigen.

Want van der rotsen top zie ik hem, van de heuvelen aanschouw ik hem. Zie, een volk, dat alleen woont en onder de natiën zich niet rekent. (Numeri 23:9)

Wat is het verschil tussen het volk van God en de volkeren? Dat is altijd de bedoeling van God geweest, dat het volk van Hem uniek zou zijn. Vandaar ook, dat die wetten – ook in het Oude Verbond al – vrij uniek waren. Zelfs als je de tien geboden gaat bestuderen, merk je, dat die toch ook uniek waren. Vroeger werden ze natuurlijk elke zondag in de kerk als het ware ‘plat gelezen’. Op het laatst hoorde je dan ook niet meer wat je hoorde. Maar als je ze goed gaat horen, ga je ook geheimenissen ontdekken vanuit de gedachten van God.

Want van der rotsen top zie ik hem

Je moet dus wel hoog staan om dat volk te kunnen zien. Het geheim van dat volk: ‘ze wonen alleen’ en ze ‘rekenen zich niet onder de natiën’. Dat geldt ook heel duidelijk voor het volk in het Nieuwe Verbond. Dat is ook een volk, dat alleen woont, namelijk in de hemelse gewesten. En dat volk rekent zich niet onder de natiën. Het zoekt zijn kracht niet in de zichtbare wereld.

Waaruit blijkt nu, en hoe gaat dat dan tot stand komen, dat dat volk van God een uniek volk wordt?

Een eerste kerngedachte is: dat volk is uniek, omdat het een unieke God heeft. Dat blijkt ook al uit de geloofsbelijdenis van dat volk, een citaat uit Deuteronomium: ‘De Here onze God is één’. De Statenvertaling zegt: ‘De Here, onze God is een enig God’. God is enig, uniek ‘in zijn soort’. Het verschil tussen het volk Gods en de volken kun je weer herleiden tot het verschil tussen God en de goden. Vooral in het ‘Oude Testament’ kom je heel wat goden tegen wanneer er over de volken werd gesproken. Het was voor andere volken een raadsel, dat de Israëlieten aan één God genoeg hadden, en dan bovendien ook nog een God, die je niet kon zien. De heidenen stelden daarom ook af en toe de vraag: ‘Waar is uw God’? Als je ook alleen maar een tent had met een gordijn. En daarachter, ja, daar stond dan nog een kist. Maar toch zeggen ze: Onze God is een enig God. Hij is uniek. En waarin zit hem dat nou: in zijn karakter. Hij onderscheidde Zich van al die goden door zijn wezen. Als je nu al die wetten en principes uit het Oude Testa­ment gaat bestuderen, zul je ontdekken, dat die vaak heen wijzen naar het karakter van God. Dan zie je ook een bepaalde lijn. Het gaat in de eerste plaats om het karakter van God. Dat krijgt dan ook gestalte in het karakter van Jezus. En de derde stap is, dat dit dan ook openbaar moet worden in het karakter van ons, het karakter van de gemeente. Die afgoden hadden meestal niet zoveel karakter. En de volgelingen van die afgoden weerspiegelen dit dan.

Het is goed de Here te loven, uw naam psalmen te zingen, o Allerhoogste, in de morgenstond uw goedertierenheid te verkondigen, en uw trouw in de nachten, (Psalm 92:2,3)

De psalmist houdt zich hier vooral bezig met Gods trouw en Gods goedertierenheid. En dat vertegenwoordigt nu juist het karakter van God. Zijn betrouwbaarheid en zijn goedertierenheid zijn juist die eigenschappen, die in de Bijbel ook genoemd worden om het karakter van God te typeren. En dan zegt de psalmist: daar wil ik mee bezig zijn in de morgenstond, dat wil ik verkondigen in de nachten. En hij zegt dan ook:

Hoe groot zijn uw werken, o Here; zeer diep zijn uw gedachten (vers 6)

Hij zegt: ik wil mij gaan bezighouden met de werken en met de gedachten van God, met zijn wezen, met zijn karakter. Want daar eindigt die psalm dan ook mee:

om te verkondigen, dat de Here waarachtig is, mijn rots, in wie geen onrecht is (vers 16)

En dat bezig zijn met het karakter van God, daarvan zegt hij dan in vers 2: ‘Het is goed’. Als er nu in de Bijbel het woord goed wordt gebruikt, is het zaak om extra op te letten. Het zou de moeite waard zijn om eens een studie te maken over de verbanden waarin dat woord ‘goed’ wordt gebruikt. In het scheppingsverhaal wordt dat woord ‘goed’ verschillende keren gebruikt. God maakt het licht en God zag, dat het licht goed was. God zegt van de duisternis niet: het is goed. Die duisternis heeft Hij trouwens ook niet gemaakt. En dan staat er aan het eind van het scheppingsverhaal: En God zag alles wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed. Dus het woord goed doet altijd weer denken aan het scheppingswerk van God. In dat woord zit dus altijd weer de lijn van de schepping en van de herschepping. Die worden altijd weer getypeerd door dat woord ‘goed’. En dan is het verrassend om te ontdekken in welke verbanden je dat woord ‘goed’ tegenkomt. Als Jozua en Kaleb terugkomen van het verspieden van het Beloofde Land, komt er een heleboel tumult en er komen allerlei negatieve geluiden. En dan is het merkwaardig om te horen wat Kaleb zegt: het land, dat wij zijn doorgetrokken om het te verspieden, is buitengewoon goed. Dat is een heel diepe uitspraak van Kaleb. Hij zegt niet: nou, het valt toch wel mee hoor, of: het is toch wel een aardig land, hoor. Je kunt er in ieder geval beter zitten dan in Egypte en zeker beter dan in de woestijn. Nee, het land is buitengewoon goed. Daarmee zegt hij in feite: het is een ‘scheppingsland’. Het is in feite een nieuw paradijs. Het is een land in de orde van Genesis 1. Goed is dus eigenlijk het sleutelwoord van Gods scheppingswerk. En de schepping is weer uitbeelding van Gods karakter.

Het is goed de Here te loven

Dat woord ‘goed’ speelt ook een kardinale rol in het gesprek tussen Jezus en die rijke jongeling. Die rijke jongeling vraagt:

 wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te beërven (Mattheüs 19:16)

Hij zit dus voortdurend aan allerlei goede dingen te denken. En Jezus speelt dat meteen terug naar:

Hij zeide tot hem: Wat vraagt gij Mij naar het goede? Eén is de Goede

Jezus wil zeggen: het zit hem niet in allerlei goede dingen, er is er Eén die goed is, en dat is God. Jezus speelt dat dus meteen terug naar het karakter van God. In het Evangelie van Marcus komt het woord ‘goed’ maar driemaal voor. Maar bij die drie keren staat het wel op een heel bijzondere plaats. Dan moet er dus wel ergens een lampje gaan branden. Bij die rijke jongeling moest er ook een lamp]e gaan branden. Die moest ook iets gaan ontdekken over het karakter van God.

En nu staat er hier, in Psalm 92:2: Het is goed de Here te loven, uw naam psalmen te zingen, o Allerhoogste

Die psalmist gaat zich nu bezighouden met Gods karakter, met zijn werken, met zijn gedachten. Alleen nu is de vraag: Wanneer doet hij dat?

Boven deze psalm staat: Een lied voor de sabbatdag. De opschriften boven de psalmen moet je niet overslaan, die zijn vaak heel betekenisvol.

Psalm 92 werd dus op de sabbat gezongen. En dit is ook de enige psalm waar dit opschrift boven staat. Als we deze psalm goed willen begrijpen, moeten we dus in de eerste plaats een duidelijk begrip hebben van de sabbat. Op de sabbat moet je dus bezig zijn met het karakter van God, met zijn werken en met zijn gedachten. Wat is nu de geestelijke betekenis van de sabbat? In het Nieuwe Verbond is geen sprake meer van een bepaalde dag. Paulus zegt: de één stelt de ene dag boven de ander en een ander stelt alle dagen gelijk. Daar moet je geen ruzie over maken, dat is geen probleem. De Zevendedags Adventisten denken daar natuurlijk anders over. Je kunt natuurlijk zeggen: die sabbat was iets van het Oude Verbond, maar dan moeten we wel gaan ontdekken: wat is nu de geestelijke zin van de sabbat. Welke geestelijke werkelijkheid bevindt zich achter de sabbat. En de werkelijkheid is van Christus. Die sabbat bevat een geheimenis. De sabbat is ten diepste een uitbeelding van Gods karakter. God heeft de sabbat gegeven aan de mens om zijn karakter te kunnen leren kennen.

Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer. Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht. (Genesis 2:1-3)

De Statenvertaling vertaalt hier: dat God geschapen had om het te volmaken. Hier is dan voor het eerst sprake van de zevende dag als rustdag. Zeven is hier ook het getal van de volheid. Een opmerkelijk punt is ook, dat de sabbat er dus reeds was vóór de zondeval (Genesis 3). Je kunt de vraag stellen: waar werd Adam dan zo moe van, dat hij moest uitrusten, terwijl er nog geen zonde was. Je hebt vaak het idee: die rustdag was pas nodig na de zondeval; toen moest de mens immers in het zweet zijns aanschijns zijn brood verdienen?

zwoegende zult gij daarvan eten (Genesis 3:18)

Die sabbat hoort dus bij de scheppingsorde, die hoort bij het scheppingswerk. De sabbat is dus geen noodmaatregel voor vermoeide mensen, maar het is een scheppingsprincipe. Jezus ging ook heel anders met de sabbat om dan de mensen in zijn tijd gewend waren. De haren van de Farizeeën rezen voortdurend ten berge. Jezus genas bij voorkeur zieken op sabbat. Het is trouwens merkwaardig, dat de mensen, die door Jezus op de sabbat werden genezen, allemaal chronische patiënten waren. Het waren geen acute gevallen. Als dat nu het geval was geweest, hadden de Farizeeën en de Schriftgeleerden er misschien nog min of meer vrede mee kunnen hebben.

Er is sprake van een man die al 38 jaar in Bethesda had gelegen. Daar was een vrouw, die al achttien jaar kromgebogen door het leven was gegaan. Verder een man met een verschrompelde hand, wat toch ook niet zo’n acute zaak was. Bovendien liepen ze ook nog aren te plukken op de sabbat. Dat was nou ook niet zo dringend. De discipelen hadden het best uitgehouden tot ‘s avonds zes uur, want dan was de sabbat al weer voorbij. Jezus nam echt wel zo nu en dan rust, maar kennelijk niet perse op de sabbat. Soms zegt Hij tegen zijn discipelen: Kom eens hier, en rust een weinig. Waarom deed Hij dat nou niet een beetje tactvol, dat Hij zegt: Dat doen we dan maar op de sabbat, want dan houden de Farizeeën ook rust. Dan rijden we elkaar tenminste niet in de wielen. Je moet tenslotte toch ook een beetje geven en nemen. Je moet toch ook geen aanstoot geven. Als die mensen op dat punt nou gevoelig zijn, dan hoef je ze toch niet perse tegen de haren in te strijken? En toch gaat Jezus bij voorkeur uitgerekend op de sabbat mensen genezen.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010