De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 8

22-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

hoofdstuk 4

Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof

Paulus gaat in Romeinen 4 ook een verhaal vertellen, het verhaal van Abra­ham.

We willen nu ingaan op een kernthema, dat in Romeinen 4 aan de orde zal komen. Dit hoofdstuk staat in een bepaald kader. In hoofdstuk 3 ging het over het gerechtvaardigd worden. daarom, dat uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal wor­­den, want wet doet zonde kennen. – Rom.3:20. Dat thema komt weer terug in de verzen die daarop volgen, zoals: en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Chris­­tus Jezus. – Rom.3:24. En ook in vers 26: om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf recht­vaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is. v.26. Vervolgens in vers 28: Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet. – v.28. Ook nog in vers 30: Indien er namelijk één God is, die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof. – v.30.

In hoofdstuk 5 zien we weer hetzelfde motief:

Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze He­re Jezus Christus, – Rom.5:1. In het voetspoor van Abraham. We zien dus dat die rechtvaardiging als een thema door al die verzen heen loopt. Die rechtvaardiging is ook het gegeven waardoor hoofdstuk 4 omsloten wordt. We zien dat thema van de rechtvaardiging dus in hoofdstuk 3:20, 24, 26, 28 en 30. Vervolgens weer in 5:1. Daartussen zit dan dat verhaal van hoofdstuk 4. In hoofdstuk 4 komt het verhaal van Abraham aan de orde als een soort model, als vader van de gelovigen. Paulus zegt: we concentreren ons nu op Abraham, waaraan je het thema van die rechtvaardiging kunt aflezen. Abraham wordt dus een modelgestalte. Want het gaat erom, dat mensen in het voetspoor van Abraham zullen gaan. Zo zien we in dat verband die prachtige uitspraak in vers 12 over mensen die in het voetspoor van het geloof treden. en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de be­snijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze va­der Abraham in zijn onbesneden staat bezat. – Rom.4:12.

Abraham heeft hier de functie van voorganger, pionier. Abraham heeft ook in de Tenach en ook in het rabbijnse denken een pioniersfunctie. Er wordt vanouds gezegd: Abraham was ook de eerste die brak met de go­den. Abraham stapte uit die godenwereld. Willem Barnard heeft in een gedicht over Abraham dat zo onvergetelijk onder woorden gebracht:

Een stem doorbrak de stomme ring

van het bestaan waarin hij was besloten.

En hij werd waterpas geschoven op de lange baan,

waarlangs hij voortaan voort zou gaan.

Abraham zat besloten in de cirkelgang van de goden, een cirkelgang van vader op zoon die altijd maar doorging in diezelfde cirkelrede­ne­ring. Dan komt er een stem die zegt lech lacha, letterlijk: ga voor je zelf. De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; – Gen.12:1. Abraham wordt dus door een stem op die lange baan geschoven. Het is geen cirkel meer, maar het is een baan. Langs die baan zal hij voor­taan voortgaan. Hij is niet meer de man van de cirkel, maar hij wordt de man van de lange baan. Heel het leven van Abraham wordt getypeerd door het woord gaan. Abrahams leven wordt een gang. Van­ouds wordt er dan ook gesproken van de ha lacha, de gang van Abra­ham. Paulus gaat dus Abraham als model nemen, als toonbeeld, als oerbeeld van de mens die gaat geloven, oftewel de mens die zich gaat hechten aan God. Het verhaal van Abraham staat dus helemaal in het kader van het gerechtvaardigd worden.

Van Abram naar Abraham

Wij worden gerechtvaardigd. Wat is nu de betekenis van deze uitdruk­king? Het is een uitdrukking die je misschien zo vaak hoort, dat hij kans loopt te verslijten. Woorden zijn soms onderhevig aan een slijtage­pro­ces. Door die veelgebruikte woorden als liefde en goeder­tie­ren­­heid hoor je op een gegeven ogenblik niet meer wat nu eigenlijk ge­zegd wordt. Dan moet je weer opnieuw gaan luisteren, dan moet je weer de muziek gaan horen in de woorden. Je moet als het wa­re weer opnieuw in die taal teruggaan. In Romeinen 4 gaat Paulus een rabbijnse methode van exegese hanteren. Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, ver­kregen heeft? – Rom.4:1. ‘Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees?’ – SV. Abraham wordt hier dus onze voorvader (propater) genoemd. Eerst heet­­­te hij Abram (verheven vader) en daarna Abraham (vader van een me­nigte). Dat scheelt in het Hebreeuws maar één letter, namelijk de let­ter hee (h). Abraham kreeg er dus een h bij. Dat is de h – je zou haast zeg­gen – van de adem Gods. Abraham wordt doorademd, de adem van God komt erin. Zo wordt hij van ‘verheven vader’ tot ‘vader van een me­nigte’. De letter hee heeft in het Hebreeuws de betekenis van venster. In Abrahams leven komt dus een venster, een venster dat uitzicht geeft op een menigte van volken. De letters van het woord Abraham (met een h erin) zijn dezelfde letters als het woord waar Genesis 2:3 mee begint. Daar lezen we dat prachtige verhaal over de schepping. Daar wordt dan verteld hoe God alles tot stand heeft gebracht. In vers 7 wordt inder­daad verteld dat God de levensadem in de mens blaast. In Genesis 5:2 wordt verteld over de schepping van de mens en dan staat er aan het slot van het 2e vers: en Hij noemde hem mens; Hij riep de naam Adam op de dag van zijn geschapen worden (hibbare am). En dat hibbare am is een anagram. De letters van Abraham worden omgewisseld. Dat hebben de rabbijnen dan ook vanouds gezegd. Daar ligt dus een bepaald verband. Als Abra­ham die h erbij krijgt, is dat eigenlijk een scheppingswerk van God. Dat herinnert aan dat woord hibbare am, de dag van hun gescha­pen worden. Dat zijn dus dezelfde letters die je in een wat andere volg­orde krijgt bij Abraham. Dus bij dat hib­bare am en bij Abraham zien we dezelfde medeklinkers. Zo heb je dan een verwisseling van letters. Je zou haast kunnen zeggen: op de dag dat Abram Abraham wordt, wordt die nieuwe mens geschapen. Dat is de jom hibbare am, dat is de dag van hun geschapen worden. Dan gaat God iets nieuws scheppen. Dan komt daar die overgang, dat hij niet meer alleen is, maar dat hij toe­komst krijgt. Alleen al daarom is Abraham een ongelooflijk fascine­ren­de figuur. Hij is de eerste die echt mens gaat worden. Hij is ook de eerste die in gesprek treedt met God. Van al die mensen vóór Abraham, lees je eigenlijk ner­gens dat ze een gesprek hadden met God, ook niet van Noach. Van He­noch wordt wel gezegd dat hij met God wandelde, maar van een ge­sprek lees je niets. Ze zullen vast wel iets tegen God ge­zegd hebben, maar het gaat erom: is er in de tekst van Genesis iets van genoteerd? Dat lees je dan voor het eerst bij Abraham, die echte ge­sprekken gaat voeren met God. Hij vraagt bijvoorbeeld: u heeft een be­lofte gegeven, dat ik een groot nageslacht zou hebben, maar ik merk daar nog zo weinig van. Abra­ham doet ook voorbede voor Sodom. Abra­ham is dus inderdaad wat dat betreft voorvader, stamvader. Dan zegt Paulus in Romeinen 4: wat heeft hij nu gekregen? Letterlijk staat er in de Griekse tekst: ‘Wat heeft hij gevonden?’ Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, ver­kre­gen heeft? – Rom.4:1. Heeft Abraham iets gevonden, toen hij op weg ging met die onbekende God naar dat onbekende land? Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God. – Rom.4:2. Het gaat hier dus weer om dat punt: gerechtvaardigd worden. Paulus gaat hier een rabbijnse methode volgen. Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerech­tigheid gerekend. – Rom.4:3.‘Want wat zegt de Schrift?’ En dan citeert Paulus Genesis 15:6: En hij geloofde in de HERE, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid. Gen.15:6. God rechtvaardigt de mens en doet hem tot zijn recht komen. Paulus zegt: ik ga nu preken over Genesis 15:6, dat is mijn grondtekst. Vanuit die fundamentele tekst gaat Paulus zijn betoog opbouwen. Let­terlijk staat er: Abraham vertrouwde God. En dat vertrouwen, dat ge­hecht zijn, dat werd hem gerekend tot gerechtigheid (tsedaqah). Wat is nu dat begrip gerechtigheid? Wat betekent het nu als een mens gerecht­vaar­digd wordt? Het begrip gerechtigheid heeft ook een duidelijke ach­ter­grond. Het heeft een bepaalde waarde vanuit heel het bijbelse den­ken. Je zou dat begrip gerechtigheid het best kunnen vertalen met de woord­stam waar. Buber en Rosenzweig hadden eerst het plan de verta­ling van Luther te gaan herzien, maar daar zijn ze van teruggekomen. Het is ongelofelijk boei­end om te lezen – want hun correspondentie is intussen in boek­vorm verschenen – hoe deze twee vertalers geworsteld hebben om een voor hen aanvaardbare vertaling te realiseren. Uiteindelijk zijn deze ver­ta­lers samen tot Jesaja 53 gekomen. Toen is Rosenzweig overleden; hij had een vorm van MS. Buber is toen alleen verder gegaan. De woord­stam tsadaq hebben ze dus vertaald met waar. In het Nederlands kun je dat ook nog enigszins terugvinden. Aan het woord waar zitten verschil­lende aspecten. Aan de ene kant kun je denken aan begrippen als koop­waar, handelswaar. Aan de andere kant ook aan begrippen als waarde, waardigheid en dan ook waarachtig. Als je hier nu een werkwoord van maakt, dus rechtvaardigen, zou je kunnen zeggen: ‘bewaarheid doen wor­den’. Je zou het zelfs kunnen weergeven met het woord handhaven. Als God de mens rechtvaardigt, dan heeft dat de betekenis dat Hij de mens gaat handhaven, Hij gaat de mens tot zijn recht doen komen. In het Duits kun je dat nog wat zuiverder weergeven met: bewähren of: ‘be­währt sprechen’, bewaarheid spreken. God gaat door zijn woord de mens vrij­spreken. God gaat de mens waar spreken, zodat hij er mag zijn. Als God de mens rechtvaardigt, dan betekent dit, dat hij er mag zijn. De mens wordt onder het oordeel vandaan gesproken. Je komt ook onder de veroordeling vandaan. Hierbij moeten we bedenken, dat bij dat be­grip tsedaqah een aantal elementen een rol speelt.

De verschillende aspecten van het begrip tsedaqah

In de eerste plaats zit daar het element in van het thema van twee men­sen. Dat gegeven van twee mensen vind je overal door de bijbel heen; er zijn er altijd weer twee: Kaïn en Abel, Ismaël en Isaak, Jakob en Esau, David en Saul, oudste zoon en verloren zoon. Het gaat altijd weer over twee men­sen. In de tweede plaats zien we in dit bijbelse thema ook, dat dan dáár juist de problemen be­ginnen. Tussen die twee ontstaat een twistgeding, een rechtszaak. Hoe moeten die conflicten nu opgelost worden?

Daarmee hangt dan nog een derde punt samen, namelijk het gegeven dat je bij de­ze tweetallen een sterke en een zwakke hebt. Dat thema van sterk en zwak zullen we in het vervolg van de Romeinenbrief ook nog aan­treffen. Want heel Romeinen 14 gaat over de ster­­ken en de zwakken. Er staan dus twee partijen tegenover elkaar en dat geeft een rechts­ge­ding. Welke van de twee zal nu als winnaar te voorschijn komen? Daar komt nog een vierde punt bij. Er wordt in de Tenach heel veel ge­sproken over de arme en de ellendige. In het Hebreeuws wordt die de ani genoemd. Letterlijk betekent dat woord de neergebogene. Die neergebo­ge­ne kun je met een heel scala van begrippen omschrijven. De neergebo­gene is de hulpeloze, de rechteloze, de naamloze, kortom de mens die on­der ligt. Het is de mens die geen rechten heeft, die geen helper heeft. Het is de mens die niet tot zijn recht komt. De gestalte van de ani kom je ook steeds weer in de psalmen tegen. We zien dat woord ook terug­ko­men in de plaatsnaam Bethanië (Beth-ani), wat huis van de ellendigen betekent. Het is wonderlijk, dat uit­ge­rekend in Bethanië het hoogtepunt van het Johannes-evangelie zich vol­trekt. Johannes 11 speelt namelijk in Bethanië, waar Lazarus wordt te­rug­geroepen uit de dood. In het huis van de ellendigen gaat de Messias zijn heil brengen. Heel het Johannes-evangelie spitst zich toe op dit hoofd­­stuk, waar Lazarus uit het graf wordt geroepen. Uitgerekend in Bethanië moet dit wonder ook plaatsvinden, dat kan eigenlijk niet mis­sen. Als de Messias zich gaat openbaren, zal hij uitgerekend in Bethanië, in het huis van de ellendigen zijn heerlijkheid laten zien. Hij zal de red­der zijn der armen. Hij is met koninklijk erbarmen hun eenzaamheid na­bij. In de vijfde plaats zien we, dat die arme en ellendige om hulp roept. Dat is de schreeuw om hulp (…. qah?). In de zesde plaats kunnen we onderscheiden dat die arme en ellendige in de benauwdheid zit (tsarah?). Vanuit de benauwdheid heeft hij geroe­pen, vanuit de diepte. Hij zit in de tang, want die ander gunt hem de ruimte niet. In de zevende plaats kunnen we zien dat die arme daardoor geen plaats, geen maqom, geen mokum heeft. Als we nu die zeven punten bekijken, komt de vraag: welke rol speelt God in deze twistzaak, in dit rechtsge­ding? Daarbij komen we bij het achtste punt, namelijk dat God optreedt als hel­per. Bij Jezus vind je dit thema nadrukkelijk terug, Jezus wordt de ani, Hij wordt ook de ellendige. Hij heeft ook geen plaats, Hij heeft geen plaats om zijn hoofd neer te leggen. Hij wordt een rechteloze, Hij wordt een hulpeloze.

De poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen

De rechtspraak vindt in de poorten plaats. De arme gaat dus op weg naar de poort, want daar zit de aanklager. Die aanklager zit zich dus te ver­heugen, want nu wordt het vonnis geveld. We zullen die arme, die ellendige wel klein krijgen. We boren hem de grond in; we trappen hem in het stof. De aanklager zit dus in de poort, dat is de poort van de dood. In de poort van de dood gaat de aanklager zijn twistgeding voe­ren. Hij ziet in de verte die ellendige aankomen en denkt: nu gaat het gebeuren! Maar dan verstart de aanklager van schrik, want hij ziet dat die ellen­dige niet alleen is. Niet alleen is daar de ani, maar ook die Mes­siaanse ge­stalte die het opneemt voor de ellendige. Die Messiaanse ge­stal­te zegt: Ik zal je naaste worden, je lotgenoot worden, je bondgenoot. Dan gaat Jezus in de poort van de dood staan om daar het recht van de aanklager te betwisten. We zien dat ook geschreven staan in Matteüs 16. En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. – Matt.16:18.

De poorten van het dodenrijk zullen de gemeente niet overweldigen, om­dat Jezus in die poorten is gaan staan. Hij bevindt zich daar om in te staan voor zijn broeders. Levinas zegt: weet je wat het grootste gebod is? Daar geeft hij eigenlijk twee antwoorden op. Hij zegt in de eerste plaats: het grootste gebod is: gij zult niet doden. Dat is een uitspraak die heel diep gaat. Je kunt ie­mand ook doden met woorden. Je kunt iemand ook doden door niets te zeggen. Je kunt iemand doodzwijgen. Je kunt zelfs iemand do­den door een blik. Je kunt iemand ook doden door hem te laten voelen: jij mag er niet wezen. Dat heeft ook te maken met het punt dat je dat vonkje in de ander niet moet uitdoven. Je kunt soms dat kleine vonk­je van geloof in een ander aanblazen, maar je kunt het ook uitdo­ven. Een kennis van ons was groepsleider in een tehuis. Op een keer ging hij met heel de groep naar Parijs. Die groep bestond uit allerlei tieners, die al een heel verhaal achter de rug hadden. Bijvoorbeeld kinderen, waarvan de ouders uit de ouderlijke macht waren ontzet. Ouders die er niet konden of niet wil­­den zijn, of die er niet waren. Zo loop je dan met zo’n stel tieners door Parijs. Op een gegeven ogen­blik komen ze langs de Notre Dame. Een tienermeisje zegt dan opeens: ik zou best die kerk binnen willen gaan en een kaarsje willen branden. Dan zouden er misschien mensen zijn die heel keurig rechtlijnig orthodox zeggen: ja, maar het geloof zit niet in een kaarsje. De volgende keer zegt ze dan niets meer. Dan heb je dat kleine vonkje uitgedoofd. Gelukkig liep het hier dan wel anders. Voor dat meisje was dat op dat moment een stuk hunkering naar het licht. Je moet ook de symboliek horen achter de woorden. Je moet van zo’n eenmalig gebeu­ren ook niet verwachten dat het meteen een complete geloofsbelijdenis wordt. Dat meisje zegt in haar taal: ik verlang naar een beetje licht in mijn leven. Nico ter Linden vertelt ergens van een man – hij was toen predikant in een psy­chiatrische kliniek – die bij hem kwam in de spreekkamer en zei: ik heb twee vragen. Hebben Adam en Eva echt bestaan en hoe kwam Kaïn aan zijn vrouw? Dat is mijn eerste vraag en mijn tweede vraag is: dominee, heeft u een roeping? Nico ter Linden zegt dan: het heeft een hele tijd geduurd, voordat ik begreep wat er achter die vragen zat. Soms ben je dan geneigd om die vragen af te ket­sen en om te zeggen: als je nu niets anders weet, stop dan maar. Dat zijn van die ouwe koeien die uit de sloot klauteren. Op een gegeven moment ging hij beseffen wat die man nu eigenlijk vroeg. Hij vroeg eigenlijk: zou dat kunnen een Adam en een Eva, een mens en zijn vrouw, helemaal gaaf in het paradijs en daarachter dan de vraag: zou dat voor mij en mijn vrouw ook kunnen? Zou er voor ons ook nog een stukje paradijs zijn in deze ellendige wereld? Hebt u een roeping? Daar bedoelde hij mee: zou God nu nog echt spreken? Zijn er dan nog mensen die echt nog iets van die roep van God gehoord hebben? Kan ik dat misschien ook nog op de een of andere manier opvangen? Dan ga je dus ho­ren door de regels heen. Anders geef je alleen maar een technisch antwoord en daar vraagt hij niet om. Je kunt op het technische niveau antwoorden, maar je kunt ook op het emotieve vlak antwoorden. Dat is het vlak van het gevoel, van het hart. Hier was sprake van een hunkering van een mens naar God, een heimwee naar God. Het tiende punt houdt in, dat de Messias juist in die poorten van de dood is gaan staan.

Het grootste gebod is: gij zult niet doden

Levinas zei dus: het grootste gebod is: gij zult niet doden. Hij geeft ook nog een tweede antwoord. Het grootste gebod is: gij zult de ander in zijn dood niet alleen laten. Dat is het meest fundamentele. Dat gebod heeft de Messias ter harte genomen. Hij heeft de mensen in hun dood niet alleen gelaten. En die ellendige, die daar in de poorten van de dood zat, en die wist: nu wordt het doodvonnis over mij uitgesproken, want ze gunnen mij het leven niet, die ellendige vindt dan plotseling de Mes­sias naast zich. En de Messias zegt: we zullen wel eens zien wie het wint. En dan wint de zwakke. Dan wint de arme en de ellendige, omdat hij een bondgenoot heeft die het pleit voor hem beslecht. Dan wordt het waar wat er staat in dat lied: ‘rest er niets meer dan te zingen, Heer, dan is uw pleit beslecht’. De Messias komt juist voor de mens die zijn ziel niet in leven kan hou­den. Die twistzaak vind je telkens door de psalmen heen. Heel de Te­nack vertelt daarvan. Als achtergrond noemen we psalm 43. Daar heeft Paulus het ook vandaan. Paulus spreekt ook niet vanuit een nulpunt. Maar het woord komt op vanaf de bodem van de Tenach. Pau­lus heeft tenslotte aan de voeten van Gamaliël gezeten en dat is hij ook nooit meer kwijtgeraakt. Doe mij recht, o God, en voer mijn rechtsgeding tegen een volk zonder godsvrucht; doe mij ontkomen aan de man van bedrog en onrecht. – Ps.43:1. Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts. – SV. ‘En voer mijn rechtsgeding’. Daar staat het woord rim.

We zien hier dus een man die in een rechtsgeding, in een twistzaak is ver­wikkeld. En als ik nu in mijn eentje naar de poorten van de dood moet gaan, dan kom ik daar nooit levend meer vandaan. De aanklager heeft altijd wel wàt in te brengen en aan te merken. Maar als ik nu een bondgenoot meeneem, dan is er nog hoop voor mij. Samen met Jezus, samen met die Messiaanse gestalte, komen we door de poorten van de dood heen. Dàt is nu gerechtvaardigd worden. Dat betekent dat Hij het voor je op­neemt, dat Hij ìnstaat voor zijn mensen en zo onze vrijspraak bewerkt. Hij zal uw gerechtigheid (tsedaqah) doen opgaan als het licht, en uw recht als de middag. – Ps.37:6. Uw gerechtigheid zal opgaan als het licht

Letterlijk: doen uitgaan. Zoals ‘s morgens het licht begint te schijnen. De oosterse mens zegt dan: de zon gaat uit. Hier wordt het korte woord voor tsedaqah gebruikt, namelijk het woord tsedeq. Buber vertaalt dat woord in zijn werk nogal eens met Wahrspruch. Dat betekent letterlijk een ‘waarspreuk’ een ‘waar-spreken’. Je wordt wáár ge­­sproken. Je wordt bewaarheid. Je wordt onder de leugen vandaan ge­sproken. Dat heeft ook de betekenis in zich: gij zult niet doden. Hij laat je niet alleen een jouw dood. Hij zegt: Ik ga met je mee! Dan kom je door die doodsstaat heen. Dan word je ontheven, je krijgt ontheffing. Je krijgt ontheffing van de doem. Je wordt ontheven aan het gericht.

In de ochtendstond komt het recht aan het licht

De rechtspraak vond ook altijd plaats in de vroege morgen. Dan heb je dus eigenlijk de hele nacht zitten wachten. En dan, in de ochtendstond, komt het recht aan het licht. Na die lange donkere nacht komt de rechter die mij in het licht zal brengen. Die rechter brengt jou aan het licht. Als God rechtspreekt, brengt hij jouw eigenlijke wezen, jouw menszijn aan het licht. Hij haalt je uit die nacht vandaan, na het duister van de we­reld­nacht. Dat is iets heel bijzonders, als een mens aan het licht komt, als een mens er mag zijn.

En dan zegt de parallelregel in vers 6: ‘en uw recht als de middag’. De middag is de hoogte van de dag. Zo zit de mens in dat twistgeding, waar de aanklager rondgaat. Gerechtvaardigd worden houdt ook in, dat je weer een naam krijgt en een gezicht. Je mag er weer zijn! Levinas zegt in dit verband – en hij behandelt dat helemaal vanuit het punt van het aangezicht – het eigenlijke doel van de mens is, dat hij mag leven van aangezicht tot aangezicht; panim el panim. Het woord aan­ge­zicht, panim, is een kenmerkend woord in het bijbelse denken. ‘De mens heeft een aangezicht’ is dus een uitspraak met een meerwaarde. Dat woord aangezicht vind je ook weer terug in het woord Pniël, Penuel.

Leven van aangezicht tot aangezicht

God heeft voor de mens van oorsprong bedoeld, dat hij zou leven panim el panim, leven van aangezicht tot aangezicht met de ander en ook met de Ander. Je ziet ook dat het eerste wat er gebeurt, als het kwaad de wereld bin­nenkomt, dat het aangezicht verdwijnt. Dan lezen we dat de mens en zijn vrouw zich verbergen. Dan is het leven voor het aangezicht van de an­der weg. Dan is het eigenlijk zo indrukwekkend, dat God daar in de hof gaat wandelen, om de mensen terug te vinden. En dan stelt God die vraag: ajecha, waar ben je? Adam, waar ben je nu? Je kunt wel nagaan dat dit niet een puur informatieve vraag is. God vraagt niet: achter welke struik zit je nou? Want dat probleem had God niet. Adam en Eva hadden een roeping. Al die vragen moet je niet op het in­tel­lectuele vlak verstaan. Niet op het puur informatieve niveau. Nee, er wordt meestal niet puur naar infor­matie gevraagd. Als God vraagt: Adam, waar ben je, betekent dat niet, dat God wat informatie wil heb­ben over de verblijfplaats van de mens. Maar dat is dan veel meer de vraag: jongen, waar zit je nu toch! Want Ik wil niet zonder jou! Hoe kun je toch zo handelen, dat je wegkruipen moest! Eigenlijk is dit toch iets heel moois, dit is puur een stuk evangelie. God wandelt door het verloren paradijs. Want het was al het verloren para­dijs, ze waren het paradijs al kwijt. Maar in dat verloren paradijs wan­delt God. God wandelt door ieder verloren paradijs. Dat is nu ge­na­de. God schrijft ook dat verloren paradijs niet af, dat is nu gerechtigheid. God zegt niet: als jullie dan niet thuis ge­ven, ben Ik ook niet thuis. God zegt: Ik ga wandelen door het ‘Para­dise lost’, want Ik wil de mens terug­vinden. Ik wil weer dat aange­zicht van de ander.

Levinas zegt: recht­vaar­digheid, tsedaqah, is de manier waarop je het ge­laat van de ander ontvangt. Je kunt het aangezicht van die ander ook pijn doen. Het aangezicht van die ander kan miskend worden, want het aangezicht is het meest kwetsbare van een mens. Een klap in je gezicht kan heel pijnlijk zijn en hard aankomen. Ook figuurlijk is dat zo: het was alsof ik een klap in mijn gezicht kreeg. Een klap in je gezicht is een mis­kenning van je menszijn, je wordt niet in je waarde erkend. Daarom wordt er in de bijbel ook gesproken van: het aangezicht opheffen. God wil je aangezicht opheffen, zoals iemand kan zeggen: kijk mij maar aan, je hoeft je ogen niet neer te slaan. Je hoeft niet met gebogen hoofd te gaan, maar je mag je aangezicht omhoog heffen. Dat staat ook zo mooi in de zegenspreuk van Numeri 6: De HERE zegene u en behoede u; Ø de HERE doe zijn aangezicht over u lich­ten en zij u genadig; Ø de HERE verheffe zijn aangezicht over u en geve u vre­de. Ø Zo zullen zij mijn naam op de Israëlieten leggen, en Ik zal hen zege­nen. Num.6:24-27.  Het aangezicht van God betekent de aanwezigheid van God. Het bete­kent oog in oog staan, van hart tot hart contact hebben. Ge­rechtigheid be­tekent dus, dat God het aangezicht van de mens weer ontvangt. In zijn tsedaqah ijlt God te hulp, bevrijdt Hij in de benauwdheid, redt Hij en doet Hij ontkomen, doet Hij opstijgen en brengt Hij tot leven.

De gerechtigheid van God in de psalmen

Als je het over de tsedaqah van God hebt, is er in de psalmen een over­vloed aan teksten te vinden. In psalm 71 staan er in dit verband prachtige uitspraken; het is ook een psalm voor de mens die op leeftijd begint te komen. Paulus heeft zijn Ro­mei­nen­­brief mede ook vanuit de psalmen geschre­ven. In deze psalm staat vijf keer het woord tsedaqah. Red mij en bevrijd mij door uw gerechtigheid; neig uw oor tot mij en verlos mij. – Ps.71:2. mijn mond zal uw gerechtigheid vertellen, de ganse dag uw heil, want ik weet de maat daarvan niet. – Ps.71:15. Als je de gerechtigheid kunt vertellen, betekent dit, dat het een verhaal wordt. De tsedaqah wordt tot een verhaal. Dat is het verhaal van die man die op zijn eentje naar de poorten van de dood moet, maar nu kan vertellen dat er iemand met hem meegaat. Want ik weet de maat daarvan niet‘. Letterlijk: ‘ik weet de getallen daarvan niet’; daarom ga ik het maar ver­tel­len. Daar zit ook nog een woordspeling in. Omdat ik de getallen niet weet, ga ik het maar vertellen. Anders kun je je nog wel eens vertellen. Dat geeft dan niet, want je gaat dan gewoon maar dat verhaal vertellen. Vertellen is in het Hebreeuws, net als in het Nederlands, een intensieve vorm van tellen. Er is een innig verband tussen tellen en vertellen. Als je heel intensief gaat tellen, ga je vertellen.

Ik zal de machtige daden des Heren HEREN verkondigen, uw gerechtigheid vermelden, de uwe alleen. – Ps.71:16. Letterlijk: ‘ik zal komen op de heldendaden van Adonai Elohim’. Deze man in vers 16 is er helemaal vol van. Ja, uw gerechtigheid, o God, reikt tot den hoge, Gij, die grote dingen volbracht hebt;  o God, wie is U gelijk? – Ps.71:19. ‘Uw gerechtigheid’. Dat wil zeggen, dat God een mens ‘waar’ maakt. God bevestigt die mens in zijn bestaan. Je krijgt weer bestaansrecht bij God. Ook zal mijn tong de ganse dag van uw gerechtigheid gewagen, want zij worden beschaamd en schaamrood, die mijn onheil zoeken. – Ps.71:24. Van uw gerechtigheid gewagen. Letterlijk: ‘uw gerechtigheid verzuchten’. ‘Uw gerechtigheid den gansen dag uitspreken’. – SV. Dat is hetzelfde als wat er in Psalm 1 staat, waar de psalmist de Torah de ganse dag murmelt (hagah). De Torah is als het ware de grondtoon van zijn hart. Of hij nu iets zegt of niets zegt, de Torah murmelt van bin­nen maar door. Dat is de bodem van zijn leven, de basisklank van zijn be­staan. Dat is de achtergrondmuziek die je vanbinnen hoort. ‘Die mijn onheil zoeken’. Die mijn kwaad zoeken; dat gebeurt weer in de poort van de dood. Here, verlaat mij niet in de ouderdom

Boven deze psalm staat: ‘Here, verlaat mij niet in de ouderdom’. Maar deze psalm mag je ook wel in een wat breder verband zien. Het gaat ook om de mensheid op aarde, die oud geworden is. De mensheid in zijn ouder­dom. Het mensenvolk, dat zoveel heeft gezien en meegemaakt. De mens­­heid wordt oud. Dat ‘oud zijn’ heeft ook een meerwaarde, dat is niet alleen een kwestie van jaartallen. Sommige mensen hebben op der­tig­­ja­ri­ge leeftijd al heel veel gezien, ze hebben al te veel gezien. Ze zijn al oud en moe geworden. De mens in zijn ouderdom, de mensheid op zijn oude dag, die mag dan die gerechtigheid vinden. Dat motief komt dus steeds weer terug, namelijk dat de bevrijde mens en het bevrijde volk mag vertel­len over de tsedaqah van God, die tot helper en bevrijder werd. Het klaag­­lied van het volk en van de enkeling is het lied van de tsaddiq die in de benauwdheid zit. En het danklied van het volk en van de enkeling is het lied van de tsaddiq die bevrijd is. Het gaat hier dus over de tsad­diq, die eerst zijn klaaglied zingt en daarna zijn danklied. Uw trouw reikt tot de wolken HERE, hemelhoog is uw goedertierenheid, uw trouw reikt tot de wolken. – Ps.36:6.

Tot de wolken en hemelhoog. Die twee begrippen vormen geen tegen­stel­ling. Hiermee wordt geen begrenzing aangeduid, in de zin van: tot de wolken en verder niet. Het woord tot kun je in verschillende bete­ke­nis­sen gebruiken. God gaat met ons tot de voleinding; dat betekent niet dat het bij de voleinding dan ophoudt. Tot de dood zal Hij ons leiden; maar dat betekent ook over de dood heen. Dat tot is niet totaan, maar tot en met. Hiermee wordt dus aangeduid: daar gaat ook niets meer boven­uit. De aan­klager kan zich nog zo hoog verheffen, maar God gaat er al­tijd nog bovenuit. Vergelijk ook : Geeft Gode sterkte; zijn majesteit is over Israël,  zijn sterkte in de wolken. – Ps.68:35. Geeft Gode sterkte! Zijn hoogheid is over Israel,  en Zijn sterkte in de bovenste wolken. – SV. Zijn sterkte in de wolken‘. Letterlijk: ‘Zijn weerbaarheid tot in de luchten‘. Deze tekst wil dus ook zeggen: God stelt zich teweer tegen de vijand. Van de duivel wordt ook gezegd, dat hij de overste van de macht der lucht is. Die ‘luchten’ vormen dus ook het terrein van waaruit de mens be­dreigd wordt, van waaruit heel de onzienlijke wereld met al zijn listen en lagen, geweld en verleugening de mens attaqueert. God stelt zich dus teweer tegen al dat kwaad dat de mens wil vloeren en neerhalen. De dui­vel wil de mens uit zijn hemelse positie halen, waardoor hij geen naam meer heeft. God stelt zich teweer ten behoeve van de weerlozen. Het aangezicht van de mens is juist heel weerloos. Op een hoog gebouw in Rotterdam staat: ‘Alles wat waarde heeft is weerloos’ – Lucebert. Het ge­zicht van de mens is heel weerloos en kwetsbaar. God heeft de mens niet gemaakt met een betonnen ge­zicht of vol met ijzer en staal. De mens kan zich natuurlijk wel proberen te verdedigen, hij kan wel hard wór­den, maar van nature is een mens niet hard. Een bikkelharde zakenman is niet door God zo gemaakt, maar zo is hij gewórden. Door allerlei er­va­­ringen, pijn en frustraties krijgt de mens vaak eelt op zijn ziel. Een mens moet zich vaak groot houden, hij moet zich niet laten kennen, hij moet vechten voor zijn bestaan. Gerechtigheid, tsedaqah, wil zeggen dat de mens weer zijn aangezicht mag laten zien. De mens mag weer teder worden. Hij mag weer ontwa­pend en ontwapenend door het leven gaan; gerechtigheid ontwapent. Je­zus had ook iets heel ontwapenends. Hij was ook altijd bezig om te ont­wapenen.

Ik heb in het gras mijn wapens gelegd

en mijn wapens gaan geuren als gras. – Lucebert.

Daar zit ook die symboliek in van het ontwapenen. Eerst was je tot de tanden toe gewapend, want je moest sterk zijn en flink zijn. Maar dan leg je je wapens in het gras, dan worden je wapens net als het gras, dan kun je geen verschil meer merken. Dan blijven er alleen maar grazige weiden over. Een ontwapend mens is een mens die weer méns durft te zijn. Die mens leidt niet meer een bunkerbestaan; hij hoeft zich niet meer te verschansen. De mens mag de tederheid weer terugvinden. Hij mag weer de tederheid van de moederschoot ervaren; daar is hij immers ook uit­ voortgekomen! Het woord rechem hoort bij rachamim. Rechem be­tekent de moederschoot en rachamim betekent: tederheid, ontferming. De neergebogen mens, de mens die in een lage staat verkeert, mag weer voor het aangezicht van God leven. Door dat richten geschiedt die dub­bele aktie. Aan de ene kant de vernedering van de trotse ogen en aan de an­dere kant de bevrijding van het gebogen volk. Door die rechtvaardiging krijgt de mens weer een mokum, een maqom, hij krijgt weer een plaats. Hij krijgt een plaats, hij krijgt een naam en hij krijgt een gezicht. Hij krijgt ook weer kleur, er komt weer kleur in zijn be­­staan. De mens werd vaak gedoemd tot kleurloosheid. Je mocht geen kleur hebben, je moest neutraal zijn, zo neutraal als leidingwater. Maar omdat hij weer gerechtvaardigd wordt, mag hij weer kleur beken­nen.

Wees mij genadig, HEREzie mijn ellende, door mijn haters mij berokkend, Gij, die mij opheft uit de poorten des doods. – Ps.9:14. “door mijn haters mij berokkend’.

Haat is gericht tegen het aangezicht. Haat wil dat aangezicht uitwissen, zodat je geen gezicht meer hebt, zodat je je gezicht niet meer durft te laten zien. Haat is blind, haat wil de ander niet zien. zie mijn ellende’. Hier staat het woord oni. Ani betekent de neergebogene, de ellendige. Zie mijn neergebogenheid zou je hier kunnen zeggen.

Gij, die mij opheft uit de poorten des doods

Dat zijn dus de poorten, waar de dood rechtszitting houdt. Dat is de plaats waar de dood de scepter zwaait. Dat is de plaats waar de dood ze­telt, om de mens ten dode op te schrijven. Dat is nu wat de Messias doet: Hij gaat in de poorten van de dood zitten en Hij gaat de mens op­schrijven ten leven. Dàt is rechtvaardigen. De aanklager zit daar en is con­stant bezig om de boekhouding van de dood te regelen. Dat is de bur­gerlijke stand van het dodenrijk. De Messias schrijft de mensen in in het boek des levens.

Gij zult niet doden. God zal dat kwijnende vlaspitje niet uitdoven. Hij zal dat kleine kaarsje niet uitblussen. In de poorten van de dood komt de Messias om ons in onze dood niet alleen te laten. opdat ik verhale al uw roemrijke daden,  in de poorten der dochter van Sion juiche over uw heil. – Ps.9:15. opdat ik verhale’. Als je gerechtvaardigd bent, gaat er weer een verhaal komen, dan kom je weer op verhaal. Hier worden tegenover elkaar gesteld: de poorten van de dood (vers 14) en de poorten van de dochter van Sion (vers 15). Je wordt opgeheven uit de poorten van de dood naar de poorten van Sion. Dan word je inge­schre­ven ten leven, in het boek des levens. Dat is nu juist wat God doet als Rechter. Dat is de rechtvaardiging, waardoor Hij de arme opricht uit het stof. Hij brengt de mens terug tot het bestaansrecht. Het bovenstaande is dus allemaal naar aanleiding van Romeinen 4. Woorden zijn in de bijbel nooit abstract.

Dat is er wat er van Abraham staat in Romeinen 4: Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. – Rom.4:3.

Abraham geloofde God, hij hechtte zich aan God. En dat wordt hem als tsedaqah gerekend. God zegt: Ik heb je aangezicht gezien en Ik wil je aan­gezicht ook zien; je mag er zijn. Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krach­tens verplichting. Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtig­heid. Gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toere­kent zonder werken: Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zon­den bedekt zijn. – Rom.4:4-7. Hier gaat Paulus volgens de rabbijnse methode redeneren. Hij gaat van twee teksten uit en begint met Genesis 15: En hij geloofde in de HERE, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid.  Gen.15:6. Van Genesis 15:6 gaat hij naar Psalm 32. Welzalig hij, wiens overtreding vergeven is

Van David. Een leerdicht.

Welzalig hij, wiens overtreding vergeven,

wiens zonde bedekt is;

welzalig de mens,

wie de HERE de ongerechtigheid niet toerekent,

en in wiens geest geen bedrog is. – Ps.32:1,2

Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven,

die van de straf voor eeuwig is ontheven.

David gaat daar zalig spreken; het is verrukkelijk als je zonden zijn ver­ge­ven. Maartje van Tijn vertaalt zalig met: sterk en rechtgezet. Dan word je dus weer op je voeten gezet. Dat woord zalig heeft eigenlijk te maken met voetstappen, schreden. Als je zalig bent, sta je weer op je voeten, dan heb je weer grond onder je voeten. Je krijgt weer bestaan en be­stand. Het woord zalig heeft vaak een wat onbestemde betekenis gekre­gen.

Een rabbijnse methode van tekstinterpretatie

Die rabbijnse methode gaat er dus vanuit, om twee (soms meer) teksten te nemen, die een bepaald aspect gemeen hebben. Zo staat er dus in Ge­nesis 15:6 het woord toerekenen en dat staat ook in Psalm 32:2. Door dat woord ‘toerekenen’ worden deze twee teksten dus aan elkaar gekop­peld.

Bij Abraham werd dat geloof hem toegerekend. Bij David wor­den de zonden niet gerekend. Dat geloof wordt wel gere­kend, en die zonde wordt niet gerekend. En zo legt de ene tekst de an­dere uit. Dat is de rabbijnse methode: je gaat dus van de ene tekst naar de andere. Eerst van Genesis 15 naar Psalm 32.

En dan vers 9. Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene? Wij zeggen immers: Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend. – Rom.4:9. Nu gaat Paulus weer terug naar Genesis 15. Van Psalm 32 naar Genesis 15. Het werd hem tot gerechtigheid gerekend, maar, was Abraham toen besneden of on­be­sneden? We zijn in Genesis 15 en hij wordt besne­den in Ge­nesis 17. Dus hij was nog niet besneden. En toch had hij al geloof. Dus op die manier zegt Paulus: vroeger was hij nog niet be­sneden, dus geldt de rechtvaardiging ook voor de onbesnedenen. Dus geldt Psalm 32 ook voor de onbe­sne­denen: de zonden worden hen vergeven. Dat toe­rekenen staat in Ge­nesis en in deze psalm. Dus wat in die ene tekst staat, kun je toepassen op de andere. Zo kun je switchen van Genesis naar de Psal­men en van de Psalmen naar Genesis. Zo kun je op een gezegende ma­nier het heen en weer krijgen. Want je gaat heen en weer en weer en heen. Op die manier is er een wisselwerking tussen Genesis 15 en Psalm 32.

Abraham was onbesneden, zegt Paulus in vers 10. Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden?  Niet besneden, maar onbesneden. – Rom.4:10. En het teken van de besnijdenis ontving hij als zegel der gerechtig­heid van het geloof dat hij in zijn onbesneden staat had. In Psalm 32 zegt David: zalig is de man die God de zonden niet toerekend. De mens waarvan de overtreding gedragen is en de zonden be­dekt zijn, wie de Here de ‘verwrongenheid’ niet toerekent…… Dat is voor die mens of hij nu besneden is of onbesneden. Abraham is op die manier vader geworden van de besneden mens en van de onbe­sne­­de­ne.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410212 bezoekers sinds 07-06-2010