De eerste eed van God – het juk wordt weggenomen

05-12-2013 door Dr. K.D. Goverts

Vier keer staat er in het boek Jesaja dat God gaat zweren bij Zichzelf.

De eerste tekst is Jesaja 14:24: ‘Adonai Tsebaoth nisjba, Hij heeft Zichzelf bezworen, Hij heeft Zichzelve vastgelegd’. Er staat eigenlijk: ‘indien niet, als het niet waar is’. Dat is de eed van God. Een eed begon vaak met de woor­den: ‘zo moge de Here mij doen, ja, Hij moge daar nog aan toe­voe­gen als ik niet…’ In vers 24 staat dus ‘indien niet’. “De HERE der heerscharen heeft gezworen: Voorwaar, zoals Ik gedacht heb, zó zal het geschieden, en zoals Ik besloten heb, zal het tot stand komen:”{Jes.14:24}.

Het woord gedacht is in het Hebreeuws damah en dat betekent ook ver­ge­lijken. Hier staat het in de pi’eelvorm: dimmiti. Dat woord wordt ook ver­taald met vergelijken: ‘Ik zal mij gelijkstellen aan de Allerhoogste’ (Jes.14:14). We zouden kunnen zeggen: nu gaan we terug in de taal. Ons hele leven is tenslotte een terugreis. George Steiner heeft eens gezegd: we kwamen op een plaats, waar we nog nooit geweest waren, maar het was een thuis­komst. Dat was ergens in Frankrijk, in een prachtig gebied, het leek wel het paradijs. We voelden ons daar meteen thuis. Het leek wel of we er altijd geweest waren. De dichter T.S. Elliott zei: aan het eind van al onze ver­ken­nings­toch­ten zul­len we terugkomen op de plaats waar we zijn begonnen. Een uitspraak van Yeats: als ik in de spiegel kijk, zie ik het gezicht dat ik had voordat de wereld werd gemaakt.  God zegt: kijk eens in de spiegel… wie was je eigenlijk? Je oorspronkelijke gezicht, zegt Jakobus, je ‘Genesis gezicht’. Damah is in het Akkadisch het woord damtu of dutu, dat ge­stal­te bete­kent. Het gaat erom welke vorm, welke gestalte iets heeft. Iets moet ge­stal­te krijgen. ‘Christus moet gestalte krijgen in ons’, zegt Paulus tegen de Galaten. ‘Ik heb weer ge­­boorteweeën, net zolang totdat Christus ge­stal­te in u heeft gekregen’. In onderstaande teksten heeft het woord gestalte verschillende beteke­nis­sen. In Jesaja 14:14 zegt de koning: ‘Ik zal mij gelijkstellen aan de Al­ler­hoog­ste’. Ik wil dezelfde gestalte hebben als Hij. Dat moet mijn gedaante wor­­den. In Jesaja 14:24 zegt de Eeuwige: Voorwaar, zoals Ik het gestalte heb ge­geven, zoals Ik het vorm heb gegeven, zo zal het geschieden. God gaat een gestalte maken en eigenlijk is die gestalte de Christus. God heeft maar één gestalte. God doet alles maar één keer; het hoeft ook geen tweede keer. ‘Ik zeg het één keer en dan hoor je het vanzelf wel twee keer’. Het krijgt gestalte, dat is de vorm die Ik eraan geef.  Het wonderlijke is dat het woord damah ook een keer voorkomt in Je­saja 10, waar Assur ook ongeveer iets dergelijks zegt. “Doch hij zelf bedoelt dit niet zó en zijn hart beraamt het niet zó, want hij heeft in de zin te verdelgen en talloze volken uit te roeien” {Jes.10:7} Hier is damah vertaald met bedoelen. Assur heeft ook een vormgeving. “Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart alzo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen, en uit te roeien niet weinige volken. SV.

Chouraqui: imaginer.

Hij heeft een imago, een beeldvorming. De Eeuwige zegt in Jesaja 14:24: we hebben Assur gehad (10:7), we heb­ben Babel gehad (14:14) en nu ben Ik aan de beurt. Zoals Ik gestalte heb gebracht, zo zal het zijn; maar ook: zo zal het ge­schieden. “De HERE der heerscharen heeft gezworen: Voorwaar, zoals Ik gedacht heb, zó zal het geschieden, en zoals Ik besloten heb, zal het tot stand komen: {Jes.14:24}. God zegt één woord: hajah (zijn). Hij is van al het zijnde, oorsprong en doel en zin. Hij hoeft alleen maar te zeggen ‘Ik ben’.

… en zoals Ik besloten (ja’atsti) heb, zal het tot stand komen: {Jes.14:24b}.

… en gelijk Ik beraadslaagd heb, het bestaan zal!  SV.

Chouraqui: conseillé. Zoals Ik het beraadslaagd (of: besloten) heb’.

De raad Gods en de geschie­de­nis vormen het­zelfde begrip

Het werkwoord ja‘ats is een van de sleutelwoorden bij Jesaja. Hiermee hangt ook samen het woord ‘etsah, de raad. Elliger heeft hier ook het een en ander over geschreven. De ‘etsah (raad) is het ‘Jesajaanse’ woord voor geschiedenis. De raad Gods en de geschie­de­nis vormen het­zelfde begrip. God schrijft ge­schiedenis en dat bete­kent ook, dat dat zijn raad is, het zijn de raadsbesluiten die Hij gaat uit­voe­ren. Dat is zijn planning, zijn strategie. Als je iets gaat uitstippelen, wordt dat geschie­de­nis. Geschiedenis en profetie horen ook bij elkaar. Ze hebben ook de­zelfde woordstam. ‘Ets = boom, geboomte. ‘Etsah is raad. In het laatste hoofdstuk van Openbaring staat: “Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren”{Op.22:2}. Dat is Gods geschiedenis. De geschiedenis is eigenlijk als een boom. De rab­bijnen zeggen ook: de mens is een boom. Daarom staat er in Deu­te­ro­no­mium 20, dat bij de inname van een stad, de bomen niet omgehakt mo­gen worden. Dat zijn de mensen, zeggen de rabbijnen.

De tsaddiq is als een boom, geplant (Hieronymus: overgeplant) aan waterstromen {Ps.1:3}. Dus die bomen vormen de geschiedenis van God. Dat is zijn park, dat is ‘de planting des Heren’. Het zijn bomen die vrucht dragen op hun tijd. Zij door­staan ook de verschillende seizoenen. Bloei in de zomer; het kleu­ren der bladeren in de herfst, zonder blad in de winter. ‘En toen begon de boom haar wake van vertrouwen’, zegt een gedicht. Vertrouwen dat het ooit weer lente zal worden. De seizoenen komen terug, maar de jaren niet. Een boom gaat ook door de winter heen, dat is de geschiedenis van God. ‘Nu ben ik nooit meer radeloos’, staat er in een gedicht van Vasalis.  Deze dichteres was een psychiater met een diep inzicht.‘Ik wilde dat ik langzaam leefde’, staat in een van haar gedichten. Een boom leeft ook langzaam, bomen hebben nooit haast. Een boom is een prachtig beeld van de geschie­de­nis. Een boom krijgt er elk jaar ook een ring bij, zo is de voortgaande ge­schiedenis van God

Gods raad staat altijd weer op

… zoals Ik raad gehouden heb, dat zal overeind staan, dat zal opstaan, tot stand komen. {Jes.14:24}.Hier staat het werkwoord kum, opstaan. Gods raad staat altijd weer op, vaak dwars tegen al­les in; die zal ook opstaan in jou, in je hart, in je binnenste, ook al dacht je dat dat niet meer mogelijk was.

Niemand komt door dit seizoen

van de neergang en het einde.

Maar God maakt zijn boom weer groen,

Hij geeft bloesem in de lente.

Dat zegt Tom Naastepad over de Torah. Torah, gij oudste boom die God plant­­te op de aarde; de boom des levens. Die boom is de geschiedenis, die boom is Gods raad.

Het juk en de last zullen wijken

Ik ga Assur in mijn land verbreken en het op mijn bergen vertreden; dan zal zijn juk van hen worden weggenomen (we sar – wijken zal zijn juk) en weg­ge­no­men de last van hun schouder (jasur – en zijn last zal wijken) – Jes.14:25. God zegt tegen Assur dat het in Gods land moet komen. Als Assur dan in Gods land is, wordt zijn macht ge­bro­­ken. Assur denkt dat het een grote overwinning zal behalen en dat hij mo­numenten kan oprichten met inscripties, zoals ‘Assur, het machtigste koninkrijk!’ De macht van Assur wordt echter gebroken.

In vers 25 staat twee keer het woord wijken:

1. wesar: wijken zal zijn juk

2. jasur: en zijn last zal wijken.

We zien hier een prachtige vorm van een chiasme.

De onderdrukten hadden altijd weer het gevoel dat ze meteen werden neergedrukt als ze overeind probeerden te krabbelen. Met een zwaar juk op je nek kom je niet zo makkelijk omhoog. Maar nu kunnen ze opeens rechtop gaan staan, wanhet juk is weg en de last is verdwenen. Wat zou er toch met Assur aan de hand zijn? Het lijkt wel of zijn tijd voorbij is. Je zou het kunnen vergelijken met het eind van de 2e wereldoorlog, toen de mensen tot hun grote ver­ba­zing ontdekten dat de bezetter weg was. Voorzich­tig gingen ze toen naar buiten, want ze konden het haast nog niet geloven. “Dit is het besluit (‘etsah – raad) dat gemaakt (die beraadslaagd) is over de gan­­se aarde (heel het land), en dit is de hand die uitgestrekt is over alle volken. {Jes.14:26}. Etsah (raad) is dus een sleutelwoord.‘Erets betekent zowel land als aarde.  God heeft een raad en zijn geschiedenis omvat de hele aarde en daar valt niets buiten. Dat is de cirkel die alles omvat. Raad en land hebben in deze tekst een parallelle betekenis. Heel de aarde, alle volkeren, daar valt niets buiten. Al die volkeren ho­ren erbij. Zij vallen binnen de geschiedenis van God. God schrijft zijn ver­haal. Profetie is eigenlijk ook geschiedenis, want dat heeft met elkaar te maken. “Want de HERE der heerscharen heeft een besluit genomen (beraadslaagd); wie zal het verijdelen (saboteren, verbreken)? En zijn hand is uitgestrekt; wie zal haar afwenden (doen terugkeren)? – vs.27. Jaats (v.24); ‘etsah (v.25), telkens komen deze woorden als een cadans in deze perikoop terug. Zo ook hier in vers 27: beraadslagen. ‘Wie zal haar afwenden’. Wie zal de hand van de Eeuwige kunnen afwe­ren! In de dogmatiek noemden ze dat ‘onwederstan­de­­lijke genade’. Welk mens zou God kunnen tegenhouden!  In deze perikoop staat dus de eerste eed. Als God vier keer een eed af­legt, is dat afdoende. Dat is zijn onweerstaanbare werk.

De eerste gemeente van dominee J. Visser (geb. 1911) was Midsland op Ter­­­­schelling. Hij oefende zijn stem op het strand en probeerde boven de bran­­ding uit te komen. In die tijd was er nog geen microfoon. Achtereenvolgens was hij predikant te Wartena (Friesland), Win­schoten (Gro­ningen 1946-1969). In 1961 bevestigde hij een huwelijk in de Grote Kerk te Dordrecht. De tekst luidde: Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal. (1 Tess.5:23). ‘En dan moogt ge daarbij weten, zoals Hij de schep­pingsorde in stand houdt, zoals Hij de wereld door vele nachten heeft doen heenkomen, zoals Hij de Christusgeest na menig kruis me­ni­ge wederopstanding heeft vergund, zo zal Hij ook jegens u trouw zijn’. In een preek uit 1953 staat: ‘dat is nu het geloof, dat God het eeuwig on­vergankelijk geestelijk fundament is van wereld en leven. En dat God eeuwig doende is op het fundament van zijn eeuwigheid’. Waarschijnlijk was dat overgenomen uit de preken van Van den Bergh – van Eysinga.  ‘God is eeuwig doende’; dat is het slot van Jesaja 14 (v. 24 – 27)

God zegt: Ik zal mijn werk doen op de hele aarde en onder alle volkeren. Dat is de eerste eed van God. Het juk van Assur wordt verbroken. Dat stond ook in Jesaja 9: ‘het juk dat hen drukte, de stang op zijn schouder hebt Gij verbroken’. Als Assur geen juk meer hoeft te zijn, kunnen ze ein­delijk mens worden. Jezus zegt in Mattheüs 11: “Neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht. {Matt.11:29,30}. Jezus heeft een beter juk. Hij heeft een juk dat je past. Kom bij Mij met je last. Als je voor een ander een juk moet zijn, dan heb je het zelf ook zwaar. Als Assur geen juk meer hoeft te zijn, kan het eindelijk wat anders wor­den. Als je zelf een juk moet zijn, dan houd je een ander onder de knoet. Je geeft allerlei opdrachten: je moet dit… en je moet dat… maar dan moet je dat streng blijven controleren en dat is een vermoeiende zaak.  Als je geen juk meer hoeft te zijn, kun je herder worden en het verlorene gaan zoeken. God is ook een Herder die het verlorene zoekt. De eerste eed is dus dat het juk wordt weggenomen. Daar begint het in ons leven dan ook mee: het juk wordt van de schouder afgenomen.

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384771 bezoekers sinds 07-06-2010