De brief van Paulus aan de Romenen Deel 7
23-08-2011 door Dr. K.D. GovertsVeeleer bevestigen wij de wet
Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet. – Rom.3:31.
Dat ‘bevestigen’ is een vaste uitdrukking in het rabbijnse denken. Je kunt een uitspraak bevestigen, dan verleen je daaraan rechtsgeldigheid. Paulus zegt: we zijn nu juist de Torah aan het bekrachtigen, we zetten er als het ware een zegel op, we zetten er een handtekening onder. Wij teÂkeÂnen voor de Torah, want juist daarin ook ligt heel de weg van de MessiÂas. Om het zwartwit te zeggen: als er geen Torah was geweest, had JeÂzus ook niet kunnen komen. Dan had Hij niets kunnen vervullen. Maar vanaf zijn 12e jaar is Hij bezig geweest met de Torah. “En Hij zeide tot hen: Waarom hebt gij naar Mij gezocht? Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen mijns Vaders?” – Luc.2:49.
Die dingen van de Vader moet je ook heel concreet zien. Van zijn 12e tot zijn 30e is hij bezig geweest met die ‘dingen’, met de gedachten van de Vader. Maar die gedachten haalde Hij uit de Torah. En dan wordt er geÂzegd: Hij ging volgens de gewoonte op de dag van de sabbat naar de syÂnagoge. Jezus heeft 18 jaar trouw de synagoge bezocht. Achttien jaar lang heeft Hij zitten ‘horen’. Al die 18 jaren heeft Hij de woorden van de Torah ingedronken en zich eigengemaakt. Dus Hij heeft die Torah niet buiten werking gesteld. Zonder de Torah was Hij nooit aan het kruis geÂgaan. Alles wat Hij gedaan heeft, zijn ontferming en zijn liefde tot het einÂde, was allemaal geworteld in de Torah. In de Torah stond ook hoe God de ware mens wilde hebben, daar stond ook in hoe God de mens van meet af aan gedacht heeft. Daarin stond heel het oorspronkelijke plan van God. En ook wat er nu en in de komende eeuwen gaat gebeuÂren, is allemaal vervulling van de Torah.
 Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één joÂta of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. – Matt.5:18.
 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geÂschied. – SV.
‘Eer alles zal zijn geschied’, het gaat dus allemaal geschieden, wat ook reeds vanaf Genesis is voorzegd. Ernst Bloch zegt zo mooi: Genesis komt aan het eind, Genesis hebben we nog tegoed. We mogen ons verÂheuÂgen op het boek Genesis; het boek Genesis zal nog in vervulling gaan. De eindtijd wordt Genesis-tijd. Zoals er ook gezegd is door EdÂmond Fleg: terug naar de toekomst! God denkt altijd vanuit het einde, vanÂuit de voleinding. God zet het einde aan het begin. Daarom is het Lam geslacht vóór de grondlegging der wereld. God denkt vanuit het einÂde; God laat die voleinding ons zien, omdat we daar naartoe gaan. Paulus zegt dus: we zijn steeds maar bezig om die Torah te bevestigen. De Torah zal helemaal tot geldigheid komen. Nu kan eindelijk de ToÂrah voluit gelden, nu hoef je er niets meer aan af te doen. Want zolang je in dat wettische denken zit, zit je nog steeds in dat denken van: misÂschien kunnen we er een beetje aan afdoen. Want die Torah is volgens het wettische denken in de praktijk zo verschrikkelijk zwaar, dat je hem graag een beetje relativeert. Is God misschien ook al tevreden, als ik er een béétje van terechtbreng? Ik moet toch ergens trachten over de sloot te komen, al is het maar met de hakken. Als je wettisch denkt, ben je dus altijd bezig à f te dingen, dan heb je een zuinig gezicht. Zo zegt Paulus dus aan het eind van Romeinen 3: we hoeven de Torah echt niet buiten werking te stellen. Want er is Eén geweest, die de Torah helemaal heeft vervuld. Hij heeft de Torah vervuld van het begin tot het einde en is er niet op af gaan dingen. Hij heeft heel de Torah gedragen, Hij is er helemaal in gaan staan; Hij is helemaal de Torah geworden. Zo heeft Hij de Torah ook helemaal bevestigd. Hij heeft hem helemaal doen gelden en gezegd: dit is nu de blauwdruk van God. Die Torah is mijn leven, zo wil Ik worden. Zoals Johannes 1 zegt: het Woord is vlees geÂworÂden en heeft onder ons gewoond. De rabbijnen zeggen ook: de Torah was er al vóór de schepping. Toen God de wereld ging scheppen, heeft Hij eerst in de Torah zitten lezen. Door de Torah heeft Hij de wereld geschapen. God denkt vanuit het einÂde. God heeft de Torah als het ware vóór zich; de rabbijnen zeggen: God leest dagelijks uit de Torah. In den beginne was het woord; namelijk het woord van de Torah.
Het boek van het leven
Er wordt ook gesproken van het ‘boek van het leven’. In dat boek staan al de verhalen van het leven Gods. Dat is geen boek met alleen maar naÂmen, het is niet een soort hemelse adressenlijst, maar het is een boek met verhalen. In het boek van het leven staat het verhaal van Abel, van AbraÂÂham, van Mozes, het verhaal van al die mensen die met God geÂleefd hebben.
Een jongetje van ongeveer zes jaar zat ergens als gast aan de maaltijd. Zijn vader was enige jaren geleden gestorven. Hij zei plotseling: mijn vader is niet in de hemel, want hij heeft in de gevangenis gezeten en dat wil Jezus niet. Er werd hem toen geantwoord: ja, er zijn wel meer menÂsen geweest die in de gevangenis hebben gezeten, maar toch in de heÂmel zijn gekomen. Een leeftijdgenootje die ook aan tafel zat, zei toen: als wij doodgaan, komt er van ons een verhaal in de bijbel. Dat is eigenlijk toch wel een mooie gedachte. Zo wordt de bijbel ook steeds dikker. Want elke keer als er iemand doodgaat, komt er een verÂhaal in de bijbel. Iedere keer dat we uit de bijbel voorlezen, gaat het steeds over mensen die al lang gestorven zijn en die toen kennelijk in de bijbel gekomen zijn. Als we doodgaan, komen we in de bijbel, dat is eiÂgenlijk een heel gezonde theologie.
Dat zijn dus ook allemaal verhalen die in het boek des levens komen. De gemeente komt ook samen om weer een verhaal te horen van God, een verhaal van God en mensen. Al die rabbijnen en al die chassidim hebÂben ook altijd weer verhalen verteld. Een mens leeft van verhalen. God is een God, die verhalen maakt en verhalen verzamelt. Verhalen van mensen die in Gods boek komen. Het zijn vaak verhalen van menÂsen die er op aarde niet eens mochten zijn. Mensen die op aarde nauÂwelijks een naam hadden. Maar bij God zijn ze bekend en hebben ze een naam, bij God hebben ze naam gemaakt. Die mensen hebben misÂschien geen bestaansrecht op aarde, maar ze hebben bestaansrecht in de hemel. Hun namen staan opgetekend in de hemelen. Zo mogen wij weten dat het verhaal van heel ons bestaan bij God terecht zal komen. God schrijft ook over ons zijn verhaal. Die verhalen zullen gehoord worden tot in het einde der tijden.
De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:
J. Bies
Schaperstraat 104
3317Â LR Dordrecht
Tel:078-6510685
Giro 1292693
E-mail jan.bies@kpnplanet.nl
- Prijzen zijn excl. Verzendkosten
- Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

