De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 29

01-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Hoofdstuk 16

Het is heel opmerkelijk dat de zinsnede van vers 33 van hoofdstuk 15 weer terugkomt in hoofdstuk 16: De God nu des vredes zij met u allen! Amen. – Rom.15:33. De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden. De genade van onze Here Jezus zij met u! – Rom.16:20.

De groeten van Paulus

Dit is eigenlijk een soort eerste afsluiting. Aan het eind van hoofdstuk 15 had de brief kunnen eindigen. Een prachtig slotakkoord. Dan had nie­mand gedacht: hé er ontbreekt nog iets. Maar dan volgt er toch nog een hoofdstuk 16. Wat speciaal opvalt is het grote aantal groeten. Iets derge­lijks vind je in geen enkele andere brief. Men heeft er ook eindeloos over gepuzzeld, waarom Paulus in deze brief zoveel groeten uitspreekt. Het zwaarst wegende argument is denk ik toch wel, dat Paulus zichzelf in Rome wil introdu­ce­­ren. Hij is nog nooit in Rome geweest, daarom gaat hij alle be­ken­den die hij maar kan bedenken in dat slot van de Romeinenbrief ver­melden. Al die bekenden kunnen Paulus een beetje helpen, zodat hij in Rome ge­in­troduceerd wordt. Hierbij zal nog een aspect meespelen. Het gaat er in heel de Romeinen­brief ook over hoe joden en heidenen samen een gemeente kun­nen vor­men. En daarom gaat Paulus in die groeten ook afwisselend mensen van joodse en van heidense afkomst vermelden. Het wordt dus een soort men­­geling van joodse en heidense achtergronden. Daar komt dan nog een derde punt bij: we moeten in dit verband ook be­­­denken dat in het jaar 49 het edict van keizer Claudius van kracht werd. Claudius had be­volen dat alle joden Rome moesten verlaten. Er ble­­ven toen nog nau­welijks joden over in die grote wereldstad. Het ge­volg was, dat er dus geen echte, duidelijke joodse gemeenschap meer in Rome was. Kei­zer Clau­dius heeft tot het jaar 54 geregeerd. Daarna wordt dat edict lang­zamerhand weer wat verzacht. Tenslotte werd het opgeheven. Daarna kwa­men er van lieverlee weer wat joden terug. Die moesten dan weer helemaal hun weg zien te vinden, want intussen was er dus een gemeente ontstaan, die vrijwel uitsluitend uit heiden-christenen be­stond. Je kunt het een beetje vergelijken met Polen na de Tweede We­reld­oorlog. Vóór de oorlog woonden er drie miljoen joden in Polen. Na de oorlog was daar nog maar een klein percentage van overgebleven. In heel wat landen kon je dat proces herkennen, namelijk dat er na 1945 heel wat sy­nagogen niet meer in gebruik werden genomen, omdat er nauwelijks nog joden waren om die te bezoeken. Ook in Nederland kon je dat ver­schijnsel waarnemen. Zo was dus de toestand ook in Rome dus ook, door die verbanning on­der Clau­dius. Er waren talrijke synagogen in Rome, maar er was geen centraal lei­­­derschap, zoals er bijvoorbeeld wel in Alexandrië was. Als dat edict van keizer Claudius dan verzacht wordt en later ook herroe­pen wordt, keren er wel wat joden terug. Ook wel Messiaanse joden. Die moe­ten dan als minderheid weer hun weg zien te vinden. Vandaar dat Pau­lus in hoofdstuk 16 maar eens uitgebreid de groeten gaat doen.

Febe, onze zuster en tevens dienares

Ik beveel Febe, onze zuster, tevens dienares der gemeente te Kenchreeën, bij u aan, dat gij haar ontvangt in de Here op een wijze, de heiligen waardig, en haar bij­staat, indien zij u in het een of ander mocht nodig hebben. Want zij zelf heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend. – Rom.16:1,2

Dienares der gemeente te Kenchreeën

Kenchreie was een van de havens van Korinte. Daar was Febe dus die­na­­res geweest. Je kunt ook vertalen: diakones. Hierbij kun je je afvragen of dat indertijd een ambt was. De NBG-vertaling is er kennelijk vanuit ge­­gaan, dat deze vrouw een diaken was. In die tijd waren de ambten wel­­licht wat meer fluctuerend. Ambten waren er wel, maar niet altijd zo duidelijk tot gestalte gekomen. Want zij zelf heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend. Febe is een hulp geweest voor velen. Hier wordt het woord prostatis ge­bruikt. Letterlijk staat er: zij is een voorstandster geweest; je zou kunnen zeggen ‘een voortrek­ster’. Dat woord komt in de bijbel alleen hier voor. Er wordt wel gedacht aan een patrones, dat beschermvrouw betekent. Maar het wijst toch vooral op de persoonlijke zorg.

Prisca en Aquila, mijn medearbeiders

In vers 3 beginnen de eigenlijke groeten. Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus, mensen, die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben. Niet ik alleen ben hun dankbaar, maar ook al de heidengemeenten. – Rom.16:3,4.

Prisca en Aquila kennen we ook uit het boek Handelingen.

Daarna verliet hij Athene en kwam te Korinte. En hij vond daar een Jood, genaamd Aquila, van geboorte uit Pontus, die juist uit Italië gekomen was met Priscilla, zijn vrouw, omdat Claudius bevolen had, dat alle Joden Rome zouden verlaten; en hij kwam bij hen. En omdat hij hetzelfde handwerk uitoefende, bleef hij bij hen, en zij werkten samen, want zij waren tentenmakers van hun handwerk. – Hand.18:1-3.

Uit Handelingen 18 blijkt dat Prisca en Aquila een echtpaar was, dat uit Rome was ver­trok­ken in de dagen van het edict van Claudius. Later komen ze ook in het 18e vers weer naar voren. En nadat Paulus daar nog verscheidene dagen was gebleven, nam hij afscheid van de broeders en voer weg naar Syrië, vergezeld door Priscilla en Aquila, na­dat hij te Kenchreeën zijn hoofdhaar had laten afknippen, want hij stond onder een gelofte. – Hand.18:18.

Ze vergezellen Paulus en komen in Efeze aan. We zien Prisca en Aquila ook weer in vers 26. En deze begon vrijmoedig op te treden in de synagoge. En toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen zij hem tot zich en legden hem de weg Gods nauw­keu­riger uit. – Hand.18:26. Priscilla en Aquila gaan dan Apollos nader onderricht geven. Het wa­­­­ren dus kennelijk wel mensen met kwaliteiten. Deze Apollos wordt door hen ook verder onderwezen.

Ik beveel Febe, onze zuster, tevens dienares der gemeente te Kenchreeën, bij u aan. – Rom.16:1.

Deze Febe had kennelijk een functie in die havenstad. Kenchree was de oostelijke haven van Korinte. Het was een cen­trum van handel met het Oosten. Juist in zo’n havenstad was er grote be­­­hoefte aan liefdadig werk. Barmhartigheid voor armen, zieken, we­du­wen en we­zen en voor aankomende en vertrekkende broeders en zus­ters. Deze vrouw heeft daar blijkbaar in die zin een functie uitge­oefend. Er werd in die tijd nogal wat gereisd en gezworven en blijkbaar was Febe in Rome aangekomen. Of haar bezoek daar van tijdelijke aard was, wordt er verder niet bij vermeld. Dat is een van die kwesties waar­door weer allerlei theorieën zijn opgeworpen over Romeinen 16. Er zijn uit­leg­gers die zeggen: Paulus heeft Romeinen 16 geschreven òf aan de Ko­rintiërs òf aan Efeze. Er zijn er zelfs die zeggen: dit is dus een aan­be­ve­lingsbrief voor Febe. Er is namelijk ook een opvatting die zegt: Ro­mei­nen 16:1 begint met: ‘ik beveel Febe bij u aan’. En Paulus heeft de Ro­meinenbrief naar alle waar­schijn­lijkheid geschreven toen hij in Ko­rin­te vertoefde. En dan zou het dus kunnen, dat hij die Romeinenbrief mee­gegeven heeft met Febe, die misschien dan om de een of andere reden toch een be­zoek moest bren­gen aan Rome. Zij neemt die brief dan mee en misschien is zij ook in de gemeente van Rome een be­paal­de taak gaan vervullen. Paulus heeft haar dus meteen bij die brief aanbevolen. Dus die Romeinenbrief is dan aan de ene kant een introductie van Paulus en aan de andere kant een aanbevelingsbrief voor degene die de brief over­handigt. In die tijd moest voor het verzenden van brieven uiteraard een be­trouw­bare koerier aanwezig zijn. Dus wellicht ging Febe naar Rome en bracht ze haar geloofsbrieven mee. Zijn hoofdhaar had laten afknippen, want hij stond onder een gelofte. Hand.18:18. Hier schijnt sprake te zijn van een soort Nazireeërsgelofte, althans dat is het meest aannemelijke. En als die gelofte vervuld was, mocht je je haar weer laten afknippen.

Prisca (Priscilla) en Aquila vormden dus een voorbeeld van joden die uit Rome waren verdreven en na veel omzwervingen daar weer waren te­rug­geko­men.

Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus, mensen, die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben. Niet ik alleen ben hun dankbaar, maar ook al de heidengemeenten. Groet insgelijks de gemeente bij hen aan huis. Groet mijn geliefde Epenetus, de eersteling voor Christus uit Asia. Groet Maria, iemand, die zich veel moeite voor u heeft gegeven. – Rom.16:3-6

Mijn geliefde Epenetus, de eersteling voor Christus uit Asia

‘Groet mijn geliefde Epenetus‘. Zijn naam betekent: de Geprezene. ‘de eersteling voor Christus uit Asia’. Epenetus was dus de eerste bekeerling in Klein Azië. ‘Die zich veel moeite voor u heeft gegeven’. Dat is ook een motiefwoord in dit stuk, het gaat steeds over mensen die zich moeite hebben gegeven. Groet Maria (Mirjam). Mirjam is vermoedelijk ook een joodse vrouw geweest, want dit is toch wel een specifiek joodse naam. Deze naam komt in de Griekse wereld nauwelijks voor.

Andronikus en Junias, mijn stamgenoten en medegevan­ge­nen

Groet Andronikus en Junias, mijn stamgenoten en medegevangenen, mannen onder de apostelen in aanzien, die reeds vóór mij in Christus geweest zijn. Groet Ampliatus, mijn geliefde in de Here. – Rom.16:7,8.

Andronikus betekent zoiets als overwinnaar. Nikos betekent overwinnaar en Andros betekent man, de overwinnaar van de man. Andronikus en Junias waren dus allebei stamgenoten van Paulus. Het wa­ren dus joden uit de stam van Benjamin. Het kan ook betekenen: men­sen uit dezelfde streek. Zoals Paulus uit Tarsis kwam, in Silicië (?). Want datzelfde woord gebruikt hij ook in Romeinen 9: ‘Mijn verwan­ten naar het vlees.’

Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees. – Rom.9:3.

Mannen onder de apostelen in aanzien

Dat moet toch wel betekenen dat ze zelf apostelen waren. Zij hadden de bediening van het apostelschap. Zij vormden een tweetal. Dat kom je dan ook veel tegen in de Joodse wereld en in de wereld van de eerste ge­meenten, dat mensen twee aan twee werden uitgezonden. Zo vorm­den ze eigenlijk een ‘apostelduo’. Samen zijn ze op pad gegaan en als twee­man­schap stonden ze in hoog aanzien onder de apostelen.

Hellenistische invloeden

Wat opvalt, is dat deze mensen vaak Griekse namen hebben, terwijl ze toch praten over hun stamgenoten. Ernst Stegeman zegt: afgezien van Andronikus, zijn allen die tot dit mo­ment genoemd zijn, joden. Hetzelfde is het geval met degenen die later nog worden genoemd. Veel joden in de hellenistische periode droegen niet altijd specifiek joodse namen. Er kwamen steeds meer joden die Griek­se namen droegen. Er was namelijk veel Griekse invloed, zowel in Palestina als in de diaspora. Zo was er bijvoorbeeld een hogepriester die Jason heette. Verschillende mensen vergrieksten soms bewust hun naam als een soort cultureel mo­deverschijnsel. Er heerste dus een sterk hellenistische stro­ming. Daar­te­genover waren de Farizeeërs juist een soort reactiebe­weging. De Farizeeërs waren als het ware een soort puriteinen. De joodse schrijver Tichelsteijn heeft erop gewezen, dat de Farizeeërs juist een beweging van­uit de la­ge­re klasse vormden. Deze beweging kwam in verzet tegen de eli­te. De elite werd voor een groot deel vertegenwoordigd door pries­ters en hogepriesters, meestal Saddu­ceeën, die allemaal aanpapten met de Griekse cultuur. De Farizee­ers vormden een beweging, die van on­der­­op was ontstaan. Eigenlijk een soort beweging van proletariërs. Je zou haast zeggen: in feite een beetje socialistisch getint. Zij zeiden: wij moeten weer een zuiver Israël hebben, waarin de kleine man ook be­lang­rijk is. We moeten ons niet laten regeren door die bovenlaag. De Farizeeërs kwa­men dus in feite veel meer op voor het gewone volk. Je had echter wel sterk Griekse invloeden, voor­al in de hogere kringen. Je zou het een beetje kun­nen vergelijken met het Nederland van de 17e,18e eeuw, toen het Frans hier nogal ‘in’ was. Dat was bijvoorbeeld vooral het geval in de kringen van de diplomatie. Alles wat een beetje ‘bon ton’ was, sprak Frans. Elite is tenslotte ook een Frans woord. Zo sprak men dus in de tijd van Paulus overal Grieks. Vandaar ook dat je in deze ver­zen zoveel men­­sen tegenkomt met Griekse namen. Paulus was van huis uit zelf een Farizeeër. En omdat hij toch ook een be­­­hoorlijke ontwikkeling had, kreeg hij ook vrij makkelijk ingang in al­ler­­lei kringen. Wat dat betreft kon hij ook heel goed met mensen uit de ho­gere kringen overweg. Dat was voor hem ongetwijfeld geen pro­bleem. Vandaar dat je ziet, dat er ook uit die kringen mensen tot die eer­ste ge­meen­ten toetraden. Stegeman zegt ook: ondanks hun niet-jood­se namen kunnen Andronikus en Junias niet anders zijn dan Mes­si­aanse jood­se zendelingen.

Groet Andronikus en Junias, mijn stamgenoten en medegevangenen, mannen onder de apostelen in aanzien, die reeds vóór mij in Christus geweest zijn. Rom.16:7.

Andronikus en Junias waren dus al eerder tot geloof gekomen dan Pau­lus zelf.

Ampliatus, mijn geliefde in de Here

Groet Ampliatus, mijn geliefde in de Here. – Rom.16:8.

De naam Ampliatus betekent ‘vermeerderd’. Eigenlijk is dit een slaven­naam. Ampliatus is oorspronkelijk waarschijnlijk dus slaaf geweest. En nu is hij voor Paulus ’mijn geliefde in de Here’. Daar zie je ook, dat Paulus zich in alle mogelijke kringen heeft bewogen. Die eerste gemeenten moe­ten toch wel heel revolutionair zijn geweest, omdat er namelijk men­sen van di­ver­se pluimage en maatschappelijke achtergronden vere­nigd wa­ren in één verband.

Urbanus, onze medewerker, en mijn geliefde Stachys

Groet Urbanus, onze medewerker in Christus, en mijn geliefde Stachys. Rom.16:9.

Urbanus betekent ‘stadsmens’. Eigenlijk is dat al een Latijnse naam. Het kan ook betekenen: beschaafde, vriendelijke. Urbanus was dus ook een mede-arbeider in Christus. ‘en mijn geliefde Stachys’.

De naam Stachys betekent: korenaar.

De naam kan ook betekenen: telg, spruit.

Apelles – Aristobulus

Groet Apelles, die in Christus beproefd gebleken is. Groet hen, die behoren tot de kring van Aristobulus. – Rom.16:10.

De naam Apelles is afgeleid van de Griekse god Apollo, de god van de kunsten. In de Griekse wereld was het ook geen uitzondering dat men mensen vernoemde naar een godheid. Zoals bijvoorbeeld in de katholie­ke wereld mensen vaak naar ‘heiligen’ worden vernoemd. ‘Groet hen, die behoren tot de kring van Aristobulus’. De naam Aristobulus betekent raadgever. Aristobulus had dus een soort huis­ge­meente.

Herodion – Nar­cissus

Groet mijn stamgenoot Herodion. Groet hen, die behoren tot de kring van Nar­­­­cissus, die in de Here zijn. – Rom.16:11

Herodion wordt weer aangeduid als een stamgenoot. De naam Herodion betekent: uit het huis van Herodes. Herodion was een jood, wat niet hoeft te betekenen dat hij iets te maken had met de He­ro­dianen. De naam Nar­cissus betekent narcis. Zijn naam roept associaties op met het verschijnsel van narcisme, dat we er hier echter niet achter moe­ten zoe­ken. De term ‘narcisme’ is afkomstig van een mythologisch verhaal over een schone jongeling, die zichzelf zo mooi vond, dat hij eindeloos in het water bleef kijken om zijn spiegelbeeld te kunnen zien. Tenslotte viel hij in het water en werd verenigd met zijn eigen spiegelbeeld. Deze Nar­cissus had dus ook een kring, een huisgemeente.

Tryfena en Tryfosa en de geliefde Persis

Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen, die zich moeite gegeven hebben in de He­re. Groet de geliefde Persis, die zich veel moeite gegeven heeft in de Here. Rom.16:12

Het is dus mogelijk dat Tryfena en Tryfosa zusters zijn geweest. Ze worden samen ge­noemd en de namen lijken op elkaar.

Tryfena betekent ‘weelderig’.

Tryfosa betekent ‘verwend’.

Het zijn slavinnennamen. ‘Groet de geliefde Persis’. Deze naam betekent: ‘de Perzische’. Ook dit was ook een slavinnennaam.

Groet Rufus, de uitverkorene in de Here, met zijn moeder

Groet Rufus, de uitverkorene in de Here, met zijn moeder, die ook voor mij een moeder is. – Rom.16:13

Er is een uitleg die de naam Rufus verbindt met Marcus 15:21. En zij presten een voorbijganger om zijn kruis te dragen, een zekere Simon van Cyrene, die van het land kwam, de vader van Alexander en Rufus. Marc.15:21.

Het verband is in feite heel hypothetisch. Het is zeer de vraag of dat de­zelfde Rufus is geweest. In de loop van de jaren is daar natuurlijk wel het een en ander over gepreekt, want dat was natuurlijk een dankbaar on­derwerp. Simon van Cyrene werd daar zo maar eventjes bij zijn klad­den gepakt en moest tegen wil en dank de kruisbalk dragen. En dan ko­men de kinderen van die man later tot geloof. Hun vader zal die gebeur­tenis wel eens in geuren en kleuren hebben verteld. Op zich is het na­tuur­lijk een heel aardige theorie, maar er waren heel wat mensen die Ru­fus heetten. De naam Rufus betekent de rode.

De uitverkorene in de Here

Hier staat het woord elektos, uitverkorene. Het lijkt inderdaad een beet­je merkwaardig waarom ineens van deze man gezegd wordt, dat hij uit­ver­koren was. In het Hebreeuws is dat pachier, wat ‘gekozene’ bete­kent. Je moet natuurlijk hier wel oppassen dat je er niet een uitverkiezingsleer aan gaat koppelen. Het woord uitverkoren wordt in ons taalgebruik al gauw overbelast. Het woord elektos wordt ook vaak gebruikt in de aan­hef van de brieven zoals: aan de uitverkoren heide­nen. Ik denk toch dat je deze term hier moet verstaan als: door God verkozen met een bepaal­de bedoeling, om een bepaalde roeping te vervullen. Niet uitverkoren in de zin van: voorbestemd om behouden te worden.

Van koning Saul wordt ook gezegd dat hij pachier was.

Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas, en de broeders 

Groet Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas, en de broeders bij hen. Rom.16:14.

Asynkritus betekent ‘de onvergetelijke’.

Flegon betekent: brandend of ijverig, ook weer een slavennaam.

Hermes, genoemd naar die bekende Griekse god. Hermes was de bode van de goden. Ook de schrijver, de secretaris van de goden. Hermes was ook de god van de kooplieden en de dieven. Dat schijnt dan vaak samen te gaan.

Patrobas is een verkorte vorm van de naam Patrobios, wat betekent: het leven van de vader.

Hermas is identiek met de naam Hermes.

Filologus, en Julia, Nereus met zijn zuster, en Olympas, benevens al de heiligen, die bij hen zijn

Groet Filologus, en Julia, Nereus met zijn zuster, en Olympas, benevens al de heiligen, die bij hen zijn.  Rom.16:15.

Filologus betekent letterlievend of letterkundige.

Julia; haar voorvader was een vrijgelatene van het Julische geslacht. Julius was een bekende Romeinse geslachtsnaam. Nereus is de naam van een Griekse zeegod. Misschien is Nereus van huis uit een zeevaarder geweest. Olympas betekent: door de Olympus geschonken. De Olympus was de go­den­berg in Griekenland. De naam is een verkorting van de naam Olym­pia­dor, waarbij een berg in Griekenland bedoeld kan zijn of een berg bij Efeze. Als je al die namen zo bekijkt, valt het op dat er veel Griekse namen bij zijn. Specifiek Romeinse namen zijn er niet direct te herkennen. Een be­langrijk deel van genoemde mensen behoort tot de sociaal lagere stan­den. Maar ook een aanzienlijk aandeel wordt gevormd door mensen uit het Oosten, uit Klein-Azië of uit Griekenland. Wat ook opvalt is, dat de vrouwen een belangrijke rol spelen.

Groet elkander met de heilige kus

Dan eindigt de perikoop in vers 16 met:

Groet elkander met de heilige kus. U groeten al de gemeenten van Christus. Rom.16:16.

Het is niet bekend of er over die heilige kus specifieke gegevens be­staan. Er is theologisch weinig over te zeggen. Het zal een demonstratie zijn van de verbondenheid tussen de gemeenteleden. Dit was dus het overzicht van de ‘groeten’. Dan volgt er in vers 17 ook nog een vermaning. Maar ik vermaan u, broeders, dat gij hen in het oog houdt, die, in afwijking van het onderwijs, dat gij hebt ontvangen, de onenigheden en de verleidingen veroorzaken, en mijdt hen. – Rom.16:17.

Hier wordt dus gesproken over mensen die verder gaan dan de Torah, die verder gaan dan het onderwijs dat gegeven is. Het kan dus beteke­nen: in strijd met of voorbijgaan.

Mis­leiding door schoonklinkende en vrome taal

Want zulke lieden dienen niet onze Here Christus, maar hun eigen buik, en mis­leiden door hun schoonklinkende en vrome taal de harten der argelozen. Rom.16:18.

Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar hun buik; en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen. – SV.

Je krijgt de indruk dat het hier gaat om religieuze zaken en be­drog met libertinistische excessen en niet zozeer om het gebruik van speciaal voed­­sel. Zij brengen dus leringen, waarbij ze dan allerlei theorieën als dekmantel gebruiken. In de Middeleeuwen had je ook de beweging van ‘broeders en zusters van de vrije geest’. Dit ver­schijnsel deed zich ook voor bij bepaalde groepen van wederdopers, zo­als de groep van Jan van Leyden in Munster. De slogan is dan: we zijn volkomen vrij, maar het gevolg was, dat dit in een soort losgeslagen ben­de ontaardde. Dus in die zin zegt Paulus dan, dat ze hun eigen buik dienen. Ze zijn al­leen maar uit op hun eigen genot en hun eigen wellust. Ten dienste daar­van brengen ze dan hun theorieën. In sommige gnostische kringen in het begin van onze jaartelling deed dat verschijnsel zich ook voor. Het uitgangspunt was dan: we moeten de materie overwinnen, we moe­ten daarboven staan en dat kun je dan het beste doen, door dan maar he­le­maal door te slaan. We hoeven ons niet meer aan allerlei regels te hou­­den, want daar staan we boven. Dus alles mag en we leven er maar een eind op los. Voor ons bestaan geen regels en wetten meer. Die hele stof­fe­lijke wereld moet je eigenlijk maar onderwerpen. En de manier waar­­op dat moest gebeuren, was dan om er maar op los te leven. In be­paalde gnos­tische kringen vond je ook dit soort libertinisme. Met het vlees hebben we niets meer te maken en we doen gewoon waar we zin in heb­ben. Dan zijn we pas echt vrij, dan zijn we pas echt mens, als je ge­woon doet wat je fijn vindt. Je volgt dus maar gewoon je eigen verlan­gens, dat is dan zogezegd het toppunt van vrijheid. Die gnostische kringen hebben dus in diverse eeuwen – en dat vind je hier en daar ook wel in de brieven van Paulus – hun slachtoffers ge­ëist. Af en toe moest Paulus daar dus ook tegenin gaan. Want dan staat er ook in vers 18: ‘en mis­leiden door hun schoonklinkende en vrome taal de harten der argelozen’. 

‘Door hun chreystologica’ staat er dan, door prachtige woorden. Hier zit trou­wens ook een soort woordspel in. Je hoeft maar één letter te veran­deren en dan krijg je het woord christologica. Dat heeft dan de betekenis van het woord van Christus, het woord van de Messias. Het ligt soms dicht bij elkaar, maar de chreystologica is niet de leer van de Messias. Dan staat er ook nog het woord eulogica, wat hier dan vertaald is met ‘vro­me taal’. Letterlijk betekent het: zegening. Dus ook met prachtige woor­­den, woorden die het goed doen, maar die geen waarheid behel­zen. Daardoor worden de argelozen op een dwaalspoor gebracht.

Want uw gehoorzaamheid is bij allen bekend geworden. Over u verblijd ik mij dus, doch ik wil, dat gij niet alleen wijs zijt tot het goede, maar ook onbe­smet van het kwade. – Rom.16:19.

Want uw gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijde mij dan uwenthalve; en ik wil, dat gij wijs zijt in het goede, doch onnozel in het kwa­­de. – SV.

‘tot kennis van allen gekomen’. Letterlijk: heeft allen bereikt. Hier zie je dus als contrast met bovenge­noem­de losbandigheid de gehoorzaam­heid. Gehoorzaamheid betekent: gehoor geven, leven vanuit de Torah.

De God des vredes zal de satan onder uw voeten vertreden

De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden. De genade van onze Here Jezus zij met u! – Rom.16:20.

Dat doet ook denken aan dat gedeelte uit Jesaja 26, waar gezegd wordt: Want Hij heeft de bewoners der hoogte, der ontoegankelijke veste neergewor­pen, Hij vernedert haar, vernedert haar tot de grond toe, doet haar tot in het stof neerstorten. Voeten zullen haar vertreden: de voeten der ellendigen, de treden der gerin­gen. – Jes.26:5,6.

De voeten van de minsten der mensen mogen de satan onder de voet lo­pen. Uitgerekend de kleinen en de verachten worden de instrumenten van God om de vorst der duisternis te vertrappen. Zoals er ook staat in psalm 91: Op leeuw en adder zult gij treden, jonge leeuw en slang zult gij vertrappen. – Ps.91:13.

Zo geeft Paulus dit ook aan het eind van de Romeinenbrief als perspec­tief, juist in verband met de dwalingen en degenen die verwarring ver­oor­za­ken. Weldra zal de tegenstander het onderspit moeten delven. Moet je dit nu verstaan als een gegeven dat door de eeuwen heen tot uiting komt? Het is hier toch wel een profetische uiting. En juist de God die de vrede brengt, Hij zal daar, in de gemeente, de satan ten onder doen gaan. Er wordt ook gezegd: zet u aan mijn rechterhand, totdat de vij­and gemaakt is tot een voetbank voor uw voeten. Hier zie je ook – door dat woord weldra – dat de tijden in elkaar schuiven. Aan de ene kant kun je zeggen: dat gebeurt dan daar, in die gemeente. Aan de an­de­re kant kun je stellen: dat is nog een toekomstperspectief. Dat wordt hier profetisch aangekondigd. ‘De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden’. Dat is ook niet alleen passief, in de zin van: God zal dat wel doen, maar er wordt gesproken over uw voeten. Dat vereist dan toch een actief me­de­­werken. Dat houdt toch wel in, dat die voeten van de ellendigen daar bewust bij betrokken zijn. Er staat hier dus een woord dat vertrappen be­tekent. De Engelse verta­ling spreekt van verbrijzelen.

‘De genade van onze Here Jezus zij met u!’

Dat vertrappen van de satan wordt dan gekoppeld aan de genade van onze Here Jezus. ‘De God nu des vredes’. Zo staat dat vertreden dus eigenlijk geklemd tussen de vrede en de ge­na­de. Tussen de vrede en de genade wordt de tegenstander verpletterd. In die vrede en in die genade ligt de oorzaak en de voorwaarde van de over­winning. Tegen de God van de vrede en de genade van de Here Je­zus is de satan niet opgewassen. In het ene geval – des vredes – is er spra­ke van een bijstelling, in het andere geval – de genade van onze Here Jezus –  van een onderwerp. Het loopt hier dus niet parallel, maar er is sprake van een kruisstelling. Bij een parallelzin zou er moeten staan: De God des vredes en ‘de Messias van de genade’. Als in de bijbel een tekst uit een ander bijbelboek of een ander bijbelge­deel­­te geciteerd wordt, dan gebeurt dat vaak in omgekeerde volgorde. Paulus doet dat ook wel, zoals aan het eind van Romeinen 9. Daar haalt Paulus teksten uit Hosea aan.

Gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde. – Rom.9:25vv.

Hier werkt Paulus ook in feite achterstevoren. Hij pakt eerst het slot van Hosea 2 en dan pakt hij het slot van Hosea 1. Op die manier krijg je ook een soort kruisstelling. Dat heeft dus kenne­lijk een heel wezenlijke betekenis. Daardoor wordt dan ook bewust ver­wezen naar bepaalde bijbelse teksten. Op die manier worden teksten op elkaar betrokken. Het was natuurlijk voor de bijbelschrijvers veel lastiger dan voor ons om even een tekst uit een ander bijbelboek(rol) op te zoeken. Hoewel de de schrijvers een uitermate nauwkeurige tekstkennis hadden, zou dan toch wel eens een andere, soms meterslange perkamentrol moeten worden uit­ge­rold. Vandaar dat aangehaalde teksten nog wel eens vrij geci­teerd werden.

Mijn medearbeider Timoteüs en mijn stamgenoten Lucius, Jason en Sosipa­ter, groeten u. – Rom.16:21.

De naam Lucius hangt samen met licht, de lichtman. Zijn naam komt ook voor in Handelingen 13. Hij kwam uit Cyrene in het landschap Lidië. Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten en leraars, namelijk: Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, Manaën, de zoogbroe­der van Herodes, de viervorst, en Saulus. – Hand.13:1.

Jason komen we tegen in Handelingen 17, hij was tot bekering geko­men in Thessalonika. Jason is de Griekse vorm van Jozua. Maar de Joden werden afgunstig en namen enkelen van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en brachten de stad in rep en roer; en zij stormden op het huis van Jason aan met de bedoeling hen voor de volksverga­dering te brengen. – Hand.17:5.

Sosipa­ter betekent: vader-redder of eigenlijk andersom: redder-vader.

In Handelingen 20 komt zijn naam ook voor in de vorm van Sopater. En Sopater, de zoon van Pyrrus, uit Berea, en van de Tessalonicenzen Aris­tarchus en Secundus, en Gajus uit Derbe en Timoteüs, en uit Asia Tychi­kus en Trofimus, vergezelden hem. – Hand.20:4.

Ik, Tertius, die de brief op schrift gebracht heb, groet u in de Here. Rom.16:22.

De naam Tertius betekent: derde. De Romeinen hadden namelijk heel wei­­­­­­nig voornamen, slechts een stuk of achttien. Vandaar dat het ook heel gebruikelijk was, dat ze hun kinderen dan gewoon maar nummer­den. Dus dan krijg je: Tertius, de derde, en Quartus, de vierde, Quintus de vijfde, enzovoort.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

383934 bezoekers sinds 07-06-2010