De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 24

06-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Eén lichaam en vele leden

Want, gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle de­zelfde werk­zaam­heden hebben, – Rom.12:4.

Je hebt dus één lichaam en vele leden.

Die leden hebben niet dezelfde ‘praxis’. zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk le­den ten opzichte van elkander. – Rom.12:5.

Alzo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden. – SV.

De gemeente is het lichaam van de Messias. Dat is niet een beeld, maar dat is werkelijkheid. Zoals Jezus een lichaam had, toen Hij op aarde wan­delde, zo heeft Hij nu ook een lichaam, waarin Hij zich manifesteert in deze wereld. Net zoals het lichaam van de Messias toen behandeld werd, vaak geteisterd en gesmaad, zo ondergaat het lichaam van de Messias nu hetzelfde lot. Dan gaat Paulus in vers 6 spreken over de gaven. Wij hebben nu gaven (charismata), onderscheiden naar de genade, die ons ge­geven is: – Rom.12:6.

Paulus is in vers 3 begonnen met het woord charis (genade) en die ge­na­de wordt dan in vers 6 verder uitgewerkt in charismata. Dus de ge­nade waaiert uit in de genadegaven. Die charismata zijn concrete ‘brok­jes genade’ zou je kunnen zeg­­gen. Iemand heeft eens gezegd: een charis­ma is een moment waarop een mens zijn angst te boven komt. In wezen zijn het allerlei angsten die een mens blokkeren, waardoor hij dan ook niet beschikbaar is voor de ander. Dan zit je opgesloten in je co­con. Een charisma is een moment waarop de angst wordt doorbroken en de mens zich kan geven. In die charismata is er dus een verschei­den­heid.

Charismata, onderscheiden naar de charis

Charismata (genadegaven), onderscheiden naar de charis (gena­de), zegt vers 6. Op die manier vorm je samen dat lichaam. Daarin weten de lid­maten hun plaats en hun functie in bescheidenheid, zoals in een orkest je ook een zinvolle afstemming op elkaar hebt. Niemand kan zeggen: ik ben de be­lang­rijkste of ik ben het geheel. In een ensemble zou dat al­leen maar versto­rend werken. Hoe zou het lichaam helemaal oog kunnen zijn, of een en al oor! En het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig. – 1 Kor.12:15.

Maar de leden van het lichaam moeten ook niet overbescheiden zijn. De voeten zijn onmisbaar om voort te gaan en de handen zijn onmisbaar om te handelen. Indien de voet zeggen zou: omdat ik niet de hand ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort hij daarom niet tot het lichaam? – 1 Kor.12:15.

We zien dat Paulus dat thema ook in 1 Korinte 12 aan de orde stelt. Al­leen is daar de volgorde andersom. Hier wordt eerst het lichaam ge­noemd en dan de gaven en in 1 Korinte 12 noemt Paulus eerst de gaven en vandaaruit komt hij op het aspect van het lichaam. Er is verscheidenheid in genadegaven, maar het is dezelfde Geest; – v.4. en er is verscheidenheid in bedieningen, maar het is dezelfde Here; – v.5. en er is verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt. – v.6. Maar aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen. – v.7. Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; – v.8. aan de een geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest; – v.9. aan de een werking van krachten, aan de ander profetie; aan de een het on­derscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een an­der vertolking van ton­gen. – v.10. Doch dit alles werkt één en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toe­deelt, gelijk Hij wil. – v.11. Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het li­chaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus; – v.12. want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, het­zij Grie­ken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt.  v.13. Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden. – v.14. 1 Kor.12:4-14.

Het hoort wel bij elkaar, want het is gekoppeld door het woord ‘want’ (v.12). De volgorde in 1 Korinte 12 is dus andersom. Dat kan in elk geval deze reden heb­ben: in 1 Korinte 12 gaat Paulus in op vragen vanuit de gemeente. Dat waren vragen over de uitingen van de Geest, over de pneumatica. Het probleem in Korinte was, dat ze alles op één kaart wilden zetten. Zo nam het spreken in tongen een wat al te grote plaats in. De andere ga­ven kwamen nauwelijks aan bod. Paulus knoopt daarbij aan en zegt: ja, maar er is nog wel iets meer. Bovendien was het gevaar in de gemeente van Korinte, dat het een soort egotrip werd. Als ik nu maar een fijne sa­menkomst heb, dan zit het wel goed. Een stuk enthousiasme waarbij dan weinig oog was voor de problemen van de ander. Niemand kwam op het idee om de ander eens tot zegen te zijn. Paulus zegt: als je nu in de gemeente komt, dan is een zekere bescheidenheid wel gepast. Er is niet één gave, nee, er zijn er veel meer. Er is een onderling aanvullende veelkleurigheid. En dan via het ant­woord op die vragen, komt Paulus bij het aspect van het lichaam en de leden. Hier in de Romeinenbrief gaat het net andersom. Alle leden zijn nodig en vanuit die gedachte zegt Paulus: elk lid heeft ook zijn specifieke in­breng. Zo komt de gemeente de vijandschappen te boven. Dat is name­lijk vaak het geval: als iemand ‘anders’ is, wordt hij vaak niet gewaar­deerd of ook niet geduld. Dan is daar geen ruimte voor. Juist in de ge­meente moet die vijandschap overwonnen worden door de verzoening. Samen één lichaam vormen, betekent ook het genezend bijeenhoren. Een li­chaam functioneert als een zinvol verband en bestaat niet uit losse ledematen. Dus als Paulus het over het lichaam heeft, dan bedoelt hij niet de kosmos, hij bedoelt niet een soort vrome voorzienigheid, waar je dan maar in moet berus­ten, maar een werkelijkheid. Het lichaam blaast, door lijden heen, de vijanden uit­een. Zo staat dat lichaam in een gebro­ken wereld. Te midden van die onvrede krijgt de gemeente het vaak zwaar te verduren. De gemeente lijdt met het oog op de toekomstige ver­­zoening.

Het verband tussen de charismata en de patèmata

Er is vaak een verband tussen de charismata en de patèmata, namelijk het lijden. Want de gemeente gaat door het lijden heen, door pijnlijke pe­rioden van teleurstelling en vertwijfeling. Soms word je teleurgesteld in men­sen of in jezelf, of in heel de geschiedenis. Je vraagt je af of er nu voor­uitgang in zit of niet. Dat is zeker het geval als je de situatie van dit mo­ment bekijkt; het christendom is tenslotte al 20 eeuwen oud. Soms wordt er heel oppervlakkig en optimistisch gedaan, in de zin van: nu, aan het eind van de 20e eeuw zal het gaan gebeuren. Al deze verschijn­se­len en over­wegingen kun je noemen: het lijden aan de tijd, het lijden aan de ge­schiedenis. Dan blijkt er toch vaak een verband te zijn tussen het lij­den, de patèmata – misschien kunnen we beter spreken van de trau­mata, de verwondingen – en de charismata. De heerlijkheid ont­springt van­uit het lijden. De kwetsuren kunnen dan juist een bron worden van talen­ten. Dat is wellicht wat moeilijk te verstaan. De joodse denker Levinas zegt over het lijden: je kunt met het verleden twee dingen doen, je kunt het vergeten of God kan het vergeven. Maar vergeven is meer dan vergeten. Het is zelfs iets anders. Soms wordt dat toch wel als een valse tegenstel­ling geïnterpreteerd, namelijk dat je het verleden moet vergeten. Dat is één kant van de zaak, maar toch zit daar nog iets heel anders aan vast. Vergeven reikt veel dieper dan vergeten. Vergeven betekent, dat je be­vrijd wordt van het verleden. Maar dat betekent niet, dat het verleden er niet meer is. Het punt is juist, dat je het verleden niet kunt vergeten. Je wordt ook vaak weer met het verleden geconfronteerd. Vergeven is een meer radicale breuk met het verleden dan vergeten. Want in het verge­ven ga je het verleden hernemen. Je gaat het hernemen, maar dan op een andere manier. Het gaat erom, dat de angel eruit is. Het ver­leden wordt hernomen, het wordt bruikbaar gemaakt. Je zou haast zeg­gen: het wordt geïntegreerd. Een andere Joodse denker, Adorno, heeft over dit onderwerp ook diep na­­ge­dacht. Hoe ga je nu om met de problematiek en de vragen rondom Auschwitz? Hij heeft dan ook de vraag gesteld wat het ver­werken van het verleden nu betekent. Je wordt juist losgemaakt van het verleden door­dat je het herneemt. Niet door het te vergeten, dat zou een soort ‘kop in het zand’ methode zijn, doen alsof het er niet geweest is.Want vergeten leidt tot ballingschap, gedenken leidt tot verlossing. De westerse cultuur moet ook niet vergeten wat er gebeurd is. We moe­ten niet zeg­gen: niet meer aan denken, want het is al meer dan 60 jaar geleden. Wat er allemaal in de Tweede Wereldoorlog gebeurd is, moe­ten we nu maar als passé beschouwen. De 4e mei moet je ook maar niet meer geden­ken. De nieuwe generatie weet daar toch niets meer van. Bij gedenken wordt het verleden herno­men. Dan kun je het aan de ene kant achterlaten en aan de andere kant kan het heden vernieuwd worden, doordat je het verleden gedenkt. Dat heeft Israël in feite altijd gedaan met als kern: het ge­denken van de Paas­nacht. De Paas­nacht is in wezen het oergeheim van Israël. Dan ge­den­ken we, dat we slaven in Egypte waren. Die periode van slavernij moe­ten we bepaald niet vergeten, dat moe­ten we steeds weer hernemen. En juist als we het hernemen, wordt het vruchtbaar voor het heden. Het toekomstig ogen­blik is absoluut nieuw, maar het heeft wel de geschie­de­nis van het verle­den. Dat is een gegeven om eens over door te denken. Dan zie je ook de zin van wat de mens in het verleden heeft ervaren. Het ideaal is niet, om terug te gaan naar een soort blanco be­staan, waarin je niets beleefd hebt, maar waar die ervaring ook mee mag tellen. Dus zo is heel de geschiedenis toch zinvol en niet tever­geefs ge­weest.

Gezuiverd van een kwaad geweten

In Hebreeën 10 wordt gesproken van: gezuiverd van besef van kwaad. Er staat letterlijk: gezuiverd van een kwaad geweten. Maar ook dat is weer iets anders dan vergeten. Dat betekent dat het verleden niet meer als een last op je schouders drukt. Een woord, waar dat dan treffend door tot uitdrukking wordt gebracht, is het woord absolutie. Met het woord absolutie is een heel betekenisveld verwe­ven. Dat woord betekent letter­lijk, dat je ergens van losgemaakt wordt (Ab=vanaf; solu­tie=losmaking). Je wordt ontheven van de zwaarte van het verleden. Dit aspect wordt ook schitterend tot uitdrukking gebracht in een gebed van Tom Naastepad.In onze benauwing roepen wij tot U, Gij die de machten optilt uit hun zwaarte (de machten van schuld en kwaad kunnen soms zo lood­zwaar op een mens druk­ken) en ze doet verstuiven als kaf in de wind. Dat het leven opnieuw mag be­ginnen, omdat er een voorspreker is, een Hoge­pries­ter en een Rechtvaar­di­ge, die uit de dood is opgetreden tot bemid­de­ling voor uw troon. Die machten worden opgetild uit hun zwaarte, dat loodzware, dat als een loden last op je schouders kan drukken. Je krijgt absolutie en het won­derlijke is ook, dat het je wordt geschonken door de ander. Het betekent ook vrij­­spraak. Wat dat betreft, heeft men dat vanouds wel begrepen. Je hebt een ander nodig om jou vrij te spreken. Dat heeft ook te maken met die charismata.Dat is ook het oude geheim ge­weest van de biecht. Je kunt daar natuur­lijk heel negatief over spreken, maar de biecht heeft vanouds een heel the­rapeutische functie gehad. Je hebt immers de ander nodig om jou te ab­soluteren. Het moet je aangezegd worden; dat is trou­wens ook mede de functie van de prediking, dat daar iemand staat die het jou aanzegt. Je hoort dan als het ware een stem van de andere kant. Je hebt het altijd weer nodig om het te horen. Dan kun je niet zeg­gen: dat had ikzelf ook wel kunnen bedenken, ik kan het ook wel tegen mezelf zeggen.

De ambtelijke structuur in de bedieningen

Levinas zegt: je hebt het ook nodig dat je door een ander bekleed wordt. Zo word je ook bijvoorbeeld bekleed met een ambt. Hij noemt dat dan de investituur. Daar zit ook het woord vestus in, wat kleed betekent. Je wordt dus door een ander bekleed. Je kunt niet jezelf bekleden, althans geestelijk gezien niet. Je kunt jezelf ook nooit een ambt geven, dat wòrdt je gegeven. Dat is ook een heel wezenlijke ge­dach­te in het denken over het ambt. Het begrip ambt heeft iets heel ‘bijbels’ in zich. Wat dat betreft vind ik het toch wel jammer, dat we in verband hiermee allerlei oude gebruiken zijn kwijtgeraakt. We zijn dat in de zoge­naam­de vrije groepen ook alweer kwijtgeraakt, zoals zo veel dingen. Het ambt is er ook al niet meer. De enigen die  nog worden ingezegend zijn hoog­­stens voorgangers en zendelingen en bij de anderen wordt dat niet gedaan. Er wordt altijd gezegd: wij hebben een veel­heid van bedieningen, maar in de praktijk worden er maar twee soor­­ten mensen ingezegend. Zo zijn er ook slechts een paar gemeenten in Ne­der­land waar men diakenen heeft. Àls men dan wil spreken over een veelheid van bedieningen, dan moet men ook bedieningen erkennen en inzegenen en ze ambtelijk structuur geven. Daar heeft de mens ook recht op. Maar de praktijk is, dat je je eigen boontjes maar moet doppen. Wat dat betreft is dat ook een ver­ar­ming, een stuk balling­schap. Als je dan niet toevallig in de categorie voor­gangers of zendelin­gen valt, ben je dus niemand. Er wordt dan hoog­­­stens gezegd: we staan achter je en daar kun je het dan mee doen. Vandaar dat bijvoorbeeld het woord freelance mij ook als een vloek in de oren klinkt. Ik kan dat niet meer horen. Dergelijke kwesties zijn wellicht nog nooit aan de orde ge­steld. Bovendien is er ook geen instantie, waar je ze aan de orde kunt stel­len.

Het verband tussen charisma en attitude

Er is dus een verband tussen het lijden en de charismata. Paulus gaat zo allerlei mogelijkheden opnoemen: Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de genade, die ons gegeven is. Rom.12:6. profetie, naar gelang van ons geloof; wie dient, in het dienen; wie onderwijst, in het onderwijzen. – v.7. wie vermaant, in het vermanen; wie mededeelt, in eenvoud; wie leiding geeft, in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid. – v.8.

‘Wie dient, in het dienen’, in de zin van: laat er ruimte voor zijn. Ieder mag daar zijn met zijn eigen inbreng, met zijn eigen gezicht. Als je wilt pro­fe­teren, doe het dan naar je geloof. Dat is op zich natuur­lijk ook een merk­waardig punt, dat je profeteert naar de mate van je ge­loof. Daar zit dus ook een heel menselijk element in. Wat dat betreft mag dat ook een heel ontspannen zaak zijn. Dat wordt vaak heel kramp­achtig ge­maakt, voor­al in die zin, dat profetieën vaak dienen te beginnen met: zo zegt de Heer en ze eindigen ook vaak met: zo spreekt de Heer. Maar waar blijf je dan met de toetsing! Het krijgt dan het aureool van onfeil­baarheid. In de prak­tijk zie je echter, dat er vaak toch heel wat menselijke elementen in mee­spelen. Iemand die heel evangeliserend is ingesteld, heeft vaak pro­fetieën in de trant van: ga uit naar de heggen en steggen en brengt het evangelie. En iemand die heel veel bezig is met de weder­komst, zal al gauw profeteren in de trant van: de tijd is kort. En zie, Ik kom spoedig. Op zich is dat natuurlijk niet zo erg, alleen er speelt wel een men­selijk element in mee. Zo heb ik vaak meegemaakt, ook in de con­treien van Rot­terdam en Vlaardingen, dat je in de profetieën ook heel duidelijk het taaleigen van de streek hoort meeklinken. Dan hoor je bijvoor­beeld ook ‘ik doet’. Dan denk je: hé, weet de heilige Geest dan niet dat er bij ik geen t achter komt? God bedient zich van de mens ook met het taal­eigen van de streek. Dus de heilige Geest spreekt ook dialecten. In Dren­­te ben ik ook profetieën ‘tegengekomen’ in onvervalst Drents. Dat is na­tuur­lijk he­le­maal geen ramp, alleen je moet dat niet allemaal op reke­ning van de heilige Geest schrijven. Het zijn ook de menselijke eigenaar­digheden, die daar kennelijk in meespelen. Als het geloof van iemand nog niet op zo’n hoog niveau is, zal dat in zijn profeteren ook tot uiting komen. Profe­te­ren heeft daarom toch ook zijn beperkingen. ‘Wie dient, in het dienen; wie onderwijst, in het onderwijzen.’ – v.7. Je zou haast zeggen: hij bedient de Torah. ‘Wie vermaant, in het vermanen’. In het Grieks staat voor het woord vermanen parakario, dat eigenlijk ver­troosten, erbij roepen, betekent. ‘Wie mededeelt, in eenvoud’. Dat zijn dus allemaal bronnen die aangeboord worden. ‘Wie leiding geeft, in ijver’. ‘Wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid’.

Je zou kunnen zeggen: er is een verband tussen charisma en houding. Als een bepaalde gave zich wil kunnen ontplooien, dan moet daar ook een houding zijn, die daarbij past. Want als die houding, als die context er niet is, dan wordt dat charisma een plant zonder bodem. Telkens geeft Paulus een bepaalde voedingsbodem aan, waarop die plant kan groeien. De barmhartigheid moet opgroeien in blijmoedig­heid, de profe­tie moet op­groeien in een bodem van geloof, de onder­wijzing moet op­groei­en in de Torah. De vertroosting moet opgroei­en in een klimaat van mede­do­gen. Dat meedelen moet opgroeien in het kli­maat en op de bo­dem van de een­voud. Zo heeft iedere gave zijn bijbe­ho­rende context, zijn sfeer en on­der­grond. ‘Wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid’. Voor blijmoedigheid staat het woord hilariteit. Dat heeft bij ons wel een enigszins andere gevoelswaarde gekregen. Voor ons is het een wat vreem­­­­de koppeling, dat die barmhartigheid aanleiding zou geven tot hi­la­ri­teit. Je zou kunnen zeggen: de gaven zijn het water en de ambten zijn de kanalen waardoor dat water stroomt. De ambten geven structuur aan de gaven. De ambten zijn er niet om het charisma in te dammen, maar om het een stroombedding te geven. De ambten zijn niet bedoeld om je een stuk macht of tirannie te verlenen, maar om een klimaat te schep­pen, waar­in die gaven tot ontplooiing kunnen komen. Hierbij is niet ge­zegd dat de opsomming die Paulus hier geeft, compleet is, want in 1 Ko­rin­the 12 noemt hij ook nog andere gaven. Het gaat hier meer om een selectie van gaven. Paulus pakt er een aantal gaven uit en plaatst die in een zinvolle context. Zo mogen die gaven opbloeien.

Willem Barnard zegt in een lied:

Zoals uit het lijden van de Messias het leven opbloeit,

kiemen zij uit zijn graf,

zij bloeien uit zijn wonden.

Zij worden uitgezonden

de nacht uit in de dag.

Een eerbetoon met een diepere werkelijkheid

De liefde zij ongeveinsd. Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede. Rom.12:9.

Hier staat in feite geen werkwoord bij: ’de liefde ongeveinsd’. ‘Liefde niet hypocriet’ staat er letterlijk. Liefde zonder bijbedoelingen. ‘Gehecht aan het goede’. Letterlijk: ‘verkleefd aan het goede’. Daar staat een woord dat eigenlijk betekent: vastgelijmd. Dat woord wordt ook gebruikt in de verhouding tussen man en vrouw in Genesis 2.

Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld, Rom.12:10.

Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een den ander voor­gaande. – SV.

Hierbij moet je wel bedenken, dat het woord eerbetoon een diepere bete­kenis heeft dan ‘beleefd zijn’. Het heeft te maken met een innerlijk res­pect. En daarin wordt juist het schema van de wereld doorbroken. In de we­reld gaat men er altijd van uit: pas op voor de ander. Wees beleefd, want dan kun je wat bereiken. Zoals zo vaak ook in zakenrelaties wordt gezegd: je moet vriendelijk zijn tegenover je klanten. Je bereikt meer met beleefd­heid dan met iemand de waarheid te zeggen. Het eerbetoon waar in vers 10 over gesproken wordt, heeft dus te maken met eer geven, gewicht (kabod = gewicht, heerlijk­heid) toekennen aan de identiteit van de ander; je erkent de ander in zijn eigenheid. Niet de mentaliteit van: maak gebruik van de ander en wees op je hoede. De relaties in de we­reld zijn vaak alleen maar gebaseerd op wederzijds voor­­­deel. De ander wordt dan tot voorwerp gemaakt. Paulus roept in zijn betoog een totaal ander beeld op. De ander is bij Paulus van onein­dig gewicht. Dat is iets wat je ook in het denken van Levinas heel sterk tegenkomt. De ander spreekt mij aan en het leed van de ander doet een beroep op mijn verantwoordelijkheid. Het leed van de ander appelleert aan mijn zorgen voor de ander. Die ander is een op­dracht. Het aange­zicht van de ander is een vraag, de vraag: wat doe je met me? Het is een vraag waaraan je je niet kunt onttrekken. Hierin wordt dus dat eerbe­toon waarover Paulus het heeft, onder woorden ge­bracht. Een eerbetoon dat met een diepere werkelijkheid te maken heeft dan alleen maar uiter­lijke plichtplegin­gen. Dat is een eerbetoon waarbij je de ander de ruimte geeft om mens te zijn. Deze begrippen houden dan meteen in, dat er ook geen sprake kan zijn van goedkope vergeving. Levinas zegt in dit ver­band: ‘een wereld waar­­in goedkope vergeving wordt geschonken, wordt onmenselijk’. Bij ver­ge­­ving moet ook het leed van de slachtoffers geres­pec­teerd worden. Je kunt wel zeggen als iemand gekwetst is, dat hij de dader moet verge­ven, maar je kunt niet zomaar over de kwetsuren die hij heeft opgelo­pen, heenhuppelen. Ik kan geen vergeving van de ander eisen. Ik kan wel mijn eigen leed relati­ve­ren, maar niet het leed van een ander. Deze kwestie komt bijvoorbeeld ook naar voren bij de vrijlating van oorlogs­misdadigers. Dat probleem heeft bijvoorbeeld gespeeld bij ‘de drie van Breda’. Een mens moet vergeven, maar de vraag is vaak: hoe dan? Hoe moet die vergeving dan gestalte krijgen? En hoe zit het dan met het leed, dat de slachtoffers soms nog dagelijks on­dervinden? Dit probleem houdt ook verband met het bij­bel­se gegeven: oog om oog, tand om tand.

Vurig van geest of een bevroren hart

in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Here. – Rom.12:11.  Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere. SV. ‘In ijver onverdroten’. Er wordt in de Schrift ook heel wat gezegd over de ijver van God. Zoals bijvoorbeeld in Jesaja 9: Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtig­heid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen. – Jes.9:6.

Ook in de 10 woorden: ‘Ik, de HERE, uw God, ben een (na) ijverig God’. In die ijver zit dus ook het begrip van vasthoudendheid, van doorzet­tings­­vermogen.‘Vurig van geest’. Letterlijk kun je haast vertalen: ‘kokend van geest’. Niet die lauwe, onderkoelde houding. In dit verband is het dus een be­lang­­rijk gegeven, dat de geest van de mens weer moet ontvlammen. Een mens kan soms een bevroren hart hebben; het is alsof een deel van het hart van de mens niet meer meedoet, vaak veroorzaakt door allerlei pijn­lijke ervarin­gen. Dan is er nog maar een deel van het hart van de mens bij het leven betrokken. De ene helft van het hart kan nog zingen, maar de andere helft zingt niet meer mee.

Mikal kan niet meer dansen

In dat verband moest ik ook denken aan dat verhaal van Mikal, de doch­­ter van Saul en de vrouw van David. Over haar staat iets merk­waar­­digs geschreven in 2 Samuël 6. In dit gedeelte wordt dan van Mi­kal gezegd, dat ze niet mee kan doen als David gaat dansen. David die daar laaiend enthousiast voor de ark uit loopt te dansen. En David danste uit alle macht voor het aangezicht des HEREN; David nu was omgord met een linnen lijfrok. – 2 Sam.6:14. David en het gehele huis Israëls haalden de ark des HEREN, onder gejubel en hoorngeschal. – v.15.

David is in de wolken over het feit dat de ark weer terug is en dat hij weer teruggebracht wordt in het heiligdom. Maar dan zegt vers 16: Toen de ark des HEREN de stad Davids binnenkwam, keek Mikal, de dochter van Saul, door het venster en zag koning David huppelen en dansen voor het aangezicht des HEREN; en zij verachtte hem in haar hart.

En dan eindigt dat hoofdstuk met te zeggen: Mikal nu, de dochter van Saul, bleef kinderloos tot de dag van haar dood toe. v.23. Soms is dat een heel dankbaar onderwerp voor een preek. En dan wordt er gezegd: zie je wel, als je tegen lofprijzing bent, word je onvruchtbaar. Mikal had kritiek op dat dansen van David. Wee je gebeente als je kri­tiek hebt op het enthousiasme, want dan ben je meteen tot onvrucht­baar­­heid gedoemd. Maar dit is wel een heel bedenkelijke exe­gese. Dat heeft niets meer met bijbeluitleg te maken. Zo mag je zeker dit verhaal niet uit­­leggen. Als we dan even teruggaan in de geschiedenis van Mikal, dan kom je tot een heel andere ontdekking. Van Mikal wordt gezegd dat ze David liefhad. Dat is een heel unieke uit­­spraak, want hierbij is zij de enige vrouw in de bijbel, waarvan gezegd wordt dat zij haar man beminde. Meestal wordt dat in bijbelteksten an­dersom gezegd: de man bemint een vrouw. Mikal had David lief en zelfs zo, dat zij partij kiest voor David tegen haar eigen vader. Dat deed ze met alle risico’s vandien, zelfs zodanig, dat zij David liet ontsnappen uit haar huis, waarbij ze haar eigen leven op het spel zette. Maar op een gegeven moment wordt zij doodleuk van David afgepikt en door Saul aan een zekere Paltiël gegeven. Denk je eens even in wat dat voor Mikal betekend heeft! Toen brak haar hart. Ze wordt weg­ge­plukt van de man die ze liefheeft en aan wie ze haar hart heeft verpand. Mikal wordt ‘overgeplaatst’, zo ging dat in die dagen. Alleen, een aantal jaren later wordt ze opnieuw overgeplaatst, ze wordt afgepakt van Pal­tiël en dan moet ze weer naar David. En dan staat er zelfs dat Paltiël haar wenend achterna ging. Het wonderlijke is dat Pal­tiël tra­nen heeft, maar Mikal niet meer. Dan breekt haar hart als het ware voor de tweede keer. Ze moet weer bij David horen of ze dat nu wil of niet. Ook zond David boden tot Isboset, de zoon van Saul, met de boodschap: Geef mijn vrouw Mikal, die ik mij tot bruid verworven heb met honderd voorhuiden van Filistijnen. Toen liet Isboset haar van haar man, van Paltiël, de zoon van Laïs, weghalen. En haar man ging met haar mee; hij volgde haar, al wenend, tot Bachurim toe. Toen zeide Abner tot hem: Ga weg, keer terug. En hij keerde terug. 2 Sam.3:14-16.

Als je deze achtergrond nu kent, kun je begrijpen dat Mikal niet meer vu­rig van geest kon zijn. Dan zie je haar staan voor het raam als een een­zame gestalte. Dan denk je: het is geen wonder dat Mikal niet kan dan­sen. Mikal kan dat gehuppel en gespring van David niet meer aanzien! Hier speelt toch ook een groot verdriet in mee. En vanuit die pijn komt ook die ver­ach­ting. Dat kan ik dan ergens ook nog wel plaatsen. Als je altijd zelf ver­acht bent, dan ga je op de duur een ander ook ver­ach­ten. Dat is een soort spiegelreactie. Als er dan aan het eind staat: ze bleef kin­der­loos, tot de dag van haar dood, dan zie ik daar een heel andere ver­kla­ring in. Dan is dat volgens mij ook geen straf van God, hele­maal niet, dat stáát er ook niet, pertinent niet! Dan betekent dat volgens mij ge­woon, dat dat huwe­lijk niet meer functioneerde. Ze hebben elkaar nooit meer echt kun­nen ontmoeten. Ze leefden langs elkaar heen, dus con­creet gezegd: ze hadden ook geen ge­meenschap meer. Dat is psycho­logisch allemaal wel te verklaren. Vurig van geest’.  Er staat zo’n prachtig gebed in psalm 86: Verenig mijn hart. Kleijs Kroon zegt ergens: dat is de linkerhelft en de rechterhelft van je hart. Daar zit wel wat in. Hoe wordt de geest van de mens weer vurig? Dat kan alleen als ook dat bevroren gedeelte van het hart weer mee kan doen. Dat kan een langdurig proces zijn. Misschien zelfs wel een rouw­proces. Ook dat versteende deel van het hart moet zich weer leren uiten. Mensen hebben vaak geleerd om hun gevoelens weg te stop­pen. Dan zit je hart op slot. Je moet dan maar doen, alsof er niets ge­beurd is. Soms is dat ook met vergeven het geval. Je moet dan op commando ver­geven. Soms wordt er zelfs gezegd: je moet vergeven, want an­ders ko­men de folteraars in je leven. Dan krijg je de situatie dat mensen wel zeggen te ver­­geven, alleen zijn het dan vaak loze woorden. Dat is vergeven op be­vel. In wezen wil het hart dan niet meedoen. Levinas zegt: vergeven is iets anders dan vergeten. Vergeven gaat veel dieper. Vergeven bete­kent dat je het verle­den weer herneemt en het dan gaat verwerken. Dat is dus een zeer belangrijk aspect. Anders ga je proberen om op die versteende on­der­laag iets nieuws te bouwen.

Depressie is gestolde woede

Soms gaat er aan vergeven ook iets vooraf. Het kan zijn dat eerst ook de woede eruit moet. Je woede moet een uitweg kunnen vinden alvorens te kun­nen ver­geven. Mensen zitten soms vol met opgekropte agressie. Een uitspraak luidt: depressie is gestolde woede. Dat is woede die bevroren is. Soms moet dat er eerst uit. Het valt mij op, dat in de bijbel, speciaal in de psalmen, er zo vaak geroepen wordt! We zien dat ook in het boek Open­ba­ring, waar die zielen onder het altaar roepen: Hoelang wreekt Gij en richt Gij ons bloed niet. En dan vertaalt onze bijbel dat keurig met roe­pen, maar er staat eigenlijk: schreeuwen (escrasdo). Je hoeft niet eens veel Grieks te kennen om te horen, dat dit niet zo liefelijk en zacht klinkt. Dat is gewoon krassen en krijsen en schreeuwen. Soms moeten emoties er eerst uit, die moeten zich kun­nen ontladen. In de psalmen zie je dat soms ook staan: ik roep, ik schreeuw! Als je nagaat hoeveel woorden het Hebreeuws heeft voor roe­pen en voor schreeuwen, blijken dat er heel wat te zijn. Dat schreeuwen en roepen heeft vaak de functie van een stuk ver­wer­king. Vanuit een bepaalde erfenis in ons denken, weten we vaak niet goed raad met woede. Woede betekent dat je kokend van geest bent, nou dat is nogal wat! Dan zit je op het kookpunt. En dan denk je: o, maar dat mag niet! Want een christen is iemand die altijd gelijkmatig is. Maar dat is een Grieks ideaal, dat is het ideaal van de stoa, van de stoïcijnen. Je dient te allen tijde onbewogen te blijven. Je moet nooit uit de plooi ko­men. Je moet een eeuwige glimlach over je gezicht hebben. Dat was het ideaal van de stoïcijnen; alles moest egaal blijven. Een rimpelloos aange­zicht. Maar in de bijbel zie je, dat het er soms heel emotioneel aan toe gaat. Wij hebben dat alleen vaak óf wegvertaald, óf we hebben het weg­gestopt, óf we heb­ben er een draai aan gegeven. Jezus werd ook verbolgen bij het graf van Lazarus. Ook bij de tempelreiniging zien we, dat er flink wat emoties aan te pas kwamen. Dat ging er bepaald niet zachtzinnig aan toe. Van God wordt ook gesproken van ‘de gloed van zijn adem’. In het boek Openbaring wordt ge­sproken van ‘de toorn van het Lam’. Dat is een heel merkwaar­dige com­binatie. Al dat emotionele is vaak wegvertaald en weggerede­neerd, omdat dat niet van pas kwam. Aristoteles zei al: God is de onbe­wogen be­weger. God staat ver boven dat aards gewoel. We denken aan stad­hou­der Gallio, die op zijn rechterstoel was gezeten. Voor zijn rech­ter­stoel staan ze el­kaar bijna af te maken en dan staat er: Gallio trok zich niets van deze dingen aan.

En allen grepen Sostenes, de overste der synagoge, en zij sloegen hem vóór de rechterstoel; maar Gallio trok er zich niets van aan. – Hand.18:17.

Dat is typisch de stoïcijn. Gallio was ook familie van Seneca, ook een man van de stoa. Bij de stoïcijnen was het vertonen van emoties een te­ken van zwakte, dat was beneden je stand. Het ging alleen om de zui­vere rede. In het calvinisme worden aan de ene kant veel emoties onderdrukt, maar aan de andere kant zijn en waren er ook wel uitingen van emoties, vooral wat woede betreft. Vaak was dat ook een stuk opgekropte woede. Calvijn zelf was soms ook behoorlijk emotioneel. In de loop van de eeu­wen is het uiten van emoties ook vaak een kwestie geweest van cultuur. In evan­gelische kringen wordt vaak als ideaal gezien, dat een christen nooit boos wordt. Boos worden is zonde. Kleys Kroon spreekt van de creatieve woede in de bijbel. Een kunstenaar kan soms ook woedend wor­den, waarbij hij dan vaak zijn beste werken creëert. Dat heeft ook te maken met dat vurig zijn, dat kokend van geest zijn.

Blinde woede en be­heerste woede

Er bestaat blinde woede, waarbij er in het wilde weg op los geslagen wordt, maar je hebt ook woede die ergens op gericht wordt. Woede die zich richt op het recht. Een mens kan woedend worden over het onrecht en juist van daaruit zich inzetten voor het recht. Dat hebben de profe­ten ook gedaan. Een man als Amos kon ook woedend worden over het on­recht. Denk eens aan Mozes die de berg afkomt en de tafelen te plet­ter gooit, als hij dat gouden kalf ziet. Dan vliegen de stukken er let­terlijk af. In woede zit enorm veel energie. Waar een mens jarenlang zijn emoties onderdrukt, wordt hij ook van zijn energie beroofd. Al je ener­gie gaat dan zitten in het wegdrukken van je emoties.

Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan. – Ef.4:26.

De Statenvertaling heeft het anders vertaald: Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid.  SV.

Je mag dus toornig worden, alleen staat er bij, dat je het voor zonsonder­gang in orde moet maken. Anders kan die toorn worden tot een vuur dat blijft smeulen. Dan wordt toorn tot bitterheid, dan word je haat­dragend. Dan blijf je je wrok koesteren. Het kan er dus beter een keer uitkomen dan dat het blijft sudderen. Op zich is toornig zijn dus geen zonde. Van God wordt gezegd in psalm 7: God is een rechtvaardig Rechter  en een God, die te allen dage toornt. – Ps.7:12.Een heel merkwaardige tekst. Als je in woede of in toorn geraakt, kan dat naar twee kanten uitpakken. Het kan een blinde woede worden, of wat je zou kunnen noemen een be­heerste woede. De rabbijnen zeggen: je hebt in je inwendige mens twee neigingen: de jetser tov en de jetser ra’; de goede neiging en de kwade neiging. De jetser ra’ is in feite niet kwaad, maar daar zit veel meer de ambitie in, het streven om iets te bereiken. Als de mens alleen maar de jetser tov zou hebben, zoals dan de goede kant heet, dan zou er hele­maal nooit sprake van kunst zijn, geen handel, geen ondernemerschap. Niemand zou iets willen presteren of tot stand willen brengen. Dan had je een wereld vol met zoetsappige en zachtaardige mensen, die alleen maar lief zitten te zijn. Als niemand die jetser ra’ zou hebben, zouden er ook nooit ontdek­kingsreizigers zijn geweest, evenmin als architec­ten en uitvinders. Mensen met die jetser ra’ worden ergens door gedreven, die hebben een drift in zich. Het woord drift is bij ons meestal negatief gekleurd. Maar het woord drift heeft oorspronkelijk alleen maar te maken met drijven. Stel je voor dat er niets zou zijn, waardoor je gedreven werd, dan zou je ook nooit in beweging komen. Het woord drift heeft ook te maken met het woord motief, datgene wat jou motiveert, in beweging brengt. Dus al die woorden zijn van oorsprong in wezen heel positief of ambivalent, want je kunt er twee kanten mee op. Dat is met woede ook het geval. Je ziet ook, dat als een mens onder druk staat, hij soms tot veel meer in staat is dan normaal. Als iemand alle tijd heeft, dan presteert hij niet zo­veel. Maar als de tijd dringt, is hij soms tot grote dingen in staat. Ernst Bloch heeft ook gezegd: toorn is altijd toorn der hoop. Waarom wordt ie­mand woedend: omdat hij hoopt op iets anders. Daarom is het ook zo merkwaardig, dat Paulus dat er ook meteen aan vastkoppelt, want hij zegt dus eerst in vers 11: vurig van geest, dient de Here, en dan in vers 12: weest blijde in de hoop.

in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Here. – Rom.12:11.

Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere. SV.

Blijde in de hoop, volhardend in de verdrukking en vasthoudend in het gebed

Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed.  Rom.12:12.

Dus in vers 11 wordt het aspect van die ijver en van die vurigheid van geest genoemd. En in vers 12: weest blijde in de hoop. Hoop heeft ook al­tijd iets weerbaars. Hoop is vaak een gevecht tegen de hopeloosheid. Ho­pen doe je – zou je haast zeggen – tegen beter weten in. Hoop bete­kent het solidair zijn met de hopelozen. Hoop betekent ook, dat je je richt op de toekomst. In vers 12 staat er daarom meteen bij: ‘Geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed’. – Rom.12:12. Dat woord geduldig is eigenlijk een wat te passieve vertaling. Er staat let­terlijk een woord dat betekent: eronder blijven. Maar dat woord bete­kent ook volharden. Je zou dus ook kunnen vertalen: ‘Volhardend in de verdrukking en vasthoudend in het gebed’. Daar zit ook dat aspect in van de weerbaarheid, die dwars tegen de tijd in gaat. Zoals Willem Barnard zegt: laten wij zingen tegen de klippen op, tegen de lange duur van de dingen.

Het verschil tussen waarzeggerij en gedenken

Het heidendom heeft zijn waarzeggers. De Torah heeft altijd de waar­zeg­gerij ten strengste verboden. Op het eerste gehoor zou je zeggen: als er waarzeggers zijn, krijg je tenminste iets over de toekomst te horen. Te­gen Isra­ël werd altijd gezegd: geen waarzegger mag onder u gevon­den worden.

Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. – Deut.18:10.

In de Torah en in het gebod vind je een andere lijn, niet de lijn van het waar­zeggen, maar de lijn van het gedenken. Israël heeft altijd de op­dracht gekregen, niet om te proberen de toekomst uit te vorsen, maar om te gedenken. Gedenk de daden des Heren, zoals bij de Paasnacht ook gezegd wordt: gij zult gedenken. Daardoor wordt de toekomst ont­daan van de betovering. In waarzeggerij zit altijd iets van een beto­ve­ring. Nu weet je tenminste wat er komt, maar daardoor ben je helaas ook meteen vastgepind, beto­verd. Dan ben je ook als het ware helemaal gebiolo­geerd door de toe­komst. Maar in Israël zien we een heel andere lijn, de lijn van het geden­ken. Je gedenkt de uittocht uit Egypte en omdat je die uittocht gedenkt, zal de uittocht opnieuw gebeuren. Er zal wéér een uit­tocht komen. Wat je gedenkt, geeft ruimte voor de toe­komst. Je gedenkt het verleden met het oog op wat komt. Door dat ge­denken schep je ruimte, zodat God wat kan doen. Daarom staat er in Deuteronomium 16 dat je al de dagen van je leven die uittocht moet gedenken.

Gij zult daarbij geen gezuurd brood eten; zeven dagen zult gij daarbij onge­zuurde bro­den eten, brood der verdrukking, want overhaast zijt gij uit het land Egypte getrok­ken; opdat gij al de dagen uws levens de dag van uw uittocht uit het land Egypte ge­denkt. – Deut.15:3.

Gedenken leidt tot verlossing en vergeten leidt tot ballingschap. Dus je blijft gedenken, waardoor je bewaard wordt voor een gefixeerd zijn op gebeur­tenissen in de toekomst. Dat is ook het gevaar van veel eind­tijd­visies. Dan is men ook constant bezig om allerlei gebeur­te­nis­sen in de toekomst vast te leg­gen. Dan gebeurt er dit, dan gebeurt er dat, dan wordt de gemeente opgeno­men, dan gaat de gemeente door de ver­druk­king, dan gaat er dit gebeuren met Israël…. Op die manier word je toe­schouwer. Gedenken is echter wat anders. Je gedenkt de uittocht, je ge­denkt de daden van God en op die manier kan het opnieuw gebeuren. Zoals Walter Benjamin zo mooi zegt: dan is iedere seconde een poort waar­­­­­door de Messias kan binnenkomen. Elke seconde is een poort. Daar­om kun je de komst van de Messias ook niet berekenen. Wat zou je er ook aan hebben als je wist: Hij komt in het jaar…, vul maar in. Daar­om zeggen de profeten ook alleen maar: de tijd is nabij. En nabij be­te­kent: elke seconde kan het gebeuren. Dat is dus het verschil tussen waar­zeggerij en gedenken. Daarom die hoop, daarom dat volharden in de verdrukking en daarom ook dat vasthouden in het gebed. Want bid­den is daarom toch ook vooral: het aanhouden om het recht. Dan den­ken we aan die weduwe in Lucas 18.

Streep geen namen door!

Dat vasthouden in het gebed bete­kent daarom ook, dat je geen mensen afschrijft. Dat betekent ook, dat je de wereld en de schepping niet af­schrijft. Dat betekent ook, dat je bidt met het oog op die ander en je bidt natuurlijk ook nog met het oog op jezelf. Dat vasthouden in het gebed kun je ook vertalen als: vasthouden aan het gebed. Hoe meer je aan dat gebed vasthoudt, hoe meer je ervoor bewaard wordt om te denken, dat de we­reld toch niet gered kan worden. Vasthouden in het gebed bete­kent, dat je niet gelooft dat de wereld toch ten onder gaat. Boven een ar­tikel zag ik het opschrift: ‘streep geen namen door’. Dàt is nu het vast­hou­den in het gebed. Te snel wordt er vaak gezegd: met die persoon wordt het toch niets, houd maar op met voor hem te bidden. Te vlot wordt er gezegd: schud het stof maar van je voeten, werp geen parels voor de zwijnen. Vasthouden in het gebed en vasthouden aan het gebed.

Want als de gemeente niet bidt en als de gemeente niet vasthoudt, wie moet het dàn doen? Dat aanhouden betekent een beroep doen op God, Hem aanspreken als de God van het verbond. Frans Rosenzweig zegt heel treffend: als wij niet bidden om het Rijk in eeuwigheid, komt het Rijk er in eeuwigheid niet. Dat lijkt op dat voorbeeld uit Lucas 18 waar­bij die weduwe intreedt voor de rechtelozen. Hierbij dan het beeld van een onrechtvaardige rechter die zegt: ik bekommer mij om niemand, maar dat mens staat elke dag weer op de stoep. En daarom geeft hij toch toe. Straks komt zij me nog in het gezicht slaan, althans zo wordt het soms ver­taald. omdat deze weduwe het mij moeilijk maakt, haar recht verschaffen; anders komt zij mij ten slotte nog in het gezicht slaan. – Luc.18:5.

Nochtans, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke. – SV.

Toch zal ik die weduwe recht verschaffen omdat ze me last bezorgt. Anders blijft ze ein­deloos bij me komen en vliegt ze me nog aan. – NBV. Je kunt ook vertalen: ‘anders maakt ze me straks nog helemaal murw’. Jezus zou zeggen: zelfs als bidden zou stuiten op een gesloten hemel, dan geldt nog: niet ophouden! Doorgaan, want de arme heeft ‘recht op recht’. Daar zit ook dat aspect van die ijver in.

Legt u toe op de gastvrijheid

bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op de gastvrijheid.  Rom.12:13.

Je kunt ook vertalen: ‘deel hebbend aan de noden’. Daar zit het woord koi­no­nia in, dat ge­meenschap betekent. De nood van de een is de nood van de ander. ‘Legt u toe op de gastvrijheid’. Letterlijk: ‘jaagt naar de gastvrijheid’ (filosenia). Het woord filosenia bete­kent letterlijk: vriend­schap voor de vreemde­ling. De gastvrijheid is ook een van de oer­principes van de Torah. Dat zie je bijvoorbeeld in Genesis 18, waar die drie mannen bij Abra­ham komen en daar vorstelijk worden onthaald. Daartegenover zie je in Genesis 19 een van de kernzonden van So­dom: gebrek aan gastvrijheid. De engelen willen in eerste instantie zelfs nog op het plein overnachten. Alleen Lot is nog gastvrij. Dus de oer­deugd van Israël is de gastvrijheid. Dat staat ook zo mooi in Exo­dus: ‘jullie kennen de ziel van de vreem­deling, want jullie zijn vreemdelin­gen geweest in Egypte’. De vreemdeling zult gij niet benauwen, want gij kent de gemoedsgesteldheid van de vreem­deling, omdat gij vreemdelingen zijt geweest in het land Egypte.  Ex.23:9.

Vreemdelingen begrijpen elkaar. Dat is ook een punt dat toch van­daag de dag wel heel actueel is. Dat heeft ook alles te maken met die filosenia, de lief­de voor de vreemdeling. Maar die vreemdeling kan ook heel dicht­­bij zijn. Onder een vreemdeling kun je ook verstaan: iedereen die anders is dan je gewend bent. Dat kan in een gemeente soms al een moeilijke kwes­tie zijn. Gemeenten hebben vaak ook weer hun sub­cul­tuur. Als je dan een beetje anders doet dan ‘men’ gewend is, dan val je uit de boot. Je dient wel in het schema te passen.

Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet. – Rom.12:14.

Zegenen; dat is hier een heel nadrukkelijk begrip. Nietzsche zag hierin een uiting van zwakheid. In de zin van: je kunt je niet wreken en daar­om maak je maar van de nood een deugd en vergeef en zegen je dan maar. Maar de echte deugd is sterk, die houdt iets heel anders in. Wat hier bedoeld wordt, is niet halfzacht en onecht, maar zegenen is in feite ook: iemand de kracht van God meedelen. Dan ga je over iemand uitspreken wat hem tot zijn bestemming kan brengen. Dan blijf je niet staan bij de spie­gelreactie in de zin van: hij heeft een hekel aan mij, dus heb ik ook een hekel aan hem. Niet het met gelijke munt terug­betalen, maar daar bo­­ven­uit gaan, omdat je weet hebt van de wisseling van heerschappij, de overwinning van de Gekruisigde. Dus niet de ket­tingreactie heeft het laatste woord, maar de ketting­re­ac­tie wordt door­broken. Niet vervloe­ken in de zin van: ik zal je nog wel krijgen. Dat doet ook denken aan wat Jezus zegt in Matteüs 10:

Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slan­­­gen en arge­loos als duiven. – Matt.10:16.

Ik zend u als schapen onder de wolven. En let erop dat er dan staat: Ik zend u. Dus het is niet een soort noodlot in de zin van: als schapen zit je nu toevallig tussen de wolven. Nee, Ik zend u onder de wolven. Als een opdracht om daar een zending te vervullen. Om over de wolven te zege­vieren. Net zo lang tot de wolf met het lam zal ver­ke­ren. Over die wol­ven zegevieren, maar dan op een heel eigen manier, een andere manier. Niet door geweld, maar juist door die zegen. Niet de behoefte aan ver­gel­ding, maar de vrede uitspreken over de ander, in het vertrouwen dat de vervolger, de verdrukker, ook nog tot omkeer kan ko­men. Dat is dus inclusief denken. Ook deze mens mag er bij gaan horen, want hij is een bedrogen en zichzelf bedriegend mens. Een mis­leide handlanger van de boze. Hij is ook een mens die recht heeft op vrede, ook hij mag het evan­gelie horen. Ja, dat zegenen kan dan ook heel ont­wapenend wer­­ken.

Weest blijde met de blijden, weent met de wenenden

En dan zegt vers 15: Weest blijde met de blijden, weent met de wenenden. – Rom.12:15.

Dat is ook heel opmerkelijk, want vaak wordt dit gegeven precies an­ders­om toegepast. Het gaat hier om vreugde en leed. Moralisten wil­len dat nog wel eens omdraaien. NR.108. NR.109. Als je verdrietig bent, mag dat dan eigenlijk niet. En als je blij bent, mag dat eigenlijk ook niet. Daar komt het dan in wezen op neer. Ben je verdrietig, dan trekken we je een eindje omhoog. Ben je blij, dan duwen we je wel weer een eindje om­laag. Net alsof beide gemoedsuitingen verboden zijn. Maar hier wordt in wezen gezegd: als de an­der blij is, gun hem dat dan. Wees blij met de blijden en zit er dan niet over te grimmen. Als iemand verdrietig is, ga er dan ook niet in zitten peuren. Broeder, schijnt de zon alweer in uw leven? Nee, werd er toen gezegd, de zon schijnt niet in mijn leven. Dat is historisch. Dat werd te­gen iemand gezegd, die na 50 jaar huwelijk zijn vrouw moest verlie­zen. Een pastorale miskleun eersteklas. Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs. – Rom.12:16

Hier staat eigenlijk: op hetzelfde gericht, weest onder el­­kaar op het­zelf­de gericht, of: bedenkt hetzelfde. Want als er partij­schap­pen of kliek­vor­­ming optreedt, helpt het niet om te roepen: weest toch eensgezind! In de praktijk maak je dat ook nog wel eens mee. Als er dan problemen in een gemeente zijn, krijg je allemaal preken in de zin van: broeders, we moe­ten één zijn. Maar dat blijkt dan toch vaak niet zoveel resultaat te heb­ben. Je vraagt je af wat je zelf zou doen als je in een dergelijke situa­tie zou ver­keren. Het gaat hier dan toch om iets anders. Eensgezind be­te­kent: ge­richt zijn op hetzelfde. Dat berust niet op principes of regels. De­zelf­de gedachte vind je in een paralleltekst, en wel in Filippen­zen 2:

En de gestalte van een dienstknecht heeft aan­ge­nomen

Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was. – Filipp.2:5.

Weest erop gericht, dat Jezus de Messias werkelijkheid is. En dan volgt daarop in Filippenzen 2 die beroemde psalm: die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft ge­acht, – v.6. maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aan­genomen, en aan de mensen gelijk geworden is. – v.7. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is ge­hoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. – v.8. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, – v.9. opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, – v.10. en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!  Filipp.2:6-11.

Die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft ge­acht. – v.6.

Jezus was er niet op uit om gelijk te zijn aan God. maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aan­ge­nomen, en aan de mensen gelijk geworden is. – v.7.

Hij heeft de gestalte van een knecht aangenomen, Hij was mens onder de mensen, in de allerlaagste staat, in de vernedering en de gang in de vreemde. Dus dat is het aspect dat ook de praktijk van de gemeente zal horen te bepalen. Dat is de bereidheid om samen te zijn met de kleinen en de geringen. Je dient niet gefixeerd te zijn op je eigenbelang. Zolang er op die manier gediend wordt, is er ook eenheid. Want de Messias schenkt geen voorrechten. Hij heeft zich gegeven voor allen.

Gericht op eenheid

Het gaat er dus om, samen gericht te zijn op hetzelfde doel. Dat is de ‘neergang’ van God in de vreemde. Hij is de God die afdaalt. Hij daalt af tot in de kroch­ten van het menselijke bestaan. Die eensgezindheid bete­kent niet, dat je het over alles eens moet zijn. De gemeente is geen club van gelijk­gezinden of van geestverwanten. Het kan soms heel riskant zijn om te eisen dat we alle­maal precies gelijk moeten denken. Want waar trek je dan de grens?! Je krijgt dan weer allerlei leerstellingen die je moet onderte­ke­nen. Eerst dàn mag je lid worden, want anders ben je een ketter. Bij de rabbijnen leeft niet zozeer de gedachte: ben je orthodox, maar ben je or­thoprax. Niet zozeer: ben je zuiver in de leer, maar ben je recht in de daad. Je kunt orthodox zijn tot op het bot en dan met je orthodoxie an­de­ren om de oren slaan. Er is natuurlijk wel een eenheid nodig in denken en in geloof, een een­heid in verwachting, waar je met elkaar dan ook naar toe groeit. Dat heeft als maatstaf, wat gevonden wordt in de Torah en in de pro­feten, namelijk, dat je je in de Messias herkent. Gemeentezijn is vaak dan ook meer een kwestie van elkaar herkennen en van een groeien in kennis.

De new-agebeweging gaat ook van het standpunt uit: als we nu maar al­lemaal één zijn, dan ontstaat er een grote wereldreligie. Er was een the­o­loge uit Korea die ook op de Kirchentag zou spreken in Duitsland. De­ze theologe beweerde: de heilige Geest werkt ook in al die animis­ti­sche gods­­diensten en andere religies. Hier en daar hoor je ook over het inter-religieuze gesprek. Wees gericht op hetzelfde, dat is dan Jezus de Messias. Maar dan moet je je soms de vraag stellen: welke Jezus bedoel je?! Jezus zegt: wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt. Het gaat dus om de Jezus van de Schriften. In de bijbel wordt Jezus ook altijd gedefinieerd. Er wordt dan gesproken van Jezus de Messias, zoals de Schriften Hem hebben gete­kend. Jezus wandelde zelf ook aan de hand van de Torah en van de pro­feten. Ie­mand heeft eens gezegd: Jezus is niet los verkrijgbaar. Als je Jezus gaat losmaken van Torah en profeten, met name ook als je het zo­genaamde oude testament loslaat, dan kun je alle kanten op. Er zijn wel eens groepen geweest, die zeiden: als je nu maar eindeloos die naam ‘Jezus’ herhaalt, ‘kom je in de geest’. Maar dan wordt de naam Jezus echter een soort mantra. Dan wordt de naam ‘Jezus’ een formule, waarbij je ver­der niets meer hoeft te weten. Daar zit zelfs de gedachte ach­ter: je hoeft van de bijbel eigenlijk ook niet zoveel te weten. Dan lig­gen er na­tuurlijk allerlei gevaren op de loer. Het is toch wel belangrijk dat de mens weet wat hij gelooft. Het moet gaan om de Jezus zoals Te­nach en evangelie Hem on­derwijzen. Dat moet dan ook heel duidelijk af­ge­grensd worden tegeno­ver allerlei heidense vormen van denken. Want dat zat er in Israël na­tuur­lijk ook altijd al in. De Torah is ook een anti-heidens getuigenis. Dat ligt al in Genesis 1 besloten. Te midden van al die Babylonische en Egyp­tische godsdiensten moest geproclameerd wor­­den wat Israël ge­loof­de. Wij geloven dat er één God is. De Here, onze God, de Here is één. Wij geloven niet in al die goden en in zon, maan en sterren. Voor al die andere volkeren waren de zon, de maan en de sterren ook goden.

Kerksplitsingen en eenheidsstreven

Wat er speelt rondom die eensgezindheid in kerken en gemeenten, heeft natuurlijk altijd iets problematisch in zich. Je ziet vaak twee golfbewe­gin­gen. Aan de ene kant heb je de golfbeweging van een steeds verder zich afsplitsen. Ik las onlangs een artikel over professor K. Schil­der, de voorman van de zogenaamde Vrijmaking. Het is nu ongeveer zo’n 65 jaar geleden, namelijk in 1944, dat de Vrijmaking plaatsvond. Toen ont­stonden dus de ‘Gereformeer­de Kerken Vrijgemaakt’. Dat ging echt om de zuiverheid van de leer. Er ontstond toen dus ook een kerk, die hoog in het vaandel voerde: wij hèbben het; dit is de ware kerk! Dan denk je: heb je in 1944, in die barre oorlogsjaren, dan werkelijk niets anders aan je hoofd!

Die splitsing ging dan onder andere over het punt van de veronder­stel­de wedergeboorte. Moet je je in zo’n verschrikkelijke tijd daar dan mee bezighouden! Merkwaardig, dat je in die ellendige omstandigheden dan ook nog eens de zaak op de spits gaat drij­ven. Dergelijke gebeurtenissen zijn er natuurlijk vaak geweest in het Calvinisme. Op een gegeven mo­ment ontstond de Gereformeerde Ge­meen­te, vervolgens de Ge­re­for­meer­de Ge­meenten in Nederland. Dan zijn er ook nog de Gerefor­meer­de Gemeenten in Nederland Buiten Ver­band, we noemen ook nog de Oud Gere­formeerden in Neder­land. Ik heb wel eens op zondag op Urk gepreekt. Op zich is het dan heel in­drukwekkend als je ‘s zondags Urk binnenrijdt om te zien, hoe bijna heel Urk op de been is. Ze gaan dan allemaal naar de kerk, alleen lopen ze dan wel allemaal verschillende kanten op. Er zijn op Urk minstens 15 kerken die Gereformeerd of op Gereformeerde grondslag zijn. Soms krijg je dan ook nog, dat ze elkaar nauwelijks aankijken of erkennen. Dat is dan de ene kant. Aan de andere kant zie je ook een eenheidsstreven, waar dan vaak te pas en te onpas wordt gezegd: we moeten één zijn. Maar dat gaat dan vaak gepaard met verdoezeling van zaken die heel fundamenteel zijn. Wat dat betreft kan ik me wel een beetje vinden in wat Nico ter Linden ergens schreef: we moeten verschillen niet verdoezelen, maar ge­woon op tafel leg­gen. Hij had ook een keer een ontmoeting gehad met een col­lega, die zei: laten we nu maar niet praten over wat ons scheidt, maar al­leen maar praten over wat ons verbindt. Het antwoord van Nico ter Linden was: het lijkt me juist wèl goed om te praten over de zaken die ons schei­den. Er is mis­schien ook moed voor nodig om die zaken ter sprake te bren­gen. Wat dat betreft moet je toch de confrontatie aandur­ven gaan. Dat heeft toch ook te maken met dat werkelijk één zijn. De rabbijnen hebben wat dat betreft vaak een heel andere instelling. De rabbijnen kunnen van mening verschillen en toch elkaar vasthouden en respecteren. Men spreekt dan wel eens van conflicten hebben en toch elkaars hand vasthouden. Bij ons is vaak het probleem: òf we doen wa­ter bij de wijn en dan moet ie­dereen ook zoveel mógelijk water in de wijn doen, òf men huldigt het standpunt: ik eruit of jij eruit! Helaas is er dan vaak geen tussenweg. Een formu­le­ring in de oude kerkgeschie­de­nis drukte het aldus uit: je moet één zijn in de hoofdzaken, maar over de punten die niet zo direct beslissend zijn, mag je van mening verschillen.

Dan is het toch ook een uitdaging om wat dat betreft, de ander vast te hou­den. Helaas blijkt dat in de praktijk vaak een moeilijke zaak te zijn. In de loop van de tijd begint men vaak toch vrij gemakkelijk een nieuwe gemeente. Evert van der Pol heeft eens gezegd: mensen die één keer uit een gemeente gestapt zijn, stap­pen er de volgende keer nog mak­­kelijker uit. Die drempel wordt dan steeds lager. Ook in de zoge­naam­de vrije groepen stapt men vaak heel makkelijk over naar een an­de­re gemeente. Eerst krijg je dus dat het om vrij fundamentele zaken gaat. De volgende stap is dan, dat het vaak om detailkwesties gaat. Ook kan het geval zich voordoen, dat je min of meer een gemeente wordt uitgegooid. Ik heb mee­gemaakt dat je in be­paalde kringen steevast ge­tuigenissen tegen­kwam in deze vorm: vroe­ger zat ik in die en die ge­meente, daar kon ik het tenslotte toch niet helemaal vinden. Toen ben ik uit die gemeente ge­gaan en kwam ik in een gemeente waar de volle waar­­heid werd ver­kon­digd. En nu groeien wij samen met onze broeders en zusters op naar de volmaaktheid.

Dat is natuurlijk prachtig, maar in al die getuigenissen zat dan steevast die knik, dat het op een gegeven moment tot een breuk kwam. Dat was dan meestal de breuk tussen oud-Pinksteren en nieuw-Pinksteren. Dan werd er gezegd: het is net als met de letter V. Onderaan die letter ben je nog bij elkaar, maar gaandeweg groei je steeds verder uit elkaar als de poten van die letter V. Maar dit lijkt mij nu niet direct zo’n bijbels prin­cipe. Al horend naar de Torah en de profeten kun je op de een of andere ma­nier elkaar toch weer vinden. In het horen komt de eenheid. Rondom dat horen ontstaat dan vaak zoiets als een reünie. Rondom het woord blijkt er soms iets geboren te worden van een herkenning. Door die verdeeldheid verkeren we als het ware in een stuk balling­schap. Als je ziet waar de christenen in je eigen woonplaats allemaal heen gaan, zelfs als je alleen maar de vrije groepen in aanmerking neemt, kom je al gauw tot een respectabel aantal richtingen. Als je al die groepen zou bundelen, zou je toch wel een behoorlijk grote gemeente hebben. Niet direct omdat de macht van het getal hier dan een rol speelt. Door al die versnippering ontstaat er een stuk eenzaamheid, nog afgezien van de verspilling van mankracht en financiën. Stel, dat je één gemeente zou hebben, dan had je één gebouw, en een fulltime voorganger. Nu heb je al­lemaal kleine groepjes, die dan vaak geen voorganger kunnen betalen. Die groepjes moeten ook allemaal een zaaltje huren. Dat is natuurlijk ook een heel praktisch punt. In het jodendom sticht men heel gemakkelijk een synagoge. Men vindt het helemaal geen punt om een nieuwe synagoge te beginnen. De voor­waarde is dan, dat je tien man moet hebben om zo’n synagoge te begin­nen. Dan vraag je je af, waarom wij er dan zo’n punt van maken. Hier speelt dus toch ook in mee, dat er wel verschei­denheid mag zijn, an­ders dreigt ook weer het gevaar van een soort gees­telijke dictatuur. Waarom zou iedereen op dezelfde manier zich moeten laten struc­ture­ren? In de praktijk zie je dan, als groepen of kerken samengaan, dat men uit­gaat van een soort grootste gemene deler. Als je alle groepen in één zaal stopt, dan is er wel wat aanpassings­vermogen nodig. Dan krijg je dus dat er in de zangdienst één psalm wordt ge­zongen, een lied uit de Johan de Heer bundel, een lied uit Op­wekking, enzovoort. De een wil begeleid worden door een orgel en een ander vindt een drum­stel onmis­baar. De een wil doodstil zitten en anderen willen dansen. Dat hoeft dan ook niet allemaal dictatoriaal geregeld te worden, want dan krijg je een afknijpen van de veelkleurigheid. Er zijn er die het liefst psalmen zingen op hele noten, nou, daar heeft God ook geen problemen mee. Ieder mag op die manier ook zijn eigen creativiteit inbrengen. Heel vaak beginnen opwekkingsbewegingen vanuit de ontdekking dat men iets nieuws gevonden heeft. Uitgaande van die ontdekkingen wordt daar dan een gemeente omheen ge­bouwd. Men zegt dan: al die anderen hebben dat niet ontdekt, dus die zijn nog niet zover. Op die manier krijg je gauw weer een stuk veroor­de­ling. Een van de punten waarom we de bijbel lezen, is om genezen te worden van onze vooroordelen. Daarom staat er ook in vers 16: Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs. – Rom.12:16

Maar voegt u bij de eenvoudigen

Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs. – Rom.12:16

Je kunt dit ook vertalen: ‘Maar voegt u bij de eenvoudigen’. Of ook: ‘Maar voegt u bij de mensen in hun lage staat’. Of ook nog: ‘Laat je meenemen naar de eenvoudigen’. Weest niet eigenwijs. – Rom.12:16. Letterlijk: ‘Wordt niet eigenwijs bij jezelf’.

Anders raak je in een isolement. Laat je meenemen naar de eenvou­di­gen, want daar onderaan kun je God vinden. Pater Stanger van de vroe­ge­re Möttlingerbeweging placht dan te zeggen: die untersten Plätze sind immer frei. Bovenaan is het altijd rennen om een plekje te krijgen. Jezus zegt ook in Lucas 14: als je nu bij een maaltijd komt, ga dan acht­eraan zitten; misschien word je dan ook nog naar voren geroepen. Daar voor­aan is het allemaal dringen en concur­rentie. De voorste rijen in een samenkomst of kerkdienst zijn echter vaak niet be­zet. Je zou zeggen dat dat dan een teken van nederigheid is. Als je er­vóór staat, sta je eerst altijd over drie of vier rijen lege stoelen heen te pra­ten. Je kunt na­tuur­lijk ook zeggen: de laatsten zijn bij God de eersten. De ach­­tersten zijn dan degenen die onderaan zitten, degenen die dan vaak maat­schap­pelijk, sociaal, cultureel of religieus onderaan zitten. Dat wa­ren in de da­gen van Jezus bijvoorbeeld de tollenaars, de outcast.

Ter Schegget vertelt dat hij zich in 1945 als jongeman al verheugde op bijltjesdag. De bevrijding komt en nu gaan we afrekening houden. Hij zegt: mijn vader – zijn vader was toen predikant – verstoorde echter de voorpret. Zijn vader zei: nu zullen wij ook voor de NSB’ers moeten doen, wat wij voor de vervolgden deden. Hij zag wat er kon gebeuren, en wat daadwerkelijk ook gebeurd is. Nu is de vijand weg, zijn macht is gebroken. Nu gaan wij van ons afbijten. Al die NSB’ers kwamen onder een volksgericht. In verschillende steden werden ze ook kaalgescho­ren. Dan ge­beurt weer wat er staat in vers 17, dan wordt kwaad met kwaad vergolden. Het gevaar is, dat dezelfde mentaliteit op een wat andere ma­­­­nier weer dreigt terug te ko­men. Nu zijn wij aan de beurt! En dan dreigt een herhaling van die zaken, waartegen je juist in verzet was ge­gaan. Enkele jaren na de Tweede Wereld­oor­log braken er schermutse­lingen uit tussen Nederland en In­do­nesië. In Indonesië werd door Ne­der­land ook ge­moord en wer­den ook oorlogsmis­daden gepleegd. Als dan die ver­drukten bovenkomen, blij­­ken ze niet veel anders te zijn dan de ver­­druk­kers. Alleen de bordjes worden verhangen. Je moet het kwaad dus vaak niet ver weg zoeken. Hoe han­del je zelf?

Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs. – Rom.12:16

Op deze vertaling van het NBG valt toch wel het een en ander te kapit­telen.‘Voegt u in het eenvoudige’. In de bijbelse taal betekent het woord eenvoud iets heel anders dan wat de vertalers er op deze plaats mee bedoelen. In het Hebreeuws betekent het woord tam eenvoud. Buber vertaalt het met schlicht, in het vroegere Neder­lands het woord slecht. De weg was recht, de weg was slecht. Dat betekent niet dat er allemaal hobbels in zitten, maar dat betekent juist dat het een geplaveide weg was. Dat staat zo mooi in psalm 119: ‘die aan slechten wijsheid leert’. Dat we maar allemaal bij die slechten mogen ho­ren. Zalig zijn de slechten. Zo had het woord onnozel vroeger ook een heel andere betekenis. Dat be­­tekende dan onschuldig. Zo werden in Bethlehem door Herodes de on­nozele kinde­ren vermoord. Het woord eenvoud betekent oorspronkelijk ook: je bent vanbinnen één. De Willibrord-vertaling zegt in vers 16: Weest eensgezind, schikt u zonder hooghartigheid in de omgang met gewone mensen.Rom.12:16. Breukelman gaat dan op deze tekst in en zegt: stel je nu eens voor, dat je over deze tekst uit de Willibrord-vertaling zou willen preken. Dan krijg je de volgende punten.

Broeders en zusters, bedenkt dat ge met gewone mensen hebt te maken (Gij, die natuurlijk buitengewoon zijt).

In de tweede plaats: gij hebt u daarin te schikken.

In de derde plaats: ja, en dat hebt ge te doen zonder hooghartigheid.

Vierde punt. Want precies dat is de zin van Gods eigen menswording. Hijzelf heeft zich zonder hooghartigheid geschikt in de omgang met ge­wone mensen. Aan zo’n voorbeeld zien we tot welke baarlijke onzin heel deze moderne vertalerij leidt. Er staat dus eigenlijk in deze ver­ta­ling: je moet je zonder hooghartigheid inlaten met gewone mensen. Je zou haast denken aan bisschoppen en kardinalen, die met het gepeupel om moeten gaan. De Willibrord-vertaling hier heeft kennelijk toch niet de be­doeling van de tekst begrepen. Het gaat hier toch wel even over iets heel anders. Want het 16e vers geeft in feite de weg aan, die de Messias heeft bewandeld. De weg van de Zoon van God in de vreemde. Juist in zijn vernedering is de Zoon des mensen verheerlijkt. Het gaat hier dus om het thema: verhoging-verne­de­ring. In het profane Grieks is vernedering iets verachtelijks. Die oude Grieken keken neer op mensen die zich vernederden, en die ónder hun niveau leefden. De Griekse elite liet zich niet in met het gewone volk. Maar in het bijbelse denken is vernedering juist iets prijzenswaardigs. Dus ook in Romeinen 12:16 gaat het over – wat je met de Statenvertaling zou kunnen noemen – nederheid. Nederheid moeten we niet verwarren met nederigheid. Hier komt al gauw de gedachte naar voren: nederig­heid is iets wat je je aanmeet. Nederheid betekent het innemen van de laagste plaats. Pater Stanger van de Möttlinger-beweging placht dan te zeggen: broeders, er is één ding dat altijd erg fijn is: de onderste plaatsen zijn altijd vrij. Pater Stanger was een van de voortzetters van het werk van Blumhardt. Hier in vers 16 gaat het dus om het punt van de navolging van de Mes­si­as. De Statenvertaling zegt hier: Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven. – Rom.12:16

Dus tegenover het hoge denken, het jezelf verheffen, staat dan het nede­rig denken. Van deze tekst wordt gezegd: het gaat over een zich mee la­ten voeren, een zich in beslag laten nemen en zich laten bewegen door het nedere, of door de nederen. Het kan zowel slaan op een zaak als op een persoon. Beide interpretaties zijn met elkaar verbonden, want je kunt daarbij den­ken aan een onzijdig gebruik, het nederige. Maar je kunt ook denken aan mensen. Het hart mag zich dus niet verheffen, maar het hart mag zijn vreugde vinden in de weg, die ook Jezus als Messias heeft bewandeld. Dat is ook wat er staat in Jesaja 57: Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en ne­derige (van de vernederde) van geest, om de geest der nederigen (van de verne­derde) en het hart der verbrijzelden te doen opleven. – Jes.57:15. Jesaja 57 is dus een grondtekst bij Romeinen 12:16.

Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn

Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen. Rom.12:17.

En daaraan verbonden vers 19: Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat ge­schre­ven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here. Rom.12:19.

Hierbij moet je dus bedenken, dat het woord wraak in het bijbelse den­ken iets heel anders is dan de betekenis die wij daar doorgaans aan toe­kennen. Dat woord is dus niet gekoppeld aan emoties van wraakzucht. Het bijbelse begrip wraak heeft de betekenis: het herstel van de geschon­den verhoudingen. ‘Afzien van wraak’ zegt vers 19, niet de vijand met gelijke munt betalen.‘Laat plaats voor de toorn’. Dit laat zich vergelijken met wat er in de Berg­rede staat in Matteüs 5: Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand. – v.38. Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe; – v.39. En wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel. v.40.En zal iemand u voor één mijl pressen, ga er twee met hem. – v.41. Geef hem, die van u vraagt, en wijs hem niet af, die van u lenen wil. v.42. Matt.5:38-42.

In deze verzen gaat het driemaal om een situatie die om wraak roept. ‘Maar Ik zeg u’ kan beter vertaald worden met: ‘En Ik zeg u’. Hier wordt door Jezus niet een tegenstelling opgeroepen; Jezus gaat de Torah niet ont­krachten, Hij gaat alleen de uitleg geven. Ook de rabbijnse formu­le­ring klinkt op dezelfde manier: ‘En Ik zeg u’. Deze formule betekent: ik geef je de interpretatie van wat de Torah bedoelt.

Oog om oog en tand om tand

Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand. Letterlijk wordt er gezegd: oog voor oog, tand voor tand.

De rabbijnen hebben dat dus altijd in die zin verstaan: niet geweld met geweld beantwoorden, maar schadevergoeding geven. Dat is van ouds­her de geldende uitleg. Als jij de ander van zijn oog berooft, moet jij oog voor hem worden. Het gaat hier dus om een invaliditeitspensioen. Als die ander dan zijn werk niet meer kan doen, doordat hij een oog kwijt is, dan moet jij zorgen dat hij een dusdanig inkomen heeft, dat hij toch scha­deloos gesteld is. Dit is in wezen een stuk sociale wetgeving. Dat is ook weer een heel wezenlijk principe van de Torah. Jij bent voor die an­der wat hem ontbreekt. Deze tekst wordt dus heel vaak misbruikt, ook om het jodendom zwart te maken. Er wordt dan gezegd: zo zie je maar wat voor lugubere toe­stand het soms was in dat oude testament. Daar worden maar voort­du­rend wederzijds ogen en tanden uitgeslagen. Als je dat letterlijk zou wil­len toepassen, dan heb je binnen de kortste keren een volk dat alleen maar uit invaliden bestaat. Die kwestie van oog om oog en tand om tand wordt ook ergens behan­deld door de joodse denker Levinas. Levinas geeft dan eerst die rab­bijnse uitleg en spreekt dan ook van schadevergoeding. Aan het eind van dit artikel zegt hij – Levinas was ook filosoof en gaat dan ook nog weer een stukje verder denken – hij zegt: als je daar nu goed over door­denkt, dan betekent dat, dat deze maatregel prettig is voor de rijken. Als je maar voldoende kapitaal hebt, dan hoef je over die vergoeding niet zo in te zitten. Maar, zegt Levinas, hoe zit het dan met die mensen die geen kapitaal achter de hand hebben! Hij zegt: dat prin­cipe oog voor oog en tand voor tand geeft eigenlijk de onvoorstel­ba­re waarde aan van het oog van die ander. Uiteindelijk is dat de achter­liggende gedachte. De laatste ernst is: het oog van die ander kost jou een oog en die hand van de ander maakt jou onthand. De handicap van de ander komt als het ware op jou terug. Je kunt je niet onttrekken aan het gemis van de ander. Dan heb je de diepste grond gepeild. Zo heeft Jezus zijn hand laten doorbo­ren voor al die mensen die onthand waren. Hij heeft ook de duisternis la­ten komen over zijn ogen om er te zijn voor al die mensen die het niet meer konden zien.

Ruk je oog uit

Jezus zegt: als je oog je tot zonde verleidt, ruk het uit. De rabbijnen spreken dan in de regel over kwade neigingen. Die moeten dan omgebogen worden. Dan kun je dus zeggen: verenig mijn hart om uw naam te vrezen, zoals dat gebed uit psalm 86 luidt. Dus moeten de linkerhelft en de rechterhelft van je hart verenigd worden, tot de vrees van zijn naam. Dat uitrukken van dat oog heeft te maken met het uitrukken van de wor­­tel van het kwaad. Het heeft te maken met de begeerte. Dat moet dan in die zin verstaan worden, dat verkeerde begeerten en alles wat je afremt, wordt afgestoten, teneinde het Koninkrijk van God binnen te kun­nen gaan.

Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here

Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat ge­schreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here. Rom.12:19.

In de verzen 38 tot en met 42 van Matteüs 5 zie je dan die voorbeelden in verband met het wreken en niet wreken. In een verhaal wordt verteld over een middeleeuws dispuut tussen een rabbijn en een christelijk theoloog. De theoloog zegt dan tegen de rab­bijn: onze God is een God van liefde en de oudtestamentische God is een God van toorn en vergelding. En daarmee meent hij dan de minder­waar­digheid aangetoond te hebben van de joodse religie. De rabbijn even­­wel antwoordt: jazeker, dat klopt. Maar, dat wil juist zeggen, dat jullie God de wraak en de vergelding aan jullie zelf overlaten, zodat het allerwegen blijft. Maar onze vergeldende God laat aan ons over elkan­der lief te hebben. Paulus zit helemaal op de lijn van de Torah en zegt: God neemt wel de toorn en de wraak voor zijn rekening. Hebben jùllie elkaar nu maar lief. Draai je het om, dan kom je pas goed in de problemen. Want hoe vaak is dat ook niet in de loop van de geschiedenis gebeurd. Er wordt dan ge­zegd: God is een God van liefde, maar ondertussen zijn wij bezig onszelf te wreken. In de loop van de geschiedenis hebben al die zogenaamde chris­­telijke naties maar al te vaak het principe van de wraak uit­geoe­fend. Het rabbijnse denken zegt dan: je kunt het beter omdraaien. God zorgt wel voor de vergelding als wij elkaar liefhebben. We zien dan ook dat Pau­lus in vers 18 heel realistisch is: Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen. Rom.12:18.

Paulus is geen idealist, maar een realist. Hij zegt: zo mogelijk en zover het van jou afhangt. Hij weet dat de liefde niet altijd tot verzoening leidt, zij kan afstuiten op de onwil van de ander. De vervolger kan in zijn vijandschap volharden. De liefde vindt zijn grens in het gedrag van de ander. Het is een utopie om te menen, dat je met liefde altijd vrede kunt scheppen. En toch moet alles op het fundament van de liefde gezet worden. De ge­meen­te moet doen wat zij kan. Maar zij kan de ander niet dwingen, niet met wraak of dwang, maar ook niet met de liefde. De liefde zoekt de an­der in zijn vrijheid. Juist de liefde is daarom geen dwangmiddel. En de ander blijft tenslotte voor Gods rekening. Anders zou dat liefheb­ben een vorm van manipulatie worden. Als er eenmaal gespannen verhoudingen zijn, hebben die vaak toch wel even tijd nodig om te normaliseren, voordat er weer een gesprek moge­lijk is. Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. Rom.12:20.

Dit principe kom je ook in de Torah tegen. In alle gevallen moeten de vol­gelingen van Jezus geen kwaad met kwaad vergelden. Hierbij moet je dan ook bedenken dat de bijbel heel vaak spreekt in situaties, waarin terugslaan niet tot de mogelijkheden hoort. Het gaat dan vaak over de kleine boeren en de dagloners. Zij stonden dan tegenover Ro­meinse sol­daten of tegenover Herodiaanse beambten, waarbij een wei­ge­­ring prak­tisch tot de onmogelijkheden behoorde. Tegenspartelen of pro­test aante­ke­nen was geen optie. In die tijd kon je niet naar de rechts­winkel gaan. Je kon als randfiguur in dat Romeinse Rijk nergens je ver­haal halen. Je kunt dan alleen maar als zwakke antwoorden met een daad van ontfer­ming, een daad van liefde. Van Jezus wordt gezegd: Die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt. – 1 Petr.2:23. Wij lezen dan het slot in vers 21: Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goe­de. – Rom.12:21.

Dit is een woord dat in feite uit Spreuken 25 afkomstig is. Indien uw vijand honger heeft, geef hem brood te eten, indien hij dorst heeft, geef hem water te drinken. – Spr.25:21. Vurige kolen op het hoofd want dan hoopt gij vurige kolen op zijn hoofd, en de HERE zal het u ver­ge­l­den. – Spr.25:21,22.

Deze handelwijze is ook de weg van de Messias. De gemeente laat zich door zijn vijanden en vervolgers niet de wet voor­schrijven. Ook in dit opzicht ligt de gemeente dwars. Zij erkent maar één wet, de Torah of­te­wel de wet van de Messias. De grote verleiding is: meegaan of meedoen in de denkwijze van de vijand. De vijand gelooft in dwang en geweld en noemt dat macht. Dat is de structuur van de oude wereld. Maar de ge­meen­te gelooft in iets anders, zij gelooft in de weg van Jezus. Zij waagt het met het goede, ook als zij op die wijze machteloos schijnt. De ge­hecht­heid aan het goede is de enige wijze om het boze ten einde te voe­ren. Geloven in de kracht van de liefde is de enige uitweg uit de cir­kelgang van het kwaad. Dus het gaat niet alleen om het negatieve, het af­zien van de wraak, maar ook positief, om metterdaad lief te hebben, geweld te beantwoorden met het goede. Als voorbeeld zou je hier het verhaal van de barmhartige Sa­ma­­ri­taan kunnen noemen. De Samaritaan handelde niet vanuit het sche­­ma ‘Samaritanen gaan niet om met Joden’. Deze man gaat grensover­schrijdend te werk. Deze Samaritaan gaat die Jood terzijde staan en zijn leven voor hem wagen, concreet: liefde bewijzen. Zo handelt deze Sama­ritaan in de geest van de Messias. Hij vreesde de moord meer dan zijn eigen dood. Die priester en die Leviet waren vóór alles bang voor hun eigen dood. Ze dachten: straks worden wij door die rovers gepakt. Die Samaritaan zegt: er is nog iets ergers, iets ergers dan dat ik doodga, dat is moord. Moeten ze die ander dan vermoorden?! Ja, in feite hadden ze dat al bijna gedaan, want hij ligt daar halfdood. Daar ligt op een ge­ge­ven moment dan een grens. Wat is nu het ergste: moord of dood! Die Sa­maritaan gaat over die grens heen. Ter Schegget noemt als voorbeeld de bevrijding in 1945. Hij zegt: velen, ook ik, verheugden zich toen op de geneugten van de op handen zijnde bijltjesdag. Nu gaan wij eens heerlijk die NSB-ers en dergelijk tuig te lijf. Wat mij betreft verstoorde mijn vader de voorpret grondig, door te zeg­gen: nu zullen wij ook voor de NSB-ers moeten doen, wat wij voor de door hen vervolgden deden. Hij zag wat er kon gebeuren en wat ook metterdaad gebeurd is. Zodra de macht van de vijand gebroken was, ging de geest van het kwaad ge­woon op dezelfde manier door. Mis­schien verfijnder, misschien minder extreem, maar toch niet anders. An­der­zijds wisten wij geen raad met de teruggekeerde Jo­den en lieten hen aan hun lot over. Er werd een volksgericht voltrokken over NSB-ers, moffen­meiden en alles wat daarmee te maken had. Zij werden op dorps­­plei­nen bij elkaar gebracht en kaalgeschoren. Soms werd op hun kale hoofd een hakenkruis getatoeëerd. Ozo, wij waren goed, en zij wa­ren fout. Dan ben je dus in feite weer bezig met dezelfde gezindheid. Tegelijk komt dan de tragiek aan het licht van de kinderen van de NSB­ers. Ik moest toen aan mijn vader terugdenken, zegt Ter Schegget, om­dat hij de woorden van de tekst uit Romeinen 12 hierbij citeerde. Hij zei: omdat de NSB-ers humaniteit moeten leren, zal onze behandeling hu­maan moeten zijn. We zullen vurige kolen op hun hoofd moeten stape­len. Daar zit wel een goede gedachte in, dan wordt dat hoofd eindelijk ook eens warm.

Goedkope vergeving maakt de wereld on­men­selijk

Wiesenthal is toch intensief op zoek gegaan naar oorlogsmisdadigers. Is dat dan niet volgens het schema ‘oog voor oog, tand voor tand’? Ik ge­­loof dat wat Wiesenthal doet of deed, op zich toch ook een heel legi­tie­me zaak is. Wat dat betreft is het wel goed om te beseffen – zo meteen komen we bij Romeinen 13 – dat de overheid het zwaard niet tevergeefs draagt. Er moet ook recht geschieden. Levinas heeft hierover gezegd – en dat vind ik in dit verband toch wel typerend – dat men ook een goed­kope vergeving voor de misdaad kan schenken. Hij zegt: een wereld waar­­in vergeving almachtig is, wordt on­men­selijk. Dat is ook een punt om over door te denken. Stel, dat verge­ving almachtig is, dan wordt de we­reld onmenselijk. Dan kan iedereen maar doen wat hij wil. En vervol­gens wordt er dan gezegd: wil je mij vergeven? En dat móet dan nog ook, want die ander krijgt constant te horen dat hij iedereen vergeven moet, want an­ders vergeeft God jou ook niet. Dus iedereen kan maar raak leven en vervolgens zeggen: Ja, sorry, vergeef me! Dan krijg je de sorry-cultuur en een onmenselijke wereld. Levinas zegt ook: in de straf wordt het res­pect voor de persoon erkend. Zelfs voor de persoon van de misdadiger. In een bepaalde zin zou je kun­nen zeggen: een misdadiger heeft recht op straf. In feite zal, als ie­mand echt tot inkeer komt over zijn daden, hij mis­schien zelfs die straf wensen. Hij zal het er dan mee eens zijn, dat hij straf krijgt. Dat is ook een aspect van de verwerking van het kwaad.

In een samenleving is kwantificering van de straf noodzakelijk. Je moet op een gegeven ogenblik die straf wel binnen bepaalde perken bren­gen om een geweldsspiraal te doorbreken. Bij de doodstraf zie je, dat de straf onherroepelijk is. In een gevangenis in Amerika verbleef iemand die al 20 keer de doodstraf had gekregen. Je kunt hem echter maar één keer voltrekken. In zo’n geval kun je iemand niet straffen naar de mate van wat hij ge­daan heeft. De maat van de straf is in zo’n geval te klein in ver­gelijking met de maat van zijn misdaden. Er wordt wel eens te snel gezegd dat je iemand maar moet vergeven. Dat kan dan wel eens een goedkope ver­geving worden. Dat is een the­ma waar Jona ook mee geworsteld heeft. Dat is dan ook het einde van Ro­meinen 12, waar wordt geschreven dat je het kwade moet overwin­nen door het goede. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goe­de. – Rom.12:21. Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. Rom.12:20.

Er zijn uitleggers die dit enigszins anders vertalen. Zij zeggen: ‘vurige ko­len voor het vuur’. In het Hebreeuws heb je het woord rosj dat hoofd betekent; het woord voor vuur is isj, dat scheelt maar één letter. Daarom moet de vijand niet alleen te eten en te drinken krijgen, maar er moet hem ook bij koude vuur worden verschaft. Dat is natuur­lijk wel mooi bedacht, maar het staat zo niet in de Hebreeuwse tekst. De tekst heeft toch: vurige kolen op zijn hoofd. Er zijn ook uit­leg­gers die zeg­gen: door de vij­and te helpen in zijn nood, wordt zijn zonde verdubbeld als hij zich niet bekeert. Hij zal daardoor bij de opstanding in het laatste oordeel er des te slechter voorstaan. In deze zienswijze beveelt Paulus dus de lief­de, maar in feite zou het hem om iets heel anders gaan, namelijk om een verfijnde wraak. Maar dat kun je Paulus niet in zijn schoenen schuiven. Je moet die vijand maar flink liefhebben, want als hij dan straks voor God komt, dan staat hij daar ook nog met een stapel kolen op zijn hoofd. Zo’n uit­leg­ moeten we toch wel als een misvatting beschouwen. Er staat wel in de bijbel: wie aan één gebod schuldig is, is schuldig aan al­le geboden, maar dan krijg je dus weer de kwestie van wat zijn kleine en wat zijn grote zonden. In de middeleeuwen wisten ze dat precies, je had hoofdzonden en doodzonden en dagelijkse zonden. Maar het is toch wel wat moeilijk om dat na te gaan. Het ligt er dus ook aan wat je iemand aandoet of wat je nalaat. In 1 Johannes is sprake van ‘zonde tot de dood’. Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, moet hij bidden en God zal hem het leven geven, hun namelijk, die zondigen niet tot de dood. Er bestaat zonde tot de dood: daarvoor zeg ik niet, dat hij moet vragen. Alle ongerechtigheid is zonde, en er bestaat zonde niet tot de dood. 1 Joh.5:16,17.

Hier is inderdaad wat zonde betreft al een verschil in gewicht. De uit­leg van deze tekst geeft nogal problemen. We zullen hier nog nader op te­rug­komen. De zonde tegen de heilige Geest wordt inderdaad als het zwaar­ste kwaad aangeduid. Er zijn ook uitleggers die bij die vurige kolen denken aan wat Augus­ti­nus en Hieronymus hierover gezegd hebben. Er is namelijk in Egypte een geval bekend, dat het dragen van een kolenbekken op het hoofd een rite was van omkeer en berouw. Dus als je wilde laten zien, dat je je wil­de beke­ren of dat je berouw had, ging je met een kolenbekken op je hoofd lo­pen. Dus als die vijand met kolen op zijn hoofd rondliep, gaf hij daar­mee aan, dat hij zich wilde bekeren. In elk geval wil het vredelie­vend ge­drag van de gemeente juist voorkomen dat de vijand ten onder zal ­gaan.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406065 bezoekers sinds 07-06-2010