De brief van Paulus aan de Romeinen deel 5

25-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

De naam Gods wordt om u gelasterd onder de heidenen

Je kunt lijden als bemoeial, zoals Petrus zegt; als je overal je neus in­steekt, krijg je af en toe een deksel op je neus. Je kunt dus lijden omdat je je overal in mengt. Maar je kunt ook lijden ter wille van de Messias. Dat is dus het lijden van de Messias. Het lijden van God. Dat is het lijden waar Godzelf doorheen gaat. Dat is ook het punt in verband met het lijden van Job. Job, die onvergetelijke gestalte in de Tenach. Job moest lij­den, omdat hij gewoon zozeer aan de kant van God stond, dat hij daar­door ook partijganger van God was geworden. Dan moet Job mee­maken – althans iets – van wat God meemaakt. Dat zijn dus die twee as­pec­ten. De conclusie komt in vers 24: `Want de naam Gods wordt om u gelasterd onder de heidenen, gelijk geschre­ven staat`. – Rom.2:24. Paulus eindigt hier dus met een Tenach-citaat uit Jesaja 52.

In 2 Samuël 12 staat iets wat daar enigszins mee verwant is. `ofschoon gij door deze daad de vijanden des HEREN zeer hebt doen lasteren, – de zoon echter, die u geboren is, zal sterven`. -2 Sam.12:14

Bij David zien we dat gegeven dus ook in verband met de kwestie van Bathseba en Uria. Door wat David ge­daan heeft, heeft hij de vijanden des Heren doen smaden. Het is merk­waardig dat dit op een gegeven mo­­­ment een doorgaand thema wordt in de Schrift, namelijk dat de naam van God gelasterd blijkt te worden, juist vanwege degenen die zijn naam hoog moesten houden. Dat komt naar voren in Jesaja 52 in verband met de ballingschap in Babel. Het komt dan hier via Paulus weer terug in Romeinen 2. Dus daar zien we dat de naam van God op het spel staat. Nu is het punt dan niet zozeer dat God zegt: Ik ben op mijn eer gesteld, een soort gekrenkte majesteit, maar het is veel meer dit: als de naam van God te grabbel wordt gegooid, waar moeten die gojim zich dan op beroepen! Dan zullen de gojim zeggen, dat die naam van God toch ont­zet­tend blijkt tegen te vallen. Moet je dat volk van Hem eens zien! Nu moet je zijn etalagemateriaal maar eens bekijken! God zegt bij wijze van spre­ken: mijn etalage ligt in puin! En dan komen die gojim er langs en zeg­gen: dat is ook niet veel! Die beroepen zich dan niet meer op de naam van God. God zegt: ter wille van de gojim moet Ik nu wel wat doen. God zegt: als jij nu aan mijn kant komt staan, kunnen we samen richten over dat kwaad. Dan ga Ik niet richten over jou, maar dan gaan we sa­men rechtzetten en dan gaan we samen dat kwaad bestrijden. We hadden reeds gezien: Romeinen 2 is een laatste appèl. Het doel van heel Romeinen 2 is, om duidelijk te maken, dat de mens zo ver moet komen, dat hij zich nergens meer op beroept. Een mens die zich niet meer beroept op zijn status, in de trant van: ‘ik heb dit en ik heb dat, en heel die sfeer van: oh, heb ik wel mijn best gedaan voor Jezus….’ Niet de mens die zegt: ik heb toch heel wat gepresteerd en ik heb al een hele staat van dienst. Al die zaken waar een mens zich alle­maal op zou kun­nen be­roe­pen: ‘ik loop al zoveel jaren mee, God mag blij zijn dat Hij ons nog heeft in deze donkere tijd. Het is niet veel meer in de wereld, maar gelukkig zijn wij er nog’. Dan komt daar de mens die zich nergens meer op laat voorstaan, die niets meer achter de hand heeft, die zich alleen nog kan beroepen op die Naam. God wil de mens niet laten ster­ven in zijn verharding en in zijn ver­starring.

God is bezig met het afbreken van bunkers

In een artikel van Anne Vlieger werd de vraag gesteld: Waar­om ga je nu naar de kerk? Ik zou parallel daarmee kunnen zeggen: waarom lees je nu de Torah? Wat hoor je dan? Anne Vlieger zei toen: Daar hoor je dat er een God is die meer van je houdt dan jij van jezelf houdt. De mens kan op een gegeven ogenblik nog tevreden zijn met het bunkertje, waar hij zich in verschanst heeft. De mens uit Romeinen 2 zit daar in zijn bunker en zegt: wie doet me wat! Ik ben dit en ik ben dat, ik heb een hele status en een hele staat van dienst. Dan zegt God: je denkt nu wel dat je aardig veilig zit in je bunkertje, maar Ik houd meer van jou dan jij op dit moment kunt beseffen. En dan is het een daad van ont­ferming, dat God die bunker afbreekt. Dus daar is God in Romeinen 2 mee bezig. Hij is bezig met het afbreken van bunkers. De sterkste bun­kers zijn vaak de religieuze bunkers, waarin een mens zich dan iso­leert. In die religieu­ze bunker verheft hij zich heel subtiel boven de ander. Ja, ik ben toch wel een stukje verder hoor! Ik wil niet op één hoop gegooid worden met….. Stel je voor! Ik wil me niet identificeren met…..  Dan zit je in wezen weer in dat circuit van: God, ik dank u, dat ik niet ben als….  dat ik niet ben als die Farizeeër…..  God, ik dank u dat ik niet ben als de mens in de wereld…. Dan ga je allerlei dingen invullen, waar­door je in wezen steeds verder bouwt aan je bunker. Dan zegt God: waar ben je nu eigenlijk dankbaar voor? Neher zegt: vaak is de mens op de vlucht en hoort hij het appèl niet. Horen kan soms heel moeilijk zijn. Huub Oosterhuis zegt in een lied: ‘Hoor, maar ik kan niet horen, ik ben nog niet geboren, ik ben niet ik’. Sjemai Jisreël, hoor Israël. Hòren echter, begin er maar eens aan! Hebt u nu echt gehoord? Want als je echt gehoord hebt, dan doe je het ook. Maar als je het niet doet, dan heb je het ook nog niet echt gehoord. Vaak hoort de mens het appèl niet, zegt Neher. Of àls hij het hoort, begrijpt hij de bood­schap niet. Of als hij het begrijpt, herkent hij dan de draag­wijdte? De mens zegt zo makkelijk: ja hoor, God, ik heb het gehoord en ik heb het ook begrepen. Ja, ik weet precies waar het over gaat. Laat dan eens zien, dat je het begrepen hebt! Maar dat is dan vaak te moeilijk. Neher zegt: dat is het drama, het drama en de tragiek in het huwelijk tussen God en mens. God de bruidegom en de mens de bruid, God de man en de mens de vrouw; ze maken een heel huwelijk door. Ze zoeken elkaar, ze ontdekken elkaar, ze worden één, ze verliezen elkaar en ze vinden el­kaar terug. Dat gaat door verloving heen, door bruids­dagen, door perio­den van vervreemding, van weduwschap, van nieuwe vereniging, van Exodus en intocht in Kanaän, koningschap, balling­schap en terugkeer. Daar heb je dan heel de geschiedenis. Het kind worden, het geboren wor­den, de geboorteweeën, het verdwijnen in de afgrond, het opstaan uit de diepte en het wachten op de dageraad. De weldadige regen, de angst van middernacht en van de duisternis zonder einde. Liefde, vrees, ballingschap, terugkopen, een overblijfsel, verlos­sing. Al die motieven spe­len daar in de geschiedenis van God en mens. Dat heeft een man als Neher gegrepen, begrepen en verstaan. Zo is de bijbel het verhaal geworden van mensen. Zo gaat God steeds weer met mensen op weg. Daar hoort dat Romeinen 2 ook bij. Zo is de Torah een verrukking; maar die verrukking moet wel in beweging blij­ven en niet statisch worden. Want God heeft de mens nodig. In de Talmoed staat dat God de mens schiep en dat de mens vrij is. Er is zelfs een uitspraak: het woord van de mens schept nieuwe hemelen. Die mens heeft ongelofelijke mogelijkheden: schepping en vrijheid. Twee ideeën die vreemd zijn aan het Griekse denken en die de substan­tie vormen van het Hebreeuwse denken. God is Schepper, Hij is vrij en Hij schept de mens naar zijn beeld. En de mens, die vrij geschapen is naar het beeld Gods, gaat op zijn beurt vrij scheppen. God geeft de mens speelruimte om mens te worden. Daardoor staat er ook zoveel op het spel. En toch, en dat is het won­der­lijke, God waagt het steeds opnieuw met de adam. Steeds opnieuw, on­danks alles.

God komt nooit op de eerste uittocht terug

De kinderen Israëls moesten tichelstenen maken voor de Farao. Die ste­nen zijn een beeld van de totale verharding. Iemand schreef on­langs in een dissertatie: er is maar één uittocht. Eén uittocht uit Egypte en dat doet God nooit meer over. In diepste zin komt er geen tweede exodus. Het kan hoogstens een vervolg zijn en een effectuering, een toepassing op de eerste uittocht. Maar God komt nooit op die eerste uittocht terug. Want Mozes heeft ooit die kans gehad, toen God tegen hem zei: zullen we met dit volk maar niet verdergaan en men jou op­nieuw beginnen? Dan hadden we dus geen Israëlieten gehad, maar Mozaïeten. Maar dan zegt Mozes: nee, dat kan niet, dat kunnen we niet maken! Mozes, dit is de kans van je leven! Nee, zegt Mozes, dat doe ik niet. God, ga alstu­blieft door met dit volk, want daar hangt alles van af. Desnoods doet U mij dan maar weg uit uw boek. Laat de Torah dan maar een boek wor­den zon­der Mozes. Dan krijgen we wel de vijf boeken van Mozes, maar Mo­zes zien we er niet meer in terug. Schrap mij dan maar uit uw boek. Dat is typisch Messiaans. Dat heeft tenslotte de Messias tot op de bodem ge­zegd: schrap Mij dan maar uit dat boek. En dan wordt Hij uit het boek geschrapt. Dat is Golgota, de Messias wordt uit het boek geschrapt, op­dat er toch in het boek van het leven (pete gajjim) tenminste men­sen zul­len staan. Want anders zou uiteindelijk alleen de Messias gered worden.

Dan was alleen Jezus in de hemel gekomen. Mozes had het begrepen: het plan dat God begint, is onomkeerbaar. An­ders zou het in wezen, in de meest pijnlijke zin, een lachertje worden. Stel je voor dat God het volk uit Egypte had geleid en dat Hij op een keer zou moeten zeggen dat het toch niet was gelukt! Dan zou God weer een exodus moeten beginnen. God begint iets, maar Hij maakt het niet af, want het lukt niet. Maar God heeft maar één pijl op zijn boog dat is de uittocht uit Egypte. Alles wat Hij verder doet is in wezen daar­van een continuering en een voort­vloeisel. God zal en kan nooit op die ene uittocht terugkomen. God heeft één werk door de eeuwen heen en daar heeft Hij ook zijn hart en naam aan verpand. Daar gaat God dan ook altijd in door; daar bijt Hij zich om zo te zeggen in vast. Dat is dan zijn volharding, zijn vast­hou­dend­heid. Dat is dan ook zijn trouw aan de mensen. Zozeer is Hij trouw aan zijn mensen, dat Hij ze niet laat vallen, ook als zij het af laten weten. God zegt: Ik ben nog meer trouw aan jou, dan jij trouw bent aan je­zelf. `Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht tot in het laatste na­ge­slacht`. Dat lied kun je niet vaak genoeg zingen. Dat lied kun je zin­gen tot het laatste nageslacht. `Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal`. – Jer.31:31.

Dat nieuwe verbond betekent: een vernieuwd verbond. Dat is een ver­bond opnieuw. In wezen is er maar één verbond. Dat oude verbond wordt dus kwalitatief vernieuwd. Dat verbond is goed, alleen het wordt vernieuwd. Daar zit op zich nog een vraag aan vast, namelijk wat nu de betekenis is van die tekst uit 2 Korinte 3 over mensen die telkens weer, als ze de wet horen voorlezen, een bedekking krijgen over hun hart en over hun ogen.

Een bedekking over het hart – de bedekking weg­genomen

In dat beroemde gedeelte wordt gezegd: `Maar hun gedachten werden verhard. Want tot heden toe blijft dezelfde be­dek­king over de voorlezing van het oude verbond zonder weggenomen te wor­den, omdat zij slechts in Christus verdwijnt. Ja, tot heden toe ligt, telkens wan­neer Mozes voor­ge­lezen wordt, een bedekking over hun hart, maar te­l­kens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weg­genomen`. – 2 Kor.3:14-16.

Ik heb het idee, om dat alvast als een voorlopige opmerking te no­teren, dat dit woord toch heel vaak misverstaan wordt. Dan wordt het vaak op de volgende manier uitgelegd: dan moet je Mozes ook maar niet voor­­le­zen. Want als je dat elke keer voorleest, als je elke zondag de 10 gebo­den gaat voorlezen, dan krijg je een bedekking. Maar dat is een groot misver­stand. Eigenlijk heb ik de neiging om elke zondag de 10 woorden voor te lezen; het zijn ook namelijk niet 10 geboden, maar 10 woorden. Als je die 10 woorden goed gaat verstaan, dan gaat er een wereld voor je open! Je kunt die 10 woorden niet vaak genoeg voorle­zen. Alleen het punt is na­tuurlijk weer, hoe je gaat horen. Daar is weer oefening in het horen voor nodig. Het zijn de 10 woorden van de bevrijding. Jezus zegt: er zal geen tittel of jota van de Torah afgaan, eer alles is ge­schied. Heel die Torah zal dus gaan geschieden. Genesis 1 tot Deute­ro­no­mium 34 gaat allemaal werkelijkheid worden. Tenslotte is de Torah eeuwig. De rabbij­nen zeggen zelfs: toen God de wereld ging schep­pen, ging Hij eerst in de Torah lezen. En al Torah lezend heeft Hij de wereld geschapen. De koning moest ook elke dag in de Torah lezen. De Torah is eeuwig, die was al vóór de schepping bij God present. Dat is een van de zeven dingen die al voor de schepping van de wereld aanwezig waren. Het punt is natuurlijk hoe je het gaat lezen. Hierin kunnen we twee aspecten onderscheiden.

Er zijn er die gaan en niet zien.

Er zijn er die gaan en zien.

Er zijn er die gaan en lijden en die weten niet waarom.

Ook zijn er die gaan en lijden en misschien wel weten waarom. Dat zijn mensen met een bedekking en mensen zonder bedekking. De een is niet minder dan de ander.

Paulus neemt dat beeld van Mozes en zegt: wat was er nu bij Mozes aan de hand? Mozes had een bedekking als hij op aarde was bij het volk. En als hij bij God kwam op de berg, dan deed hij die bedekking weg. Dat is wat er staat in 2 Korinte 3. `Nu wij zulk een verwachting hebben, treden wij met volle vrijmoedigheid op, ge­heel anders dan Mozes, die een bedekking voor zijn gelaat deed, opdat de kin­­deren Israëls geen blik zouden slaan op het einde van hetgeen moest verdwij­nen. Maar hun gedachten werden verhard. Want tot heden toe blijft dezelfde bedekking over de voorlezing van het oude verbond zonder weggenomen te wor­den, omdat zij slechts in Christus verdwijnt. Ja, tot heden toe ligt, telkens wan­neer Mozes voorgelezen wordt, een bedekking over hun hart, maar tel­kens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weg­ge­nomen. De Here nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid`.

`En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heer­lijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijk­heid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is. – 2.Kor.3:12-18. Telkens wanneer iemand zich toekeert naar de Here, dan wordt de bedekking weg­­ge­nomen`. – v.16.

Dus op aarde wandel je met een bedekking, en als je je naar God toe­keert, dan gaat die bedekking eraf. Net zoals bij Mozes. Waarom wan­delde Mozes met een sluier? Als hij bij God kwam, dan werd alles hel­der en klaar. Zo is het met ons ook, op aarde leven we gesluierd. Het volk van God leeft op aarde gesluierd, verborgen. Daarom wordt er vaak gezegd: hoe zit dat nu, wordt het nog wat met die gemeente? Wordt het nog wat met het volk van God? We gaan een gesluierde gang, we gaan een gang in verborgenheid. God gaat ook een gang in verbor­genheid. God timmert ook niet aan de weg. Waar blijft Hij dan, waar is uw God? En als je je naar God toekeert, dan verdwijnt die bedekking.

In uw licht wordt het licht.

Voorlopig blijven wij dus een volk dat onderwezen wordt. Voorlopig blij­ven wij dus leren. Jesaja zegt: al uw zonen zullen leerlingen des He­ren zijn. Wat dat betreft ga je nooit van school af.` Zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste`.

In Jeremia staat geschreven: dan zullen ze elkaar niet meer leren. `Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid ver­ge­ven en hun zonde niet meer gedenken`. – Jer.31:34.

Ze leren het kennelijk allemaal rechtstreeks van God. Ik noem met opzet vaak namen van mensen, waar ik mijn kennis zo nu en dan vandaan haal. Juist ook om bewust aan te geven: samen met alle heiligen gaan we het verstaan. Ik ben blij dat ik af en toe mag staan op de schouders van allerlei mensen, die voor mij gegaan zijn of die mij zijn voorgegaan. Het geloof is tenslotte niet in de 21e eeuw uitgevonden. Sa­men met al die heiligen van alle tijden en van alle plaatsen ben je dan op weg. En dan denk je: gelukkig, er zijn nog een heleboel apostelen en pro­­feten en psalmisten en dichters en zangers en zusters en klagers en piepers en wat nog niet meer; die allen tezamen vormen dan de voe­dings­bodem waaruit wij mogen leven. De rabbijnen zeggen: ik heb veel geleerd van mijn leraren, ik heb veel geleerd van mijn collega’s, maar het meest heb ik geleerd van mijn leerlingen. God is op weg gegaan in de geschiedenis en heeft het risico genomen om het aan te durven met mensen. God heeft steeds weer de Torah ge­legd in de handen van mensenkinderen. Uiteindelijk kan de mens zich dan nog maar op één punt beroepen: op Gods naam en op die Ene, die die naam heeft hoog­gehouden, hooggehouden tot het einde toe. Jezus, die de naam van God ge­dra­gen heeft met ere. Juist toen alle eer Hem ont­nomen werd en de smaad en al de lastering van de gojim op Hem neerkwam. Hij heeft de lastering gedragen. Ook de lastering van Romei­nen 2:24 heeft Hij op zich geno­men. Toen Hij hing aan het kruis, werd Gods naam gelasterd. Als Hij dan Gods Zoon is, laat God dan ko­men en Hem redden. Maar dat gebeurde niet. Zo heeft Jezus de smaad gedra­gen en alle smaadwoorden van de hei­denen kwamen op Hem neer. Zo heeft Jezus de Torah geduld en heeft Hij hem voldragen. Hij heeft ge­dragen tot in het diepste ge­heim, tot in die diepste kerker, waar mensen kunnen zitten. Zozeer is Hij één van ons geworden. Daarom beroepen wij ons op zijn naam, want die naam zal overeind staan al de dagen en al de nachten totdat de ge­schiedenis voldragen is.

Besneden zijn heeft wel betekenis, indien gij de wet volbrengt

We komen nu bij een heel spannend gedeelte van Romeinen 2. We krijgen het weer even aan de stok met de opschriften.

Boven dit vers 25 is namelijk gezet:

‘De besnijdenis baat de Joden niet’. Dat klinkt wel wat negatief.

Het opschrift boven vers 12 was ook al zo moei­lijk:

‘De wet baat de Joden niet’.

En dan waren we ook al over het opschrift boven vers 1 gestruikeld:

‘Het oor­deel Gods over de Joden’.

Dus we blijven maar struikelen over al die opschriften. Misschien is het daarom wel veiliger om te kijken wat er in de tekst staat. `Want besneden te zijn heeft wel betekenis, indien gij de wet volbrengt, maar in­dien gij een overtreder van de wet zijt, is uw besnijdenis tot onbesnedenheid gewor­den`. Rom.2:25. ‘Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de wet doet; maar indien gij een over­treder der wet zijt, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden’. – SV.

Deze tekst is al lijnrecht in tegenspraak met het opschrift. De besnijdenis heeft wèl betekenis, zegt Paulus. Letterlijk staat er: `het is nuttig`; de be­snij­denis is nuttig, met deze conditie: `indien gij de wet (Torah) volbrengt`. Het punt waar het dus op aankomt is het doen, de praxis. Het beslis­sen­de punt is uiteindelijk het doen. Het gaat er dus niet om wat iemand voor­­­geeft te zijn, maar om wat zijn handelwijze is. Er is een verhaal over een man die blij was omdat hij nederig was. Maar toen werd hij bedroefd, omdat hij blij was omdat hij nederig was. Hij dacht: dat mag natuurlijk niet. En toen werd hij blij, omdat hij bedroefd was, omdat hij blij was, omdat hij nederig was. Zo kun je de bedroefd­heid en de blijdschap van die man steeds verder uitbouwen. Er komt geen einde aan het verhaal. O, wat is het toch heerlijk om nederig te zijn. En dan kun je heerlijk daar­­van genieten van: oh, wat ben ik toch nederig. Maar op het moment dat je ervan geniet, word je weer bedroefd dat je daarvan geniet…….Het komt dus aan op de daad, op de praktijk. `Zal dan, indien de onbesnedene de eisen der wet in acht neemt, zijn onbesne­den­heid niet voor besnijdenis gelden?` – Rom.2:26. ‘Indien dan de voorhuid de rechten der wet bewaart, zal niet zijn voorhuid tot een be­snijdenis gerekend worden?’ – SV.

Het is opmerkelijk dat je een dergelijke uitspraak ook bij de rabbijnen te­genkomt. We moeten hierbij wel bedenken, dat Paulus geen eenling was in zijn opvattingen. Op verschillende punten kwamen zijn opvattin­gen overeen met die van de rabbijnen. Rabbi Nehir – en dat is toch wel een verrassende uitspraak – zegt: zelfs een vreemdeling of een heiden die de Torah houdt, die zich met de Torah bezighoudt, is als de hoge­priester. Dat is nogal wat; een heiden of een vreemdeling wordt gelijk­ge­steld met de hogepriester. Een basistekst voor deze opvatting vinden we in Levi­ticus 18. `Ja, gij zult mijn inzettingen en mijn verordeningen (rechten) in acht nemen (bewa­ren); de mens die ze doet, zal daardoor (daarin) leven: Ik ben de HERE`Lev.18:5

Rabbi Nehir wijst er dan speciaal op, dat daar gezegd wordt: `de mens`. Er staat dus niet: de `priester` die dat doet of `Leviet`. Er staat zelfs niet de `zoon van Israël` die dat doet, maar er staat gewoon de adam, de mens die dat doet. Als een mens, welk mens ook, ook al is het een heiden, als die de inzettingen van de Torah doet, dan maakt het niet uit of hij dat is of dat het de hogepriester is die dat doet. Het punt is dus, dat ze op die manier gelijk staan in het hande­len ten opzichte van de Torah. Als de barmhar­ti­ge Samaritaan de Torah vol­brengt door zijn ontferming, dan staat hij ge­lijk met de hogepriester, wanneer die dat zou doen.

Opdat een rechtvaardige heiden zal binnengaan

Hierbij worden nog twee teksten bij aangehaald, vier zelfs. `En dit was nog te weinig in uw ogen, Here HERE; daarom hebt Gij aangaan­de het huis van uw knecht ook gesproken over de verre toekomst, en dit is de wet voor de mens, Here HERE`.2 Samuël 7:19

Een tekst die dan ook in dat verband gehanteerd wordt, vanuit en door de rabbijnse traditie. In deze tekst spreekt David dan zijn dankgebed uit en zegt: ‘En dit was nog te weinig (klein) in uw ogen,…. en dit is de wet voor de mens’. Het gaat dan speciaal om het laatste zinnetje: ‘dit is de To­rah ha adam’ (dat is dan de uitdrukking die er in de grondtekst staat), de Torah van de mens. Dus niet speciaal de Torah van de Israëliet, maar de Torah van de mens. Niet de wet van de priesters, niet de wet van de Le­vieten, niet de wet van de beneh Jisrael, maar dit is de Torah van de mens. Dus als God daar spreekt, dan spreekt Hij tot de adam. Zo begon Paulus ook in Romeinen 2. ‘Mens, wie gij ook zijt’.

Dan wordt er nog een tekst aangehaald door de rabbijnen: `Te dien dage zal in het land Juda dit lied gezongen worden: Wij hebben een sterke stad; Hij stelt heil tot muren en voorwal. Opent de poorten, opdat een rechtvaardig volk binnenga, dat zijn trouw bewaart`. – Jes.26:1,2.

Jesaja 26:2 spreekt van het lied over de sterke stad. Dat moeten we dan weer lezen vanuit de rabbijnse achtergrond. ‘Opent de poorten opdat een rechtvaardig volk binnenga’.

Daar staat letterlijk: ‘Opent de poorten en dan zal een goj tsaddiq binnenkomen’. Dat woord goj, dat hier dus met volk wordt vertaald, kan ook heiden be­te­ke­nen. Dus je kunt hier ook vertalen: ‘Opent de poorten opdat een rechtvaardige heiden zal binnengaan’. Dus als een heiden zich gedraagt als een tsaddiq, dan mag hij die poor­ten binnengaan. Dan kan hij inderdaad zeggen: ik zie een poort wijd open­staan. Dus dan mag die heiden, die rechtvaardige goj, binnenkomen in de stad van God. Die stad waar heel Jesaja 26 over spreekt en zingt. Bevrijding, de stad van de vrijheid, ook de rechtvaardige goj mag daar zijn en­tree maken. Er worden in dit verband nog een paar teksten ge­noemd. `Dit is de poort des HEREN, de rechtvaardigen gaan daardoor binnen`. – Ps.118:20.

Daar wordt niet speciaal bijgezegd wàt voor rechtvaardigen, maar ge­woon: de tsaddiqim mogen binnengaan.

Jubelt, gij rechtvaardigen, in de HERE,

een lofzang betaamt de oprechten. – Ps.33:1.

Doe goed, HERE, aan de goeden,

en aan de oprechten van hart, – Ps.125:4.

Dat is dus een hele cyclus van teksten, die in dat verband worden ge­­­noemd. Wat dat betreft kan Paulus helemaal aansluiten bij dergelijke ma­nie­ren van Schriftuitleg. Zo geldt dat ook voor de onbesneden recht­vaardigen. `Dan zal de van nature onbesnedene (dat is dus de onbesnedenheid uit na­tuur), door­dat hij de wet volbrengt, u oordelen, die, hoewel in het bezit van let­ter en besnij­de­nis, een overtreder van de wet zijt`. – Rom.2:27.

‘En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt, u niet oor­de­len, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt?’ – SV.

Want die onbesnedene volbrengt de Torah, en hij zal u (zoals er staat) oor­­­­delen (let er op: u in het enkelvoud), die door de letter en de besnij­de­nis een overtreder zijt. Hoewel in het bezit van letter en besnijdenis, zijt gij een over­­treder van de Torah. Dus daar zie je dat in dat geval het accent ligt op het punt van het over­treden. Als iemand de letter heeft, plus de besnijdenis, maar er in de praktijk niets van terechtbrengt, dan heeft dat geen waarde, zegt Paulus, al­thans het is niet iets waarop een mens zich dan kan beroepen.

Híj is een Jood, die het in het verbor­gen is

Dan komen we eindelijk bij vers 28 wat je de sleuteltekst zou kunnen noe­men. `Want niet híj is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dát is besnijdenis, wat ui­terlijk, aan het vlees, geschiedt, maar híj is een Jood, die het in het verbor­gen is, en de (wa­re) besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God`. – Rom.2:28,29

`Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnij­de­nis, die het in het openbaar in het vlees is; Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de be­snijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God`. – SV.

Het gaat nu over de besnijdenis van het hart. Daarbij is het toch wel goed om erop te wijzen, dat Paulus ook dan weer kan aanknopen bij een sterke traditie uit Torah en profeten. Want het is in Deuteronomium 30 in wezen begonnen. We zijn dan bijna aan het eind van de Torah.

Jakob moet Israël worden

Dat spanningsveld heeft er van meet af aan in gezeten. Waar het hier om draait, is dat Jakob Israël moet worden. De mens kan zich nooit beroe­pen op een status. Jakob kan uiteindelijk alleen het land binnenkomen via een transformatie, een omvorming. Dat is die worsteling in de nacht waar hij van Jakob tot Israël wordt. Het is geen automatisme. Het bete­kent niet: Ik ben Jakob, dus voor mij gaan alle deuren open. Het land is hem beloofd, maar toch moet hij die innerlijke omvorming meemaken, waardoor hij de naam Israël krijgt. Dat principe kom je telkens weer te­gen. Het gaat nooit als iets vanzelfsprekends. Dat zien we in Deu­te­ro­nomium 30:6 verwoord. `En de HERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de HERE, uw God, liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft`. – Deut.30:6.

Hier is er sprake van de besnijdenis van het hart. Dat gebeurde dus al in de tijd van Mozes. Deuteronomium 30 spreekt helemaal over de balling­schap, ze zullen worden uitgestrooid over alle landen en volkeren. Als de mens dan in zijn ballingschap aan God denkt, dan komt daar de be­snijdenis van het hart. God zal uw hart en het hart van uw zaad besnij­den. En die besnijdenis zal zijn ‘tot liefde’, zoals er letterlijk staat. Paulus kan dus zo aanknopen bij Deute­ro­nomium 30. Dat is om zo te zeggen de basistekst voor Romeinen 2. Wat dat betreft is Paulus trouw gebleven aan de joodse overlevering. Je kunt dus Paulus helemaal verstaan als een exponent, als een uitwerking van wat Mozes al geschreven had.

Overeenkomsten tussen Paulus en Jeremia

We hebben al eerder gezien dat Paulus ook heel sterk heeft voortge­bouwd op Jeremia. Paulus heeft zich toch wel een nieuwe Jeremia ge­voeld. Er is heel wat verwantschap tussen die twee. Jeremia was de pro­feet op de grens van de tijden, een profeet die daar stond bijna tegen de ballingschap aan. Paulus heeft heel sterk het gevoel en het besef ge­had, dat dit met hem ook het geval was. Dezelfde beelden die je bij Jeremia tegenkomt, kom je bij Paulus ook weer tegen, zoals: bouwen en planten. Jeremia heeft gezegd: God heeft mij gekend vanaf de moeder­schoot. Dat is ook een uitspraak van Paulus. Jeremia heeft toch ook wel heel ri­gou­reuze uitspraken gedaan op dat gebied; dat zien we in Jere­mia 9.` Zo zegt de HERE: De wijze roeme niet op zijn wijsheid, en de sterke (held) roeme niet op zijn kracht (heldenkracht), de rijke roeme niet op zijn rijkdom, maar wie roe­men wil, roeme hierin, dat hij verstand heeft en Mij kent, dat Ik de HERE ben, die goedertierenheid, recht en gerechtigheid op aarde doe; want daarin heb Ik behagen, luidt het woord des HEREN. Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik bezoeking zal doen over alle besnedenen die toch de voorhuid hebben; over Egyp­te en Juda, Edom en de Am­monieten, Moab en allen, die zich het haar rondom weg­scheren, die in de woestijn wo­nen; want alle volkeren zijn onbesneden, maar het gehe­le huis van Israël bestaat uit onbesnedenen van hart`. – Jer.9:23-26. ‘alle besnedenen die toch de voorhuid hebben’. Wel besneden, en toch niet besneden; een zeer kritisch geluid van Jeremia. ‘over Egyp­te en Juda’. Die twee worden heel gewoon gelijkgeschakeld.

Zo’n tekst moet je natuurlijk wel in zijn verband lezen, want anders gaan bepaalde uitspraken op een zeker moment een eigen leven leiden. Als je een bijbeltekst hebt, heb je nog geen dogmatiek. Het griezelige is, dat men soms een leer gaat bouwen op losse teksten. Dat is in de loop van de eeuwen maar al te vaak gebeurd. Teksten plukken is een gevaar­lijke bezigheid. Als je zo’n tekst uit zijn verband haalt, zou je kunnen zeg­­gen: heel Israël bestaat uit onbesnedenen van hart. Er is in deze tek­sten geen sprake van dogmatiek. Pro­feten waren geen dogmatici. Een pro­feet kan best de dogmatiek wel eens scheeftrekken. Dat is ook het ge­val met iemand die een preek houdt. Er is wel eens gezegd: een goede preek trekt de dogmatiek scheef. Als je in een preek alles wilt zeggen, dan wordt die preek onverteerbaar. Jeremia had in hoofd­stuk 7 gezegd: er zijn mensen die zich beroemen op de tempel. Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des HEREN tempel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is dit! – Jer.7:4. We moeten in dit verband duidelijk zien: Profeten interpreteren de ge­schie­de­nis. Ze staan ook op een bepaald moment in de geschiedenis. Jere­mia ziet daar zijn tijdgenoten, te midden waarvan hij verkeert, waar hij ook aan lijdt; hij lijdt aan de geestelijke toestand van zijn volk. Jeremia 9 begint ook: ik wou dat mijn hoofd water was. `Ach, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een bron van tranen, dat ik dag en nacht kon bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks!` – Jer.9:1.

Hier blijkt wel, dat dit niet iemand is die een aantal stellingen op een rij­tje gaat zetten. Hier is iemand die bewogen is en met pijn in zijn hart de toestand overziet. Van daaruit zegt dan de profeet: heel het huis Is­ra­ëls bestaat uit onbesnedenen van hart. Hij spreekt dit uit als een laatste ap­pèl. Hij zegt dat tot het huis Israëls; hij zegt het niet over hen. Jeremia spreekt hier niet zozeer een aanklacht uit, maar een klacht. Hieruit spreekt een lijden aan de tijd, een lijden aan zijn eigen mensen. Van daar­uit kun je dan deze teksten verstaan. Jeremia zit midden in dat dra­ma. Hij staat daar niet als toeschouwer de zaak te analyseren, maar hij is er intens bij betrokken. Jeremia lijdt aan de verstarring en aan de ver­blin­ding van zijn volk. Je kunt met deze teksten dus nooit algemene uitspraken doen. Je kunt er ook geen gedeelten uitlichten en daar weer een dogma van ma­­­ken. Jeremia zegt deze dingen als profeet. Profeten zijn mensen met een röntgenapparaat. Profeten doorlìchten en lichten dóór; ze geven een foto tot op de bodem. Juist als een laatste appèl. Er zit altijd nog een ap­pèl in die uitspraken. Profeten zeggen deze dingen, juist omdat ze de men­sen niet afschrijven. Als Jeremia de mensen al had afgeschreven, had hij wel zijn mond gehouden. Dan had hij wel gezegd: parels voor de zwijnen, ze bekijken het maar! Het feit dat Jeremia toch een appèl doet op de mensen, is juist een teken van hoop, van een laatste beroep. Als je dit gedeelte van Jeremia 9 zo leest, dan zie je dat dit in dezelfde lijn ligt als wat Paulus zegt in Romeinen 2. Het staat in Jeremia 9 ook he­lemaal in het kader van een klacht. Zo zegt de profeet: Zo zegt de HERE der heerscharen: Let op, roept de klaagvrouwen, dat zij ko­men, zendt tot de wijze vrouwen, dat zij komen, – Jer.9:17. Jeremia is bewogen met de mensen waar hij zelf bij hoort. Zo lezen we in vers 19: `Want het geluid van een weeklacht wordt gehoord uit Sion: Hoe zijn wij ver­nield! Wij zijn ten zeerste te schande geworden, omdat wij het land moeten ver­laten, omdat zij onze woningen omwerpen.` – Jer.9:19.

In die lijn gaat Paulus Romeinen 2 afsluiten. Hij zegt: wat is nu de ware Jood, de ware Judeeër. Dat is degene die het in het verborgene is. `Want niet híj is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dát is besnijdenis, wat uiter­lijk, aan het vlees, geschiedt, maar híj is een Jood, die het in het verbor­gen is, en de (ware) besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God.` – Rom.2:28,29.

Gij zijt een God, die Zich verborgen houdt

Deze uitspraak stemt ook overeen met het onderwijs van Jezus als Hij zegt: als je nu tot je Vader in het verborgene gaat, dan zal Hij je ver­gel­den. `Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Va­der in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden`. – Matt.6:6.

Aalmoezen moet je geven in het verborgene; bidden moet je doen in het verborgene; vasten, doe het in het verborgene. Dus het sleutelwoord is die verborgenheid. Het gaat hier in wezen om het punt, dat je dan na­volger van God bent. Jesaja spreekt ook van de verborgen God (Deüs abstanditus). Voorwaar, Gij zijt een God, die Zich verborgen houdt, de God van Israël, een Ver­los­ser. – Jes.45:15. God werkt ook in het verborgene, letterlijk staat er: in het cryptische. De na­­vol­ger van die verborgen God is dan de homo abstanditus, de verbor­gen mens. Paulus spreekt ook ergens van ‘de verborgen mens des har­ten’. Dan zie je ook, dat dit lijnrecht ingaat tegen het zoeken van uiterlijk vertoon en het zoeken naar een bepaalde zichtbare status. Van meet af aan is God een God geweest die in het verborgene heeft gewerkt.

Daarom is het ook steeds weer de verzoeking geweest om uit die ver­bor­­­gen­­heid te willen komen. Het moet nu toch eens een keer zichtbaar worden. In Jesaja 49 staat: `En Hij maakte mijn mond als een scherp zwaard; in de schaduw zijner hand ver­borg Hij mij. Hij maakte mij tot een puntige pijl, in zijn pijlkoker stak Hij mij`. – Jes.49:2. `Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij ver­bor­gen`.SV.

Daar zie je dus ook weer die verborgenheid. `In de benauwdheid riept gij en Ik redde u, Ik antwoordde u in de verborgenheid van de donder, Ik toetste u bij de wateren van Meriba. sela`. Ps.81:7. Wat heb je gezien, zegt Deuteronomium 4, wat heb je daar gezien op de berg Sinai? Geen gedaante, alleen maar een stem. Dat is dat grandioze hoofdstuk Deuteronomium 4, dat je er zo tegenaan kunt leggen. `Toen sprak de HERE tot u uit het midden van het vuur; een geluid van woor­den hoordet gij, maar een gestalte naamt gij niet waar, er was alleen een stem`.  Deut.4:12.

In wezen is de weg van God altijd een weg geweest in het verborgene. Alle volkeren hadden beelden van hun goden, Israël niet. Gij zult u geen gesneden beeld maken. Eeuwenlang hadden ze ook geen tempel, alleen maar een tent. En dan wordt er gezegd: Hij trok van tent tot tent. Ten­slotte per gratie dan toch nog een tempel, maar niet veel groter dan een dorpskerk. Die Babylo­nische en Egyptische bouwwerken waren veel in­druk­wekkender. Als Israël daar stond te midden van de volkeren, dan hadden ze in de zichtbare wereld maar weinig te bieden. Toen gingen ze ook nog in ballingschap, en toen werd het helemaal onzienlijk. In de bal­lingschap hadden ze in de zichtbare wereld helemaal niets meer; geen offers, geen tempel, alleen een boekrol en nog een dag sabbat.

Je ziet als het ware dat het zich steeds meer gaat toespitsen op het hart, op het verborgene. Salomo zei ook al: U vindt het prettig om in donker te wonen. `Toen zeide Salomo: De HERE heeft gezegd in donkerheid te willen wonen`. 1 Kon.8:2.

Dan denk je: houdt God dan niet van het licht? Ja natuurlijk wel. Toch zit daar een diepe symboliek in. God trekt zich als het ware terug in die verbor­gen­heid. Hij zoekt niet het spektakel.

De twee zonen van de koning. Een verhaal van Rabbi Nachman.

Een koning had twee zonen. De een was wijs en de ander was dwaas. De ko­ning liet de dwaas benoemen tot minister van financiën. Hij mocht de schatkist beheren. De wijze gaf hij geen enkele functie. Hij zei: jij moet je maar terug­trek­ken in een een­zaam huis. De mensen verbaasden zich daar­over en zeiden: hoe kan dat nu? Hoe kan de koning nu zoiets doen! Hij geeft de sleutels van de schatkist aan die dwaze zoon! En daar hangen alle dingen in het koninkrijk van­ af. De koning antwoordde en zeide: is dat zo vreemd? Is er dan zoveel wijs­heid nodig om geld te beheren en om geld te geven aan degenen die het nodig hebben? Maar mijn wijze zoon is geze­ten, solitair, helemaal alleen en hij mediteert. En dankzij zijn wijze raadgevingen komen de bronnen naar je toe, de bronnen van rijkdom en van kennis. En dan kan mijn andere zoon die bron­nen uitdelen. Mijn wijze zoon heeft geen enkele titel nodig, geen functie en geen bediening, geen ministerschap. Hij heeft zijn kwali­tei­ten en daardoor is hij een bron van overvloed.

Rabbi Nachman zet er dan nog één zinnetje achter als conclusie. Dat zinnetje is een beetje riskant. Een zinnetje voor de goede verstaan­ders, een zinnetje ook om eindeloos over door te denken. Het is ook een zin die je niet uit zijn verband moet halen en waar je heel voorzichtig mee om moet ­gaan. Het geeft af en toe wel te denken, je moet er ook nooit iemand mee ver­oor­delen. Rabbi Nachman zet er dan onder: U kunt hieruit concluderen dat de rechtvaardigen geen wonderen doen.

Dit is toch iets wat je wel vaak kunt herkennen. Bij de ware tsaddiq lijkt het soms of hun leven weinig vruchtbaar is. Wat voor nut heeft die oud­ste zoon nu, die daar rustig in zijn huisje zit. ‘Minister van Financiën’ zet veel meer zoden aan de dijk, die deelt geld uit. Toch spreekt uit dit verhaal een hele andere waardering voor een men­sen­leven. Wat is de mens waard? Die wijze zoon produceert niet zoveel; zijn leven is niet meetbaar succesvol. Die oudste zoon kon nu niet direct resul­taten laten zien. En toch…… in dat eenzame huis worden de plan­nen bedacht; daar wordt, bij wijze van spreken, de wijsheid uit­ge­broed.

Wie is een Jood?

Dat stemt ook helemaal overeen met wat Paulus zegt aan het eind Ro­meinen 2….. ‘hij die het in het verborgene is’. Dat is de ware zoon van de koning, dat is kwaliteit. Het is merkwaardig dat Paulus op die manier dat punt helemaal op de weegschaal gaat leggen. Wat is nu het wezen van Jood-zijn? André Ne­her zegt ergens zo mooi – en dat is ook een uitspraak die eigenlijk weer teruggaat op de Talmoed – de Jood heeft zijn wortels in de hemel. Dat is dus het wezen van de zaak. Een boom met de wortels in de he­mel. Dat is nu het criterium: waar zitten je wortels? Wortels op aarde? Ja! Maar die wortels op aarde kan men nog een keer doorsnijden. Dat heeft men ook steeds geprobeerd. Maar dan blijven je wortels in de hemel! Waar ben je ge­grond? Waar ligt in wezen je bodem?

Het is wel interessant om nog even een citaat daarbij te geven. David Ben Goerion heeft op een gegeven ogenblik in 1959 aan een aantal wijze mannen gevraagd: Wie is nu een Jood? Dat waren toen 50 à 60 wijzen, die daar een ant­woord op moesten geven. André Neher was één van die wijzen en hij zegt: wat is nu het antwoord, zijn we eruit gekomen? We komen weer op het punt dat te maken heeft met het wezen van de Jood­se identiteit. Daarom kun je in feite geen antwoord geven op die vraag. Als je daar over doordenkt, kom je tot de conclusie dat het een geheime­nis is. Die vraag zal altijd een vraag blijven, omdat zij in zich een marge heeft, die altijd daar bovenuit gaat. Dan kom je tot de kern van de zaak. Hij zegt: Ik ben niet Jood, zoals ik mijzelf zie, ik ben niet Jood, zoals de an­­deren mij zien, ik ben Jood zoals ik gezien wordt door God. En dan zeg je: dat is nu precies Romeinen 2. Niet zoals ik mezelf zie, van ja, na­tuurlijk, natuurlijk hoor ik er bij, niet zoals de anderen mij zien, van ja, dat is er een van ons. Maar zoals God mij ziet. En die blik van God, zo­als God naar mij kijkt, die maakt mijn on­peilbare identiteit, mijn onpeil­bare Joodse identiteit. De blik van God, de glimlach van God maakt wat je bent. De goedkeuring waarmee God jou beziet. De mens, die jij bent in zijn ogen. Niet het uiterlijk – Paulus zou in vers 28 zeggen ‘in het openbaar’- niet wat je in het open­baar bent, voor het oog van het publiek, maar wat je bent in de kern van je bestaan, in je hart, je leph. Het hart vertegenwoor­digt niet een gevoelskwestie, maar het hart is wat je op de bodem van je bestaan bent. En dat is dan in wezen iets wat voortdurend in wording is. Dat is het principe: Jakob-Israël. Het won­derlijke is dus dat dat steeds in wording is, want ook als je het ver­haal van Genesis verder leest, wordt het steeds afgewisseld: Jakob en Israël. Steeds blijft daar die polariteit, dat span­ningsveld: Jakob-Israël. Dat is een voortdurend proces. Net zo­als de terugkeer naar God een voort­durend proces is. Je bent steeds be­zig om terug te keren naar je oor­sprong. 

Om het met de woorden van Edmond Fleg te zeggen: terug naar de toe­komst.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391867 bezoekers sinds 07-06-2010