De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 9

21-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

God oordeelt mensen tot vrijheid

Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid,” – Rom.4:5.

Hier wordt van de goddeloze gesproken. In het Hebreeuws is dat de rasja. Het wordt ook wel vertaald met de doemende, de afbreker. Dat is een woord dat in de psalmen ook veel gebruikt wordt om de boos­doener, de misdadiger, aan te duiden. Het wonderlijke van het evange­lie is – en dat is juist toch ook het grootse ervan – dat de mens die er dan helemaal niets van terechtgebracht heeft, toch ook tot bevrijding mag komen. De mens die door wat voor omstandigheden, oorzaken, achtergronden en invloeden dan ook, helemaal tot vijand van God is geworden, dat juist die mens dan ook tot verlossing mag ko­men. In één daad van God wordt de rechtvaardige vrijgesproken en de goddeloze geoordeeld, dat wil zeg­gen, dat die goddeloze onder de macht van het kwaad vandaan mag komen. Een mens kan tegenstander van God worden door verblin­ding en verbijs­te­ring, doordat hij in de greep is gekomen van de mach­ten van het kwaad, waardoor hij tegen God in gaat en eigenlijk ook tegen zich­zelf in gaat. Ook díe mens mag tot bevrijding komen; God haalt hem onder het kwaad vandaan. De mens wordt uit de duisternis vandaan ge­roepen. God spreekt mensen vrij; God oordeelt mensen tot vrijheid. God maakt een mens weer tot mens. Hij geeft de mens zijn aangezicht weer terug, Hij haalt de mens weer onder het stof vandaan. Hij bevrijdt de mens van de pressie en de overheersing van het kwaad. Dan kan de mens weer zichzelf worden, en tot glans komen.

Jezus vond zijn plaats in Jesaja

Als je vraagt ‘ben je thuis in de bijbel’, is dat eigenlijk een wonderlijke uit­drukking. Bij ons wordt daarmee dan meestal bedoeld: kun je de tek­sten snel vinden. Maar deze uitdrukking betekent eigenlijk, dat je je plaats kunt vinden in de verhalen van God.

En hij kwam te Nazaret, waar Hij opgevoed was, en Hij ging volgens zijn ge­woonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen”.

En Hem werd het boek van de profeet Jesaja ter hand gesteld en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is….” – Luc.4:16,17.

Het was dus een gewoonte van Jezus om op sabbat naar de synagoge te gaan. Die gewoonte heeft Jezus 18 jaar volgehouden. Dat zijn die 18 stil­le jaren, waar weinig van bekend is. En dan wordt meestal veron­der­steld dat Hij in die 18 jaar ook in de timmermanswerkplaats van zijn va­der bezig is geweest. Jezus heeft 18 jaar lang gehoord. ‘Sjema’ Jisrael Ha-Sjem Elohenu, Ha-Sjem èchad’, dat heeft Hij 18 jaar in toe­passing gebracht. Die 18 jaar worden eigenlijk dus met één ding ge­vuld: de toepassing van het Sjema’ Jisrael. Hij heeft gehoord ten einde toe. Al die woorden van de Torah, van Genesis 1 tot Deute­ronomium 34 heeft Hij ingedronken. En dan aan het eind van 18 jaar ho­ren staat Hij op om voor te lezen. Je­zus vindt dan de plaats waar ge­schreven is…. Dat is dan eigenlijk een wonderlijke combinatie van woor­den. ‘De plaats vin­den’; dat betekent meer dan even bladeren tot je de tekst – in dit geval Jesaja 61 – gevonden hebt. Vaak hebben de woorden van de tekst een meerwaarde en een niveau extra. Met poëzie is dat he­lemaal het ge­val, al kunnen we dat van prozaverhalen toch ook wel zeg­gen. Dat is het polisema, zoals dat in de literatuur dan genoemd wordt, het hebben van meer dan één betekenis. Teksten hebben vaak meer dan één laag. De rab­bijnen spre­ken in dit verband van de viervoudige schrift­zin. Als we dan in de lijn van de rabbijnen eens gaan kijken naar die vier­vou­­dige zin, dan zien we dat het ‘vinden van de plaats’, in de bijbel vaak een meerwaarde heeft. Niet alleen het woord vinden heeft een meer­­waarde, maar ook het woord plaats. Als je je plaats (maqom-mokum) vindt, heeft dat een diepe gevoelswaarde. Jezus vond zijn ma­qom in Jesaja. Je zou haast kunnen zeggen: Jezus komt op zijn plaats. In Jesaja 61 voelt Jezus zich helemaal thuis. De koning van Spanje had in 1492 een edict uitgevaardigd, waarin ver­ordend werd dat alle joden Spanje moesten verlaten. Na allerlei om­zwer­vingen kwamen ze ten slotte in Amsterdam terecht. Dat was ein­de­lijk een plaats, waar ze niet werden weggetrapt. Daarom zeiden deze Jo­den: dit is nu onze plaats, dit is ons Mokum. Eindelijk waren ze thuis­gekomen. De Fransen zeggen dan: chez nous, chez moi, bij mezelf. Als Je­zus dus Jesaja 61 opslaat, is Hij bij zichzelf gekomen. Het doel van bij­bel­lezen is ook dat je op je plaats komt.

Abraham heeft deel gekregen aan de komende wereld

We hebben in Romeinen 4 gezien, dat Paulus Abraham neemt als uit­gangspunt voor zijn betoog. Romeinen 4 heeft trouwens een schitte­rend slot. Niet alleen een mooi slot van het hoofdstuk, maar van alles wat je maar kunt bedenken.  “maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaar­di­ging”. -Rom.4:24,25.

“Maar ook om onzentwil, welken het zal toegerekend worden, namelijk den­ge­nen, die geloven in Hem, Die Jezus, onzen Heere, uit de doden opgewekt heeft; Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardig­ma­king”. – SV.      

We hebben dus gezien dat Paulus uitgaat van die tekst uit Ge­­nesis 15. “En hij geloofde in de HERE, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid. Gen.15:6. Het gaat hier dus om het geloof van Abraham; Abraham als modelge­lovige. Abraham, de vader van alle gelovigen. De rabbijnen hebben daar ook een prachtige uitdrukking voor. Ze noemen dat een baäl emunah. Dat betekent: een meester van het geloof. Zo kenden ze ook de term: baäl tesjubah, een meester van de omkeer. Dat is iemand die zijn hele leven heeft gewijd aan de omkeer, aan de terugkeer naar God. Abra­ham was dus een meester van het geloof. Dat wordt trouwens ook van God zelf gezegd. “de Rots, wiens werk volkomen is, omdat al zijn wegen recht zijn; een God van trouw (geloof), zonder onrecht, rechtvaardig en waarachtig is Hij”.Deut.32:4.

De rabbijnen kennen een uitgebreide lofzang op het geloof. In die lof­zang op het geloof staat onder andere: ‘En zo vind je, dat Abraham onze vader deze wereld en de komende wereld ver­kreeg als loon voor het geloof, waarmee hij geloofde. Zoals gezegd is: en hij ge­loofde in de Here en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid’.

Dit is exact hetzelfde als wat Paulus zegt in vers 13: “Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs”. – Rom.4:13

Abraham heeft dus als loon op zijn geloof verkregen, dat hij een erfge­naam zou worden van de wereld, van de kosmos. In die rabbijnse lof­zang wordt dus gezegd: hij verkreeg deze wereld en de toekomende we­reld, als loon voor zijn geloof. Abraham kreeg aandeel aan deze wereld, de olam hazeh, wat onder andere wil zeggen dat hij een lang leven kreeg, dat hij partner was en dat hij zaad ontving. Deel hebben aan de komen­de wereld kan betekenen, dat die persoon de komende wereld zal be­leven, ook al is hij inmiddels gestorven. De tweede betekenis van deel heb­ben aan de komende wereld kan ook betekenen, dat het leven dat die persoon geleefd heeft, bevestigd wordt. Dus door zijn leven heeft hij gebouwd aan de komende wereld. Dan zit je dus helemaal in de lijn van Romeinen 4: Abraham heeft door zijn geloof gebouwd aan de ko­men­de wereld. Dat is toch wel een heel belangrijke gedachte, dat men­sen door hun geloof kunnen meewerken aan de bouw van die komende eeuw. Dat is wat Jezus noemt: schatten verzamelen in de hemel. Dat betekent: bouwen aan het Rijk van God. Het hele bestaan van zo’n mens wordt dan een steen, een levende steen, in dat huis, in dat toekomstige huis van God. Dat wordt ook zo mooi gezegd in Jesaja 54. Al uw bouwlieden zullen leerlingen des HEREN zijn

Al uw zonen zullen leerlingen des HEREN zijn, en het heil uwer zonen zal groot zijn;” – Jes.54:13.

En al uw kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn”. – SV.

Hier gaat het over de stad van God, die daar nog geen naam krijgt, om­dat die naam nog zal moeten blijken. De rabbijnen maken bij deze tekst een kleine kanttekening en lezen:  “Al uw zonen (banajich) zullen leerlingen des HEREN zijn, en het heil uwer zonen zal groot zijn;” – Jes.54:13.

Je kunt ook de klinker een beetje veranderen, dat is een van de rabbijnse leeswijzen, wat dan altegra (= lees niet) wordt genoemd. Op deze ma­nier wordt bovenstaande tekst: “Al uw bouwlieden (bonajich) zullen leerlingen des HEREN zijn, en het heil uwer zonen zal groot zijn”; – Jes.54:13. Ook in onderstaande tekst staat het woord bonajich.

De steen die de bouwlieden versmaad hebben, is tot een hoeksteen geworden;” – Ps.118:22.

De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks ge­worden”. – Ps.118:22. – SV.

Hier kom je dan opeens in een heel diepgaande problematiek. Hier gaat het over bouwlieden die die steen hebben afgekeurd. En dan wordt de ver­­worpen steen juist tot hoeksteen. Deze tekst moet je trouwens niet ver­­binden met Jesaja 54. Je ziet hier wel de lijn, dat heel vaak het heil komt via de verworpen broeder. In dit geval wordt de verworpen steen dus de hoeksteen. In Genesis was Jozef ook de verworpen broeder, maar bij hem moesten ze uiteindelijk allemaal hun brood halen. Je moet altijd je brood halen bij de verworpen broeder. Op het moment dat je Jozef in de put gooit, gooi je in feite je eigen brood in de put. Maar daar kom je vaak pas later achter. De broeder die je aan de kant schuift, zou je later nog wel eens hard nodig kunnen hebben.

Abraham krijgt dus ook deel aan de komende wereld, hij wordt erfge­naam van de wereld, zegt Paulus in vers 13. Dat mag je dan ook in die zin verstaan. Abraham mag dus meebouwen aan de wereld die komt. “en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de be­snij­denis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze va­der Abraham in zijn onbesneden staat bezat”. – Rom.4:12. Al die mensen van Romeinen 4:12 treden in de voetsporen van dat ge­loof. Die mensen wandelen dus in de voetstappen van Abraham. In de Joodse traditie wordt ook gezegd: Abraham is het prototype, hij is voor­ganger en voorbeeld van de gelovige mens. En het geloof wordt geërfd van Abraham. Over Abraham als vader van het geloof bestaan dan ook vele tradities. Er wordt gezegd, dat Abraham het koningschap van God proclameerde onder de volkeren. Hij bracht de mensen onder de vleu­gels van de sjechina. De sjechina betekent: de inwoning van God. Dat hangt samen met het woord wonen, de woning van God. Maar dat wordt ook wel gebruikt als een soort synoniem van de heilige Geest of van de aanwezigheid van God op aarde. Het kan ook speciaal beteke­nen: God in ballingschap. Zoals God met zijn volk meegaat, zo trekt die sjechina mee, overal waar mensen in zijn voetsporen gaan. Ook als ze in ballingschap gaan, met elk deel van de ballingen gaat die sjechina mee. Daarom moesten de ballingen ook uitgaan over de einden der aarde, op­dat de sjechina tot de einden van de aarde zou kunnen komen. Dat is in feite hetzelfde principe als wat we in Handelingen 1 zien.

Gij zult mijn getuigen zijn

maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde”. – Hand.1:8.

Deze tekst wordt vaak verstaan in de zin van dat om getuige te kunnen zijn, je daarvoor iets doen moet, maar er staat: gij zult mijn getuigen zijn. Dat heeft haast een wat meer passieve betekenis, in de zin van getuige zijn van wat Hij doet, zo­als iemand (oog)getuige kan zijn van een belangrijke gebeurtenis, zo­als bijvoorbeeld een huwelijk. In die beteke­nis van ‘getuige zijn’ worden ook in de rechtspraak getuigen opge­roe­pen om verslag uit te brengen. In Handelingen wordt ook verteld over de verstrooiing, de uitzaaiing van de gemeente. De leden van de eerste gemeente worden ook als bal­lingen uitgestrooid. “En er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeru­zalem; en allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uit­­zondering van de apostelen”. – Hand.8:1.

Overal waar de ballingen komen, komt ook de sjechina. Zo heeft Abraham dus de mensen gebracht onder de vleugels van de sje­­china. Hij heeft het koningschap van God geproclameerd onder de vol­keren. Dat staat ook zo mooi in een tekst die in dit verband ook wordt aangehaald, namelijk: ‘riep daar de naam van de HERE, de eeuwige God, uit’. En (Abraham) plantte te Berseba een tamarisk, en riep daar de naam van de HERE, de eeuwige God, aan”. – Gen.21:33.

“Abraham riep de naam van de HERE, de eeuwige God, uit”. Je kunt ook vertalen: ‘riep daar de naam van de HERE, de eeuwige God, uit’. Dat qara ha sjem is een vaste uitdrukking in het Hebreeuws. Letterlijk be­tekent dat: ‘roepen met de naam’. Dat kan dus betekenen aanroepen, het kan ook betekenen uitroepen en zelfs inroepen. Abraham procla­meer­de de naam van God. Daar begon hij in feite al mee in Genesis 12. Je ziet steeds als Abraham een altaar bouwt, dat hij daar de naam van God uit­roept. Op die manier is Abraham erfgenaam geworden van het land. Dat land staat tegelijk model voor de aarde, voor de wereld. Dus als Abraham daar de naam van God uitroept over dat land, dan roept hij eigenlijk, exemplarisch, de naam van God uit over de aarde. Want wat in Kanaän gebeurt, gebeurt in de hele wereld. Kanaän is het modelland, pas pro toto, deel voor het geheel, voor het gehele aardrijk.

Samson Rafaël Hirsch, een joodse exegeet uit de vorige eeuw, zegt: die uitdrukking ‘de eeuwige God (El Olam)’ kun je ook vertalen met: ‘God van de toe­komst’. Op die manier wordt Abraham erfgenaam van de wereld, want hij roept de naam uit van El Olam, de God van de toekomst. Olam kan betekenen tijdperk, het kan ook betekenen: de verborgen tijd. Die verborgen tijd kun je natuurlijk naar twee kanten verstaan. Als je heel ver teruggaat in de tijd, kom je in de verborgen tijd; als je heel ver vóóruit gaat, kom je ook in een verborgen tijd. Het verleden is een verborgen tijd, maar de toekomst ook. Hij is de El Olam, de God van de verborgen tijd. Abraham heeft de naam van God uitgeroepen over het land. Op die ma­nier heeft hij het land gebracht onder het Koningschap van God. De rabbijnen vertellen hier een verhaal bij. Abraham liet de naam van God uitroepen uit de mond van elke voorbijganger. Abraham was gast­vrij en iedereen mocht bij hem komen eten. Gastvrijheid is de basis­deugd van het oude Oosten. Als de gasten dan gegeten en gedronken hadden, stonden ze op om hem te zegenen. Abrahams antwoord was dan: jullie hebben niet van mij gegeten, maar jullie hebben van de eeu­wige God gegeten. Jullie moeten Hem danken en prijzen en zegenen, Hij die sprak en de wereld was. Zo heeft Abraham gastvrijheid beoefend, niet om zelf gewaardeerd te worden, maar omwille van het Koning­schap van God. En andersom geldt ook: het Koningschap van God blijkt uit de daden van Abraham. Want doordat Abraham daar gastvrijheid beoefen­de, was er een plaats waar het Koningschap van God gestalte kreeg. Dat was in Sodom duidelijk anders, daar was geen gastvrijheid. Het scheelde niet veel of die engelen hadden buiten moeten overnachten. Lot was daar de enige die nog een stukje gastvrij­heid beoefende. Dit naar aanleiding van Romeinen 4:13. “Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs”.

Abraham krijgt de besnijdenis als een zegel

“En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun de gerechtigheid zou worden toegerekend”,  Rom.4:11.

‘En hij heeft het teken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaar­dig­heid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de recht­vaardigheid toegerekend worde;’ – SV.

In Genesis 15 wordt al verteld dat Abraham geloofde en in Genesis 17 wordt hij pas besneden. Dus die besnijdenis krijgt Abraham als een te­ken, als een zegel. Vers 11 zegt: een zegel van de gerechtigheid. We zou­­den kunnen zeggen: de besnijdenis maakt zijn geloof compleet.

“Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HERE aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk” (tamim); – Gen.17:1.

 ‘Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aan­ge­zicht, en zijt oprecht!’ – SV.

Abraham was om zo te zeggen al een heel eind op weg in het geloof. Er ontbreekt dan bij wijze van spreken nog één ding, dat is de besnijdenis. Het woord tamim is hier vertaald met onberispelijk, maar je kunt beter spreken van gaaf, een mens uit één stuk. De zaak was in feite niet compleet, omdat hij nog niet besneden was. De besnijdenis is ook eigenlijk een symbool van het afleggen van de macht. Dat principe zit erachter. Het is opmerkelijk dat in het Hebreeuws ook hetzelfde woord wordt gebruikt voor het verbond. Men spreekt van het berit milah, het verbond van de besnijdenis. Een verbond wordt in het He­breeuws niet gesloten, maar een verbond wordt gesneden. De vaste uitdrukking is: een verbond snijden. Een bijzondere gewoonte was het volgen­de: bij het sluiten van een verbond werd soms wel een sneetje in de polsen van de weder­zijdse verbondspartners gemaakt. De bloedende polsen werden dan tegen elkaar gehouden en vast­ge­bonden. Zo stroomde als het ware het bloed van de ene verbondspartner in de andere. Zo waren hun levens één geworden.

De besnijdenis van de tijd

De besnijdenis is dus ook beeld van het afleggen van eigen macht, af­stand doen van eigen heerschappij. André Neher zegt: je kunt ook de tijd besnijden. Door het vieren van de sabbat wordt de tijd besneden. Als de tijd besneden wordt, wil dat zeggen, dat de tijd daardoor niet meer tot in het oneindige kan blijven doorhollen. Er wordt als het ware een soort begrenzing aan de tijd gesteld, een heilzame begrenzing. Dat is een principe dat je door heel de bijbel heen tegenkomt. Een mens krijgt niet zomaar een heleboel tijd achter elkaar, maar na zes dagen komt er een begrenzing. Daar zit in wezen een enorm stuk zegen in. Het kan wel een hele tijd duren voordat je dat een beetje gaat inzien, want een mens is nog wel eens geneigd om maar door te hollen. Miskotte spreekt in dit ver­band van ‘geschonken eindig­heid’. Eindigheid als een cadeau; dat is een cadeau dat meestal niet zo erg gewaardeerd wordt. De mens wil nu eenmaal graag onbegrensd zijn; hij wil alles hebben, alles kunnen en al­les presteren. God zegt: zes dagen en dan besnijden, dan besnijd je de tijd. Ook een boom wordt besneden, die kan ook niet naar alle kanten maar blijven doorgroeien.

Een vader zowel van onbesneden gelovigen als besnedenen

Abraham krijgt de besnijdenis dus als zegel op zijn geloof. “Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun de gerech­tigheid zou worden toegerekend, en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de be­snij­denis zijn, maar die ook treden in het voetspoor (lett: voetsporen) van het geloof, dat onze va­der Abraham in zijn onbesneden staat bezat”. – Rom.4:11b,12.

“opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde; En een vader der be­snij­denis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnij­denis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen va­der Abraham, hetwelk in de voorhuid was”.SV.

De lofzang van de doortocht

‘Groot is het geloof’. Dat is ook de lofzang die daar gezongen wordt in het commentaar op Exodus in de rabbijnse literatuur. Dat is dus een vaststaande uitdrukking; er wordt een bepaald concept, een bepaalde ge­­dach­te beschreven en daarvan wordt dan gesteld: die is groot. Zo wordt dus een bepaald gedeelte van de rabbijnse literatuur aange­duid: ‘groot is het geloof’. Zo is er ook een gedeelte dat wordt aange­duid met: ‘groot is de vrede’. Ook wordt ergens gezegd: ‘groot is de omkeer’. Groot is de omkeer, want ze brengt de mens tot de troon der heerlijk­heid. Want er is gezegd: keer om Israël, tot de Here, uw God. Zo is daar ook een loflied op het geloof. Daarin wordt dan het geloof bezongen in diverse gebeurtenissen in de geschiedenis van Israël. Groot is het geloof voor het aangezicht van Hem die sprak en de wereld werd. Want door dat geloof rustte op Hem de heilige Geest. En ze zongen een lied zoals beschreven staat in Exodus 15: en ze geloofden in de Here en in Mozes zijn knecht en toen zong Mozes met de kinderen Israëls de Here dit lied. Als de doortocht door de zee plaatsvindt, dan geloven ze. En als gevolg van dat geloof wordt dan ook dat lied gezongen. En dat lied zal ook ge­zongen worden in de toekomst bij de inzameling van de ballin­gen. Ook dan zal Israël dat lied zingen. Dus het is niet alleen iets in het verleden, maar het is ook iets in de toekomst. Dat is wat Paulus hier ook zegt, dat is namelijk het opmerkelijke van het begin van Exodus 15. We zien hier een prachtig voorbeeld van dat ge­loof. “Toen zag Israël, welk een machtige daad de HERE tegen Egypte gedaan had; en het volk vreesde de HERE en zij geloofden in de HERE en in Mozes, zijn knecht”. – Ex.14:31. Dan wordt er ook bij gezegd: indien ze geloofden in Mozes, hoeveel te meer geloofden ze dan in God. En Mozes is hier symbool van de verlos­sing uit Egypte. En wie gelooft in de verlossing uit Egypte, gelooft ook in de God van Israël. En dan staat er meteen achter: “Toen zong Mozes met de Israëlieten de HERE dit lied en zij zeiden: Ik wil de HERE zingen, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee”. – Ex.15:1. Maar je kunt ook vertalen: “Dan zal Mozes met de Israëlieten de HERE dit lied zingen”. Op die manier wordt het ook vaak door de rabbijnen verstaan. Zij zeg­gen: dit zal gebeuren in de toekomst. Dan, bij de komende verlos­sing, als de ballingen verzameld worden en als God het herstel zal brengen, dan zal Mozes met de kinderen Israëls dit lied zingen.

De doortocht – geschiedenis en profetie

Het is belangrijk om te onderkennen, dat het verhaal van de doortocht niet alleen een stuk geschiedenis is, niet alleen maar een terugblik, maar dat het ook iets profetisch is. We zien hierin een geestelijk perspectief, iets wat nog gaat komen, dat ze dan zullen gaan bezingen. Dat zijn dus al degenen die gaan in dat voetspoor van Abraham. ‘Zij die door geloof, volgen Abrahams spoor, zij zijn een volk apart’. ‘Het volk van God, zijn Israël, zijn besnedenen van hart’. “Want indien zij, die het van de wet verwachten, erfgenamen zijn, dan is het geloof zonder inhoud (letterlijk: leeg geworden) en de belofte zonder gevolg” (let­ter­lijk: dan is de belofte uitgewerkt). Rom.4:14.

Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel gewor­den, en de beloftenis te niet gedaan”. SV.

De belofte werkt dan niet meer, want de kracht zit juist in de belofte. Die belofte gaat vooruit en daar gaan de gelovigen achteraan. Het woord belofte is in het Frans promesse en in het Engels promise. Letterlijk bete­kent dat: datgene wat vooruit wordt gezonden. Dus God stuurt een belofte voor­uit en daar gaan de gelovigen achteraan. Die belofte baant het pad en in dat voetspoor ga je dan op weg. Zo word je volgeling van de belofte, van het woord dat voor je uitgaat. Dat woord trekt als een licht in de nacht voor je uit.

De wet immers bewerkt toorn

“De wet immers bewerkt toorn; waar echter geen wet is, is ook geen overtre­ding”. – Rom.4:15. ‘De wet immers bewerkt toorn’, namelijk als de mens probeert het alle­maal zelf voor elkaar te krijgen. Waar echter geen wet is, is ook geen overtre­ding’. Dat komt straks in hoofd­stuk 5 weer terug. In de tijd van Adam tot het geven van de Torah is er geen wet. Dan kun je in strikte zin ook niet spreken van overtreding. Dan gaat Paulus eerst die lijn verder doortrekken. Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de be­lofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is”. Rom.4:16. Paulus gaat het principe aangeven, dat je uit het geloof moet leven, dat het volgens de genade gaat. In het woord genade zit de betekenis van neerbuigen, namelijk dat God zich buigt naar de mens. Daar speelt dus ook het element van ontferming in mee. In het zogenaamde oude testa­ment wordt al veertien keer gezegd dat God genadig is. God is niet pas ge­nadig geworden na Maleachi, maar God is genadig ‘vanaf den begin­ne’. Gods eerste woord is barmhartigheid en zijn laatste woord is barm­hartigheid. Dat is ook heel fundamenteel voor het godsbeeld dat je hebt. Genade is bij God niet iets wat er later bijgekomen is, niet in de zin van: ja, dat is Hij dan maar tenslotte geworden.

In een oud liedje wordt ge­zon­gen: ‘gerechtigheid drong aan op straf, genade drong op vrijge­lei­de. Toen kwam Gods liefde tussenbeide, die ze allebei voldoe­ning gaf’. Op die manier lijkt het net alsof er een soort tweestrijd tussen gerechtigheid en genade in God plaatsvindt. Maar bij God is geen spra­ke van een soort innerlijk conflict, waarbij Hij zich tenslotte maar laat ver­­murwen. Dat is in feite een heidense gedachte. In de heidense gods­diensten leeft ook de gedachte van verzoening. In het Latijn is verzoe­nen latare. Dat woord latare betekent eigenlijk gladstrijken. De oude Ro­meinse gedachte was, dat het aangezicht van de boze goden moest wor­den gladgestre­ken. Die goden zijn meestal boos, er is altijd wel wat op de mens aan te merken. En dan moet je over de brug komen om het aan­gezicht van die goden weer glad te strijken, zodat de rimpels en de fron­sen verdwijnen. Dan moet je wel wat mee­brengen. Je ziet dat principe bij al die heidense godsdiensten. Je ziet het zowel bij het meest primi­tieve animisme als bij de meest verlichte heide­nen. Daar leeft dus het idee dat de goden op de een of andere manier weer gunstig moeten worden gestemd.

God was de wereld met Zichzelf verzoenende

Maar het bijbelse principe van de verzoening is juist andersom. Niet wij verzoenen God, maar God verzoent ons. Het probleem ligt bij de mens. Het gaat er dus niet om: hoe wordt God nu weer vriendelijk, maar: hoe wordt die mens weer van vijand tot vriend. Hoe komt die mens vanuit zijn vijandschap terug. Het punt is niet dat God die verzoening niet zou willen. God heeft van meetaf aan dat hele herstelplan ontworpen. God is subject van de verzoening en niet lijdend voorwerp. Van meetaf aan stelt de bijbel: God was de wereld met zichzelf verzoenende. “En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf ver­zoenende was, door hun hun over­tredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toe­vertrouwd”. – 2 Kor.5:18,19.

De verzoening gaat dus van God uit. God is de God van alle verzoe­ning en van alle barmhartigheid. Ik ben genadig; dat is de naam die God al uitroept in Exodus 34: “De HERE ging aan hem voorbij en riep: HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw”, – Ex.34:6.

Hier roept God zijn eigen naam uit. Dus ook het element dat God barm­hartig en genadig is, was in de tijd van Mozes al concreet bij God aan­we­zig. Vandaar dat Paulus dat ook gaat onderstrepen. Op die manier is Abraham dus de vader van ons allen. “gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld – voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept”. – Rom.4:17. “(Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welken hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren”; – SV.

Met een tekst uit Genesis 17 wordt dat dus door Paulus toegelicht. “En uw naam zal niet meer genoemd (geroepen) worden Abram; maar uw naam zal we­zen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken”. – Gen.17:5. In Genesis 17 wordt dus beschreven hoe Abram tot Abraham wordt. Abraham wordt van een ‘verheven vader’ tot ‘vader van een menigte’.

Vestigde Hij zich in een stad, genaamd Nazaret

En, daar gekomen, vestigde Hij zich in een stad, genaamd Nazaret, opdat in vervulling zou gaan hetgeen door de profeten gesproken is, dat Hij Nazoreeër zou heten”. – Matt.2:23. In het Hebreeuws bestaat het woord nezer, dat twijg of loot betekent. Zo staat in Jesaja 11: er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï. Van het woord nezer bestaat de vrouwelijke vorm nazer. Vandaar uit kom je dan op de naam Nazareth. Zo werken de rabbijnen wel vaker met plaats­namen, namelijk dat ze associatief woorden in verband met de klank met elkaar verbinden. Een tweede punt dat van betekenis is in dit verband, is het gegeven dat van God gezegd wordt, dat hij nozer is. Dat woord nozer betekent eigen­lijk bewaarder. In het Hebreeuws kennen we twee woorden voor bewa­ren waarvan nozer er één is. Dat woord bewaarder vind je onder andere in Exodus 34. “Die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtre­ding en zonde vergeeft; maar (de schuldige) houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht”. – Ex.34:7.

Die de weldadigheid bewaart (nozer) aan vele duizenden, Die de ongerech­tigheid, en over­tre­­ding, en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins on­schul­dig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid”. – SV.

Je komt dat ook heel mooi tegen in psalm 31. “Hebt de HERE lief, al zijn gunstgenoten; de HERE bewaart (nozer) de getrouwen,  maar ruimschoots vergeldt Hij de trotsen”. – Ps.31:24. “Zie, de Bewaarder (Sjomer) van Israël  sluimert noch slaapt”. – Ps.121:4. Hier wordt dan dat andere woord voor bewaren gebruikt. “De HERE is uw Bewaarder (Sjomerecha), de HERE is uw schaduw aan uw rechterhand. De HERE zal u bewaren voor alle kwaad, Hij zal uw ziel bewaren”v.7. “De HERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid” (heel de eeuw). – Ps.121:5-8.

Dat woord sjomer kan dus bewaren betekenen of bewaken. Je zou kunnen zeggen: bewaren is het resultaat van bewaken. Dat woord nozer kom je bijvoorbeeld ook tegen in Jesaja 27. “Ik, de HERE, zijn behoeder, zal hem aldoor drenken; opdat niets hem bescha­di­ge, zal Ik hem nacht en dag behoeden”. Vanuit onder andere deze tekst krijg je dus associatief dat Jezus de nozer is; Hij is de bewaarder en daarom gaat hij wonen in Nazareth, de plaats­naam die daarmee geassocieerd wordt. Bij een rabbijnse exegese gebeurt het wel vaker dat men op de klank af een verband hoort. Je moet dus verbanden leren horen. Het ene woord roept het andere op en zo kom je van het een op het ander. Dat is de zogenaamde associatieve methode. Dat vind je bijvoorbeeld ook in Genesis bij de namen van de 12 zonen van Jakob.

Ruben: zie een zoon –  rebuen.

Simeon: de Here heeft gehoord – sjama.

Levi: Nu zal mijn man zich aan mij hechten – hechting, samenbinding.

Juda: Nu zal ik de Here danken – dankzegging. ……

Jozef: moge de Here er nog een toevoegen – joseph.

Associatief wordt dus aan een bepaald woord een naam gekoppeld.

Geloof is een gevecht met de dood

“Gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld – voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept”. – Rom.4:17.

Het geloof wordt ook vanouds verbonden met het herleven uit de dood. Je zou haast zeggen: geloof is een gevecht met de dood. Dat komt bij­voor­­beeld ook tot uiting in het ochtendgebed. In de overlevering van het joodse achttiengebed is een van de beden die hier speciaal over spreekt: Gij zijt het die de doden doet herleven. Zo wordt dat dan ook in het dagelijkse gebed naar voren gebracht. “Hebt de HERE lief, al zijn gunstgenoten; de HERE bewaart de getrouwen, maar ruimschoots vergeldt Hij de trotsen”. – Ps.31:24.

Er wordt in een commentaar op deze tekst gezegd:

“De HERE bewaart de getrouwen (‘gelovenden’). Dat wil zeggen: Hij bewaart de kinderen van Israël die zeggen: gezegend zijt Gij, Here, die de doden doet le­ven, hoewel het herleven van de doden nog niet gebeurd is en die zeggen: ge­zegend zijt Gij, Here, Israëls verlosser, hoewel de verlossing er nog niet is. En die zeggen: gezegend zijt Gij, Here, die Jeruzalem bouwt, hoewel Jeruzalem nog niet herbouwd is. Over hen zegt de Heilige, gezegend is Hij, slechts een korte tijd waren de kinderen van Israël verlost, toen werden ze weer verdrukt. Maar toch bevestigen zij hun geloof in Mij, dat Ik hen zal verlossen. Vandaar: de Here bewaart de geloven­den”.

Hier worden dus drie voorbeelden genoemd, die allemaal spreuken uit het achttiengebed zijn, uit dat dagelijkse gebed dat tweemaal per dag wordt gebeden. Daarin komt dus het vertrou­wen naar voren in de God die borg staat voor de komende verlossing. Hij staat daarvoor garant, ook waar niets op het ontluiken van de komende wereld lijkt te duiden. Het geloof in de God van Israël betekent: het vasthouden aan de verlos­sing die komt. Dat is nu juist wat Abraham ook gedaan heeft, zoals er staat in vers 19: “En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen li­chaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moe­derschoot was gestorven;” – Rom.4:19. Het sleutelwoord in dit vers is het woord sterven. Dus die moeder­schoot van Sara was in een nekrosis (= doodsstaat), zoals er in het Grieks staat. Abraham heeft dus de doodsstaat van moeder Sara opgemerkt en ook dat zijn eigen lichaam nekromion ( = doodgegaan) was. Dus dat is ook helemaal wat er in het ochtendgebed staat. Er was niets meer bij Abra­ham en Sara dat nog leek op een ontluiken.

In de morgenstond verkondig ik uw goedertierenheid

Dan wordt er gezegd in dat commentaar op Exodus: het is goed de Here te danken, uw naam te prijzen, in de ochtend uw verbondenheid te verkondigen en uw geloof in de nachten. “Het is goed de HERE te loven, uw naam psalmen te zingen, o Allerhoogste, in de morgenstond uw goedertierenheid te verkondigen, en uw trouw in de nachten,” – Ps.92:2,3. “Want Gij, HERE, hebt mij verheugd door uw daden, over de werken uwer handen zal ik jubelen”. – Ps.92:5

Gij hebt mij verheugd door uw daden. Dat is het geloof, waarmee men­sen geloofd hebben in deze wereld, die geheel ‘nachten’ is. Uw geloof in de nachten en in de ochtend uw goedertierenheid. Dus de vreugde van de verlossing in de ochtend, is het loon van het geloof tijdens de nachten van verdrukking. ‘en uw trouw (emunah) in de nachten’ Dat woord emunah kun je dus verstaan als trouw en als geloof. Het gaat dus om de trouw van God; je kunt ook zeggen om het geloof van God. Deze wereld is geheel ‘nachten’, want er zijn steeds weer ver­drukkingen geweest. Egypte, Babel, Perzen, Ptolemeeën, Romeinen, di­as­pora; en tegenover al die nachten staat het beeld van de uiteindelijke morgen die zal aanbreken. In het ochtendgebed wordt dan ook Klaag­lie­deren 3 aangehaald. “Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op, elke morgen zijn zij nieuw,  groot is uw trouw!” – Klaagl.3:22,23. ‘Groot is uw trouw’, daar staat weer datzelfde woord emunah.

Rabbi Simeon bar Abba zei: omdat Gij ons elke morgen vernieuwt, we­ten wij dat uw trouw groot is om voor ons de doden te doen herle­ven. Dat wordt dus weer in verband gebracht met het herleven van wat dood is. We zien dus dat Paulus dat hier ook aanhaalt. Hij zegt: Abraham heeft dat ei­genlijk ook ervaren door zijn verstorven lichaam en de onvrucht­baar­­heid van Sara. Van al die aartsmoeders wordt trouwens ook gezegd dat ze onvruchtbaar waren. De rabbijnen spreken zelfs over de zeven onvruchtbare moeders.

Abraham werd bekrachtigd door het geloof

Paulus zegt in vers 19: En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen li­chaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moe­derschoot was gestorven; – Rom.4:19. Letterlijk: ‘niet verzwakt zijnde in het geloof’. ‘Heeft hij opgemerkt’. Het geloof ziet de dingen wel; door het geloof loop je niet met je ogen in je zak. Abraham heeft het opgemerkt, en toch… Maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, – v.20. Dus die belofte is voor hem toonaangevend geweest. Die belofte heeft hem er doorheen gedragen. Dat is de draagkracht geweest, je zou haast zeggen: hij ging op de vleugels van de belofte. En hij werd versterkt in zijn geloof. Je kunt dat ook vertalen: ‘hij werd bekrachtigd door het geloof’. Bekrachtigd, zodat hij weer de mogelijkheid kreeg om zaad voort te bren­gen. Hij werd bekrachtigd, letterlijk: gedynamiseerd. Dus dat geloof werkte als een dynamo, als een krachtbron, althans als een schakelaar waardoor de kracht kon binnenstromen. Hij werd bekrachtigd in zijn geloof en hij gaf Gode de eer. “in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen”. – v.21.

Je zou haast kunnen vertalen: ‘en voldragen zijnde’. Dus dan zie je dat het geloof in hem voldragen wordt. Het geloof van Abraham was tot volle rijpheid gekomen. Je ziet hieruit ook, dat geloven een proces is, een proces van helemaal één worden met de belofte, he­lemaal verweven worden met het woord. Als je dat woord je helemaal hebt eigengemaakt, wordt de mens voldragen. Dan wordt dat woord ook voldragen in jou. Een wonderlijke uitspraak luidt: ‘de regen valt al­leen ter wille van de meesters van het geloof’. Want er is geschre­ven: geloof spruit voort uit de aarde. “Trouw spruit voort uit de aarde, en gerechtigheid ziet neder van de hemel”. – Ps.85:12.

Geloof komt vanuit de aarde, van beneden, en de gerechtigheid komt van boven. Van daar komt de regen, want de regen is een teken van ge­rech­tigheid. Er wordt gebeden om regen in de periode tussen Loofhut­ten en Pasen. Maar regen heeft niet alleen te maken met de oogst, regen is ook een beeld voor het herleven van de doden. Zelfs in de doodse woes­­tijn doet de regen nieuw leven ontstaan. Zo wordt er bijvoorbeeld ge­spro­ken van de spade regen, die het land weer doet opleven. De dode akkers worden weer tot vruchtbaarheid gebracht. “Daarom ook werd het hem gerekend tot gerechtigheid”. – v.22.

En dan komt het:

Echter niet om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend

Maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, – v.23,24.

Hier zien we ook weer dat geloof dat staat tegenover de dood. Niet de dood heeft het laatste woord, maar het geloof. Het geloof overwint de doodstoestand. Het begrip ‘dood’ moet je ook veel breder zien dan al­leen de lichamelijke dood. Anders zou het alleen iets zijn voor de jong­ste dag. Je kunt op zich allerlei situaties tegenkomen, waarin de dood re­geert. Zo is ballingschap ook een vorm van dood. Dood is in het He­breeuwse denken een veel ruimer begrip dan dat je alleen klinisch dood bent. In de psalmen kom je die gedachtegang dikwijls tegen. Dan staat er bij­voorbeeld: ik lag gekneld in banden van de dood. Als iemand in de be­nauwdheid zit of zich bedreigd voelt, is dat ook een vorm van dood. Iemand kan nog best op twee benen rondlopen, terwijl hij zegt: ik zit in het dodenrijk. Jona zat ook in het dodenrijk; dat was ook een beeld van de ballingschap. Die symbolieken schuiven dus in elkaar: dood, balling­schap, dodenrijk. Er wordt van dodenrijk gesproken, als je in een situa­tie verkeert, waarin je geen leven meer hebt. De woestijn is ook een doods­gebied. ’In het doodsgebied gaf Ik taal en teken’. Die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, – v.24. Dat is ook weer een overwinning over de dood.

Maar nu komt het:

Die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaar­di­ging. – Rom.4:25. In de nacht, waarin Hij werd overge­le­verd. Paulus zegt hier twee dingen:

1. Hij is overgeleverd.

Dat is op zich een woord om eindeloos over na te denken. Hij is over­ge­leverd, dus dat moest gebeuren. Het wordt helaas soms vertaald met ver­raden, Judas is dan de verrader. Eigenlijk staat er: Judas is degene die Hem overlevert. Jezus wordt overgeleverd in de handen van de mensen. Dat moest ook, anders was Hij nooit bij de mensen terechtge­ko­men. Dat woord overleveren heeft een dubbele bodem. Dat woord wordt bijvoor­beeld ook gebruikt bij het avondmaal, als Paulus zegt  Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder over­gegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overge­le­verd, een brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn li­chaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. – 1 Kor.11:23,24. Paulus zegt: ik vertel jullie wat de Heer mij overgeleverd heeft. Het woord traditie (traderen) heeft te maken met overleveren. Traditie is dus geen ongunstig begrip; we leven van traditie. Als er nooit iets overgeleverd was, dan kenden we Hem ook niet. In diepste zin kun je zeggen: als Jezus niet overgeleverd was, was er ook geen gemeente. De gemeente is er, omdat Jezus overgeleverd werd. Van die overlevering moeten wij het hebben. Dat is dus dat dubbele begrip, dat wordt aan­geduid door het woord traderen. Het betekent ook overleveren in die geladen zin van: Hij werd overgeleverd in de handen van misdadigers. En dat gebeurde dus vanwege onze overtredingen, zoals vers 25 zegt: die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardi­ging.

We zagen dus:

1. Hij is overgeleverd.

2. Hij is opgewekt om onze rechtvaardi­ging.

Hij is opgewekt om onze rechtvaardi­ging

Het probleem van de uitleggers is vaak gelegen in het woordje ‘om’ in deze tekst. Er wordt vaak gedacht dat het woordje om een doel aan­duidt. Dan wordt er gezegd: Jezus is opgewekt om ons te rechtvaardi­gen. Maar dat betekent het dus niet. Het is wel belangrijk om in te zien wat er in deze tekst gezegd wordt. Het ligt net andersom. Hij werd op­gewekt vanwege, of op grond van onze rechtvaardiging. Het eer­­ste woord­je ‘om’ in deze tekst (om onze overtredingen) heeft dezelfde be­tekenis; het duidt dus een oorzaak aan. Jezus werd overgeleverd van­wege onze overtredingen. Waarom werd Jezus opgewekt: dat kwam door onze rechtvaardiging. Dus ‘onze rechtvaardiging’ gaat eraan vooraf.

Wat heeft Jezus gedaan: Hij heeft ons gerechtvaardigd. Je kunt ook zeg­gen: Hij heeft ons vrijgesproken. Dat rechtvaardigen houdt dus in dat Hij met ons gegaan is naar de poorten van de dood. Om daar, waar de dood rechtszitting houdt, ons terzijde te staan. De mens moet daar als een arme, als een rechteloze en ellendige naar de poort van de dood gaan. Hij denkt: daar gaan ze me dan veroordelen, nu ga ik eraan en er blijft niets van mij over, ik kom nooit meer levend uit de poort van de dood. Maar dan komt Jezus en zegt: Ik ga met je mee! Zo gaan ze beiden de poorten van de dood in. De dood dacht al: daar komt weer nieuwe buit aan! Maar dan ziet de dood dat zijn slachtoffer in gezel­schap van Jezus is. Die arme en ellendige heeft een helper mee­ge­nomen, een bevrijder in de benauwdheid, in het rechtsgeding. In de poort van de dood staat Jezus die arme en ellendige terzijde tot in de uit­­ein­delijke beslissing. Zo is Jezus onze broeder geworden tot het ein­de. Hij is onze naaste geworden, onze bondgenoot tegen de aanklager. Zo heeft hij ons gerechtvaardigd. En omdat Hij dat gedaan heeft, daarom zegt God: Ik ga Jezus uit de doden opwekken! Want iemand die dat ge­daan heeft, die is het waard om te herleven. Dus daarom is Jezus op­ge­wekt. Omdat hij ons gerechtvaardigd heeft. Omdat hij onze broe­der werd tot het uiterste, daarom zegt God: iemand die dat gedaan heeft, moet eeuwig leven. God zegt: deze ‘broeder tot het einde’ ga Ik er weer glansrijk bovenuit halen. Daar zitten dus twee kanten aan. God zegt: Ik ga Hem opwekken. Daar zit aan de andere kant ook in: Iemand, die zo broeder is tot het einde, die kan in diepste wezen ook niet dood blijven. Die liefde is inderdaad sterk als de dood, om het met het Hooglied te zeggen. Het is de ontferming tot het einde die het wint. Op die ontfer­ming heeft het hele rijk van de duisternis en het hele rijk van de dood geen ant­woord. Er is een kracht waar de dood niet tegenop gewassen is, dat is de ontferming. Dat is dan inderdaad ook de naam van God, het wezen van God, de gezindheid van God. Daar kan heel die macht van het kwaad niet tegenop. Dus Hij is opgewekt, waarom: omdat Hij ons gerechtvaardigd had. In­derdaad als loon, en dan zou je haast zeggen immanent loon, want dat loon zat in de daad. Dus als gevolg daarvan wordt Hij uit de dood te voorschijn geroepen. Iemand die zo mens is geweest tot het ui­terste, kan eenvoudig niet ondergaan. Dat heeft bestaan en dat heeft voort­bestaan.

Dat is dus het slotakkoord van Romeinen 4.

* Omgekeerde citaten

“Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis Israëls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn”. – Hebr.8:10. “want nadat Hij gezegd had: Dit is het verbond, waarmede Ik Mij aan hen ver­binden zal na die dagen, zegt de Here: Ik zal mijn wetten in hun harten leggen, en die ook in hun verstand schrijven,” – Hebr.10:16. In deze twee teksten worden de woorden verstand en hart in een ver­schil­lende volgorde gebruikt. Deze teksten vormen een soort omlijsting rondom die hoofdstukken 8 en 10, althans wat hoofdstuk 10 betreft het eerste deel. Dit wordt door de bijbelschrijvers wel meer gedaan. Men noemt dat omgekeerde citaten. Deze methode kom je in de Tenach vaak tegen. Als een schrijver een tekst weer terug laat komen, en hij wil ver­band leggen met die eerste tekst, dan haalt hij hem vaak omgekeerd aan. Dat zie je ook in de psalmen en verschillende profetenteksten. Soms ge­beurt dat binnen één psalm, soms binnen een aantal psalmen. Juist door die omgekeerde volgorde krijg je een chiasme, een kruis­stel­ling.

Eerst zien we dus: verstand leggen – harten schrijven (8,10). Vervolgens: harten leggen – verstand schrijven (10,16). Op die manier worden die twee gedeelten op elkaar betrokken en spe­len de hoofdstukken 8 en 10 op elkaar in. Het hart is in de bijbel de kern van je persoonlijkheid, waarmee je je koers bepaalt. Het hart is het roer van het schip.

We hebben weer iets mogen zien van het geloof waarmee God zelf

be­gonnen is.

God heeft geloof in mensen.

Het geloof van God overwint de nachten.

Het geloof van God gaat dwars door heel die nacht van dood,

dwars door heel die diepte heen.

Dat geloof zal zegevieren in de poorten van de dood.

Zo is Jezus heel die weg gegaan en is onze broeder geworden tot het uiterste.

Jezus is trouw gebleven tot in het holst van de nacht.

En juist daarom is Hij opgewekt.

Juist daarom komt de dood Hem niet vasthouden.

Deze mens, die mens wilde zijn met de mensen,

in al die pijn waarin de mensen mensen zijn, is verhoogd.

De barmhartigheid van God heeft het laatste woord.

Hij is een God die zijn aangezicht laat zien

en zijn aangezicht over ons doet lichten.

Door dat geloof worden we bekrachtigd.

Door dat geloof worden we mens.

En daar werkt God aan;

laat Ons mensen maken naar ons beeld.

 

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384684 bezoekers sinds 07-06-2010