De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 28

02-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Verdriet en vertroosting trekken samen op

Levinas heeft ook een arti­kel geschreven over het zinloze lijden, het nut­teloze lijden. Dat is er soms ook. Het is er maar al te vaak. André Neher zegt: de hoop bevindt zich in die vier ellen van het echec. Zij deelt daar­van het brood en de ellende. Zij is er de com­pagnon van en de tweeling. Samen trekken ze op, verhalen en hoop. Niet de een voor en de ander daarna, niet de een hier en de ander in het hiernamaals, maar ze schep­pen elkaar in elk moment en op elke plaats. En hun avontuur is ondeel­baar en onscheidbaar, net als bij een echtpaar. André Neher wijst dan ook op een paar Hebreeuwse woorden waarin dat tot uiting komt. Vaak zitten die begrippen in één woord ver­vat. Hij noemt dan het woord le­cha­mah, dat zowel verdriet als vertroos­ting be­te­kent. Verdriet en ver­troos­ting worden dus in één begrip omvat. In het mo­derne den­ken is daarin een splitsing aangebracht, daar gaat het om òf het een òf het ander. Maar in het bijbelse verwachtingspatroon ligt dat heel sterk met elkaar verwe­ven. Neher eindigt dan zijn artikel met wat hij noemt ‘de fuga van het mis­schien’. In dat ‘misschien’ zit een dubbele toon. Aan de ene kant hoor je de mineur, de oogst kan mislukken, en aan de andere andere kant hoor je de majeur, want tòch is er toekomst. Het gebod, de misjwah is ook het meest wezenlijke, als je de balans opmaakt van wat we hier nu ge­zien hebben. God zegt allereerst tot ons: Ik geef je een gebod. Telkens staat dat ook in de boeken van Mozes: kies het leven (Deuteronomium 30), kies het leven hier en nu.

Hier in dit stervend bestaan worden wij men­sen van God’

In een oude uitspraak wordt over de tijd gezegd: God vindt de tijd zo belangrijk, dat Hij nooit twee momenten tegelijk geeft, een merkwaardige uit­spraak. Tijd is zo kostbaar, dat God nooit twee momenten tegelijk geeft. In het joodse denken wordt het gebod centraal gesteld. Kies het leven, opdat gij leeft. Niet: kies het geluk. Geluk is eigenlijk geen bijbels woord. Het Hebreeuws heeft er een ander woord voor, het woord maz­zel, mazzel­tov. In het bijbelse Hebreeuws kent men niet dat jagen naar geluk. Door daarnaar te jagen zul je het trouwens ook niet vinden. Het is als met een vlinder, die je ook niet kunt vastpakken. Als je de vlinder toch vastpakt, blijk je vaak geen vlinder meer te hebben. Maar het gebod plaatst je in het hier en nu, zoals Huub Oosterhuis zegt: ‘hier in dit stervend bestaan worden wij men­sen van God’. Niet ergens in een prachtige wereld waar alles beter is, want dan ben je alleen maar op de vlucht. Maar hier in dit leven, mis­schien in deze barre omstandigheden, in dit be­perkte, begrensde bestaan, hier in dit stervend bestaan, worden wij men­sen van God. ‘De speelplaats van het heil is hier’. De joden kennen in dit verband een berachot, een zegenspreuk: geze­gend zijt Gij, Koning van de we­reld, die de vrucht van de wijnstok schept, het graan uit de aarde doet opkomen, de hongerige spijzigt, de ge­bogene opricht, en de verdrukte recht doet. De zegen is de groet waar­mee we de dingen die we ontmoe­ten, in een relatie brengen met het geheim van de Naam. Met de zegen begroeten we de dingen en daar­­­mee brengen we de dingen in relatie met God. Gezegend zijt Gij, die door uw woord de avond doet aanbreken. Het wordt niet zomaar avond, maar Hij doet het, Hij maakt de avond door zijn Woord. Juist dat gebod maakt het leven zinvol. Het geeft zin te midden van het zinloze. Want het gebod zegt: jij kunt blijkbaar iets doen. Je hoeft niet met de armen over elkaar te gaan zitten wachten op een betere wereld, maar jij kunt op jouw vierkante meter een daad stellen. En al is die daad nog zo klein, jij bent er niet voor niets. In een opmerkelijk woord, dat ook ergens uit de rabbijnse overlevering komt, wordt gevraagd: waarom geeft God de armen niet te eten? En dan is het antwoord: om ons te red­den van de verdoemenis. Stel je voor dat God het brood liet regenen uit de hemel, dan zouden wij nooit iets kunnen doen voor de ander. Want dan doet God het al. Dan blijven wij in onze verdoemenis zitten, in onze verdoemde rijkdom.

God kan niet toveren

God neemt ons het werk niet uit handen, want als God ons het werk uit handen neemt, dan ontneemt Hij ons de mogelijkheid om mens te wor­den. Stel je voor dat God alles voor ons zou doen, dat Hij de omstan­dig­heden zou veranderen. Er wordt wel gezegd dat God niet toveren kan. Als Hij dat zou kunnen, zou Hij daar­mee de mens onmondig maken. Dat is misschien dan ook juist het pro­bleem bij zoveel zaken, die je van­daag de dag op het ge­bied van prediking voorgeschoteld krijgt. Daar wordt dan vaak geleerd dat God wèl toveren kan. Of eventueel zijn er bepaalde grote sprekers die wel even voor je zul­­len toveren. Daar kun je dan de mirakelen zien. Er zijn sprekers die zeggen: kijk maar naar mijn hand, want daar zit de kracht in. Maar de To­rah zegt: jij bènt een hand. God wil jou gebruiken. God zegt niet: kijk maar naar de hand van die broeder. God zegt: kijk naar je eigen han­den, want die zijn bestemd om hand te zijn, open hand, hand voor je broeder.

God geeft dus een gebod opdat wij mens kunnen worden. God neemt ons het werk niet uit handen, want anders zouden wij prijsgegeven zijn aan de verdoemenis. Dan krijg je geen kans om mens te worden. Dat was ook het probleem bij die rijke man en de arme Lazarus. Die rijke heeft zijn handen nooit geopend voor zijn broeder. Letterlijk staat er: ‘er was een arme’ en niet zoals het NBG zegt: ‘er was een bedelaar’. Ernst Bloch zegt: in het werk ligt een van de meest reële beelden van de onsterfelijkheid. In het werk zijn we onsterfelijk. De Grieken zeggen: je hebt een onsterfelijke ziel. De joden zeggen: je werk is onsterfelijk. Je han­­den zijn minstens zo onsterfelijk als je ziel. Want juist daarin kun je mens worden. Het is dus een zegen dat God niet zomaar een recept geeft om betere toestanden te scheppen. Dan begrijp je ook dat die vorm van hoop je alleen maar van de wijs zou brengen. Want dan word je af­geleid en doe je niets meer. Dat is in de praktijk ook vaak zo geweest. Een voorganger vertelde, dat hij in een gemeente kwam waar ze 23 jaar niets anders hadden gedaan dan wachten op de wederkomst. En dan reisde men van toogdag tot toogdag en werd er gezegd: broeders en zus­ters, het is vijf voor twaalf, kijk maar naar de EEG en kijk maar naar Israël. Kijk maar naar het Midden-Oosten, kijk maar naar al die rampen. En overal zaten ze dus naar te kijken. Want de tekenen onzer dagen zeg­gen ons: zijn komst genaakt. Dus die mensen zaten alleen maar 23 jaar lang te wachten en te kijken. Zelfs evangeliseren hoefde niet, want dat zou later wel door de Joden ge­beu­ren, na de opname van de gemeente. Die voorganger zei: ik moest ze dus eerst allemaal leren dat ze ook nog iets moesten doen. In die ge­meen­te zag je dat dus in een extreme vorm, maar dergelijke gedach­tepatronen komen in ver­schillende nuances in diverse gemeenten voor. Daar zie je dus een hoop die passief maakt, een hoop die de mens in wezen lamlegt. In een lied staat zo prachtig:

Het woord dat u ten leven riep

is niet te hoog, is niet te diep.

Voor mensen die ’t zo traag beamen.   

Het is een teken in uw hand,

een licht dat in uw ogen brandt.

Het roept u dag aan dag bij name.   Liedb.7.

Het woord dat u ten leven riep, is niet te hoog, is niet te diep. Het woord is inderdaad vlakbij. Zo gauw kijk je daar overheen. En dan denk je mis­schien: straks komt er een betere tijd of een betere kans. Oh, dan zul­len we eens wat gaan beleven! Maar dan vergeet je dat je nu mag leven. Nu, te midden van het misschien barre en harde bestaan. De joodse den­ker Walter Benja­min zegt: elke seconde is een poort waardoor de Messi­as kan binnenkomen. Opeens kan Hij er zijn. Hij kan door ge­sloten deuren heenkomen. Soms zie je het, maar soms zie je het mis­schien he­le­maal niet. Soms gaan de rechtvaardigen door het donker, want het Rijk van God kun je niet waarnemen, zegt Jezus. Je kunt niet zeggen: het is hier of het is daar, maar het Rijk Gods is midden onder u. Dat is soms heel in het klein. Want God is niet een God die je tot een Übermensch maakt. Hij is niet de God die allerlei mirakelen uit zijn mouw kan schud­­­den.

De Engelse theoloog John Hull werd in 1980 blind. Als kind had hij al het nodige te verwerken gekregen, doordat hij problemen had met zijn huid. Hij herinnert zich van zijn kin­derjaren dat zijn moeder alleen maar eindeloos bezig was om hem in te zwachtelen. Na zijn 13e jaar werd hij langzamerhand helemaal blind. Hij vertelt dan uitgebreid hoe hij dat heeft trachten te verwerken en hoe zijn kinderen dat moes­ten verwer­ken. Hij zegt: dan zijn er ook van die onbeschaamde gebeds­genezers die de mensen valse hoop ge­ven. Het antwoord van Hull is de theologie van de zwakke, het ver­haal van de verliezer die won. Gehavend en geschonden, maar machtig door inzet en liefde. Niet zoals bij Darwin het recht van de sterkste, maar het recht van de zwak­ste. De zwakke neemt het voortouw en dan leert hij op een nieuwe manier leven. Maar dan wel binnen zijn begrenzing. Wat betekent het nu om dan toch verder te kunnen gaan? Hij zegt: ik leer leven op de wind, want de wind is voor mij wat voor de ander de zon is. Als ik de wind hoor, dan weet ik dat er bomen zijn. En dan is dat net als in het be­gin van Genesis, als de ruach Elohim over de wateren gaat, dan weet je: nu gaat er iets beginnen. De wind heeft voor een blinde hetzelfde ef­fect als het licht voor een ziende, die ‘s morgens de gordijnen opendoet. Hull zegt: als het regent, hoor ik voor het eerst hoe mijn tuin eruit ziet. Want de regen op de bladeren is anders dan de regen op het tuinpad en weer anders dan de regen op het grind, op de bloemen en op de stenen.

Een pastor zei eens: als ziende wring je je soms in allerlei bochten, want je weet vaak niet wat je tegen een blinde zeggen moet. Want er zijn zo­veel woorden waarvan je het gevoel hebt: dat kan ik tegen een blinde niet zeggen. Zoals: we zullen wel zien; morgen zien we wel verder. Moet je eens kijken; hoe bekijk jij dat? Zo zit je dan eindeloos te puzze­len over wat je wel en niet kunt zeggen. Tot je een blinde tegenkomt die je heel onbekommerd toeroept: tot ziens! Dat is dan het leren omgaan met begrenzing. En te midden van die begrenzing – en dat geldt ook voor het gemeente zijn – zoeken we weer naar dat woord. Een woord dat het ‘houdt’, een woord dat ons bijblijft. Net als Jeremia, hij at de woor­den van God op. Mensen, hongerig naar taal. Jeremia was ver­slin­gerd aan de taal, aan het woord, en daar leefde hij van. En te midden van het donker, te midden van de gruwelen, zoekt hij naar dat woord.

Nog voor het morgengrauwen roep ik luid:

Heer kom te hulp, ik blijf uw woord verwachten.

Naar uw beloften zien mijn ogen uit

des ’s avonds laat en in de lange nachten.

De bekende schrijver Menno ter Braak werd zo wanhopig toen de tijd van Hitler aanbrak, dat hij dat niet meer wilde meemaken. Toen heeft hij ver­gif ingenomen. Anton van Duinkerken zei toen: je kunt beter psal­men in­nemen dan vergif. Want die psalmen houden het. Dat zijn woor­den om te overleven, als tegengif tegen de verschrik­king. Johannes op Patmos deed dat ook. Als het daar heel benauwd werd, zei God te­gen hem: eet eens een boekrol. En als hij dan een boekrol at, kon hij er weer tegen. Woorden om te overleven. De Messias deed dat eveneens. Die woor­den van U, Vader, zijn voor Mij mijn eten en mijn drinken. Woor­den om te leven. Zoet als honing in de mond, zegt Johannes en bitter in de buik. Zoet en bitter tegelijk. Maar je leeft er wel van. En dan kun je toch over­leven. Het evangelie is geen zoethoudertje. Voor wie de smaak te pak­ken heeft, valt de werkelijkheid vaak bitter tegen. En toch, telkens vin­den we weer een woord. Een woord om te leven, om te overleven. Om te midden van de omstandigheden die niet veranderen, toch mens te zijn, mens met de mensen.

Vol goedheid, vervuld met al de kennis, in staat el­kan­­der te­recht te wij­zen

Ik heb echter, mijn broeders, zelf al de overtuiging van u, dat gij zelf reeds vol van goedheid zijt, vervuld met al de kennis (kennis van God), in staat ook el­kan­­­der terecht te wij­zen.Rom.15:14.

Dat gedeelte grijpt terug op het begin, op hoofdstuk 1:11 en volgende. Want ik verlang u te zien om u enige geestelijke gave mede te delen tot uw ver­sterking, dat is te zeggen: onder u mede bemoedigd te worden door elkanders geloof, van u zowel als van mij. – Rom.1:11,12.

Daar spreekt Paulus uit, dat hij ernaar verlangt om in Rome zijn bood­schap te brengen, om daar enige geestelijke gave mee te delen. Daar is hij ooit, maanden geleden, zijn brief mee begonnen. Paulus wil ­graag naar Rome. En nu komt hij tenslotte, vanaf hoofdstuk 5:14, daar weer op terug. Dus dat staat als een soort kader om heel de brief heen. Paulus wil naar Rome. Er is een commentaar dat zegt: hier (v.14) is Paulus toch wel uniek, na­melijk in de manier waarop hij de gemeente van Rome aanspreekt. Pau­lus respecteert de gemeente, dat is iets dat we wel in aanmerking moe­ten nemen. Hij respecteert ook de onafhankelijkheid van de gemeente. Hij zegt: jullie zijn compleet, jullie hebben mij niet nodig. Paulus gaat zichzelf niet opdringen. Hij zegt: jullie zijn vervuld van alle kennis. En jullie zijn in staat om elkaar pastoraal te begeleiden, want dat woord te­rechtwijzen is eigenlijk een woord uit de zielszorg. Je zou haast kunnen zeggen: om het denken van de ander te kunnen plaatsen. Misschien zou je beter kun­nen vertalen ‘terecht helpen’. Terechtwijzen heeft bij ons vaak de klank gekregen van de kritiek van het opgestoken vingertje en een stuk moralisme. Maar in de bijbel wordt niet gemoraliseerd, daar wordt niet een moraal opgelegd of de ander gemeten, maar daar wordt terecht geholpen. Iemand terechthelpen is vaak moeilijker dan iemand terecht­wijzen. Je moet dan in staat zijn om die ander weer op zijn plaats te bren­­gen. Dat is een van de punten die ook in Galaten 6 wordt aan­ge­duid. Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen. Verdraagt elkanders moeilijkheden; zó zult gij de wet van Christus vervullen.  Gal.6:1,2.

Dan zegt Paulus verder in vers 15: Toch heb ik u hier en daar bij wijze van herinnering ietwat vrijmoedig ge­schre­ven, krach­tens de mij van God geschonken genade. – Rom.15:15.

Ietwat vrijmoedig; letterlijk: stoutmoedig, gedurfd. ‘Bij wijze van herinnering’. Dat woord herinnering wordt in joodse en an­de­­re tradities ook gebruikt, om aan te geven dat er bepaalde overle­ve­rin­­gen zijn, waaraan de mensen weer herinnerd worden. Wij moeten weer levend en wakker gehouden worden, opdat wij niet vergeten.

Paulus brengt de heidenen als offergave aan God

Om een dienaar van Christus Jezus voor de heidenen te zijn in de heilige dienst van het evangelie Gods, opdat de offergave der heidenen (Gode) welgeval­lig zou wezen, geheiligd door de heilige Geest. – Rom.15:16.

Paulus gebruikt hier het woord liturg. Het woord liturg kan zowel een ambtenaar aan­dui­den, iemand die in staatsdienst is, als ook wat wij dan onder liturg verstaan, namelijk iemand die in de eredienst werkzaam is, iemand die de dienst van God vervult. Paulus gaat dat dan verder uit­wer­ken en spreekt van ‘een liturg voor de heidenen’, letterlijk ‘naar de heide­nen toe’. ‘In de heilige dienst van het evangelie Gods’. Dat woord ‘heilige dienst’ be­te­kent eigenlijk priesterdienst. Paulus verricht de priesterdienst van het evangelie. Het doel van die priesterdienst van Paulus is dan wat hij noemt: opdat de offergave der heidenen (Gode) welge­val­lig zou wezen, geheiligd in heilige Geest.

Er wordt dus gesproken over de offergave van de heidenen. Letterlijk: de toenadering (of de aanbieding) van de heidenen. Alleen dat moeten we wel in dit verband goed verstaan; hier wordt dus niet bedoeld dat de hei­de­nen een offergave gaan brengen. Maar het gaat er hier om, dat die gojim een offergave zijn. Paulus is dus priester en hij brengt de heidenen als offergave aan God. Dus hij draagt die gojim als een toenadering, als een korban, als een offergave aan God op. Hij biedt die gojim als het wa­re aan God aan. Dat is dus zijn eredienst, dat is zijn bediening. Zo wor­den die volkeren een offergave aan God. En dat gebeurt dan ‘in heilige Geest’. Die gojim worden als het ware doordrenkt, gedompeld in heilige Geest, een Geest van heiliging en zo worden ze aan God gepresenteerd.

Mijn roem bij God is dan ook in Christus Jezus. – Rom.15:17.

Zo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan. – SV.

Om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen

Want ik zal het niet wagen van iets anders te spreken dan van hetgeen Chris­tus door mij bewerkt heeft, om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen door woord en daad. – Rom.15:18.

‘Om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen’. Het doel is dus de gehoor­zaam­heid, het gehoor geven door de gojim. Opdat zij horende mensen worden, een volk dat gaat horen, dat niet lan­ger dood is, maar dat gehoor gaat geven aan God, dat gehoor gaat ge­ven aan de Torah, dat gehoor gaat geven aan elkaar, zodat niemand meer over het hoofd wordt gezien. Joden en gojim zullen met dezelfde maat gemeten worden. Dat hebben we aan het begin al gezien in Romeinen 2. Er wordt ook ergens in de Tal­­moed gesteld: als een heiden de Torah in de praktijk brengt, dan is hij van evenveel waarde als de hogepriester. Daar zie je dus, dat als een goj gaat leven naar de inzettingen van de Torah, hij voor God onder dezelf­de regels valt en gelijkwaardig is aan de hooggeplaatste in Israël. God meet niet met twee maten.

Ananias en Saffira

Wat bij Ananias en Saffira speelt, is vooral het stellen van een voorbeeld. Hierbij speelt ook mee, dat de ontwikke­ling van de gemeente nog in een pril stadium was, in wording. Wanneer dan daar de leugen binnen­treedt, moet er ingegrepen worden. Het ging er dus bij Ananias en Saf­fira niet zozeer om dat ze maar een deel van de op­brengst gaven, maar dat ze het deden voorkomen alsof ze àlles gaven. Het ging hen er dus om, indruk te wil­len maken. Wij geven ons helemaal. Dat is wat in het slot van Hande­lin­gen 4, meteen daaraan vooraf, speelt. Dat wordt ook wel gezien als een soort communisme van de gemeente aldaar. Ze had­den alles gemeen­schappelijk. Veel mensen verkochten hun akker. Ana­ni­as en Saffira de­den dat ook. Alleen, ze wilden nog wat achter de hand houden. Je zou zeggen: een soort pensioenvoorziening. Stel je voor dat het een en ander mislukt, dan hebben we altijd nog een appeltje voor de dorst. Dat is dus in wezen een combinatie van leugen en wantrouwen. Als ze ge­woon ge­zegd hadden: we geven een deel van datgene wat we ver­kocht hebben, dan was er niets aan de hand geweest. Maar dat ‘doen als­of’ kon niet getole­reerd worden en zeker niet in het prille bestaan van de gemeente.

Door kracht van tekenen en wonderen

‘Om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen door woord en daad’.  Rom.15:18. door kracht van tekenen en wonderen, door de kracht des Geestes. Zo heb ik, van Jeruzalem uit rondreizende tot Illyrië toe, de prediking van het Evangelie van Christus volbracht. – Rom.15:19.

Door kracht van tekenen en wonderheden, en door de kracht van den Geest Gods, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb. – SV.

‘door kracht van tekenen en wonderen’ Op zich is het nog een heel punt wat je daaronder verstaan moet. Wat is een teken en wat is een wonder? De joodse denker Vladimir Jaxxxx zegt: een wonder is datgene wat op het laatste moment gebeurt. Een won­­der wordt gekenmerkt door het ‘bijna’, als het ware op het puntje van de naald. Je zou kunnen spreken van een soort grenssituatie. Het woord wonder bete­kent in het Hebreeuws eigenlijk datgene wat onbereikbaar is. Buber ver­taalt het met: ‘das Entrückte’, datgene waar je niet bij kunt.

Iemand zei eens: alle denken begint met verwondering. Wonder en ver­­wondering hebben heel sterk met elkaar te maken. Dus een wonder is niet zozeer het spectaculaire, als wel datgene wat een betekenis heeft, datgene wat zin heeft en wat dóórbreekt.

Een kruikje olie voor acht dagen licht

In een artikel dat Levinas heeft geschreven over het Chanoeka-feest, gaat hij in op het wonder van dat kruikje olie. De hei­den­se koning An­tiochus IV Epiphanes werd door de Makkabeeën uiteindelijk uit de tem­pel verdreven. En toch, als je ziet wat de Talmoed over dat feest vertelt, dan blijkt dat er aan dat verdrijven van die heidense koning nauwelijks aan­dacht wordt ge­schonken. Het is alsof men daarmee wilde zeggen: dat is niet de kern van de zaak. Je kunt wel een machthebber verdrijven, de zwakke die de ster­ke eruit gooit, maar toch is daarmee dan ook weer een risico verbonden. Als die zwakke de sterke gaat verdrijven, dan loop je het gevaar, dat die zwakke dezelfde wegen gaat bewandelen als die sterke, namelijk dat hij ook geweld gaat gebruiken. De Makka­beeën voerden een vrijheidsstrijd, die toch ook met het nodige geweld gepaard ging. De Talmoed zwijgt daar echter over. Maar wat in de Talmoed wèl wordt benadrukt, is het verhaal over dat kruikje olie. Aan het eind van die drieënhalf jaar vindt men, als de tempel weer wordt ingewijd, een kruikje olie. Aan dat kruikje olie blijken ze dan ge­noeg te hebben om voor acht dagen licht te zorgen. En het wonder is dan, dat er voor acht dagen licht is uit één kruikje olie. De eerste dag één kaars, de tweede dag twee kaarsen, de derde dag drie kaarsen en zo doorgaande tot de achtste dag. Dat kruikje olie is belangrijker dan die hele nationale strijd, want dat kruikje olie is een teken. Het is het teken van de vlam die blijft branden. Het motief van dat kruikje olie vind je telkens weer terug; dat is de lief­de die ontvlamt zonder dat er eigenlijk reden voor is, zonder dat de be­minde volmaakt is. Het is de wil die iets onderneemt, ondanks de obsta­kels, die verlammend kunnen werken. Dat is de geest die creatief is en die de grenzen overschrijdt, zonder te berekenen. Dat is de geest die zich inzet voor de zaak van de ander. Levinas zegt: overal waar iets te vin­­den is van die liefde en van die creativiteit, van de inzet voor de an­der, daar is dat kruikje olie terug te vinden. Een kruikje olie dat het acht dagen vol­houdt. Maar, dan gaat Levinas nog een stap verder en zegt: er is nog een won­der, een ander wonder, een wonder in het verborgene, dat men in de re­gel vergeet. Men vergeet het te midden van dat licht dat overal triom­feert. Drieënhalf jaar lang was de tempel in handen van die heidense koning. De tempel was ontwijd, de tempel was ontheiligd en de gojim hadden daar huisgehou­den. Het wonder is dan, dat zij in al die drieën­half jaar dat kleine kruikje olie niet gevonden hebben. Dat kruikje heeft daar gestaan, verzegeld door de ho­gepriester, maar niemand heeft het ontdekt. Het is niet veranderd en het heeft de jaren getrotseerd. Ook die drieën­half jaar dat de kandelaar leeg bleef. Want gedurende die drieën­half jaar hebben ze de kandelaar niet ge­bruikt. Het licht brandde niet, maar toch heeft in die drieënhalf jaar, je zou zeggen: de tijd dat de mach­ten van het kwaad de tempel in bezit had­den, dat kruikje olie daar ge­staan. En de gojim moesten er met hun vingers afblijven. Na drie­ën­half jaar komt de tempel dan weer te­rug in handen van degenen aan wie hij behoort. Dát is nu een wonder.

De bijbel doet niet in mirakelen

Een wonder is niet een soort tovertruc. Een wonder is niet een spekta­kel, een wonder is niet zozeer een mirakel. Een wonder is zo’n kruikje olie dat het volhoudt en dat daar zomaar in het verborgene in een don­ker hoekje in de tempel blijft wachten. Niemand heeft het gezien, maar na drieënhalf jaar wordt het wèl gezien. Dat kruikje heeft drieënhalf jaar staan te wachten, om vervol­gens acht dagen licht te geven. Drieënhalf jaar was het donker in de tempel. En na drieënhalf jaar duisternis blijkt, dat er nog licht voor acht dagen in huis is, licht voor een hele schep­pings­week. Het lijkt wel op het verhaal van die tien maagden. De dwaze maagden hebben de olie niet ge­von­den. De wijzen ontdekken het. Dat wonder kom je ook telkens weer tegen. Misschien wordt er­gens in het verbor­ge­ne het woord van God bewaard als een kostbaar kruik­je olie. Zo is het bewaard gebleven door duistere tijden heen. Paulus wil hier ook zeggen: tekenen verwijzen ergens naar. Soms op een heel verborgen manier. Ja, het kan ook een wonder zijn, als een mens weer gezien wordt, als hij weer tot zijn recht komt. Als een mens weer kan worden, waartoe hij eigenlijk bestemd is.

Het kruikje olie van de weduwe

Het kruikje olie van de weduwe in 2 Koningen 4 moet je ook niet zozeer als een mirakel beschouwen. Zo‘n verhaal moet je ook in zijn verband ver­staan. Ik denk dat het hier ook weer meer om een teken gaat. Mis­schien ligt het in dezelfde sfeer als wat daar op het Chanoekafeest ge­beurd is. De vrouw waarover in dit verhaal verteld wordt, heeft schul­den. Het is een van de vrouwen van de profeten. Dat wordt er om te be­ginnen al bij gezegd. Bovendien wordt er erbij verteld, dat haar man ge­storven was. Dan komt Elisa en vraagt: wat heb je in huis? Het blijkt dan, dat ze alleen maar een kruikje olie heeft.

Bij Elia heb je een soortgelijk verhaal, ook over een weduwe. Die wedu­we had alleen maar een handvol meel en nog een klein beetje olie in de kruik. Dat verhaal wordt verteld in 1 Koningen 17, een soort parallel­ver­haal. Bij Elia komt het voor en bij Elisa heb je iets wat daar veel op lijkt. Elia en Elisa lijken trouwens in veel opzich­ten op elkaar. Telkens zie je dus de symboliek van die olie. In het verhaal van de we­du­we uit 2 Koningen 4 waren de tijden bar en boos. De schuldeisers wil­len haar beide zonen als slaven verkopen. Dus dat kleine beetje olie is het laatste redmiddel tegen de slavernij. En die olie blijkt dan zoveel kracht in zich te hebben, zoveel potentieel, dat alle vaten daarmee ge­vuld konden worden. Daar was dus sprake van een soort vermenig­vul­diging. Ook hier valt het accent niet op het mi­raculeuze. Wat dat betreft kun je nadrukkelijk stellen, dat de bijbel niet in mirakelen doet. Ook hier gaat het in feite weer om het teken; het is een tekenverhaal. Het is een ver­haal met een meerwaarde. Die olie blijkt zoveel op te leveren, dat daar­van de schuld betaald kan worden. Dus zo worden de zonen gevrij­waard voor slavernij. Want daar eindigt het verhaal dan mee. De we­du­we verkoopt de olie en betaalt de schuld. En zij en haar zonen kun­nen van het overige leven. Dus je zou haast kunnen zeggen: olie als vrij­wa­ring tegen de slavernij, de dienstbaarheid. Om dan toch toekomst te heb­ben voor haar en voor haar zonen. Daar zou je dan natuurlijk nog verder op door kunnen gaan. Om te zien welke symboliek daar eventueel dan in zit. Olie is in het bijbelse denken ook vaak symbool van de Torah, van de onderwijzing, van het levende woord. Zo is daar in die barre tijden toch een mogelijk­heid om te over­le­ven. Dankzij de opdracht die Elisa als profeet geeft. Zij heeft dat kruikje olie en Elisa doet er zijn profetisch woord bij. Dat zien we in de Torah en de Profeten. Zo is er toch toe­komst. Zo kan zij met haar kinderen le­ven, zonder dat ze in slavernij hoeven te vervallen.

Tekenen en wonderen

Met een wonder wordt bedoeld, dat iets in een bepaald verband staat. Ik denk dat als God iets doet, dat het dan in een bepaalde relatie staat. En in onder­scheid daarmee is een mirakel iets, wat God niet doet. Bij een mirakel denk je meer aan een stuk tovenarij. Zomaar een los incident zon­­­der dat het enig verband ergens mee heeft. Dat is iets, wat de men­sen soms toch van God verwachten, zomaar een ingrijpen. In Marcus 16 staat: Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gene­zen worden. – Mc.16:17,19.

Dit zijn tekenen, die het woord gaan bevestigen. In het Hebreeuws is het meestal een combinatie: tekenen en wonderen. Het is trouwens ook frap­pant dat er een heel aantal teksten is, waar het woord wonder in het He­breeuws in het enkelvoud gebruikt wordt. Bijvoorbeeld het lied van de doortocht in Exodus 15; er staat in vers 11: Hij is de God die wonder doet.

Wie is als Gij, onder de goden, HERE, wie is als Gij, heerlijk in heiligheid, vre­­selijk in roemrijke daden, wonderbaar in uw doen? – Ex.15:11.

O HEERE! wie is als Gij onder de goden? wie is als Gij, verheerlijkt in hei­lig­heid, vreselijk in lofzangen, doende wonder? – SV.

Niet ‘wonderen’. Nu kun je dat eventueel verstaan als een collectivum. Maar het is toch wel typerend dat hier een enkelvoud gebruikt wordt. Dus je zou kunnen zeggen: in feite is er maar één wonder, dat is de uit­tocht uit Egypte. En alles wat er verder gebeurt is een nadere uitwerking daarvan. Dus ik geloof dat God in principe maar één wonder doet, na­melijk de uittocht. Alles wat Hij verder doet, staat in dat kader. Hij is niet de God die zomaar, en dat is ook de bijbelse kritiek, allerlei mira­ke­len doet. Want tovenaars en waarzeggers en magneti­seurs en noem maar op, doen in mirakelen. Maar dat staat in geen enkel ver­band. Dat hangt ner­gens mee samen. Dat is soms ook het probleem bij zogenaam­de chris­­te­lijke mirakelen, die staan ook niet in een verband. En dan is de sa­men­hang zoek. Dan heeft het niets meer te maken met de uittocht, met de bevrijding van mens en schepping uit het diensthuis. Dus ik ge­loof dat daar een toetssteen ligt: alles wat er na de uittocht uit Egypte ge­beurt, heeft op de een of andere manier met die uittocht te maken. Wat daar op geen enkele manier op betrokken is, zijn losse inciden­ten. Dat is dan niet typerend voor de God van Israël. Hij is altijd de God die dingen in een samenhang doet, in een groter verband. Er wordt de vraag gesteld: Moet je onderscheid maken tussen een gene­zing en een wonder? Als een te kort been aangroeit, is dat een wonder. Als een ziek been geneest, is dat een genezing. Is dat juist? Ik geloof dat wat Jezus deed altijd dingen waren, die wel in een verband stonden. Want het waren tekenen van het Koninkrijk. Ik geloof dus niet dat je in die zin onderscheid kunt maken tussen genezingen en won­de­ren. In sommige kringen zie je ook, dat als een bepaald ge­bed of gezang tot in het oneindige herhaald wordt, men dan ge­looft dat er kracht aan ver­leend wordt. Dan krijg je als het ware, zoals ook in oosterse religies, een man­tra. Dat is dan een soort spreuk, die je tot in het oneindige her­haalt. Als die formule op de juiste manier gehanteerd wordt, zo veronderstelt men dan, moet hij werken. Dat was dus een kernpunt vanuit Romeinen 15:19. Door kracht van tekenen en wonderen, door de kracht des Geestes. Zo heb ik, van Jeruzalem uit rondreizende tot Illyrië toe, de prediking van het Evangelie van Christus volbracht. – Rom.15:19.

Door kracht van tekenen en wonderheden, en door de kracht van den Geest Gods, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb. – SV.

Tekenen en wonderen staan dus bijbels gezien in een samenhang en bren­­­gen ook samenhang. Het heeft altijd te maken met het Ko­ninkrijk. Dus het is een stukje Koningschap van God op aarde, waar­door iets van dat Koninkrijk van God op aarde gestalte krijgt. Het heeft dus ook met gehoorzaamheid te maken. Een teken of een won­der heeft altijd ten doel, om de mens beter in staat te stellen, om gehoor te geven, waardoor hij meer mens wordt. Het heeft ten doel het Ko­ning­­­schap van God meer uit de verf te laten komen. Het doel is dat mensen meer zicht krijgen op wie God wezenlijk is.

Zó zal hij vele volken doen opspringen

Ik stelde er mijn eer in het te verkondigen, doch zo, dat ik niet (optrad), waar de naam van Christus reeds genoemd was, om niet op eens anders fundament te bouwen. – Rom.15:19.

En alzo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fondament zou bouwen. SV.

 maar (om te handelen) naar hetgeen geschreven staat: Zij, aan wie niets van Hem is verkondigd, zullen Hem zien en wie het niet gehoord hebben, zullen het verstaan. – Rom.15:20.

In de grondtekst staat een chiasme. Het begint met ‘zij zullen zien’ en de tweede regel eindigt met ‘zij zullen verstaan’. Dat zegt Paulus hier met een verwijzing naar Jesaja 52. Zó zal hij vele volken doen opspringen, om hem zullen koningen verstommen, want wat hun niet verteld was, zien zij, en wat zij niet gehoord hadden, verne­men zij. – Jes.52:15.

Via Rome naar Spanje?  

Paulus citeert hier uit het laatste lied van de knecht des Heren. Daarom werd ik dan ook herhaaldelijk verhinderd tot u te komen. Rom.15:22. Maar thans, nu mij in deze streken geen arbeidsveld meer overblijft en ik se­dert tal van jaren verlangend ben tot u te komen, – v.23. zodra ik naar Spanje reis – ik hoop u namelijk op mijn doorreis met eigen ogen te zien en door u voortgeholpen te worden voor mijn tocht daarheen, wan­neer ik eerst enigermate van u genoten heb. – v.24.

De vraag is of Paulus inderdaad in Spanje is geweest. De ge­ge­vens zijn wat dat betreft historisch ook moeilijk na te trekken. Hij is in Rome ge­weest, dat is vanuit Han­delingen bekend. Handelingen eindigt met een open slot, waar gezegd wordt dat hij in Rome twee jaar lang in zijn ei­gen gehuurde woning aan iedereen die hem bezoekt, de blijde bood­schap vertelt. En hij bleef de volle termijn van twee jaar in zijn eigen gehuurde woning, en ontving allen, die tot hem kwamen, predikende het Koninkrijk Gods, en onderricht gevende aangaande de Here Je­zus Christus met alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering. Hand.28:30,31.

Misschien is Paulus in Rome aan zijn eind gekomen. Dat is historisch niet te achterhalen. Er wordt wel gezegd dat Paulus in Rome op de een of andere manier de martelaarsdood is gestorven. Dat wordt trouwens van Petrus ook nog verondersteld. Dus of hij ooit in Spanje is aangeko­men is zeer de vraag.

Een handreiking aan de armen te Jeru­zalem

Maar thans ben ik op reis naar Jeruzalem ten dienste van de heiligen. Rom.15:25. Want Macedonië en Achaje hebben goedgevonden een handreiking te doen aan de armen onder de heiligen te Jeruzalem. – v.26. Zij hebben het immers goedgevonden, maar zijn het ook jegens hen verplicht, want indien de heidenen aan hun geestelijke goederen deel hebben gekregen, be­ho­ren zij ook met hun stoffelijke goederen hen te dienen. – v.27. Letterlijk: ‘hen de liturgie (eredienst; het kan ook betekenen ‘staatsdienst’) te ver­schaf­fen’. Wanneer ik mij dan hiervan gekweten en hun deze opbrengst afgedragen heb, zal ik over uw stad naar Spanje reizen. – Rom.15:28.

Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen. – SV. Letterlijk: ‘Wanneer ik dit volbracht heb’. Eigenlijk gebruikt Paulus hier veel mooiere woorden, hij zegt letterlijk: ‘En wanneer ik hun verzegeld heb deze vrucht’. ‘Opbrengst’ is weer zo’n typisch westers woord. Daardoor wordt het ook meteen weer helemaal in de financiële sfeer getrokken. Paulus heeft het hier niet zozeer over de opbrengst, maar over de vrucht. Dat is een be­grip dat veel dieper gaat. Dan zit je niet alleen maar centen te tellen, maar dan gaat het over de vrucht van de gojim. Hoeveel vrucht dragen ze? En die vrucht dragen ze weer voor Jeruzalem. Dus dat is een prach­tige wisselwerking. Vanuit Jeruzalem gaat het heil naar de volke­ren en dan brengen de volkeren vrucht op, die dan naar Jeruzalem gaat. Wat die zending en die collectes betreft: Paulus heeft doorgaans voor­zien in zijn eigen onderhoud. Hij trok als tentenmaker overal van plaats tot plaats. Misschien heeft Paulus tenten gemaakt voor het Romeinse le­ger. Bij Paulus speelde het punt dus niet, dat hij ondersteuning nodig had van het thuisfront. Al werkende ben je wellicht ook het meest te mid­­­den van de mensen. In deze tijd zou dat het geval kunnen zijn in de medische en sociale sector, waar ontwikkelingswerkers bezig zijn. Trou­wens ook op landbouwgebied en in technische sectoren zijn er wat dat betreft vele mogelijkheden. Dat is natuurlijk een groot voordeel, in heel wat culturen ben je meer bij de mensen betrokken als je daar je beroep uitoefent. Dat is toch een andere benadering dan wanneer daar alleen maar komt zeggen: ik heb een boodschap voor jullie. Met alle risico’s vandien dat ze antwoorden: daar hebben we geen boodschap aan. Het is juist de bedoeling mens te zijn met de mensen. Wat dat betreft is Paulus dan natuurlijk ook een prachtig voorbeeld; Paulus die daar te midden van de mensen ver­keert en zijn beroep uitoefent. Als er dus door Paulus wordt gesproken over ondersteuning, gaat het steeds om die armen; ‘een handreiking aan de armen onder de heiligen te Jeru­­zalem’. Vanuit de gojim wordt dus hulp geboden aan Jeruzalem. Wanneer ik mij dan hiervan gekweten en hun deze opbrengst afgedragen heb, zal ik over uw stad naar Spanje reizen. – Rom.15:28.

Paulus was dus van plan een doortocht te maken. Rome als bruggen­hoofd op weg naar Spanje. Spanje werd in die tijd zo’n beetje als het ui­ter­ste der aarde beschouwd. Dat was zo ongeveer de grens van de toen­maals bewoonde wereld. Rome was natuurlijk ook een heel strate­gisch punt. Dat zie je ook in heel het boek Handelingen, dat handelt tenslot­te helemaal over het thema: van Jeruzalem naar Rome. Het begint in Jeru­zalem en het ein­digt in Rome. Voor Lucas bestaan er in feite maar twee steden: Jeru­za­lem en Rome.

Pesach vieren op een zinkend schip  

Tussen Jeruzalem en Rome speelt zich heel die weg af van de ver­sprei­ding van het evan­gelie. En daartussen ligt ook de zee. Voor Lu­cas was er maar één zee, de zee tussen Jeruzalem en Rome. Daar lijdt Paulus ook prompt schipbreuk. Als Paulus op dat zinkende schip zit, gaat hij daar Pesach vieren. Handelingen 27 is in feite helemaal een Paas­verhaal en zit ook vol met symbolieken. Paulus zegt: we zitten nu al 14 dagen op een kolkende zee, al 14 dagen één brok ellende.

En tegen dat het dag zou worden, spoorde Paulus hen allen aan voedsel te ne­men en zeide: Het duurt nu reeds veertien dagen, dat gij maar blijft afwach­ten zonder eten en niets genuttigd hebt. – Hand.27:33.

En 14 dagen herinnert aan de paasdagen, de 14e van de maand isar. En dan zegt Paulus: ik ga het brood breken. Daarom spoor ik u aan voedsel te nemen, want dit is goed voor uw redding; want niemand uwer zal ook maar een haar van zijn hoofd gekrenkt worden. Hand.27:34. En terwijl hij dit zeide, nam hij brood, dankte God in aller tegenwoordigheid, brak het en begon te eten. – Hand.27:35.

In wezen is hier dus sprake van een Paasnacht. En dankzij die Paasnacht op dat schip, ook al vindt er wel een schipbreuk plaats, worden alle men­sen  behouden. Dan zie je dus Paulus als jood, die Pesach gaat vie­ren op dat schip. En dankzij die joodse man, die daar Pesach viert, wor­den al die gojim gered van de ondergang. Via die Paasnacht komt Pau­lus dan uiteindelijk in Rome. Rome, als hoofdstad van het Romeinse Rijk, was na­­tuurlijk een knooppunt van culturen en wegen. In de tweede plaats hadden de gelovigen daar natuurlijk wel het een en ander mee­­gemaakt, want in het jaar 49 werden alle joden uit Rome ver­ban­nen. Dus dat hadden ze ook nog recent achter de rug. En dan kun je je voor­stellen, als daar in Rome toch weer een gemeente ontstaat uit jo­den en heidenen, dat in feite een gemeente is van ex-vluchtelingen, van overle­venden.

Ik schaam mij dat ik het overleefd heb

Dat kun je ook een wonder noemen. De joodse schrijver Primo Levi zegt: ik heb het overleefd, maar daar zit ik eigenlijk mee in mijn maag. Het vreemde is dus, dat je met een wonder ook in je maag kunt zitten. Er waren in die tijd ook mensen die tegen Primo Levi hadden gezegd: het feit dat je het overleefd hebt, is een wonder. Dat betekent dat God een bedoeling met je leven heeft. Dat klinkt natuurlijk wel heel mooi, maar dat roept minstens zoveel vragen op als dat er beant­woord wor­den. We hebben hier te maken met een ongelooflijk complex punt. Primo Levi zegt: ik heb het overleefd, maar waarom ìk? Hij schrijft een heel hoofdstuk onder de titel ‘Schaamte’. Hij zegt: ik schaam mij eigen­lijk dat ik het overleefd heb. Ik schaam mij tegenover al degenen die het nìet overleefd hebben. Ik was geen haar beter dan al die ande­ren. Het zijn vaak de besten die het nìet overleefd hebben. Zo vaak – is dan zijn ervaring en zijn constatering – zo vaak, komt hij dan tot de ontdekking, dat degenen die het niet overleefd hebben, juist de rechtschapenen wa­ren. Een vriend zegt dan tegen hem: jij hebt het overleefd en dat is een te­ken van de voorzie­nigheid. Maar dan zit hij met de vraag: waarom juist ik! Ja, zegt zijn vriend, dat kun je niet weten. Misschien om te schrij­ven en dan om te getuigen. Hij zegt: Ik vond dat idee huiveringwek­kend. Het deed mij pijn alsof ik in een naakte zenuw geraakt was. Hij zegt: dat kan niet, dan leef ik in de plaats van een ander, op kosten van een ander. Het kan niet, dat ik de plaats van een ander heb ingenomen en daardoor in feite die ander heb gedood. De geredden, de overle­ven­den, wàren niet de besten, de voorbestemden tot het goede, de dragers van een boodschap. Wat ik gezien en beleefd heb, bewees precies het om­­gekeerde. Die in leven bleven, waren vaak de slechtsten, de ego­ïsten, de woeste­lingen, de mensen van de grijze laag. Zo blijf je met een aantal vragen zitten. Als het de hand van God was, dat ik het heb overleefd, was de hand van God dan niet over het leven van die anderen? Dan zou er dus sprake zijn van een soort uitverkie­zing.   2 categorieën die het vol hielden; bijvoegen?

Geen ster voor Casuto

Ik hoorde indertijd het verhaal van Casuto. Casuto vertelde hoe hij als jood in een cel zat. Die cel was er één van een hele rij. Boven elke cel­deur was een gele ster bevestigd. Dat betekende dat elke gevangene die in een cel met een ster boven de deur zat, zou worden afgevoerd. Alleen op de een of andere ma­nier, door een vergissing misschien, zat er boven zijn deur géén ster. En daar­door heeft hij het overleefd. Dan zou ik dus kunnen zeggen: God heeft ge­zorgd dat er boven zijn deur geen ster kwam. Om de een of andere re­den was dat niet gebeurd, of was die ster kwijtgeraakt. Want God wilde dat hij het zou overleven. Alleen, dan kom je dus wel met een aantal vragen te zitten. Want, wilde God dan niet, dat al die anderen van dat rijtje zouden leven? Ja na­tuur­lijk, God wilde dat ze allemaal bleven leven. Het is voor God niet een kwes­tie van: nu pak ik er eentje uit. Nee, want God houdt evenveel van de men­sen die het niet gehaald hebben, als van de­genen die het wèl ge­haald hebben. Anders kom je toch in conflict met het wezen van God. Dat is wat Primo Levi benadrukt, als hij zegt, dat juist vaak de spionnen en de collaborateurs het overleefden. En ook degenen die op de een of an­dere manier nog wel aan eten wisten te komen, misschien door de no­di­ge contacten. Er zijn er natuurlijk ook die het overleefd hebben, puur in oprechtheid. Elie Wiesel zegt ergens: degenen die zich ingezet hebben voor een ander, waren degenen die nog de moed hadden om verder te le­ven. Degenen die alleen maar apathisch waren, hadden de minste kans om het vol te houden. Zo zie je dus weer, dat je op heel veel zaken geen systeem los kunt laten. Er waren er, die zich ten volle hadden ingezet en toch het eind niet heb­ben gehaald. Ik geloof ook niet, dat je in dit verband kunt spreken van een soort uitverkiezing. God zegt niet: jij mag leven, maar jij niet. Dat kun je niet op rekening van God schrijven. Het is net zo groot won­der als iemand sterft met het kabiti, het ‘geheiligd worde uw naam’ op de lippen, als wanneer iemand het heeft overleefd. Er zijn er geweest, die op die manier gestorven zijn, dat is groots. Ook hierin kun je een teken zijn van een mens die met God blijft volharden tot het einde. Ondanks alles, ook als er niets gebeurt, als er geen antwoord komt, geen uitkomst, om dan toch, om dan toch te zeg­gen: ‘God, geheiligd worde uw naam.’

Dat gebed zult Gij niet tot zwijgen kunnen brengen

Elie Wiesel vertelt een verhaal uit de Middeleeuwen, dat gaat over een reis van een man met zijn vrouw en zijn twee zonen. Ze komen op een schip terecht. Op een gegeven moment breekt er op dat schip de pest uit. De kapitein zet de mensen die daar nog overblijven maar ergens aan land. De man gaat met zijn vrouw en zijn beide zonen op weg in onbe­kend terrein. Hij hoopt dat hij ergens een oase vindt. Maar er  komt geen oase. Op een avond gaan ze met zijn vieren slapen, maar er wor­den er maar drie wakker. De vader graaft een graf voor zijn vrouw en de kin­deren zeggen: kadoesj. Daarna gaan ze weer op weg. De volgen­de dag gaan ze met z’n drieën slapen, maar er worden er maar twee wak­ker. De vader graaft een graf voor zijn oudste zoon en zegt: kadoesj. En met zijn nog levende zoon begeeft hij zich weer op weg. Die avond gaan ze met z’n tweeën slapen, maar er wordt er maar één wakker. De man graaft een graf in het zand. Hij richt als volgt het woord tot God: mèlekh ‘olam, Koning van de wereld, ik weet wat Gij wilt. Ik be­grijp wat Gij doet. Gij wilt mij tot wanhoop brengen. Gij wilt dat ik op­houd met in U te geloven. Gij wilt dat ik ophoud mijn gebeden uit te spre­­ken. Gij wilt dat ik ophoud uw naam aan te roepen om die te loven en te heiligen. Welnu, ik zeg U, neen, neen, duizendmaal neen. Het zal U niet lukken. Ondanks mijzelf, ondanks U, zal ik het kadoesj blij­ven zeg­gen. Omdat het een gebed van trouw is aan U, aan U en tegen U. Dat gebed zult Gij niet tot zwijgen kunnen brengen, God van Israël. En God stond toe, dat hij opstond en wegging naar de verten, waar hij zijn een­zaamheid onder een verlaten hemel mocht torsen. En dan denk je: dat verhaal is voor mij ook een wonder. Een overle­ven­de, die alleen overblijft, een Job. Zo zijn daar heel wat Jobsgestalten ge­weest. Job is ook een won­der. Een van de grootste wonderen in de bijbel is Job. Job was ook een overlevende. Zo is de Messias in wezen ook een overle­vende geworden. Hij overleeft het kruis, de ondergang, de af­braak en daarom kan Hij ook al die overlevenden begrijpen. Dat is toch ook iets heel wonderlijks. Dan zie je ook, dat je dat niet in een of ander schema in kunt passen.

De God van het Westen is altijd de beste

We brengen dit ter sprake, omdat we dit kunnen be­schouwen als een soort correc­tie op een bepaald denken, dat je nog­al eens tegenkomt, spe­ciaal in evangelische kringen. Je zou zeggen: een be­paald, nogal sim­plis­tisch denken. Dat wordt dan als volgt geken­merkt: als ik ergens mee zit, en ik roep God aan, dan komt God ogen­blik­kelijk in ac­tie. Dan heb ik toch wel het gevoel, dat bepaalde za­ken wat scheefge­trok­ken worden. Dan krijg je het idee dat God meer geïn­te­resseerd is in mijn griep en in mijn kleine probleempjes dan bijvoor­beeld in al die vluchtelingen die het geweld trachten te ont­vluch­ten. Om maar niet te spreken van al die christenen die vervolgd wor­den. Daar wordt niet ingegrepen. Maar als een kind van God dan zegt: God, ik voel me niet zo erg lekker, wilt U mij aan­raken, dan zou God wèl moe­­ten ingrijpen. Dan krijg je een beetje het idee dat God se­lectief te werk gaat. Daarmee ontken ik niet dat God kan ingrijpen in jouw persoonlijk leven. Alleen, het moet wel in balans zijn. Opmerking: Dan zou je het idee kunnen krijgen, dat als God niet in­grijpt, Hij dus niet mèt jou is. In een zangdienst kwam de zinsnede ter sprake: God heeft u welge­daan. Er werd toen gevraagd wie er een voorbeeld had, waaruit dan zou blij­ken dat God jou heeft welgedaan. Toen was een van de voorbeelden, dat je een welgevulde koelkast hebt. Er zijn echter hele volksstammen die he­lemaal geen koelkast hèbben, laat staan dat er wat in zit. Heeft God die mensen dan niet welgedaan? Is God dan speciaal de God van West-Europa? De God van de welvarende landen? Maar dan krijg je toch wel een stuk theologie dat levensgevaarlijk is. Is God dan niet speciaal de God van de uitvallers?! Is God dan niet de God van degenen die het niet halen? Als je God op die manier gaat koppelen aan de welvaart, heb je toch wel een verkeerd Godsbeeld. God heeft mij welgedaan, ik ben van mijn griep genezen. Dan krijg je het idee dat God zich specialiseert in aardige han­delingen. Om het wat choquerend te zeggen: de grote pro­blemen, daar be­gint Hij maar niet aan. Elie Wiesel zegt dan: waar was God in Ausch­witz?! Hij zegt er dan ook bij: eigenlijk moet je die vraag anders stellen: waar was de mens in Auschwitz!

Een engel mag te laat komen, maar een mens niet

De joodse dichter Leider kwam in 1957 in Jeruzalem. Aan het eind van zijn bezoek werd aan hem gevraagd: heb je nog iets te zeggen? Heb je nog een boodschap? Dan vertelt hij een verhaal uit zijn kinderjaren. Hij zegt: dat is nu een typisch joods verhaal, maar het is tegelijk een kriti­sche belichting van een manier van denken die wel onder ons gevonden wordt. Als kind zat ik op de, xxxaaaa, de Joodse school en toen vertelde de rebbe over Abraham en Isaak. Abraham ging met Isaak naar het al­taar. Toen zei de rebbe: op het laatste moment kwam de engel en zei: Abraham, Abraham, doe je zoon geen kwaad! Nog net kon de engel Abra­ham tegenhouden, die al met het mes klaarstond. Leider zegt: als kind hoorde ik dat verhaal en toen werd ik bang. Dat vind ik op zich heel typerend, hoe een kind soms reageert op verhalen. Want wij heb­ben al onze stereotype reacties. Leider zegt: na afloop ging ik naar de rebbe toe en vroeg: als die engel nu te laat gekomen was, wat dan? En toen zei de rebbe: jongen, onthoudt één ding: een engel komt nooit te laat. Leider stond daar op een heuvel en wees naar wat er in de verte te zien was: jad vad sjem, een oorlogsmonument ter gedachtenis aan die zes mil­joen slachtoffers. Hij zegt: nu zijn wij zoveel jaar verder en nu we­ten we dat de engel zes miljoen keer te laat is gekomen. En toen eindigde hij met deze woorden: mensen, onthoudt dit: een engel mag te laat komen, maar de mens, de mens, hij mag niet te laat komen. Voor mijn gevoel is dit een verhaal waar je niets meer op kunt zeggen. Het is voor mijn gevoel ook een verhaal dat zo anders is dan het gang­bare evangelische denken. Vaak is het denken van de christenheid blij­ven steken in de eerste helft van het verhaal. De engel komt nooit te laat. En daar stopt het dan. God komt ook nooit te laat. Alle ervaringen die daar dan niet mee overeenstemmen moet je dan maar doorslik­ken of niet verder over nadenken. Broeder, u moet positief blijven! En dan zie je dat joodse denkers zeggen: een engel mag te laat komen. Daar zit op zich dan ook een heel wonderlijke verschuiving in, als er ge­steld wordt dat die engel te laat is gekomen. Want toen ze daar één voor één de gaskamers binnengingen, toen kwam er niet een engel van de he­mel die de ellende tegenhield. Een wonderlijke uitspraak: een engel mag te laat komen, maar een mens niet. Wat dat betreft zit er dan een onge­lo­felijk diepe vraag in, want dan wordt het een vraag aan ons: komen wij te laat of komen wij op tijd voor de ander. In dit licht gezien, kun jij het ook niet meer afschuiven en zeggen: God moet het doen. Dan kun je ook geen verwijten gaan maken en zeggen: waarom doet God niets? Maar dan wordt het een appèl: waar is dan de mens in heel de geschiedenis? Wil de ware mens opstaan! Dat is ook het grootse geweest van Jezus, en Hij is mens geweest met de mensen. Hij zegt: wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien. Jezus heeft ook niet gezegd: je moet maar wachten tot God iets voor je doet. Hij zegt: Ik zal er zijn voor jou.

Naomi wordt weer ‘de Liefelijke’

Dat zie je eigenlijk ook heel mooi in het verhaal van Ruth. Ruth die er ge­woon ook is voor Naomi. En dat is een wonder. En omdat Ruth er ge­woon is, daardoor vindt Naomi God terug. Dan zie je eigenlijk iets heel merkwaardigs; in de gestalte van Ruth krijgt Naomi weer zicht op God. Want Naomi zag het helemaal niet meer zitten en zei: de Almach­tige heeft mij bitterheid aangedaan, van God hoef ik ook niets meer te ver­wach­ten. En via Ruth gaat ze weer wat van God zien. Ruth wordt als het ware het beeld van God voor Naomi. Toen was er eindelijk een mens in het verhaal. En daarom was God er. Notabene een heidense vrouw, nog wel een Moabitische. En die Moabitische Ruth mag aan Naomi God to­nen. Daardoor wordt Naomi eindelijk weer Nao­mi. Zo wordt Naomi uit haar bitterheid bevrijd en wordt ze weer ‘de Liefelijke’. Gelukkig heeft God af en toe nog een Ruth achter de hand. Je zou haast zeggen: om zijn plaats in te nemen, om zijn beeld te dragen. Als Naomi Ruth gezien heeft, heeft ze ook weer zicht op God. Dan ziet ze het weer helemaal zitten. Dan zit er weer muziek in het leven.

En ik weet, dat ik bij mijn komst te uwent met een volle zegen (in de volheid van de zegen van de Messias) van Christus zal komen. Maar, broeders, ik vermaan u bij onze Here Jezus Christus en bij de liefde des Geestes, om samen met mij te worstelen in den gebede voor mij tot God, opdat ik behoed (opdat ik ontrukt wordt) worde voor de weerspannigen (aan degenen die ongehoorzaam zijn) in Judea, en dat mijn dienst­betoon voor Jeru­zalem gunstig worde opgenomen door de heiligen, opdat ik, in blijdschap tot u gekomen met Gods wil, mij tezamen met u ver­kwikken (letterlijk: samen tot rust komen) moge. De God nu des vredes zij met u allen! Amen. – Rom.15:29-33.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384917 bezoekers sinds 07-06-2010