De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 6

24-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Wat is dan het voorrecht van de Jood?

We zitten nu op de overgang van Romeinen 2 naar 3. We hebben het slot van Romeinen 2 besproken, dat ons nog steeds blijft fascineren. Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis?  Rom.3:1. Welk is dan het voordeel van den Jood?  Of welk is de nuttigheid der besnijdenis? – SV. We moeten er hierbij op letten, dat Paulus daar vragen behandelt. Het is te begrijpen dat dergelijke vragen, zoals vers 1 aangeeft, aan Paulus ge­steld wer­den. Is daar nog een voorrecht, is daar nog een privilege? Dan krijg je dus het eerste argument in hoofdstuk 3:1. En dan geeft hij als antwoord: Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats toch dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. – Rom.3:2.

Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd’. – SV. Ja, ze hebben de woorden van God gekregen. Edmond Fleg zegt zo tref­fend: de code van Israël – en dan kom je op het punt dat ze de woorden van God hebben gekregen – de code van Israël is die van de plichten. Je zou ook kunnen zeggen: de opdracht en niet de rechten. Of: de last. Hij noemt dan een paar voorbeelden. De Torah zegt tegen de verdrukker: je moet die verdrukte vrijlaten! Dus dat is een opdracht. Maar de Torah zegt niet tegen de verdrukte: jij mag de verdrukker verdrukken. Dus wel de opdracht ‘je moet die ander vrijlaten’, maar je kunt dus nooit met de Torah in de hand op je rechten staan. De geest van de Torah zegt niet: daar heb je nu recht op! Met de hand op de bijbel: ik heb recht op…….

Het is dus niet een handboek, waarin je je rechten ontdekt, maar het is een boek waarin je je opdracht leert verstaan. Tot de rijken wordt ge­zegd: je moet geven aan de arme. Tot de armen wordt niet gezegd: je mag de rijkdom van de rijken afpakken. Dus dat betekent steeds: de woor­­den Gods zijn hun toevertrouwd, maar in die woorden Gods komt tot uiting wat de roeping is van de mens. Dus daarin ligt je basis: in de woorden die je toevertrouwd zijn. De woorden die jou (let op die prach­tige uitdrukking ‘toevertrouwen’) toevertrouwd zijn, daarin ligt jouw verantwoorde­lijk­heid. Want dat is natuurlijk op zich heel wat, dat God aan mensen woorden van Hem inderdaad meedeelt en toevertrouwt. Daar zit dus een stuk vertrouwen in. Die woorden krijg jij van Me, die leg ik in jouw hand. God legt zijn woorden in handen van mensen. Zo­als ge­zegd wordt in de midrasj op de psalmen (psalm 119): De Heilige, geze­gend is Hij, Hij handelde rechtvaardig met het volk Israël door aan hen de To­rah te geven. Zijn trouw is de Torah, namelijk dat Hij de Torah gaf aan zijn volk. Wij worden voortgebracht door de Torah, door die woor­den. De schepping is gemaakt ter wille van de Torah. Er is geen goed, tenzij de Torah, er is geen water tenzij de Torah, er is geen licht, en er is geen boom des levens, dan alleen de Torah van God. Woorden worden aan mensen gegeven. En die woorden verwekken iets. Die woorden worden aan dat ene volk gegeven tegelijk met het oog op alle volkeren. Dan zegt Paulus verder: Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun on­­trouw de trouw Gods tenietdoen? – Rom.3:3. Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen?’- SV.

Mensen gaan met God mee geloven

Eerst iets over dat punt van trouw en ontrouw. De trouw van God die blijft, die blijft overeind. Nu is het interessante, dat je die woorden trouw en ontrouw ook kunt vertalen met geloof (emunah) en ongeloof. Het geloof van God blijft dus overeind. God heeft geloof, dat blijft uiteindelijk de dragende kracht. Zijn geloof overwint. Hij blijft geloven dwars tegen al­les in. Het geloof van God houdt eeuwig stand. Dat is waar Paulus het vol­le gewicht op gaat leggen. Het geloof van God wordt ook niet buiten werking gesteld door het ongeloof van mensen. Dat is datgene wat God in men­sen verwekt, namelijk dat mensen met Hem mee gaan geloven. Hij gelooft en wij mogen met Hem mee geloven. Daarbij moeten we be­den­ken dat die uit­drukking emunah uit Deuteronomium komt. Je ziet dat Paulus heel wat uit Deuteronomium haalt. de Rots, wiens werk volkomen (tamim) is, omdat al zijn wegen recht (misjpat – rechtmatigheid; al zijn wegen zijn rechtzetting) zijn; een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaardig en waarachtig is Hij. – Deut.32:4. ‘Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerich­te. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij’. – SV. Hier zien we iets van het laatste lied van Mozes, dat ook vaak door de rabbij­nen wordt aangehaald. ‘een God van trouw’.

Hij is een El emunah. Je kunt dus ook vertalen: een God van geloof. In de rabbijnse commentaren wordt ook benadrukt dat het hier gaat over het geloof van God. Het geloof betekent toch ook het vasthouden te­gen het zichtbare in. Habakuk zou zeggen: al zou de vijgenboom niet bloeien, nochtans… In geloof zit altijd dat aspect van het doorstoten. Dwars tegen alle echec en mislukking en frustratie in, toch vast blijven houden. Geloof heeft ook iets creatiefs, iets dat verder ziet dan wat voor ogen is. Dat is dus wat Paulus weer oppakt vanuit dat lied van Mozes. Want, zegt Paulus in vers 4:

God waarachtig en ieder mens leugenachtig

Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen. – Rom.3:3,4. ‘Dat zij verre. Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en over­wint, wanneer Gij oordeelt’. – SV. ‘Volstrekt niet!’ is de uitdrukking die Paulus steeds gebruikt om een voor­­­afgaand bezwaar te weerleggen. In de Romeinenbrief wordt deze uit­­drukking negenmaal gebruikt. ‘God waarachtig en ieder mens leugenachtig’. God is waarachtig, ook al is ieder mens leugenachtig. Op het eerste gezicht zou je zeggen: het is God erom te doen om ieder mens als een leugenaar af te schilderen. We moeten dit meer lezen in de zin van: God is waarachtig, ook al zou ieder mens een leugenaar zijn. Dit is trouwens ook weer een citaat. In dit vierde vers hanteert Paulus twee Schriftcitaten. En deze twee citaten behandelt Paulus in omgekeer­de volgorde, zodat het een chiasme wordt. Hij zet ze eerst neer als a-b en dan behandelt hij ze als b-a.

Het ene citaat komt uit psalm 116. toen ik in mijn angst zeide: Alle mensen zijn leugenachtig. – Ps.116,11. Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars’. – SV. Het andere citaat komt uit psalm 51. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in uw ogen, op­dat Gij rechtvaardig blijkt in uw uitspraak,  zuiver in uw gericht. Ps.51,6. Op basis van deze twee citaten gaat Paulus dan zijn verhaal vertellen. In psalm 116 staat dus dat eerste citaat waar Paulus zich op beroept. Daar staat dus dat alle mensen leugenaars waren. Dat moet je natuurlijk wel in zijn verband lezen. Je moet dit niet als een dogma lezen, want dan ga je wel de mist in. Je moet deze tekst in zijn geheel lezen: ‘Toen ik in mijn angst zeide: alle mensen zijn leugenaars’. Dat zei de psalmdichter dus niet op zijn studeerkamer. Ik ben na jaren studie tot de conclusie geko­men: mensen zijn per definitie leugenaars. Uit deze tekst kun je dus geen mensbeeld afleiden. Er staat uitdrukkelijk bij, dat hij dat in zijn angst heeft gezegd. De psalmist schrijft hier uit een ervaringsgebeuren. De psalm­dichter zit in de benauwdheid en hij komt dan tot de ontdekking dat hij op niemand kan rekenen. Er wordt hier dus niet iets gezegd over het wezen van de mens, maar iets wat de psalmdichter in de praktijk heeft beleefd. Er zijn trouwens wel meer mensen die dezelfde ervaring heb­­ben als de psalmdichter; toen het erop aankwam, was er niemand. Het is dus geen uitgangspunt, maar een ervaringsconclusie. Zo zou Jezus in Getsemane als conclusie kunnen uiten: als het moeilijk wordt, lopen ze allemaal weg. Wonderlijk, dat Jezus ook die psalmen heeft gezongen, vlak voordat hij in die laatste nacht naar de Olijfberg ging. Psalm 116 hoort bij dat Hallel, de psalmen die bij Pesach worden ge­zongen. Het is merkwaardig dat juist die Messiaanse mens tot de er­varing komt dat er niemand is waarop je bouwen kunt. Dat is de conclusie van Paulus, ook dan, ook als je de mensen niet ver­trouwen kunt, dan blijft nog overeind: God is waarachtig. Dat kun je in feite dan ook nog uit diezelfde psalm 116 halen, want dan staat er in vers 5: Genadig is de HERE en rechtvaardig (waarachtig), onze God is een ontfer­mer. – Ps.116:5.

Dan gaat Paulus in vers 4 verder: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechts­gedingen. – Rom.3:4. Hier citeert Paulus weer uit een andere psalm, namelijk psalm 51. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in uw ogen,  opdat Gij rechtvaardig blijkt in uw uitspraak, (opdat Gij tsaddiq blijkt in uw woord) zuiver in uw gericht.Ps.51:6.

Psalm 51 wordt door Paulus verkort geciteerd. De ‘voorzin’ wordt in fei­­­te meebedacht. Dat is een verschijnsel dat je bij citaten wel in aanmer­king moet nemen; bij een citaat wordt vaak heel de zin erbij ingesloten. De voorzin in psalm 51 is: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in uw ogen. Dat wordt er dus bij verondersteld. Psalm 51 is ook weer gedicht vanuit een concrete situatie, waarin David erkent dat hij ge­­faald heeft. God raakt niet ondersteboven van het falen van de mens, zou je haast kunnen zeggen. In die zin, dat God als het ware ook die fa­lende mens omvat. Zelfs als die mens het erbij laat zitten, dan zegt God: dan zal Ik toch in mijn woorden gerechtvaardigd worden. Ik zal toch mijn woorden gestand doen. Dus de realisatie van de woorden van God wordt niet afhankelijk gesteld van het al of niet succesvol zijn van de mens. Er is vaak de uitspraak gedaan dat God met een kromme stok wel een rechte slag kan slaan. In de zin van: de mens moddert maar wat aan, maar God maakt er toch nog iets goeds van. Het is zeer de vraag of dat hier bedoeld wordt. Dan krijg je dus de gedachte: neemt God het kwaad dan in zijn dienst? In het vervolg van Romeinen 3 staat er dan in vers 5:

God neemt het kwaad niet in zijn dienst!

Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zul­len wij dan zeggen? Is God, die zijn toorn doet voelen – ik spreek op menselijke wijze – soms onrechtvaardig? Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar den mens.) – SV.

Dan zou het erop lijken dat als de mens faalt en zondigt, God dan des te beter uit de verf komt. Zoiets zou je haast dan kunnen concluderen. Hoe meer iemand in de puree zit, des te meer kan de hulpverlener ervan ma­ken. Aan zo’n patiënt is nog eer te behalen. Onze onrechtvaardigheid zou dan Gods rechtvaardigheid steunen.

‘Wat zullen wij dan zeggen’  Dat is de uitdrukking die Paulus steeds ge­bruikt als inleiding bij het weerleggen van bezwaren. Deze uitdrukking komt zeven keer in de Ro­meinenbrief voor. Op die manier zou je toch een heel vreemde gedach­tegang krijgen. Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en over­­wint in uw rechtsgedingen. – Rom.3:4. Dat zij verre. Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en over­wint, wanneer Gij oordeelt. – SV. Je kunt vers 4 ook vertalen: Gij wordt rechtvaardig (of: Gij blijkt rechtvaardig te zijn) in Uw woorden en Gij overwint in uw rechtsgedingen.

God waagt het om met mensen op weg te gaan

De woorden van God winnen dus. God heeft het laatste woord. God gaat door heel de geschiedenis van mensen heen. God durft het risico met mensen aan. God waagt het om met mensen op pad te gaan. De Joodse denker Jacob Gordain zegt: God leeft niet alleen in die absolute geopenbaarde Torah, in die absolute waarheid, maar Hij leeft ook in de concrete geschiedenis van zijn volk. Juist in die concrete geschiedenis van mensen zullen zijn woorden toch winnen. Dat is nu juist het geloof van God, dat Hij zich verbindt aan mensen. Dat houdt voor God ook een risico in. Jacob Gordain zegt: het is als het ware zo, dat als het volk van God zou sterven, God als het ware ook zou sterven. Zozeer verbindt God zich aan zijn mensen. En dat gebeurt voor het front van alle en­ge­len, machten en krachten, want dat is de publieke tribune. Brand­hout uit het vuur gerukt, maar God gaat er zijn tempel mee bou­wen. God durft het risico aan om met mensen in zee te gaan. Als de aarde failliet gaat, is dat ook het faillissement van de hemel. God trekt niet gauw zijn handen terug als het mis zou gaan. Dan verlaat Hij niet in allerijl het zinkende schip. God blijft solidair; dat is ook wat in psalm 51 staat: opdat Gij rechtvaardig blijkt in uw uitspraak, (opdat Gij tsaddiq blijkt in uw woord) zuiver in uw gericht.Ps.51:6. God durft het rechtsgeding aan met al die machten en krachten en aan­klagers. Psalm 51 gaat ook over een man die het niet gehaald heeft, die gefaald heeft. Tegen David viel ook heel wat aan te klagen in verband met zijn overspel met Batseba. En dan zegt de aanklager: dat was nu de man maar uw hart! De eerste koning, die Saul, was al niets en die twee- de koning hield ook niet over. Maar God zegt: mijn woorden zullen win­nen. Ik haal David er toch doorheen. Desnoods ga Ik met hem door de diep­te heen. Desnoods ga Ik met hem de dood in. En dan zegt iedereen: nu is er alleen nog maar een kerkhof, nu is het alleen nog maar een dal met doodsbeenderen. De aanklager komt en zegt: God, wat hééft U nu! Een dal met doodsbeenderen, dat is alles! Maar God zegt: Ik zal overwinnen in mijn rechtsgeding. ‘Opdat Gij tsaddiq blijkt in uw woord’. Want ‘Gij zijt zuiver in uw gericht’. Als de mens geen geloof meer op kan brengen, als hij denkt dat hij alles verknoeid heeft, dan toch heeft God nog geloof in hem. God trekt zich niet terug uit de geschiedenis, want juist dat zou zijn nederlaag zijn, dat zou de aanklager wel willen. God trekt zich ook niet terug van de aarde, dat zou de duivel ook wel willen. Het gaat niet in de eerste plaats om de kwaliteit van de mens, maar het gaat om de woorden van God die Hij aan jou meedeelt. Want die woor­den die aan de mens zijn toevertrouwd, kunnen niet ondergaan. Die woor­­den vormen als het ware de kurk waar je op drijft. Misschien wordt de mens op een gegeven ogenblik overvallen door de angst om te verdrinken, maar dan blijft de mens drijven door de woorden van God. In psalm 51 zie je, dat David juist in zijn berouw en ellende, de woorden van God gaat belijden. Dat is ook wat Deuteronomium zegt: dat woord is in uw mond en in uw hart. Als het dan in je mond en in je hart is, dan wordt dat woord inderdaad één met jou en jij wordt één met dat woord. Dan wordt het ook in jou de draagkracht, waardoor je er bovenuit komt.

Gods woord wordt eens in heel zijn rijk gehoord

Dat is dan tegelijk het wonderlijke, dat God die woorden in mensen legt en daarom toch ook weer iets verwacht van die mensen, namelijk dat ze dat woord in zich opnemen, verwerken en uitwerken. Dat ligt in feite al opgesloten in het feit dat woorden (debarim) er zijn, om bedacht en uit­gesproken te worden. Woorden zijn in de bijbel nooit zomaar een be­zit, ze zijn er om te worden overgedragen. Woorden worden uitge­werkt, ge­zegd, gezongen en doorgegeven. Woorden hebben iets crea­tiefs, iets schep­­­pends. Woorden scheppen weer geschiedenis. Woorden zijn tegelijk beloften. Woorden openen een toekomst, woorden brengen een toekomst voort. Als God spreekt, brengen zijn woorden al­tijd leven. Ze brengen kracht en scheppend vermogen voort. Vanuit die twee psalmteksten gaat Paulus dus komen tot het punt, waar hij zegt dat het geloof van God zich doorzet. Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zul­len wij dan zeggen? Is God, die zijn toorn doet voelen – ik spreek op menselijke wijze – soms onrechtvaardig? – Rom.3:5.

Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeg­gen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar den mens.)  Rom.3:5. – SV. ‘Is God, die zijn toorn doet voelen soms onrechtvaardig?’ Letterlijk: ‘God, die zijn toorn oplegt’. In dat begrip ‘de toorn van God’, zit ook het aspect, dat God heel emo­ti­oneel betrokken is bij zijn schepping. De toorn van God is altijd toorn der hoop. Je wordt kwaad omdat je iets verwacht.

Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen?- v.6.

Maar, indien de waarachtigheid Gods door mijn leugen des te overvloediger is gebleken tot zijn heerlijkheid, waarom word ik dan nog als zondaar geoor­deeld?- v.7.

Het is toch niet, zoals men van ons lastert en sommigen ons laten zeggen: La­ten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome? Het oordeel over de­zen is welverdiend. – Rom.3:8.

En zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeg­­gen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit ko­me? Welker verdoemenis rechtvaardig is. – v.8 – SV.

Dat is dan wat wel van Paulus gezegd werd. Hij citeert hier weer een van die argumenten van zijn tegenstanders. God maakt wel iets goeds van het kwade. Hoe meer kwaad er op aarde gebeurt, des te meer kan God er iets goeds van maken. En dan is zijn antwoord: op die manier kun­­nen we natuurlijk nooit gaan argumenteren. God gaat niet het kwaad in dienst nemen. Alsof God met die zonden wel iets zou kunnen uitrichten tot meerdere glorie van Hem. Maar wel is het zo, dat God zijn waar­achtigheid doorzet, ook te midden van de leugen. God trekt zich niet terug. In een psalm staat: Gij zijt ook als het water wast, mijn toevlucht en bescherming. Ook als de leugen zich opmaakt, gaat God door met zijn waarachtigheid. Zijn waarheid, zijn betrouwbaarheid zal toch het laat­ste woord hebben. God geeft zijn schepping niet prijs, God geeft ook zijn ter­­rein niet prijs. God is niet tevreden met wat minder mensen of met wat minder heer­lijk­heid. Dat is een van de grondthema’s die door de bijbel heen steeds weer terugkomen, namelijk dat God blijft vasthouden aan zijn oorspron­kelijke bedoeling. God zal datgene wat Hij zich heeft voorgenomen ook tot het einde toe doorzetten. God blijft het risico ne­men om met mensen op weg te gaan. Wat dat betreft zou je in de goede zin van het woord kun­nen zeggen: God is onverbeterlijk. Wat dat betreft is God ook niet onder de indruk van de feiten. De feiten hebben bij God nooit het laatste woord. Dat is het geloof dat alle ontkenningen weer­staat. Edmond Fleg zegt: Ik ben Jood omdat het geloof van Israël alle ont­ken­ningen weer­legt. Ook al wordt het overal ontkend, ook al zegt ie­dereen: ‘maar God redt het niet met deze wereld, het wordt niks en straks zal de wereld vergaan. Deze bedeling haalt het niet en de ge­meen­te redt het niet en alles loopt uit op een echec. Twintig eeuwen christendom heeft ook niet veel uit­­­gewerkt’. Maar God gaat dwars door de pijn en de tranen heen. God gaat ook dwars door alle ontkenningen heen. God houdt vast aan zijn woord. En dat woord – zegt Edmond Fleg – is het oudste woord en het nieuwste woord. Het is de belofte aan Israël en het is de universele belofte. Dat is het woord van waaruit ik geboren ben en dat woord voel ik in mij herleven en dat leeft sterker dan alles wat daar tegenin gaat. Dat is wat Jan Wit heeft gezongen: God heeft het eer­ste woord en God heeft het laatste woord. En dat woord wordt aan het eind der tijden in heel zijn rijk gehoord.

Allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden

We hebben in het bovenstaande het een en ander gezien over de om­keer, de terugkeer van de mens naar God. Er is een woord uit een com­mentaar op Hooglied, waaruit blijkt dat God alles in het werk stelt om de mens tot omkeer te bewegen. In dat commentaar wordt gezegd: open de poort van omkeer tot Mij, al is het zo groot als het oog van een naald en Ik zal hem zo ver openen dat er karren en wagens doorheen kunnen. Al doet de mens de poort maar een heel klein kiertje open, dan zal God hem zo wijd opendoen, dat er karren en wagens doorheen kunnen. Je zou haast zeggen: geef God één vinger en Hij maakt er een hele hand van.

Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld? In geen enkel opzicht; wij heb­ben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn, – Rom.3:9.

gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één, –  v.10.

er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt; – v.11.

Worden anderen boven ons gesteld? Dat haakt nog weer in op het punt Jood en heiden.

Er is niemand die verstandig is; letterlijk: niemand die God uitzoekt. Paulus gaat hier dan een aantal psalmcitaten koppelen. Eerst uit psalm 14: allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één. – Rom.3:12. Uit deze tekst kunnen we opmaken dat ze goed begonnen zijn; ze zijn af­­­geweken, ze zaten dus eerst op de goede weg. Ze zijn onnut gewor­den, ze waren dus eerst van nut. Er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één. Er is niemand die de goedertierenheid doet. Dat is ook een aspect dat in Jeremia 5 speelt. Zwerft rond in de straten van Jeruzalem, ziet toch en speurt na, zoekt op zijn pleinen, of gij iemand vindt, of er een is, die recht doet, die oprechtheid betracht, dan zal Ik haar vergeven. – Jer.5:1.

Als er in Jeruzalem één tsaddiq geweest was, dan had hij de stad kun­nen redden. Tien rechtvaardigen hadden Sodom kun­nen redden. Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen; – Rom.3:13. ‘Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen’. – SV. hun mond is van vloek en bitterheid vol; – v.14. Daar zien we dat ook heel specifiek het kwaad genoemd wordt, volgens de maatstaven of men al dan niet een tsaddiq is. Het gaat hier ook speci­fiek over het woord dat uit de mens voortkomt.

En van daaruit is het gevolg:

Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten, – v.15.

verwoesting en ellende zijn op hun wegen, – v.16.

en de weg des vredes kennen zij niet. – v.17.

De vreze Gods (eerbied) staat hun niet voor ogen. – v.18.

Dus vanuit de woorden van met name de psalmen wordt hier de maat­staf aangegeven met dan als conclusie:

Nu weten wij, dat de wet (Torah), bij al wat zij zegt, tot hén spreekt, die on­der de wet (Torah) zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld (de hele kosmos) strafwaardig (onder het recht komt) worde voor God, – Rom.3:13.

‘en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij’. – SV.

De hele wereld komt onder het recht van God. Dit is ook een wezenlijk punt van het bijbelse denken, dat het recht van God geopenbaard wordt. Psalm 149 spreekt van het beschreven recht. om het beschreven vonnis (recht) aan hen te voltrekken.  Dat is de luister van al zijn gunstgenoten. Halleluja. – Ps.149:9. De Torah, de onderwijzing, is het recht van God. God heeft recht op de mens, op zijn bestaan, op zijn denken en op zijn hart. Het gaat er dus om dat God tot zijn recht komt. Verzoening houdt ook in, dat dat recht van God hersteld wordt.

De balk moet uit het huis

Een man was bezig een schitterend huis te bouwen. Hij zag bij zijn buurman een balk liggen, die hij voor dit doel prima kon gebruiken. Op een avond toen de buurman niet thuis was, sleepte hij die balk naar zijn eigen huis en gebruik­te hem voor het gebinte. Maar toen naderde de Grote Verzoendag. De man wist wel, dat hij eigenlijk geen Grote Ver­zoen­dag kon vieren, want hij had zijn buur­­man bestolen. Dat moest dus eerst in orde worden gemaakt. In die tijd had je twee rabbijnse scholen, de school van Hillel en de school van Sjammai. Hillel was over het algemeen veel milder dan Sjammai, die veel stren­­­ger was. Hij vroeg aan Hillel wat hij doen moest. Hillel zei: je moet naar je buurman gaan en hem zeggen wat je gedaan hebt en hem de balk betalen. Voor de zekerheid ging hij het ook aan Sjammai vragen. Sjammai zei: ga naar je huis, haal die balk eruit, en breng hem terug naar je buurman. Dat kan ik niet doen, zegt de man, want dan stort mijn huis in. Sjammai zegt dan: toch moet je het op die manier doen, breng de balk die je gestolen hebt terug, ook al kost het je je huis. De rabbijnen hebben zich afgevraagd wie er van deze leraren nu gelijk had. Toen hebben ze gezegd: de halagah, de regel, de wandel die is vol­gens de regel van Hillel. Dus als je met zo’n geval te maken hebt, moet je betalen. Maar toen hebben ze er nog iets bij gezegd. Dat is naar mijn ge­voel van grote betekenis en maakt het verhaal ook zo waardevol, name­lijk: in de dagen van de Messias zal de halagah gaan volgens de re­gel van Sjammai. Dus in de gewone tijden gaat het volgens de regel van Hillel. In de dagen van de Messias gaat het volgens de regel van Sjam­mai. Je hebt de gewone tijden waarin alles zo’n beetje voortkabbelt, vol­gens de familie Doorsnee. Maar in de Messiaanse tijden gaan de din­gen zwaarder wegen. Dat zie je ook als Jezus de Bergrede uitspreekt. Dan lijkt het wel of Jezus alles veel zwaarder maakt. Tot de ouden is gezegd, maar Ik zeg u… In de dagen van de Messias kun je niet meer volstaan met betalen. In de dagen van de Messias blijft er nog maar één ding over, dan kun je alleen het huis van je buurman herstellen ten koste van je eigen huis. Dat heeft Jezus zelf ook gedaan. Jezus heeft geleefd vol­gens de regel van Sjammai. Jezus heeft het huis van zijn broeder ge­bouwd ten koste van zijn eigen huis. Hij zegt: breekt deze tempel maar af. En die balk dat werd zijn kruis. Met die balk heeft hij het huis van de ander gebouwd.

André Neher haalt dat verhaal aan en geeft daar dan ook een toepassing bij. In de dagen van het nationaal-socialisme, in de dagen van Hitler, werd het joodse huis afgebroken. Na de oorlog kwam in Duitsland Adenauer aan het be­wind. Adenauer besloot om herstelbetalingen aan het joodse volk te ver­strekken. Adenauer sprak van de ‘Widergutma­chung’. Op die manier kon je het gebeurde echter niet ‘wider gut ma­chen’. Adenauer wilde de regel van Hillel toepassen. André Neher zegt echter: wat Duitsland ge­daan heeft, valt onder de regels van Sjammai. Dan kun je je er niet van af maken door financiële vergoedingen te ver­strekken. De balk moet uit het huis en dat kan dan alleen betekenen, dat dat oude huis het niet meer houdt. Dat is ook wat er aan het eind van Hebreeën 12 staat, namelijk dat al die koninkrijken zullen instorten.

Toen heeft zijn stem de aarde doen wankelen, doch thans heeft Hij een belofte gegeven, zeggende: Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de hemel doen beven. – Hebr.12:26

Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering der wankele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is. – v.27.

Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dank­baar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, – v.28.

Wij leven in de dagen van de Messias, in de Messiaanse dagen. De din­gen gaan dan zwaarder wegen. Dan kom je er niet meer met geld en goe­de woorden, maar dan gaan er huizen instorten. Die balk moet te­rug, je kunt niet doorgaan met die gestolen balk om daarmee je huis te bou­wen. Dat heeft toch ook een toepassing op heel veel terreinen. Hoe ga je bouwen! Bouwen is in de bijbel een heel riskante zaak. Bouwen is een ongelofelijk gevaarlijke zaak. En er wordt heel wat gebouwd. We bou­wen gemeenten, we bouwen ons koninkrijk en we bouwen maar door.

Een rib uit je lijf

‘Bouw uw kerk Heer’, wordt er dan gezongen. Het merkwaardige is – en het is een sleutel om te zien waar dat woord voor het eerst voor­komt in de bijbel – dat er in de bijbel voor de eerste keer over bouwen wordt ge­sproken in Genesis 2. De Here God bouwde uit de mens een vrouw. Bij dat eerste bouwen is de man alleen maar passief, de vrouw trouwens ook. De enige die actief is, is God. Er wordt een vrouw ge­bouwd en voor de mens is het een rib uit zijn lijf. De balk gaat er in ieder geval uit, in dit geval is de balk dan een rib. Het is merkwaardig dat datzelfde woord later bij de tabernakelbouw te­rug­komt en de betekenis heeft van balk. Dat is het woord sera, balk, zij­de, rib. Er wordt gesproken over de rib van de man, maar later in Exo­dus ook over de ribben van het tabernakel. De tabernakel is ook een li­chaam. Die man heeft een ribbe en uit zijn ribbenkast wordt een tempel, een vrouw gebouwd. Uit die ribbe wordt ook een tabernakel gebouwd, een woning, een woonstede Gods. Daar zie je, dat bouwen de mens wat kost. Het is niet alleen maar een kwestie van een bouwfonds, dan ben je gauw klaar met je vertaling. Er wordt gebouwd uit die ribbe, uit die zij­de, uit de mens zelf. Er wordt ook in de psalmen gezegd dat de bouwlieden zich vergeefs heb­­ben ingespannen. Dat woord vergeefs speelt in de psalmen ook een heel belangrijke rol. Er staat eigenlijk het woord shal, dat waan betekent. Het is dus waan dat die bouwlieden bouwen. Het is wahnhaft vertaalt Buber dan, dat is een waan­­idee. Je kunt wel eens het idee hebben dat je heel wat voor elkaar bokst, maar eigenlijk is dat een idee-fixe. Daar is Paulus dus ook mee be­zig in de eerste hoofdstukken van Romeinen, hier in Romeinen 3. Paulus wil ook zeggen: die balk moet uit het huis. Die gestolen balk moet terug. Dat betekent dat God weer tot zijn recht komt. Dat zijn toch zaken om eens over door te denken. Duitsland is dan wel inmiddels weer here­nigd, maar in feite zit die balk er nog altijd in. Wij huppelen vaak zo mak­­­kelijk over de geschiedenis heen. daarom, dat uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal wor­­­­den, want wet doet zonde kennen. – Rom.3:20. Letterlijk: ‘alle vlees (kol basar – een typisch Hebreeuwse uitdrukking) zal niet ge­recht­vaardigd worden voor het aangezicht van Hem, want door de Torah is er kennis van zonde.’ André Neher zegt: de kernvraag is niet in de eerste plaats wie zijt gij, maar waar zijt gij. Dat is de vraag uit Genesis 3 aan de mens die zich ver­stopt heeft. Die vraag betekent: wat heb je met je leven gedaan? Door de Torah is er kennis van zonde, dan weet de mens waar hij onder de maat is gebleven. De Torah is aan de ene kant een erfdeel, aan de andere kant is het ook een spiegel. Een spiegel waarin de mens gaat zien waar hij staat, wat hij er van terechtgebracht heeft, welke weg hij bewan­deld heeft. NR.7.=Nr.8.

De Torah is geen bezit, maar een erfdeel

Mozes heeft ons de wet geboden, een bezit voor de gemeente van Jakob. Deut.33:4. We zijn nu bijna het eind van de vijf boeken van Mozes. Dat woord bezit is een wat moeizame vertaling. Mozes heeft ons de wet geboden, een erfenis (morasha) van Jakobs gemeente;  SV. Daar liggen juist de misverstanden op de loer. Die boeken vormden geen bezit in de gewone zin van het woord. De Torah is dus een erfdeel. Nu is er met dat woord morasha nog iets bijzonders aan de hand. Er is namelijk een rabbijnse verklaring, die in plaats van morasha leest: aras­ja, dat verloofde betekent. Hier zit dus een woordspeling in. Dus de Torah is voor het joodse volk, niet zozeer een erfdeel, maar een verloofde. Torah en volk zijn dus met elkaar verloofd. Het loopt dus uit op bruid en brui­degom. Ze zijn met elkaar verloofd, het volk en de Torah. Ze zijn met elkaar verbonden in een liefdesrelatie, fris en nieuw in elke dag van de geschiedenis, als de ontmoeting tussen twee verloofden. Op die manier krijgt zo’n woord een speciale glans. Zo zal God later in Hosea ook weer zeggen: Ik zal u Mij tot bruid werven. Daar heb je hetzelfde woord aras­ja. Zo heeft God het helemaal bedoeld. God heeft de Torah gegeven als een verloofde voor zijn volk. Dan is dus de vraag: hoe ligt dan die ver­houding tussen God en mens, tussen mens en Torah. Zo ontwikkelt zich heel de geschiedenis, ook met al het falen daarin.

Dan zegt Romeinen 3: Thans (let op dat ‘thans’- nu) is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waar­van de wet en de profeten getuigen. – Rom.3:21. Er wordt meteen bij gezegd: waarvan de wet en de profeten getuigen. Want het gaat altijd volgens het getuigenis van Torah en profeten, tot in het boek Openbaring toe. Daar gaat God nooit bovenuit. In Openbaring 11 zien we ook weer die twee getuigen, de Torah en de profeten. Dat zijn de twee getuigen van God door alle eeuwen heen. Die getuigen van een gerechtigheid en die gerechtigheid is dus dat er Eén gekomen is, die ‘te veel’ gedaan heeft, die zijn huis heeft laten afbreken ter wille van de misdadigers. Hij werd goj met de gojim; Hij werd Egyptenaar met de Egyptenaren. Hij is inderdaad nedergedaald tot in de enfer, tot in de hel. Dat is die nederdaling ter helle, tot in het dodenrijk, tot in de Godver­la­tenheid. Dat is de gerechtigheid Gods, dat er Eén is die meer doet (deed) dan Hij moest doen. En juist daardoor heeft Hij heel de Torah op zich ge­nomen. Zoals Tom Naastepad het zo indrukwekkend zegt in een ge­bed: Gij draagt de wet voor ons uit. Hij draagt heel de Torah, de wet van de vrijheid voor ons uit. Zo wordt Hij onze Voorganger. Hij is de­gene die heel de Torah op zijn schouders gedra­gen heeft. Dan komt daar die Ene, en dat is natuurlijk in wezen het hart, waarvan inderdaad de To­rah en de profeten getuigen. Dat is het hele thema van Genesis af: één voor allen. Zo kun je heel de Torah betitelen: Eén voor allen. Als die allen het niet doen, dan doet die Ene het. Die Ene gaat namens allen; daarom denkt de bijbel ook altijd vanuit die Ene. Je kunt alleen bij die al­len komen via die Ene. An­dersom gaat het niet; je kunt nooit bij het algemene beginnen en uit­komen bij de bijzondere. Je kunt niet in het algemeen eerst over God gaan praten, ver­volgens komen bij de God van Israël en uiteindelijk bij de Messias. Nee, je kunt alleen maar beginnen vanuit de Messias. En van­ daaruit krijg je dan zicht op God. Je begint altijd vanuit het bijzon­dere, want deze God is een bijzondere God. God is geen algemene God. Dus je gaat altijd van­uit dat bijzondere beginnen. En vanuit het bijzon­dere ga je het algemene zien. De bijbel denkt Israëli­tisch over de mens en denkt Messiaans over Israël. Dus je denkt vanuit de Messias en van­uit de Messias krijg je Israël in beeld. En vanuit Israël krijg je de mens­heid in beeld. Dus je gaat altijd vanuit het bijzondere be­ginnen.

Wij leven van het geloof van Jezus

Daar getuigen Torah en profeten van. Je begint dus vanuit de Messias en van daaruit zie je Israël en vanuit Israël zie je de mensheid. Want de Schrift denkt Messiaans over Israël, en denkt Israëlitisch over de mens­heid. Vanuit het bijzondere komt het algemene in beeld. Dat is wat To­rah en profeten steeds doen. Kijk naar dat ene volk en dan zie je de we­gen van God. Die uiterst particuliere wegen van God, die juist daarom zo wereldwijd gaan. Hoe meer God zich concentreert op die ene, des te meer komt er ruimte voor allen. Dus Messiaans denken over Israël en Israë­li­tisch over de mens. Dat is wat Paulus hier dan ook zegt: het getui­genis van Torah en profeten laat die Ene zien. Dat begint al in Genesis, waar Abraham met Isaak op pad gaat naar de berg Moria. Dat is er ook maar één die dat doet. Dat vraagt God niet aan allemaal. Maar die ene gaat wel namens allen. Zo is daar die opperste concentratie, want wat er met of in die ene gebeurt, dat gaat allen aan. Want wat zou er over allen te zeggen zijn, als die ene er niet was, dan konden die allen ook wel met z’n allen ophouden. Maar omdat er wat over die ene te zeggen valt, kun je ook wat over die allen zeggen. Dus die Ene gaat hun aller weg, Hij draagt hun aller lot. Hij wordt hun lotgenoot; Hij wordt die gezalfde die aanvult wat de hardhorenden nalaten. ‘Dat is gerech­tigheid’ zegt W.G. Over­bosch: de gezalfden zullen aanvullen wat de hardhorenden nala­ten.

en wel gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. – Rom.3:22.

‘Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot al­len, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.’ – SV.

Wij leven van het geloof van Jezus. Hij heeft geloofd ten einde toe. Hij heeft geloofd dwars tegen alle verdrukking in, dwars tegen alle onge­loof in. Hij heeft gehoopt dwars tegen alle wanhoop in. Dat geloof heeft niemand kunnen doven. Dat staat ook zo mooi in de Talmoed: daar waar geen mensen zijn, wees jij daar een mens.  Dat heeft Jezus helemaal in praktijk gebracht. ‘Gerechtigheid Gods door het geloof van Jezus de Messias,’ zegt vers 22 ‘voor allen die geloven’. Letterlijk: ‘naar allen toe, die geloven’. Dat zijn degenen die met Hem meegaan op zijn weg.

Door de verlossing in Christus Jezus

Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. – Rom.3:23,24.

Genade is in het Hebreeuws het woord chein; dat betekent eigenlijk bui­gen. God buigt zich naar de mens toe. Dat is Gods toegenegenheid, in de zin van: je gezicht naar iemand toeneigen.

‘door de verlossing in Christus Jezus’.

De loskoping in Jezus Messias.

Verlossing is in het Hebreeuws het woord pagah. De mens wordt los- gekocht uit de macht van het falen, de macht van het kwaad, uit de nacht van zijn bestaan. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel (kofer). In kofer zit het woord bedekken, kipper. Buber vertaalt het dan met ‘dekgeld’. Het kan ook betekenen ….erion, verzoendeksel of zoen- middel.

Een psalm 49 wordt kofer vertaald met losgeld.

Niemand kan ooit een broeder loskopen,

noch Gode zijn losprijs betalen,

te hoog immers is de prijs voor hun leven,

en voor altoos ontoereikend – 

dat hij voor immer zou voortleven,

de groeve niet zou zien. – Ps.49:8-10.

Daar gaat het ook over dat losgeld. Je ziet hoe Paulus hier dat motief van het losgeld oppakt. De mens kan zichzelf niet loskopen en een broe­der kan het ook niet. En dan uiteindelijk is daar toch een broeder, een broeder die het wel tot stand brengt. Een broeder die het losgeld betaalt, die het losgeld wòrdt.

Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de ver­draag­­zaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden Ø om zijn rechtvaar­digheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf recht­­vaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is. – Rom.3:25,26.

Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zon­den, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;

Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in dezen tegenwoordigen tijd; op­dat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Je­zus is.SV.

Dus dat geloof van de Messias wint het. Uiteindelijk is het sterkste punt, dat iemand geloof voor je heeft. Iemand die zegt: als je het zelf niet meer op kunt brengen, breng ik het op voor jou. Jezus, die ook in de buitenste duisternis geloof bleef hebben voor mensen, in dat vaste weten: Ik haal ze er doorheen. Hij heeft ze vastgehouden tot het einde. Zo is Hij losgeld geworden, is Hij overgeleverd en prijsgegeven. Het wonderlijke is, dat het evangelie in wezen altijd iets paradoxaals heeft. Jezus wordt overgeleverd in handen van zondaren. En juist als dat gebeurt, komt Hij bij mensen terecht. Hoe zouden ze Hem anders ooit in handen hebben gekregen. Dat is het grootse van de Messias, dat Hij niet zichzelf heeft willen bewaren. Hij heeft het aangedurfd om de duisternis in te gaan met alle risico’s van dien. Geloven betekent in zekere zin al­tijd: een risico aanvaarden. God heeft dat risico genomen, Jezus heeft dat risico op zich genomen. Juist als Hij overgeleverd wordt in handen van mensen, juist dan komt Hij waar Hij wezen wil. Dat is dus in we­zen de hoop, dat Jezus de ballingschap aanvaardt; Hij wordt balling met de bal­lingen. Hij had geen plaats om zijn hoofd neer te leggen. Hij had geen plaats in de hemel en Hij had geen plaats op de aarde. Juist zo wordt Hij losgeld.

Het gebruik van het woord ‘wet’ door Paulus

Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Door welke wet? Der wer­ken? Neen, maar door de wet van geloof. – Rom.3:27. Hier gaat Paulus dat woord ‘wet’ in een andere nuance gebruiken. Daar moet je wel af en toe op bedacht zijn; daar liggen ook vaak de misver­standen in verband met de opvatting van Paulus over de wet. Juist de laatste jaren is het onderzoek op gang gekomen, en wil men dat hele­maal op­nieuw door­denken. Vroeger is er een tijd geweest dat men dacht: Paulus heeft zich losgemaakt van het jodendom, daar moest hij dus eigenlijk niets meer van hebben, en dus ook niets meer van de wet. De tekst ‘ik heb alles scha­de en drek geacht’ wordt dan vaak ten onrechte gebruikt en uit zijn verband gerukt. In preken wordt dat dan vaak nog eens extra op een plas­ti­sche manier uitgebeeld. Dan wordt er gezegd: we hebben het alle­maal bij de vuilnisbak gezet. Paulus wordt dan voorgesteld als een anti-Juda­ïst. Paulus en het jodendom waren voort­aan water en vuur, wordt er dan gezegd. Juist de laatste jaren begint men daar helemaal van terug te ko­men. Dat is eigenlijk al begonnen bij Albert Schweitzer. Albert Schweit­zer is een van de eersten geweest die gezegd heeft: je moet Pau­lus ver­staan vanuit zijn joodse achtergronden. Albert Schweitzer heeft dat dan naar één kant belicht en gezegd: Paulus, met heel zijn eind­­tijdvisie was daarin door en door Joods. Albert Schweitzer dacht he­le­maal vanuit de apo­ca­lyptiek. Jezus had het gevoel: het einde is nabij (aldus Albert Schweit­zer) en Paulus had dat ook. Met Albert Schweitzer is dus die andere opvatting eigenlijk begonnen, toen begon het te dagen. Die ideeën zijn dus verder uit­gewerkt. Een paar jaar geleden is er in Amsterdam ie­mand gepro­mo­veerd op de titel: de joodse halagah bij Paulus, speciaal in de Korintebrief. Wat deed Paulus met de joodse wetgeving? Zo is lang­za­merhand die ou­de gedachtegang een beetje op de helling gezet. Het is enorm boeiend om te zien hoe men in bepaalde zaken uit­eindelijk weer wat meer inzicht gaat krijgen. Men gaat weer ontdekken: Paulus had zijn wortels in de Torah. En na­tuurlijk heeft hij zijn wortels niet afgesneden. Net zo min als je een nieuw testament kunt hebben zonder het oude – om die woorden dan maar even te gebruiken – kun je een Paulus hebben zonder Torah. Dan zou Paulus de tak van de boom doorzagen waar hij op zit. Paulus zou dan de wortels doorsnijden van waaruit hij zijn leven krijgt; al mijn bron­nen zijn in U. De Talmoed zegt: de Hebreeuwse mens is een boom met de wortels in de hemel. Dat zijn de rechtvaardigen die als bomen staan geplant aan waterstromen. De misverstanden zijn ontstaan, doordat Paulus het woord wet in ver­schil­­lende betekenissen gebruikt. Het probleem is mede ontstaan, door­dat die Hebreeuwse begrippen in het Grieks worden geschreven. In het Grieks wordt het woord nomos gebruikt, dat dan meestal met wet wordt ver­taald. In de Septuagint hebben ze dat ook gedaan. De Alexandrijnse Jo­den hebben dus de Hebreeuwse bijbel in het Grieks vertaald. Aan die vertaling van de Tenach in het Grieks hebben ze jaren gewerkt. Dat was de eerste bijbelvertaling ter wereld. Toen de Septuagint gereed was, werd een dag van rouw afgekondigd. Ze hebben toen de vlag halfstok gehangen. Je zou verwachten: prijst de Heer, we steken de vlag uit! Stel je voor dat het Nederlands Bijbelgenootschap de vlag halfstok zou han­gen, als er weer een vertaling gereed is. Nu hadden ze dat mis­schien in 1951 ook kunnen doen, toen de NBG-vertaling gereed kwam. Het punt is, dat je bij vertalen altijd iets kwijtraakt. Vertalen is iets wat je altijd weer opnieuw moet doen. Willem Barnard had de gewoonte om vanaf de kansel uitgebreid uit de bijbel voor te lezen. Als hij soms naar zijn idee niet in staat was de gedachten achter de woorden aan zijn hoor­ders over de brengen, bracht hem dat in een treurige stemming. De Septu­a­gint is vertaald door 70 geleerden; tegelijk is dat een heenwij­zing naar de 70 volkeren, de 70 talen, waarin de bijbel vertaald moest worden. Het vertalen van de bijbel is eigenlijk een entree, een binnen­gaan in de bal­ling­schap. Dan gaat het woord in ballingschap. Als je gaat preken of ver­tellen, als je de Schrift gaat voorlezen, dan probeer je al spre­kend het woord uit de ballingschap te voorschijn te halen. Af en toe mag je dan on­dervinden, dat er weer een woord uit de balling­schap te voorschijn komt. Dan komt er weer zo’n woord vanuit het begin, zo’n oerwoord. Een stem vanuit den beginne.

Paulus gebruikt dus steeds het woord nomos, en in de meeste gevallen bedoelt hij daar de Torah mee. Het woord Torah heeft dus niet de be­te­kenis van wet, maar van onderwijzing. Maar soms gebruik Paulus dat woord nomos in een andere betekenis. Je moet dan per tekst bekijken over welke betekenis Paulus het heeft. Want soms gaat het over de wet­tische manier van leven. Dan denkt de mens vanuit zijn prestaties, dan krijg je dat hele prestatiegerichte denken om ‘er te komen’. Als ik nu maar genoeg presteer, dan is God tevreden over mij en mag ik ‘bo­ven’ komen. Maar dan moet je natuurlijk wel heel wat op je krediet hebben. Zo is er een lied dat zegt: faal ik een enkele keer, overwinnen doe ik meer. Dan krijg je het idee: gelukkig, als ik een keer faal, dan heb ik er nog heel wat overwinningen tegenover staan. Je moet dan natuurlijk wel zorgen dat je boven de kritieke grens uitkomt. Je moet oppassen dat je niet rood komt te staan. Maar dan zit je nog in die kwantitatieve op­vat­tingen, waar het gaat om de hoeveelheid. ‘Heb ik wel mijn best ge­daan voor Jezus? Moet ik gaan met lege handen zo mijn Heiland tegemoet’. Dat zijn allemaal van die prestatieliederen. Dan hangt het er dus vanaf hoeveel er op je rekening staat. Dan krijg je het beeld van God als een boek­hou­der. Dan blijft het toch altijd maar een wankele zaak, stel je voor dat je de limiet niet haalt! En dan wordt er ook vaak gezegd: dat dachten de Joden. Maar dat klopt helemaal niet. De Joodse traditie weet zeer zeker wel dat er ver­schil is tussen wetticisme en geestelijk zijn. Die wettische manier van leven betekent: denken in productie en presta­tie. Dat is iets wat in onze maatschappij toch wel heel sterk speelt. Het gaat hier in wezen dus om een principe. Vandaag de dag wordt ook ge­keken hoeveel er geproduceerd is. Als je niet meer genoeg produ­ceert, of als je te duur wordt, dan word je ontslagen. Paulus gaat de Torah niet afvallen, want de vijf boeken van Mozes zijn de vijf boeken van de ontferming. Dus als Paulus de Torah zou afschaf­fen, zou hij ook de ontferming afschaffen. Die Torah blijft tot in eeuwig­heid. De Torah is een geschenk. Dat is datgene waardoor de wereld werd geschapen: In den beginne was het Woord. In de loop van de tijden heeft men wel geprobeerd de Torah af te schaffen. In de tweede eeuw trachtte Marcion dat te doen. Hij wil­de het oude tes­tament afschaffen. Later in de 19e eeuw is er nog eens iemand ge­weest die dat heeft geprobeerd, Adolf von Harnack. Ook hij wilde het oude tes­tament afschaffen.

Wel de wet, maar niet wettisch

Dat is dat levensgrote misverstand over het oude testament, dat dan wet­tisch zou zijn. Het enige wat Paulus wil afschaffen is die wettische manier van leven. Dat betekent dat je je zaligheid en je heil gaat ver­wach­ten van jouw prestaties.

Dan is er nog een derde facet.

Soms gebruikt Paulus het woord nomos zoals hier in vers 27: Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Door welke wet? Der wer­ken? Neen, maar door de wet van geloof. – Rom.3:27. Door welke wet worden wij nu geregeerd? Niet door de wet van de wer­­ken, maar door de wet van het geloof. Hier betekent het woord wet: prin­cipe, levensprincipe. Je zou haast kunnen zeggen: iets in de zin van een natuurwet. Dan zou je kunnen zeggen: bij ons geldt niet die natuur­wet van de werken. Dan is dat haast zoiets als de wet van de zwaar­tekracht – want het is dan vaak ook een loden last – waardoor je niet van de grond komt. Nee, zegt Paulus, we leven door die wet van het geloof. Dat is die wet waardoor je dan boven de zwaartekracht uitkomt. Dat is in de eer­ste plaats het geloof van de Messias en van daaruit het geloof samen met Hem. Dat is de wet, je zou kunnen zeggen: de wetmatigheid van dat nieuwe Koninkrijk. In het Koninkrijk van de Messias geldt de wet van het geloof.

Geloof betekent dan in de eerste plaats dat God geloof heeft in jou. Dat is het geloof van God dat dwars tegen alles in blijft vasthouden. Zoals er staat in Klaagliederen: Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn,  want zijn barmhartigheden houden niet op, elke morgen zijn zij nieuw,  groot is uw trouw! – Kgl.3:22,23.

Je kunt hier ook vertalen: groot is uw geloof. Dat betekent dan hier: het geloof van God. Rabbi Simon bar Abba zegt daarvan: omdat Gij ons elke morgen ver­nieuwt, weten we dat uw geloof groot is, om voor ons de doden te doen leven. Rabbi Alexandri zegt: omdat Gij ons vernieuwt in de mor­gen van uw konink­rijk, weten we dat uw geloof groot genoeg is om ons te verlossen. Dat wordt vanouds ook in het ochtendgebed herdacht. Het is toch wel bijzonder, dat dat principe juist in de Klaagliederen naar voren komt, na­melijk het geloof van God. In donkere tijden, in tijden van balling­schap, dan blijkt juist dát het grote houvast te zijn. God blijft ge­loven, God blijft geloven in zijn mensen, God blijft geloven in zijn schep­ping. Dwars tegen de lange duur van de dingen in, tegen de klippen op.

De wet van het geloof

Dat is dus de wet van het geloof. Dat is de derde betekenis waarin Pau­lus spreekt over wet. Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet. – Rom.3:28. Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet’. – SV.

Anders zou je weer in die sfeer komen van: nooit genoeg. Je moet altijd maar meer presteren, zonder ooit een voldoende te halen. Of is God alleen de God der Joden? Niet ook der heidenen? Zeker, ook der hei­denen. Indien er namelijk één God is, die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof. – Rom.3:29,30 ‘Nademaal Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het ge­loof, en de voorhuid door het geloof’. – v.30, SV.

Paulus gaat hier uit van de basisstelling: God is één, Adonai echad! Te­ge­lijk gaat Paulus ook uit van het punt, dat ook in de Torah al naar vo­ren komt: God heeft de volkeren lief. Dat staat al in Deuteronomium 33. God houdt van de gojim. Juist daarom ook heeft hij aan dat ene volk zijn openbaring gegeven, omdat Hij in wezen van alle volkeren houdt, om­dat Hij ze op zijn hart draagt. Vaak is het misverstand ontstaan: als God één volk uitkiest, dan houdt Hij dus niet van die andere volkeren. Juist omdat God allen op het hart draagt, kiest Hij er één uit, om via die ene allen te kunnen bereiken. Bij God hebben die woorden vaak een andere inhoud. Bij ons is het vaak zo: als ik mijn aandacht geef aan één, dan komen die anderen tekort. Hoe meer God zijn heil, zijn woord geeft aan dat ene volk, des te meer gaat het komen tot allen. Dat ene volk staat hier dus als repre­sen­tant van allen. Dus God is de God van de Joden, God is de God van de gojim en Hij rechtvaardigt de besnedenen uit geloof (op grond van geloof) en Hij recht­vaardigt de onbesnedenen, ook op grond van geloof. De eerste keer staat er in de tekst geen lidwoord; er staat niet: uit het geloof, maar ‘uit geloof’. Bij de onbesnedenen staat wèl ‘uit het geloof’.

Je zou haast zeggen: door hetzelfde geloof. Zo gaat God met elk een ei­gen weg en in wezen toch dezelfde weg.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410820 bezoekers sinds 07-06-2010