De brief van Paulus aan de Romeinen deel 3

27-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

De verguizingscatechese

In Romeinen 2 gaat het dan over de Joodse traditie. We hebben al gezien dat het opschrift ‘Het oordeel Gods over de Joden’ in de NBG-vertaling niet klopt, want God doet niet in opschriften. Opschriften zijn wat dat betreft altijd heel riskant. Zeker als ze op die manier ook nog aanleiding geven tot een bepaalde tendens. Daar zien we nog een frappant voor­beeld van, in verband met de zogenaamde verguizingscatechese. Reeds vanaf de Mid­deleeuwen heeft men het Joodse volk vaak zwartgemaakt. In een ka­thedraal in Straats­burg staan bij het portaal twee beelden. Aan de ene kant staat daar in triomfantelijke, zelfverzekerde hou­ding een beeld dat de kerk voorstelt, ‘Vrouwe de kerk’. Een fiere gestalte, het hoofd gekroond en met de rechterhand steunend op de kruis­banier. In de linkerhand heeft ze de avondmaalskelk. Boven haar hoofd lezen we de tekst: met Christus’ bloed overwin ik u. En dat zijn de woorden waar­­mee de kerk zich richt tot de synagoge. Zo overwint de kerk de sy­na­­goge. Maar het bloed van Christus is met een andere bedoeling gegeven. Het tweede beeld dat hiernaast staat, stelt de synagoge voor. Het antwoord op de tekst ‘met Christus bloed overwin ik u’ staat als opschrift boven het hoofd van ‘Vrouwe Sy­nagoge’. Die tekst luidt: ‘Datzelfde bloed verblindt mij’. Geblinddoekt staat de syna­goge in een verslagen houding, het ont­kroonde hoofd ge­bo­­gen, als een toespeling op Klaagliederen 5:16 (De kroon van ons hoofd is geval­len, wee ons, dat wij gezondigd hebben!). De rechterhand houdt nau­we­lijks de gebroken banier omklemd, terwijl de tafelen van de Torah op het punt staan uit haar linkerhand te vallen. Dat is dus een beeldengroep zo omstreeks uit het jaar 1230.

Treffender dan woorden kunnen uitdrukken, ty­peert deze beeldengroep de houding die het ge­ker­stende Europa van ouds­her tegenover het Jo­den­dom heeft aangeno­men. Het beeld van een vrouw met een blind­doek voor kom je vaak tegen. Vanuit die voor­oordelen heeft men heel vaak gedacht en ook ge­handeld, tot zelfs het verbranden van boe­ken en het in brand steken van synagogen toe. Luther heeft in negatieve zin hier­toe ook het een ander bijgedragen. Zo zie je, dat die negatieve hou­ding ten opzichte van het Jo­dendom heel lang en tot heden te da­ge toe heeft doorgewerkt. Ook in kinderbijbels kom je deze negatieve ten­den­sen tegen. Er wordt dan ge­sproken van de boze Joden, van Joden die nog bozer werden en die rie­pen: kruisigt Hem! We zien hier een com­plete verwarring en een misver­staan van het evangelie. Ook heerst vaak nog de absurde gedachte, dat de Joden door eigen schuld allerlei ellende deel­achtig zijn geworden. Er wordt dan soms zelfs gedoeld op Auschwitz en de gaskamers. Had­den ze Jezus maar aan moeten nemen, dan was dat allemaal hen be­spaard gebleven! Wat zegt Jezus tegen degenen die hem aannemen: in de wereld lijdt gij verdrukking. Met één tekst kun je die hele theorie van de tafel vegen. In sommige samenkomsten wordt er dan gezegd: God wil ons een blij en ontspannen leven geven. Maar soms merk je daar niet zoveel van. Als je kijkt naar al het volk van God door de eeuwen heen en je vraagt je af of die dan zo’n blij en ontspannen leven hebben gehad, moet je toch wel vraagtekens zetten. Wie van de profeten zijn er niet ver­volgd! Wat hebben die psalmdichters allemaal niet doorgemaakt! Er wordt wel eens gezegd: als een christen problemen in zijn leven er­vaart, moet er een rood lampje gaan branden. Maar dan zouden veel chris­tenen in landen als China en Noord-Korea al jarenlang rode lamp­jes hebben zien branden. Dat is de theorie van: altijd vrolijk, altijd vro­lijk, alle dagen zonneschijn. Zo’n lied kun je toch moeilijk zonder blik­ken of blozen zingen; als je het geestelijk verstaat, is er misschien dan nog wat voor te zeggen. Er zijn dus heel wat vooroordelen, zeker ten aanzien van de Joden. En daarom moet je met Romeinen 2 heel voorzichtig omgaan. Dat is een van de hoofdstukken uit de bijbel, die vaak ongelofelijk misbruikt is. Neem bijvoorbeeld dat hele vooroordeel tegen de Farizeeën. Ik herinner me altijd nog het lied dat we vroeger zongen uit de bundel van Johan­nes de Heer: ‘de Farizeeën waren boos, dat was hun veel te min, ze gaan ook niet met moordenaars dezelfde hemel in’. En dan werd er als refrein pal over­heen ge­zongen: ‘Hij is dezelfde nu’. Wat dat er dan mee te ma­ken heeft, zal wel een eeuwig raadsel blijven. ‘De Farizeeën waren boos’ werd er dan zo heerlijkweg gezongen. Dat waren ze dan per definitie, Farizeeën zijn al­tijd boos. En daarom zeg ik overal met klem: er zijn ook goede Farizeeërs. Je kunt ze niet over één kam scheren; Farizeeërs zijn niet per definitie boos. Er zitten schatten van mensen onder. Jezus stond ook veel dichter bij de Farizeeërs dan wij vaak denken. Het probleem is ook, dat het woord Farizeeër op de duur tot een scheld­woord is gewor­den. Oorspronkelijk was het een erenaam, want Farizeeër betekent: af­ge­zon­derde. Het was iemand die serieus met de din­gen bezig was. Als het goed is, zijn we allemaal Farizeeërs; afge­zon­derd uit te denken van deze eeuw. Afgezonderd uit de stroom van deze tijd. Om een volk te zijn waartegen gezegd wordt: Gij geheel anders. Wat dat betreft moeten wij ook vaak genezen worden van onze vooroor­de­len. God zal nooit en te nimmer iemand een etiket opplakken. God werkt niet met catego­rie­ën, God werkt met mensen. Een mens heeft met God altijd een open toe­komst. God gaat een mens niet ergens etiketteren of rubriceren. Dus ‘het oordeel van God over de Joden’ bestaat niet. Dat kan alleen in de ik-vorm. Ik, als Jood, kan op een gegeven ogenblik tot de ontdekking ko­men, dat ik tekortschiet. Maar dat kan ik nooit zeggen tegen een ander die Jood is. Ik kan alleen over mezelf iets zeggen. Je kunt ook nooit zeggen: ‘jij als Jood’.

Soms zijn er in deze context ook van die problemen in verband met de doop- formule. Een poosje geleden kwam ik dat in een gemeente tegen. Daar wilde een Messiaanse Joodse vrouw graag gedoopt worden. Ze wilde ge­doopt worden in de naam van Jeshua ha Mesjiach, maar dat kon niet, ze moest gedoopt worden in de naam van Jezus Christus. Ten­slotte hebben ze het toen maar dubbel gedaan: in de naam van Jeshua ha Mesjiach en in de naam van Jezus Christus. Tegenwoordig kun je blijk­baar alleen in het Grieks gedoopt worden. Wat dat betreft moeten we kennelijk nog een lange weg gaan en een heleboel leren.

Daarom zijt gij, o mens, niet te verontschuldigen

Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen. {Rom.2:1}.

‘O adam’, maar die adam ben jij! Het woord adam bestaat niet in de meer­­­voud, er is geen woord adami. Je kunt wat dat betreft mensen niet veralgemeniseren, je spreekt altijd van ‘mens’! Net als in dat verhaal van Martin Buber. Iemand kwam bij Martin Buber en zei: er staat in Genesis 3: Adam, waar zijt gij! Hij zegt: wat zegt mij dat nu! Martin Buber keek hem aan en zei: weet je wat dat betekent. Jij bent nu op dit moment 46 jaar en waar ben je nu in je leven? Toen werd het stil. Het is niet de bedoeling om bij die vraag uit Genesis 3 toeschouwer te blijven en te zeggen: interessante vraag, wat zou God nu bedoelen? Het betekent, dat jij in Genesis 3 wordt aangesproken. God spreekt tot mij. Op het moment dat daar dat tweegesprek komt, sta jij daar niet meer als toeschouwer, maar zegt God tegen jou: Adam, mens, waar ben je! Het gaat nooit over iemand, maar het gaat altijd tot iemand. God spreekt nooit over mensen, maar God spreekt tot mensen. God roddelt niet. God zegt niet tegen de heidenen: heb je al gehoord wat ze in Israël uitspoken! Dat is nu mijn volk! God gaat geen was buiten hangen, zeker geen vuile was. Hij dòet de was, dat is heel wat anders! Dat is nu juist het hele evangelie. Kom en laat je reinigen! God gaat niet over de een praten met de ander, dat is Gods eer te na. Jezus heeft ook nooit zijn dis­cipelen bij elkaar geroepen om eens een gesprek te hebben over Judas. Aan het eind van die drie jaar weet niemand dat er iets met Judas aan de hand is. Ze zeggen allemaal: ben ik het, Here? Ze zeggen niet tegen el­kaar: ja, dat zagen we al aankomen, daar hebben we het vaak genoeg over gehad. Jezus heeft nooit met de anderen over Thomas gesproken; wat vinden jullie daar nu van, die blijft toch maar twijfelen. Volgens Mij kan hij ei­genlijk geen apostel worden.

Niet te verontschuldigen wanneer gij oordeelt

Dus God gaat hier ook niet tegen de Romeinen praten over de Joden, nee, dat is ondenkbaar. ‘Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen wanneer gij oordeelt’. Niet te verontschuldigen, pas ocrino staat er in het Grieks, al die oor­deelt. Dus daar zit het probleem: Adam, allen, die oordeelt. Ieder die bezig is om te oordelen, om te richten, om het oordeel te vellen. ‘Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen’.

 Dan zien we weer dat aspect: ik heb de zwaarste verantwoordelijkheid. En die kun je niet afschuiven op een ander. Je kunt niet zeggen: die an­der heeft ook een splinter en je kunt helemaal niet zeggen: die ander heeft een balk. Want die balk is niet aanwijsbaar. “Wij weten echter, dat het oordeel (gericht) Gods onpartijdig (naar waarheid) gaat over hen, die zulke dingen bedrijven. Rekent gij wellicht hierop, o mens, (weer: o adam), die oordeelt over hen, die zulke dingen bedrijven, en ze zelf doet, dat gij het oor­deel Gods ontgaan zult? ” {Rom.2:2,3}.

 Het is veelbetekenend, dat steeds dat woord adam terugkomt. Je zit bij de koffie te praten en zegt: het is toch verschrikkelijk hè, wat er al­le­maal tegenwoordig gebeurt in de wereld. Ja, die wereld toch, hè. En dan wordt daar­aan het denkbeeld ontleend – aan het feit dat je erover praat en het toch wel allemaal heel erg afkeurt – dat wij daarom wel goed zit­ten.

De goedertierenheid Gods die u tot bekering leidt

Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid (chesed; verbondstrouw) en verdraagzaamheid en lank­­moedigheid (geduld), en beseft gij niet, dat de goe­der­tierenheid Gods u tot boet­vaar­dig­heid leidt? {Rom.2:4}. ‘dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt’ – SV.

Het woord bekering, zoals de Statenvertaling het heeft weergegeven, is in dit verband juister dan boetvaardigheid. Dus die chesed moet leiden tot tesjubah. Daar heb je dan in één tekst de twee sleutelwoorden van heel de Tenach: De chesed moet leiden tot tesjubah. Dat is ook het thema van Grote Ver­zoendag, de omkeer. André Neher zegt zo mooi: de duizend poorten van Jom Kippur staan open en die roe­pen: kom terug! De meest afge­dwaalde, de meest ontspoorde, de meest afgedoolde, hoe ook afge­zwor­ven, hoe verhard ook in het kwaad, de mens, hoe ver van huis ook en hoe donker de nacht ook is, die mens mag terugkeren. Kom terug, kom thuis! Dat is het thema van de Torah, van Deuteronomium 30, van de profeten. Ook in Jeremia zien we dui­delijk het thema van de terug­keer, de terugkeer van de mens tot Hem die hem verwekt heeft. Terug naar de oorsprong, terug naar waar je van huis uit bijhoort. God maakt het voor een mens niet zwaar om thuis te komen, God legt de mens daarvoor geen lasten op, Hij stelt daaraan geen voorwaarden. Aan die verloren zoon worden ook geen voorwaarden gesteld. Dat is het hart van de Vader, dat zegt: Die duizend poorten staan wijd open. De verloren zoon krijgt niet eens de kans om eens uitgebreid zijn schuld­be­lijdenis uit te spreken. Die vader zegt niet: ik wil eerst wel eens kijken of jij het wel meent. Hij vergeeft wie Hem het hart gebroken heeft. Dat be­te­kent ook niet: wel vergeven, maar niet vergeten. Dat is één kant van de zaak. Aan de andere kant moet je beseffen dat je duur gekocht bent. Het heeft Hem veel gekost. Een Hebreeuws woord voor vergeven (naso) be­te­kent eigenlijk dragen (nasaat). Als God vergeeft, dan moet Hij het dra­gen. Vergeven is van God geen automatisme. Er wordt wel gezegd: verge­ven is Gods beroep, maar dat is een te makkelijke uitspraak. Dat zie je ook bij Jezus; bij Hem kost het zijn totale inzet en toewijding. God draagt het hele gewicht van het kwaad en uiteindelijk zie je dat dan in de Messias, wat W.G. Overbosch zo onvergetelijk heeft gezegd: dat is nu gerechtigheid, waar heel die Romeinenbrief over gaat, als iemand te wei­nig doet, dan moet hij iemand naast zich hebben, die teveel doet. Dat is de orde van God. Zelfs als iemand willens en wetens te weinig doet, dan geldt nog: de ge­zalfden vullen aan wat de hardho­renden nalaten. De vraag is: waar ligt de grens tussen willen en weten, en niet willen en niet weten. Dat is vaak heel moeilijk vast te stellen. Dat is een pastorale klus waar je jaren mee bezig kunt zijn. Waar ligt de grens tussen willen en kunnen! En waarom wil een mens dan niet? Jezus, de Gezalf­de, vult aan wat de hard­horenden nalaten. Jezus weent over Jeruzalem en zegt: jullie hebben niet gewild. Maar dan wordt er ook gezegd: tranen openen poorten. De tranen van de Messias zijn niet tevergeefs. “En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, en zeide: Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen”. {Luc.19:41,42}. Hier staat dus bij, dat het verborgen is voor hun ogen.

De tranen van de Messias zullen vrucht dragen

Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kui­kens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild.  Zie, uw huis wordt aan u overgelaten. Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!” {Matt.23:37.39}

Aan dat ‘niet willen’, vermeld in vers 37, komt dus een einde, omdat er staat totdat. Dat ‘niet willen’ is dus begrensd. ‘totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!’

 De tranen van de Messias zullen vrucht dragen. Bij dit alles moeten we als kern­punt hierin de toewijding van Jezus betrekken. Daar ligt ook het hart van heel de Torah, van de Tenach en van het evangelie. Jezus was toegewijd tot het uiterste. Hij was toegewijd aan ons. Wij noemen dat dan een offer; voor Hem was het geen offer, voor Hem was het alleen maar toewijding. Hij was zo toegewijd aan de mensen, dat als je tegen Jezus gezegd zou hebben: nu gaat U te ver, Hij dan geantwoord zou hebben: nee, Ik ga niet te ver. Maar het gaat U het leven kosten; dan had Hij geantwoord: wat dan nog! U kunt ze nu beter laten vallen, want ze gaan allemaal aan U hangen. Dat is dat prachtige beeld uit Jesaja 22. “ En Ik zal hem als een pin in een hechte plaats vastslaan, zodat hij tot een erezetel worden zal voor zijn familie. Dan zal men aan hem het gehele ge­wicht van zijn familie hangen, de spruiten en de loten, alle kleine vaatwerk, van de bekkens af tot alle kruiken toe”. {Jes.22:23,24}

Aan Hem wordt het hele gewicht van zijn familie gehangen, van zijn bet ‘ab, van het vaderhuis. De hele familie zal maar aan je komen hangen! Dan zegt Jezus: dat kan Ik ook wel dragen. Zo is Jezus de chesed, de ver­bondstrouw van God geworden en draagt hij heel de Torah. Zoals Tom Naastepad dat zo onvergetelijk zegt: ‘Hij heeft de wet der vrijheid gedra­gen voor ons uit’. Hij heeft heel die Torah op zich genomen, en die Torah dat wordt zijn dood. Als je consequent de Torah draagt, sterf je aan de Torah. ‘Jede consequent consequent zum Teufel’ zeggen de Duit­sers dan; als je consequent bent, voert je dat tot de duivel. Dat heeft Jezus er ook nog voor over. Dan val Ik in handen van de duivel. Dan word Ik de Man van smarten. Als zij dan ver van huis zijn en de nacht donker is, dan zal Ik die nacht ook ingaan. Dan ga Ik de nacht in, om ze terug te halen, om ze terug te vinden. Dat is gerechtigheid!

Gerechtigheid betekent, dat God de tweede mijl gaat en als het moet ook de laatste mijl. Dat is dan in het oog van de economisch denkende we­reld waanzin. Je kunt nu wel van die mensen houden, maar je kunt het ook te gek maken. Je kunt alles overdrijven, dan word je fanatiek, dan word je overgeestelijk. Dat is de ontferming tot het uiterste. Dat is de toewijding tot in het extreme. Zo heeft Hij heel de Torah gedragen en voldragen. Zo worden de Torah en de profeten voldragen. Dat is dan de chesed die leidt tot de tesjubah. Dat is de Jom Kippur, de Grote verzoendag, waar die duizend poorten openstaan. Voor al die men­sen, verdwaald, verdoold, ontvallen schier, die thuis mogen komen. Dat is tesjubah. Dat is een woord waar muziek inzit.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384917 bezoekers sinds 07-06-2010