De gang van Abraham

01-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

De cursussen die wel eens gegeven zijn over Genesis begonnen meestal bij Genesis 1. Meestal kwamen we dan niet veel verder dan bij Noach. Deze cursus willen we daarom in het bijzonder eens de figuur van Abraham bekijken. Zo nu en dan zullen we dan ook een klein uitstapje ma­ken, ook al naar aanleiding van vra­­gen die gesteld zijn.

Een stem doorbrak de stomme ring

Willem Barnard heeft ooit een prachtig gedicht gemaakt aan­gaan­­­de Abra­ham. Dat begint heel indrukwekkend:

 Een stem doorbrak de stomme ring

 van het bestaan, waarin hij was besloten.

 En hij wordt waterpas geschoven op de lange baan

 waarlangs hij voortaan voort zal gaan.

Daar zit eigenlijk het hele verhaal in. In feite gaan we deze cursus een beet­je ondertiteling geven bij dit gedicht. Van daar­uit komen we vanzelf weer bij Genesis terecht. ‘Een stomme ring’; dat ken­nen vèèl mensen. Het bestaan is als een cirkel waar je niet uit­komt. Je draait steeds maar in hetzelfde kringetje rond. En dan komt daar een stem die die ring doorbreekt, die stomme ring. In die cirkel hoor je eigenlijk nooit iets. In die cirkel ben je eigenlijk zelf ook stom. In die ring heb je eigenlijk ook geen gezicht, geen aan­ge­zicht. Abraham mag uit die cirkel komen. Hij wordt geschoven op de lan­­ge baan. Zijn leven is geen cirkel meer, maar een weg. Het wordt ook inder­daad een heel lange baan. Het begint ergens in Ge­­nesis 12 en het gaat helemaal door tot Genesis 22. Daar is om zo te zeggen de apotheose, het slotakkoord. Dan komt er als het ware nog een ‘dubbel P.S.: het graf van Sarah en Genesis 24, de tweede aartsmoeder, Rebekka. In Genesis 25 le­zen we dan nog van Abra­hams dood. Dan heeft Abraham zijn gang vol­bracht.

Abraham, een voorloper

Dit verhaal moet herkenbaar worden, het moet òns verhaal gaan wor­den. Want wat daar in Genesis begonnen is, dat houdt nooit op. Dat geldt voor vandaag en dat is voor morgen.

Dit verhaal maakt de tijd. Abraham heeft in zijn leven heel wat ge­daan en heel wat meegemaakt. Abraham is toch altijd weer een fasci­ne­rende gestalte. Abraham en de mensen om hem heen waren een soort ‘avant-garde’. Het was een voorhoede. In Genesis 12 zie je dus een soort voorlopers. Ze deden de afgo­den de deur uit en ze schaften het kinderoffer af. Dat was in die Oudoosterse we­­reld toch wel revolutionair. Want iedereen had zo zijn goden, meestal in het meervoud. Kinderoffers waren heel ge­brui­kelijk. Om dat te door­breken was moed no­dig. Elie Wiesel zegt: Abraham was de eerste die zijn stem verhief te­gen de idolen. En André Neher zegt: Abraham was eigenlijk de mens, die het woord terugvond.

Gesloten woorden

Onmiddellijk daaraan vooraf had je de torenbouw van Babel, dan raakt het woord kwijt. Letterlijk staat er in Genesis 11: «De aarde nu was één van taal en ‘gesloten woorden’».

Gesloten woorden, de woorden zitten op slot. Als alle woorden ge­slo­ten zijn, dan komt daar die nieuwe gestalte, Abraham en die gooit het woord weer open. Abraham, de ‘inventeur des paroles’, de uitvinder van de woorden. Je zou hem ook de ‘terugvinder van de woorden’ kun­nen noemen. Met Abraham begint het gesprek weer, de dialoog, die zo lang heeft stilgelegen. Juist in die tijden, dat het volk Israël daar in de ballingschap ver­keerde, hebben ze elkaar die verhalen aangaande Abraham ver­teld. Die gestalte van Abraham gaat nog meer spreken, dan wordt het hun éigen verhaal. Want Abraham zat in feite ook in de bal­lingschap in Ur der Chaldeeën. Als je zelf in de ballingschap zit, dan ga je vertellen over iemand, die ook in de ballingschap zit. Dan zie je hoe dichtbij dat is, hoe herken­baar dat is. In dit ver­haal kun je jezelf terugvinden.

De eerste uittocht

Het verhaal van Abraham is in feite de eerste uittocht. De uit­tocht uit Ur, uit het oer-land, uit Babel. Diebner, een Duits oudtes­ta­men­­ticus heeft dit schitterend uitgewerkt. Hij zegt: de eerste twee bijbelboeken be­schrijven allebei een uittocht. Van het tweede bij­bel­boek is dat al­ge­meen bekend. Dat heet dan ook in onze ver­ta­ling het boek Exodus, wat uittocht betekent. Maar het eerste bij­belboek beschrijft ook een uittocht. Dat is vaak wat minder be­kend. Juist van die twee kanten komen ook de ballingen naar het Be­loof­de Land. Vanuit Mesopotamië, noord en oost, en vanuit Egyp­te, vanuit het zuidwesten. Die twee uittochten vormen samen dat complete beeld van het volk, dat wordt uitgeleid. En als je daar dan die beroemde tekst uit Jesaja 19 tegenaan legt, dan gaat het beeld helemaal kloppen. «Omdat de HERE der heerscharen het gezegend heeft met de woor­den: Geze­gend zij mijn volk Egypte en het werk mijner handen, As­sur, en mijn erfdeel Is­ra­ël».  Jes.19:25. En ook: «Te dien dage zal er een heerbaan wezen van Egypte naar Assur, en Assur zal in Egypte komen en Egypte in Assur. En Egypte zal met Assur (de HERE) die­nen. Te dien dage zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assur, een zegen in het midden der aarde».  Jes.19:23:24

Israël in het midden als een zegen

Aan de ene kant Assur, aan de andere kant Egypte; daar heb je de twee uittochten en dan in het midden Israël als een berakhah, als een zegen. Assur is hier dus identiek met Babel, het Twee­-Stro­menland. In Mesopo­tamië zijn de diverse wereldrijken el­kaar op­gevolgd. Eerst had je Assur, daarna Babel. Je ziet dus, dat hier in Jesaja de zaak wordt gecompri­meerd. Er zal een heerbaan wezen tussen Egypte en Assur, die die twee landen bij elkaar zal bren­gen. Egypte en Assur zullen dienen (niet “de Here”). Ze zullen dienst­baar zijn. Op zich is dat al heel markant, die groot­machten zijn nooit gewend geweest om te dienen; die waren meer be­dreven in het heersen.

Assur was ook ‘het werk van Gods handen’. En Hij zal niet la­ten varen de werken van zijn handen, daar hoorde Assur dus ken­nelijk ook bij. “Israël de derde”. In dit verband is dat geen rangorde. Dat gaat in veel bijbeltek­sten niet zo direct op. Dan zou je weer te veel gaan denken in meer of minder. In deze tekst zou je eerder zeggen: de derde is degene, die de zaak compleet maakt. De rabbijnen doen dat veel: ze nemen twee teksten en dan een ‘inter­tekst’ om die twee teksten bij elkaar te brengen. Je zou zeggen: Assur en Egyp­te hebben gewoon een bindmiddel nodig. Zonder dat bindmiddel blijft het los zand. Die derde vormt als het ware de hand, die de eer­ste twee samenpakt. Je kunt niet zomaar een stel volken in één zaal bij elkaar zetten en zeg­gen: zo, nu zijn jullie één, dat werkt niet. Dat werkt in ge­meenten ook niet. Zo komen we via Jesaja in Ge­nesis te­recht. Zo hebben ze het ook aan elkaar verteld. In Genesis 12 horen we dus over de roeping van Abraham. Eigenlijk moet je al beginnen in Ge­ne­sis 11:27.

De toledot

«En dit zijn de toledot (verwekkingen) van Terach. Terach verwekte Abraham, Nachor en Haran, en Haran verwekte Lot».  Gen.11:27. Het hele boek Genesis is gestructureerd op dat woord toledot. Dat kun je vertalen door: nakomelingen, geschiedenis, verwekkingen, geboorten. Verwekkingen heeft dus te maken met vaders, die zonen verwek­ken. Het woord toledot wordt bekeken vanuit de vader; de verta­ling geboor­ten is dus eigenlijk minder juist. Bekijk je het vanuit de zonen, dan zijn het geboorten. Vanuit de vaders gezien kun je zeg­gen: die vaders krij­gen toekomst. Dat woord toledot is dus ei­gen­­lijk een toekomstbegrip. In heel Genesis gaat het er om: zal er toekomst zijn. Als er geen toledot zijn, is er geen toekomst. Dan wordt er dus niets verwekt.

De eerstgeborene, de centrale figuur

De eerstgeborene is in dat boek Genesis steeds de centrale figuur. In de gang van de verhalen is de eerstgeborene dus steeds een zoon. Toch zullen we zien, dat ook de dochters een heel be­lang­rijke rol spelen. In de eerste twee hoofdstukken van Exodus zijn niet alleen er 12 zonen, maar ook 12 dochters. De rabbijnen ver­tel­­­len in dit verband: Mozes ging op een gegeven ogenblik op zoek naar het gebeente van Jozef, dat moest mee uit Egypte. Mozes kon dat nergens meer vinden. Dan blijkt er nog een van de doch­ters te zijn, Serach, die weet nog waar het gebeente van Jozef te vinden is. Daar is dus een dochter de sleutelfiguur om het ge­been­te van de recht­vaardige terug te vinden. Een verhaal met een heel diepgaande zin. Zon­der dochters wordt de geschiedenis niet teruggevonden. Het gaat om die eerstgebore­ne, die bekhor. De vader wordt dan steeds voorge­­steld levend vòòr en nà de eerstgeborene.

Twee hoofddelen van het boek Genesis

Het gaat hier om twee hoofddelen van het boek Genesis.

A. 11:27 – 25:18. (vaders in relatie met zonen).

B. 25:19 – 37:1.   (zonen in relatie met broeders).

In die twee delen verschuift dus het accent. En de overgang krijg je in de gestalte van Isaak. Het woord Genesis betekent eigenlijk geboorte (het is een Grieks woord) of wording. Daarnaast heb je het woord gennèsis, wat verwekking bete­kent. Het Grieks heeft dus eigenlijk twee woor­den voor toledot.

De Ale­xandrijnse vertalers, die de Septuagint heb­­­­ben geschreven, de oud­ste bijbelvertaling, hebben als titel voor dit boek gekozen: Genesis. Ze hadden het boek ook Gennèsis kunnen noemen. Dat was mis­schien nog exacter geweest. Oorspronkelijk heette het boek, in het Hebreeuws, Beresjit, in den beginne. Het boek van het begin. En dan gaat het om ‘het begin dat komt’, het begin in ons mid­den. Ernst Bloch zegt: Genesis komt aan het eind.

Beresjit betekent: begin, beginsel, principe. Genesis is dus ook het boek van het grondprincipe. Daar heb je de basisprin­cipes van de hele ge­schie­denis.

«En deze zijn de toledot van Terach».  Gen. 11:27

De verwekkingen van Terach

De verwekkingen van Terach. Het opmerkelijke is, dat er nergens in Genesis staat: “En dit zijn de verwekkingen van Abraham”. En wel om twee redenen: die verwekkingen van Abraham waren nu juist het probleem. In de tweede plaats wordt het hele leven van Abraham gemarkeerd door de breuk met zijn vader. Daarom wordt zijn verhaal verteld onder dit opschrift: toledot Terach. Dat wordt juist het verhaal: Abraham gaat uit het huis van zijn vader. Dus die naam Terach staat er meteen als een soort sig­naal. Zo van: wat zal hij doen ten opzichte van zijn vaderhuis. «Terach verwekte Abram, Nachor en Haran, en Haran verwekte Lot». Gen.11:27. Vanuit Terach zijn er drie vertakkingen, en die drie geven al met­een de koers aan. Dan weet je hoe het verhaal gaat lopen. Je denkt: we krijgen dus drie verhalen. We komen nu op een prach­tig staal­tje van Hebreeuw­se vertelkunst. Fokkelman heeft op het volgende gewezen. Wanneer de verteller drie draden heeft, heeft hij dus drie verteldraden. Hoe ga je die drie draden nu uitwer­ken? Vaak gaat de verteller als volgt te werk. Hij pakt eerst één draad, hier de draad van Haran. «En Haran verwekte Lot».  Gen. 11:27. Daarmee is het verhaal van Haran bijna uitverteld, want er wordt alleen nog even gezegd:

«En Haran stierf».  Gen.11:28

Hiermee wordt deze verteldraad dus afgehecht. Dan verschuift het naar Lot. En Lot hebben we nodig, want die moet straks zijn rol spelen naast Abraham, daarom moeten we Lot alvast in beeld hebben.

«En Abraham en Nachor namen zich vrouwen».  Gen.11:29

Nu hebben we dus nog twee verteldraden: Abraham en Nachor. «Sara nu was onvruchtbaar».  Gen.11:30

Het lijkt nu of die draad van Nachor ook wordt afgehecht. Alleen, hele­maal aan het eind, als over Abraham eigenlijk alles al is ge­zegd, zien we: «Hierna werd aan Abraham bericht: Zie, ook Milka heeft Nachor, uw broeder, zonen gebaard».  Gen. 22:20. Letterlijk«Het geschiedde na deze woorden, toen werd gemeld aan Abra­ham…..». Het frappante is dus, dat in Genesis 22:20-24 de hele lijn van Na­chor weer te voorschijn komt. Waarom zet de verteller de ver­wek­kingen van Haran en Lot meteen in Genesis 11 en de ver­wek­kin­gen van Nachor pas in Genesis 22? Daar lees je ineens te mid­den van al die namen:

«En Betuël verwekte Rebekka».  Gen.22:23

«En ook zijn bijvrouw….baarde».  Gen.22:24

Dat woord bijvrouw duidt naar alle waarschijnlijkheid op een vrouw die werd uitgehuwelijkt, maar die in het huis van haar va­der bleef wonen. Het was eigenlijk een soort LAT-relatie. De man moest die vrouw dan wel onderhouden. We hebben dus de draad van Haran gehad, die uit­loopt op Lot. Die andere draad wordt tot een soort kader. Het hele Abra­­ham-verhaal begint en eindigt met wat wij dan een geslachts­re­gister noemen. Het begint met Gene­sis 11:27-32. En aan de andere kant Genesis 22:20-24. Daarbin­nen wordt dat hele verhaal over Abraham verteld. «En Haran stierf bij het leven van zijn vader».  Gen. 11:28. Letterlijk: «Voor het aangezicht van zijn vader».

Er is dus sprake van een màn Haran en een stàd Charan. In de ver­­ta­lin­gen is dat verschil in schrijfwijze verdwenen. Vers 28 ver­meldt nog, dat Haran stierf in zijn geboorteland, in het ‘land van zijn verwekking’. Daar heb je dat woord, dat la­ter bij de roeping van Abraham weer te­rug­komt: ga uit uw geboor­tegrond. (vertaald met maagschap).

De aartsmoeders waren onvruchtbaar

«Sara nu was onvruchtbaar; zij had geen kinderen».  Gen.11:30

Al die aartsmoeders waren onvruchtbaar.

Buber spreekt van ‘Wur­­zel-verstockt’.

De wortel van haar bestaan was dood. In onze taal kennen we de uitdrukking: ‘ten dode opgeschreven’. Merkwaardig, dat er niet de uitdrukking is: ‘ten leven opgeschre­ven’. Zo zie je, dat de taal soms heel negatief is beïnvloed. De Jo­den zeggen bij het Nieuwjaar het gebed:

‘Schrijf ons in ten leven’.

Al die aartsmoeders waren dus onvruchtbaar. Het gaat om de toe­­komst. Maar die toekomst lijkt steeds weer een gesloten boek. Het is de toe­komst waar het in Genesis om gaat, waar het in heel de Schrift om gaat. Die toekomst is niet zomaar vanzelfsprekend. Die moet van boven ko­men; als het niet van boven komt, komt het ook niet. Dat is niet een kwes­tie van productie of van plan­ning, van: wij maken het wel. De toe­komst is niet ‘maakbaar’. Die toekomst komt niet vanuit de natuurlijke lijn der geslachten, van­­uit de potentie. «Niet uit de wil van het vlees, niet uit de wil van de man, maar uit God». Joh.1:13. Die man kan wel van alles willen en van alles produceren, maar hij kan het niet maken. Een soortgelijk beeld zien we bij die aman­deltak bij Je­remia en bij die staf van Aäron, die ging bloe­i­en. Na de dood, na de win­­ter komt er weer nieuw leven. De winter is vaak het beeld van de dood, van de ballingschap. Die ballingen hebben dit elkaar ook verteld. Zie in dit verband:

Een rots en een steengroeve

«Hoort naar Mij, gij die de gerechtigheid najaagt, gij die de HERE zoekt. Aan­schouwt de rots waaruit gij gehouwen zijt, en de holte van de put waaruit gij gegraven zijt; aanschouwt Abraham, uw va­der, en Sara, die u baarde, want Ik riep hem als eenling en Ik ze­gen­de hem en Ik vermenigvul­digde hem». Jes.51:1 Het is net of er dan een vonk overspringt, wat zo mooi staat in dat prach­tige lied:

“De vonken van uw naam zijn ogen in ons hart”. Te midden van dat doodsgebied, via de ballingschap komt er nieuw le­ven. Die mensen in Babel leefden ook met de gedachte: wij zijn met z’n allen on­vruchtbaar. We zijn niet in staat om een uittocht voort te bren­gen, om een nieuw volk te verwekken. In bo­­venstaande tekst wordt Abra­ham dus een eenling genoemd. Hij wordt vergeleken met een rots en Sara wordt vergeleken met de holte van een put. Daar heb je hele­maal het beeld. Dan zegt de profeet tegen die ballingen in Babel, want daar gaat het in heel dat verband van Jesaja 5l over: kijk eens naar Abra­ham, dat was eigenlijk ook een dode steenrots, daar kon niets uit groe­i­en, maar het is wel tot een volk geworden. Kijk eens naar Sara: al­leen maar een holle put. En toch: zij heeft u gebaard. Sara wordt vergeleken met een soort steen­groeve. Kijk naar de rots, waaruit je gehakt bent. Chouraqui zegt: de hamer in de put, waaruit gij getrokken zijt. Dat He­breeuwse woord kan zowel holte als hamer betekenen. God heeft als het ware Abraham en Sara genomen en uit die rots is Hij zonen gaan hak­ken. Dat is hetzelfde beeld als wat ook Johan­nes de Doper gebruikt: God kan ook uit deze stenen kinderen van Abra­ham verwekken. Abraham en Sara: een rots en een steengroeve. God hakt daar zo­­nen uit. En dan zie je, hoe juist de profeten dat verhaal van Abra­ham genomen hebben als modelverhaal.

«En Terach nam zijn zoon Abram en Lot, de zoon van Haran, zijn kleinzoon, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram; en hij deed hen weg­trekken uit Ur der Chaldeeen om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwa­men te Haran en bleven daar».  Gen.11:31

Vader Terach neemt dus het initiatief. Hij neemt heel de familie mee. Beter vertaald: «Zij trokken met hem uit Ur der Chaldeeën».

Er is een oud rabbijns verhaal, dat wil verklaren, waarom Terach weg­ging. Je kunt natuurlijk zeggen: het waren nomaden en die gaan nu en dan op zoek naar nieuwe weidegrond. En toch, zeg­gen de rab­bijnen, er zat iets meer achter.

 De godenwinkel van Terach

Vader Terach had een godenwinkel. Hij verkocht allerlei godenbeelden. Maar Abram geloofde er al niet meer in. Op een dag moet Te­rach op zaken­reis en Abram moet die dag in de winkel staan. Er komt dan een vrouw de winkel binnen en die informeert naar de prijs van een beeld. Abram kijkt die vrouw aan en zegt: mag ik u iets vragen? Jawel, zegt die vrouw. Hoe oud bent u, vraagt Abram. Ik ben 43. Nou, zegt Abram, dat is ook wat, dat beeld dat u wilt ko­pen is net drie maanden oud. Wilt u nou als een vrouw van 43 gaan buigen voor een beeld, dat nog maar drie maanden is? Dat zou ik niet doen. De vrouw is helemaal verbouwereerd en ze gaat de win­kel uit. Even later komt er weer een klant en het gaat op dezelfde manier. En na een poos­je staat Abram zo achter de toon­bank en denkt: wat doe ik hier nou eigen­lijk? Hij pakt een grote stok, gaat naar de etalage en slaat alle go­den­beelden kort en klein, behalve de grootste en die geeft hij de stok in handen. En als ‘s avonds Terach thuiskomt, ziet hij de ravage. Hij gaat naar zijn zoon Abram en zegt: wat is er nou toch gebeurd?! Ja vader, zegt Abram, ik kon het ook niet helpen, de goden kregen ruzie en ze zijn gaan vechten en kijk, de groot­­ste heeft het gewonnen. Die goden zijn ook niet wijs, zegt Terach. Hé, zegt Abram, vader, hoor je nou wat je zegt? Vanaf die dag had Terach zich onmogelijk gemaakt, ze konden daar niet langer blijven wonen. Het gerucht verspreidde zich heel snel: daar in huize Terach ge­loven ze er niet meer in. Die zijn athe­ïst geworden. Die geloven alleen nog in de Naam.

Nimrod en Abram

En het oude verhaal van de rabbijnen zegt: Nimrod was in die tijd de baas. ‘Hij was een geweldig jager’, wordt gezegd in Genesis10. Nimrod was erg boos, dat er iemand in zijn rijk was, die niet meer geloofde in de goden.

En Nimrod roept Abram op het matje. Abram moet zeggen wat hij gelooft. Nim­­rod was de vertegen­woor­diger van al die goden in het Babylonische land. De naam Nimrod hangt ook samen met de god van de jacht: Ninurta.Nimrod zegt tegen Abram: laten we knielen voor het vuur. Toen zei Abram: laten we dan knielen voor het water, dat het vuur kan blus­sen. Dan zegt Nimrod: laten we knielen voor het water. Hierop zei Abram: la­ten we dan knielen voor de wolken, die het water dragen. En zo deden ze. Abram zei: als we dan eens knielden voor de wind, die de wolken uiteen jaagt. En zo gebeur­de. Toen zei Abram: laten we dan liever knielen voor de mens, die de wind draagt, want wind en geest is hetzelfde woord, roe­ach. Hierop zei Nimrod: jij speelt met woorden; wat mij betreft: ik zal mij voor niets en niemand neerbuigen dan voor het vuur en ik zal jou er mid­denin werpen. En laat dan die God, waar jij je voor neer­buigt maar komen en je uit het vuur red­den. Haran, de va­der van Lot stond er ook bij, maar die stond in tweestrijd. Hij zei bij zichzelf: hoe dan ook, als Abram wint, ben ik voor Abram. En als Nim­rod wint, zeg ik: ik ben voor Nimrod. Toen Abram uit de vurige oven kwam, goed en wel gered, zei men tot Ha­ran: van wie ben jij? Nou, zegt Haran, ik ben van Abram en ze grepen hem en ze wierpen hem ook in het vuur. Maar hij werd verschroeid en hij kwam eruit en hij stierf voor het aangezicht van Terach, zijn va­der. Kijk, zeggen de rabbijnen, daarom staat er in vers 28: en Ha­ran stierf voor het aangezicht van zijn va­der.

In de Amstelkerk in Amsterdam hebben ze daar een lied op ge­maakt

Het lied van Abrahem.

Ik zing een anti-godenlied

ik zing tegen het machtsgebied.

Hun monden zijn gesnoerd,

hun daadkracht is gebonden.

En hun regiem gevloerd,

de vrijheid wordt hervonden.

Je zult aan de goden ontstijgen

Abram, de goden zwijgen.

Ik zing tegen de vlammen in

het lied van de ont-tovering.

De hel zing ik aan stukken,

mijn lied is machtiger dan vuur.

Ik zing, en daarom slaat het uur

om voor geen god te bukken.

Intussen zit Haran ook in de vurige oven. Maar hij twijfelt altijd nog en zijn lied gaat zo:

Wat moet ik zingen in dit uur,

toch maar een lied voor vader vuur?

Of liever voor het water?

Waar is mijn tempel-liedboek nou,

ja hier, en nu een liedje gauw,

‘t is niet te zien, wat staat er?

De twijfel slaat weer toe,

waar ben ik aan begonnen?

Was ik de godsdienst moe,

heb ik mij wel bezonnen?

Je zult in je twijfel verzanden,

Haran, je zult verbranden.

Wat zong daarnet ook Abram weer,

ik weet het nu zo gauw niet meer.

Ik stik al van de hitte.

Hoe moet dat in die vlammengloed,

misschien is zingen toch niet goed.

en kan ik beter bidden….

De ont-goddelijking van de maangod

Abram was de eerste die zijn stem verhief tegen de goden. En daar be­gint te ont-tovering, de ont-goddelijking. Dat was voor Abram zeer in­grij­pend. In die oude, antieke gedachtewereld zat alles eigenlijk vol met goden. Daarom zijn ze op een gegeven ogen­­blik tempels gaan bouwen, om als het ware een plek uit te spa­ren. Dan heb je tenminste ook even een plek, waar je rust hebt aan je hoofd. Dan kun je die goden lokalise­ren, anders heb je die goden overal. Abram is de eerste, die eruit breekt, uit de cocon, uit de schaal. En dan is het niet meer een cirkel, maar een weg. Voor Abram was dat zeer ingrijpend. Een van de voor­naamste go­den in dat oude Mesopotamië was de maangod; dat was tegelijk de god van de vruchtbaarheid. Die maangod was de begeleider van de noma­den. Met de kudden trokken ze bij het zach­te maan­licht van de ene wei­de naar de andere. Die maangod had je dus als een soort bescherming nodig. En nu trekt Abram daar uit. Dan is hij de maangod kwijt en hij is tevens de god van de vrucht­baar­heid kwijt. En als je dan ook nog een vrouw hebt die onvrucht­baar is, zet je heel wat op het spel. In feite gaat hij daarmee alle sche­pen achter zich ver­bran­den.

«En de dagen (De Hebreeuwse mens denkt altijd in dagen) van Terach waren tweehonderd vijf jaar, en Terach stierf te Haran». Gen.11:32. Daarmee wordt ook Terach uit het verhaal ‘weggeschreven’. Dat Ha­ran werd dus een soort tussenstation op weg naar Kana­än. Ze gin­gen dus wel, alleen ze kwamen er niet. Zo ging het met de ballingen ook vaak: wel onderweg naar huis en toch het Be­loofde Land niet berei­ken.

Wie de getijden verzuimt, wordt door de tijd overspoeld

Een mooie uitspraak luidt:

“Wie de getijden verzuimt, wordt door de tijd overspoeld”.

De getijden, dat zijn het morgengebed, avondgebed, vesper, enzo­voort. Dat gevoel zal iedereen wel eens hebben: overspoeld wor­den door de tijd. Het is juist de bedoeling van de Torah, om de tijd te ordenen. En dat is vooral het geval in het boek Genesis. Als de tijd niet geor­dend wordt, krijg je een chaos. Daarom is het ook zo vreugdevol, dat er in het boek Openbaring staat: en de zee was niet meer.

Dan is de laatste chaos weg, de chaos wordt verbannen. Dat is ook de zin van de ban. Daar spreekt de Bijbel juist nogal eens over: het uitban­nen van de chaos, van de duisternis.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384917 bezoekers sinds 07-06-2010