De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 26

04-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Hoofdstuk 14

De zwakke zult gij onthalen in het geloof

Aanvaardt de zwakke in het geloof, maar niet om overwegingen te beoordelen. Rom.14:1.

Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige sa­menspre­kin­gen. – SV.

Je kunt die tekst op twee manieren lezen. Het opmerkelijke is, dat in de grond­tekst het eerste woord is: de zwakke. De zwakke staat dus hele­maal centraal. Dat is dan toch ook wel symbolisch, de zwakke geeft de toon aan, die mag in dit hele verhaal voorop staan. En dan kun je zeg­gen: ‘De zwakke in het geloof zult gij aanvaarden’. Je kunt ook zeggen: ‘De zwakke zult gij in het geloof aanvaarden’.

Zo kom je meteen bij het basispunt, dat de zwakke de toon aangeeft. De zwakke staat centraal in de gemeente, in het Koninkrijk van God. Wat dat betreft is het evangelie ook weer totaal anders dan de verheerlijking van de supermens of de Übermensch. Niet de krachtpatser, maar de zwak­ke gaat voorop. Wat dat betreft kom je in een heel andere gedach­te­wereld dan de wereld van bijvoorbeeld de reclame. Daar moet je altijd sterk en jong zijn en je goed voelen. Daar wordt een bepaald idealisme gepro­pa­geerd, waarbij de zwakke helemaal niet in beeld komt. Een van de type­ren­de tendensen in de reclame is, dat daar bijvoorbeeld het beeld gete­kend wordt van mensen die zich terugtrekken naar een idyllisch ei­land en die daar dan alleen of met zijn beidjes een soort droom­toe­stand kun­nen realiseren. Een droomeiland……. Wat dat betreft schildert de bijbel geen droomtoestand, maar een situa­tie waar de zwakke alle aandacht krijgt. De zwakke wordt aanvaard. Je kunt let­terlijk ook vertalen ‘de zwakke wordt ontvan­gen’. De zwakke zult gij onthalen in het geloof. Het is op zich natuurlijk ook een nogal com­plexe kwestie wie nu die zwakke is. Wanneer ben je nu sterk en wan­neer ben je nu zwak? Hoe moet je dat nu nauw­keurig indelen? Je zou haast ge­neigd zijn om voor de zwakke als syno­niem de arme te noemen. De zwakke is degene die arm is aan mogelijk­heden. Deuteronomium 15 zegt ook: Want armen zullen nooit in het land ontbreken; daarom gebied ik u aldus: Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor de ellendige en de arme in uw land. – Deut.15:11.

De armen hebt gij altijd bij u. Je zou dus met een variant kunnen zeggen: de zwakken hebt gij altijd bij u. De arme zal niet verdwijnen van de aar­de, of: zal niet verdwijnen uit het land. De zwakke dus ook niet. Het thema van de zwakke in het geloof wordt door sommigen verbon­den met de voorgaande verzen; de zwakken in het geloof zouden dan de­genen zijn, die moeite hebben om hun zonden te laten. Naar mijn mening begint hier echter toch een heel nieuw thema. En bo­ven­dien, dat hele begrip ‘zwak’ omvat veel meer. Ik denk niet dat het hier gaat om mensen, die bepaalde dingen niet kunnen loslaten. Dat zwak zijn kan zich dus op allerlei terreinen voordoen. Juist daarom zou ik het parallel willen zetten met de arme. Eventueel zelfs, wat Matteüs 5 noemt: de armen van geest. Dat wordt in de Hebreeuwse tekst dan in de regel ge­noemd de ani, wat dan betekent: de ellendige, de neergebogene, je zou haast kunnen spreken van de kansarme. John Hull was theologisch docent in Birmingham. In 1980 verdween het laatste restje licht uit zijn ogen en was hij volkomen blind geworden. Hij heeft ook een dagboek geschreven, waarin hij al zijn ervaringen met zijn handicap beschrijft. John Hull, ook een mens met een begrenzing in zijn mogelijkhe­den. Zijn kinderen kijken dan bijvoorbeeld naar teken­films waar ze allerlei super­men­sen zien, die van alles kunnen. In die films wordt een onbegrensd potenti­eel aan bevrijding, aan mogelijkhe­den en aan macht getoond. En onwillekeurig vragen die kin­deren zich dan ook af: zou pa­pa……. En het antwoord van Hull is de theologie van de zwakte. Het verhaal van de verliezer die wint. Ge­ha­vend en geschon­den, maar mach­tig door inzet en liefde. De schep­pings­theologie, waar – anders dan bij Darwin – niet het recht van de sterk­­ste regeert, maar het recht van de zwak­ste. Opdat de zwakke het voor­touw neme. Die zwak­heid omvat dus een breed scala van aspecten. Want dat staat er ook bij: ‘maar niet om overwegingen te beoordelen’.

Want God heeft hem aanvaard

De een gelooft, dat hij alles eten mag, maar de zwakke eet plantaardig voedsel. Rom.14:2.

Wie wèl eet, minachte hem niet, die niet eet, en wie niet eet, oordele hem niet, die wèl eet, want God heeft hem aanvaard. – Rom.14:3.

Wie wel eet, minachte (of verachte) hem niet die niet eet. Het woord min­­­achten bete­kent eigenlijk zoiets als vernietigen. Je zou haast zeggen de grond inboren, afkraken. En wie niet eet, oordele hem niet die wel eet. Want, daar komt dan het grondmotief, ‘want God heeft hem aanvaard’. Of: ‘onthaald, ontvangen’. Dus het sleu­telwoord, het trefwoord van het ver­­haal, is ontvangen, onthalen. Dat wordt nu al voor de tweede keer ge­zegd. Vers 1: ‘jullie zullen die mens ontvangen’, want, zegt vers 3: ‘God heeft hem ontvangen’.

Wie zijt gij, dat gij eens anders knecht oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. Maar hij zal staande blijven, want de Here is bij machte hem vast te doen staan. – Rom.14:4.

Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen. – SV.

Je krijgt hier dus een soort tegenhanger. Aan de ene kant dat ontvangen, dat ont­halen en aan de andere kant dat oordelen. Tegenover het oor­de­len staat het ontvangen. Want zodra je gaat oordelen, ontvang je niet meer, dan gaat de deur dicht. Dan komt er een kloof en een iso­lement. ‘Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan’. Letterlijk kun je ook vertalen: ‘voor zijn eigen heer staat of valt hij’. Dat is dan tegelijk het paradoxale, dat die zwakke staan­de zal blijven. Of die sterke blijft staan, valt nog te be­zien, maar die zwakke zal staande blijven, want hij is een knecht met een heer. Dit is in feite ook weer een contrast; niet de zwakke staat ter discussie, maar de sterke. Die sterke loopt wel wat meer risico; die loopt namelijk ook het risico dat hij geen rekening houdt met dat oordelen. En al oordelende loopt hij het gevaar, dat hij struikelt.

Deze immers stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd. – Rom.14:5.

In de grondtekst komt weer het woord oordelen naar voren: ‘deze oor­deelt dag boven dag’. Of: ‘deze onderscheidt dag boven dag’. ‘Gene stelt ze alle gelijk’. Letterlijk: ‘de ander onderscheidt elke dag’. Dus de een heeft bepaalde speciale dagen, voor de ander is elke dag spe­ciaal. De een leeft bij hoogtepunten, voor de ander is elke dag een hoog­te­punt. Hij oordeelt elke dag. Er zijn bepaalde Indianenstammen die in­derdaad aan elke dag van het jaar een speciale betekenis toekennen. Die hebben dus 365 speciale dagen in een jaar. Er is ook wel op gewezen, dat wanneer die stammen zich dan bekeerden tot het christendom – ze wat hun tijdsbesef betreft – dit als een grote verarming ervaarden. Het christendom had maar heel af en toe een paar feestdagen. En verder was het dan een eindeloze, grauwe monotonie. Daar zie je dat zoge­naam­de primitieve culturen, wat het omgaan met de tijd betreft, soms veel verder zijn dan wij. Dus het staat vaak nog helemaal te bezien wat nu sterk en wat nu zwak is.

Een ieder moet in zijn eigen denken voldragen worden

‘Ieder zij voor zijn eigen besef (in zijn eigen denken) ten volle overtuigd’. Rom.14:5b. Letterlijk: ‘een ieder moet in zijn eigen denken voldragen worden’. Pleroformio (plero=vol; formio=dragen) betekent letterlijk: voldragen wor­­den.

Een ieder moet voldragen worden in zijn eigen denken. Dat is ook weer een belangrijk principe. Paulus stelt hier in feite: wat zijn de conse­quen­ties van jouw manier van denken? En dan maakt het in feite hele­maal niet zoveel uit, wel­ke keuze je maakt wat betreft de voorkeur voor be­paalde dagen. Maar in datgene wat je kiest, daarin moet je dan ook vol­dragen worden. Als iemand steeds maar weer een ander veroor­deelt, dan heeft hij op de duur geen energie meer over om in zijn eigen denken tot rijpheid te komen. Dat komt dan niet tot ontplooiing. Je moet in je eigen denken voldragen worden, waardoor er een rijping komt, want an­­ders is dat denken prematuur, onrijp. Je zou haast zeggen: dan ben je te vroeg geboren. Zoals een appel die van de boom wordt gehaald, voor­­­­dat die rijp is. Je denken moet voldragen worden, dat is een heel be­langrijk principe. Door onrijpe gedachten komen vaak heel wat proble­men. Dat zie je in ge­meenten soms ook. Onrijpe gedachten hebben vaak ook iets van mo­de­verschijnselen. Dan is lofprijzing in de mode, dan weer dansen, dan weer vendelzwaaien. Het gebeurt in de pastorale zorg, dat men bij personen terug wil gaan tot zijn jeugd om bepaalde problemen boven wa­ter te krijgen. Soms wil men zelfs iets zogenaamd prenataals naar bo­ven halen, en wil men heel de situatie rondom de geboorte we­ten. In zo’n geval kan er sprake zijn van een soort ‘Entdeckungsfreude’. Men heeft iets ont­dekt en dat wordt dan meteen een sleutel op alle deuren. Dat wordt dan een soort geneesmiddel voor alle kwalen. Paulus zegt: laat die gedach­te nu maar eerst eens voldragen worden.

Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God. – Rom.14:6.

Die den dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waar­neemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God. – SV.

Letterlijk: ‘wie de dag bedenkt, (die zich op de dag bezint), hij bezint zich voor de Here’. ‘Want hij dankt God’; hier staat een werkwoord dat samenhangt met eu­charistie. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren

Want niemand onzer leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf. Rom.14:7. want als wij leven, het is voor de Here, en als wij sterven, het is voor de Here. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren. – Rom.14:8. Dus het is altijd in een relatie. Het kernpunt is dus niet zozeer het beoor­delen van wat iemand doet, maar voor wie hij het doet. Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij èn over do­­­den èn over levenden heerschappij voeren zou. – Rom.14:9. Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend ge­wor­den, op­dat Hij beiden over doden en levenden heersen zou. – SV. Paulus brengt het dus in verband met de weg van de Messias, die leven en dood omvat. Gij echter, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat minacht gij uw broe­der? Want wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel (bèma) Gods. Rom.14:10. Want er staat geschreven: (Zo waarachtig als) Ik leef, spreekt de Here: voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God loven. – Rom.14:10.

Oordeelt ook gij niet hen, die in uw kring zijn?

In Korinte zegt Paulus: ‘oordeelt gij niet alleen degenen die in de kring zijn’.  Er is hier toch wèl sprake van oordelen. In de Korinte­brief wordt in­der­­daad wel gesproken over het oordelen van degenen die in de ge­meen­te zijn. Staat het soms aan mij, hen te oordelen, die buiten zijn? Oordeelt ook gij niet (alleen) hen, die in uw kring zijn? – 1 Kor.5:12. Hen, die buiten zijn, zal God oordelen. Doet, wie niet deugt, uit uw midden weg. – v.13.

Daar gaat het dus over mensen in de gemeente die duidelijk niet in over­­een­stem­ming leven met de weg van de Messias. Paulus noemt daar ook nogal het een en ander op: Nu evenwel schrijf ik u, dat gij niet moet omgaan met iemand, die, al heet hij een broeder, een hoereerder, geldgierige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard, of oplichter is; met zo iemand moet gij zelfs niet samen eten. – 1 Kor.5:11. Daar gaat het dus duidelijk over iemand die een broeder heet, maar om zo te zeg­gen, het hele Koninkrijk van God met voeten treedt en dwars tegen de grond­principes van het Koninkrijk van God ingaat. Het zou toch wel een vreem­de zaak zijn als je in zo’n geval niet zou mogen oor­delen. Dan zou je he­le­maal geen onderscheid meer kunnen maken tus­sen goed en kwaad en tussen licht en duisternis. In de gemeente behoort een mens aanspreekbaar te zijn op de grondregels van het Koninkrijk. In Romeinen 14 gaat het echter duidelijk over punten, waar­over je van me­­ning mag verschillen. Op het aspect van bijvoorbeeld al dan niet op zaterdag of zondag rustdag houden, of op het aspect van wat je eten mag of niet, mag iedereen zijn eigen vrije keuze hebben. De ander dient dat te respecteren.

Spijswetten

Sommige mensen beroepen zich kennelijk op bepaalde bijbelteksten om de vegetarische maaltijd te verdedigen. Daar zit natuurlijk weer heel die kwestie achter, die ook in 1 Korinte speelt, waar het in de eerste plaats over de spijswetten gaat. In de tweede plaats speelt hier als achtergrond mee de bron van het vlees, dat namelijk uit heidense slachthallen kwam. Dat was soms ook vlees dat aan de afgoden gewijd was geweest. Wat het offervlees aangaat, wij weten, dat wij allen kennis bezitten. De ken­nis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht. – 1 Kor.8:1. Wat nu het eten van offervlees betreft, wij weten, dat er geen afgod in de we­reld bestaat en dat er geen God is dan Eén. – v.4 Maar niet bij allen is die kennis. Want sommigen, in hun geweten nog niet los van de afgod, eten (dit vlees) als afgodenoffer en hun geweten, dat zwak is, wordt erdoor besmet. – v.7. Nu zal wat wij eten, ons niet bij God brengen; eten wij niet, wij zijn er niet minder om; eten wij wèl, wij zijn er niet meer om. – v.8 Maar ziet toe, dat deze bevoegdheid van u niet tot aanstoot voor de zwakken worde. – v.9. Want indien iemand u, die kennis hebt, (aan tafel) ziet aanliggen in een afgo­den­tem­pel, zal hij met zijn zwak geweten dan niet gestijfd worden tot het eten van offer­vlees? v.10.

Daarom, indien wat ik eet, mijn broeder aanstoot geeft, wil ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, om mijn broeder geen aanstoot te geven. v.13.

Tenslotte waren daar ook nog de regels vanuit de Noachietische gebo­den, namelijk dat het verstik­te en het vlees waar nog bloed aan zat, niet gegeten mocht worden. Vandaar dat je een heel complex hebt van kwes­ties, waar­door sommigen dan zeiden: we eten voortaan al­leen maar plant­aar­dig voedsel. Dan loop je ook geen risico. Vervolgens krijg je dus de vraag: moet je elkaar daarop beoordelen? Paulus pakt hier be­paalde voorbeelden, maar het gaat uiteindelijk om het principe van het wetti­cisme. Een voorgangersechtpaar dat in Bulgarije was ge­weest, had ervaren dat daar in de gemeenten vaak het verschijnsel van het wetticisme een be­langrijke rol speelde. Zo was in verschillende ge­meen­ten de kwestie van de haardracht van de vrouw ook nog een punt van discussie. Trouwens, het ging in dat verband ook om heel de positie van de vrouw. In be­paal­de gemeenten kwam ook de vraag naar voren: wanneer zijn je zon­den nu vergeven? Toen bleek, dat daar jarenlang geleerd was: je zonden zijn pas vergeven, als je bekeerd bent, als je je hebt laten dopen, als je ge­doopt bent met de Geest, en als je in tongen spreekt. De jongeren ko­men wel met vragen, maar een hele generatie heeft daar nooit iets an­ders ge­hoord. Er is daar dus een heel kordon van bepalingen omheen ge­maakt. Het wordt tijd dat Romeinen 14 daar eens binnenkomt bij de ingezon­den stukken. Zo zien we ook weer, dat hoe meer wetten en bepalingen er omheen ge­bouwd worden, des te groter de twijfel en onzekerheid worden. Je moet dan wel aan heel wat voorwaarden voldoen, voordat je eigenlijk weet waar je aan toe bent. Daar komt dus ook weer het aspect van zwak­­ken en sterken naar voren. Als je dus al die genoemde kenmerken hebt, hoor je bij de sterken. In de tijd van Paulus speelde de kwestie van het eten van bepaalde spij­zen dus een grote rol. Vooral als het ging om de herkomst van die spij­zen, of ze al dan niet gewijd waren aan de afgoden. Hierbij moeten we be­den­ken, dat de maaltijd in heel wat culturen ook een sterk religieus ka­rakter had. In onze westerse samenleving leven we vaak op veel ter­rei­nen in een post-religieuze cultuur, waarbij de maaltijd meestal een volstrekt neutrale bezigheid is. Anderzijds is in het westen ‘een etentje hebben’ weer een hele religie op zich geworden. Maar in heel die oude wereld en trou­wens nog steeds in veel culturen, is het nuttigen van spij­zen sterk omge­ven met allerlei ritueel. De maaltijd met iemand gebrui­ken deed je ook niet zomaar. Dat betekende ook, dat je deel had aan het leven van je gast­heer. Een verbond werd ook vaak met een maaltijd be­krachtigd. He­le gene­raties zijn in het Westen opgevoed met de gedach­te, dat eten niets met je geloof heeft te maken.

Want er staat geschreven: (Zo waarachtig als) Ik leef, spreekt de Here: voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God loven. – Rom.14:11. Paulus gaat hier door op die kwestie en gebruikt een citaat uit Jesaja 45. En dan de conclusie:  Zo zal dan een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven aan God. Rom.14:11. ‘Aan God’ ontbreekt dus in een aantal handschriften. De nadruk in deze tekst valt op ‘ieder onzer voor zichzelf’. Het gaat er dus weer om, in de lijn van je eigen gedachten door te denken. In feite loopt de lijn gewoon door in vers 13. Laten wij dan niet langer elkander oordelen

Laten wij dan niet langer elkander oordelen, maar komt liever tot dit oordeel: uw broe­der geen aanstoot of ergernis te geven. – Rom.14:13. In het Grieks staat hier het woord bèma. Datzelfde woord wordt ook gebruikt als Pilatus op zijn zetel plaatsneemt en dan een rechterlijk von­nis over Jezus uitspreekt. Uit dat verband zou je concluderen dat bèma rechter­stoel be­te­kent. Het woord bèma heeft echter niet direct het begrip rech­ter­stoel in zich. Het is meer een alge­meen woord. Het kan dus wel gebruikt wor­den voor de zetel van een jury bijvoorbeeld bij een wed­strijd. De jury die dan op de bèma plaats­neemt en beoordeelt wie de prijs krijgt en wie gediskwalificeerd wordt. Dat is ook inderdaad het beeld dat Paulus gebruikt in 1 Korinthe 9. Weet gij niet, dat zij, die in de renbaan lopen, allen wel lopen, doch dat slechts één de prijs kan ontvangen? Loopt dan zó, dat gij die behaalt! 1 Kor.9:24. Dus bèma is meer een algemeen woord en kan in verschillende verban­den voor­komen. Dus het beeld in Romeinen 14 is inderdaad: Gij echter, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat minacht gij uw broe­der? Want wij zullen allen gesteld worden (gepresenteerd worden) voor de rech­terstoel (zetel van God) Gods. – Rom.14:10. Dat kan dus het beeld zijn van een rechtszitting, het kan ook het beeld zijn van een wedloop. Het punt is natuurlijk, dat bij een wedloop ook beke­ken wordt hoe jij hebt gelopen. Je kunt de wedloop niet winnen door een ander te beoordelen. Je kunt langs de lijn gaan staan en dan zeggen wie er goed of verkeerd loopt. Maar daardoor krijg je nog geen prijs, ook al heb je iedereen beoordeeld. Dus dan komt het daar ook in­der­­daad aan op dat voldragen worden van je eigen gedachten. Daarom is ook de conclusie in vers 13:  Leg je broe­der geen struikelblok voor  Laten wij dan niet langer elkander oordelen, maar komt liever tot dit oordeel: uw broe­der geen aanstoot of ergernis te geven. – Rom.14:13. Daar gebruikt Paulus een paar interessante woorden. Het woord aan­stoot bete­kent letterlijk struikelblok. Het woord ergernis is in het Grieks schan­dalon, waar dan ons woord ‘schandaal’ vandaan komt. Het woord schandalon betekent letterlijk struikelblok of valstrik. Datzelfde woord wordt ook gebruikt in Matteüs 18, waar gesproken wordt over het ten val brengen van een van ‘deze kleinen’. Het wordt ook vaak vertaald met ‘ergernis’.

Maar een ieder, die één dezer kleinen, die in Mij geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee. – Matt.18:6.

Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. – SV.

Het is merkwaardig, dat je dat woord struikelblok ook in het He­breeuws tegenkomt, onder andere in Ezechiël 14. Er komen mensen bij Eze­chi­ël om raad te vragen, maar er staat dan: ‘ze stellen hun struikelblok voor zich’. Mensenkind, deze mannen dragen hun afgoden in het hart en hebben vlak voor zich gesteld wat hun een struikelblok tot ongerechtigheid is; zou Ik Mij dan nog door hen laten raadplegen? Daarom spreek en zeg tot hen: zo zegt de Here HERE: ieder uit het huis Is­raëls, die zijn afgoden in het hart draagt, en vlak voor zich stelt wat hem een struikelblok tot on­ge­rechtigheid is, en dan tot de profeet komt – Ik, de HERE, zal hem bij zijn komst van antwoord dienen met zijn vele afgoden. – Ez.14:3,4.

Als je nu een struikelblok voor je stelt, dan kun je ervan op aan dat je in­der­daad op je neus terechtkomt. Er staat: ‘dat geven ze voor hun aangezicht’. Hier in de Romeinenbrief gaat het speciaal over het punt, dat je je broe­der geen struikelblok voor moet leggen. Het is merkwaardig dat dat punt ook voorkomt in de Torah, in Leviticus 19. Daar staat het dan in een heel frappante tekst. Een dove zult gij niet vloeken en voor een blinde zult gij geen struikelblok leg­gen, maar gij zult voor uw God vrezen: Ik ben de HERE. – Lev.19:14.

Voor het aangezicht van een blinde moet je geen struikelblok neerleg­gen. Breng die ander niet ten val door hem wetten op te leggen, door be­oordeling of veroordeling. Het punt is dus, dat als hij die vloek niet hoort, dat hij zich er dan ook niet tegen kan verweren. Dus je doet iemand iets aan, waartegen hij zich niet kan verdedi­gen. Je gaat iemand juist op zijn kwetsbare punt aanval­len. Je maakt misbruik van de onmacht van de ander. De dove krijgt een verzoeking en de blinde krijgt een struikelblok waar hij zich dus ook niet tegen kan verdedigen. Hij ziet dat struikelblok niet en juist op dat punt is hij kwetsbaar. In verband met dat punt van ergernis en struikelblok willen we aan­dacht schenken aan een tekst uit 1 Johannes 4.

De volmaakte liefde drijft de vrees uit

Hierin is de liefde bij ons (onder ons) volmaakt geworden, dat wij vrijmoe­dig­heid hebben op de dag des oordeels, want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze we­reld. – 1 Joh.4:17. Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde. 1 Joh.4:18.

Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde. v.18 – SV.

Er is in de liefde geen vrees. Of: ‘vrees is er niet in de liefde’. Maar de vol­maakte liefde of ei­genlijk ‘de volwassen liefde, de volgroeide liefde’, werpt de vrees buiten. Dus die volgroeide liefde is de liefde van God. En in dat klimaat van die liefde van God kan de vrees zich niet handhaven. Daar wordt de vrees weg­ge­bannen, uitgebannen. En dan zegt die tekst verder nog: ‘de vrees houdt verband met straf’. Alleen, dat is niet een straf van God, maar dat is de straf die mensen opleggen. Ie­mand is bang omdat hij denkt: wat zullen ze nu weer over mij zeggen of hoe zullen ze nu weer over mij denken? Die angst zit vaak diep verankerd. Ja, nu zwaait er wat! En een mens re­a­geert dan vaak heel geprogram­meerd vanuit het patroon van straf en be­­loning. Een mens is vaak helemaal gecon­di­tio­neerd op dat punt. Er zal wel weer een straf komen, als je wat gedaan hebt, en zelfs soms als je niets gedaan hebt. 

Oorspronkelijk kan dat woord ook betekenen snoeien. Het woord kola­ris, dat dan hier met straf vertaald is, kan ook betekenen snoeien of af­ge­bonden. Er is een Franse vertaling die spreekt van een kwelling. Vrees geeft een kwelling, vrees geeft een afknotting. Dus eigenlijk kan een mens dan niet echt leven, het leven wordt afgeknot en ingeperkt. Vaak wordt de vergissing gemaakt, dat een tekst wordt omgedraaid. Dan wordt er gezegd: ben je nog bang? Maar dan ben je geen goed chris­­ten! Dat wordt hier niet bedoeld. De betekenis is wel: wie vreest, is niet vol­groeid in de liefde. Dit duidt dus gewoon op een bepaalde weg, waarop je bezig bent je te ontwikkelen. Levinas heeft ook commentaar op deze tekst geleverd en zegt in dat ver­band: van de nazireeërs wordt gezegd dat er geen scheermes op hun hoofd zal komen.

Een nazireeër is iemand die niet bevreesd is?

De Talmud zegt: het woord scheermes is in het Hebreeuws morah, maar datzelfde woord morah, althans als je het leest met een aleph aan het eind, betekent vrees. We zien dus dat er bij die nazireeërs geen scheer­mes op hun hoofd zal komen. Maar als je één letter wat verandert, staat er: er zal geen vrees op hun hoofd zijn. Dus een nazireeër is iemand die niet bevreesd is. De vrees zal nooit boven zijn hoofd komen.

Er is nog een andere verklaring in de Talmud, die zegt: dat woord mo­rah betekent hetzelfde als maroet. Het woord maroet betekent macht of heerschappij. Dus: er zal geen heerschappij op zijn hoofd komen. Er zal dus niemand boven hem staan. Niemand zal macht over een ander uit­oefenen. En dan wordt die tekst inderdaad veelzeggend. Want wat is dan een nazireeër? Dat is iemand die bang is voor niemand, of nog nauw­keuriger: dat is iemand die de macht niet vreest. Dat is iemand die niet bang is voor machthebbers. En zo wordt dat ook aangeduid bij Sim­son. Simson was als nazi­reeër ook niet bang voor de machthebbers.

 We zien dit ook bij Samuël. Van Samuël werd ook gezegd: er zal geen scheermes op zijn hoofd komen, geen morah. Alleen, dan zegt Ra­b­bi Ne­o­rai: ja, maar Samuël was wel bang. In 1 Samuël 16 moet Samuël Da­vid gaan zalven en dan is hij bang voor Saul. De HERE zeide tot Samuël: Hoelang zult gij nog leed dragen over Saul, en Ik heb hem toch verworpen, dat hij geen koning meer over Israël zal zijn? Vul uw hoorn met olie en ga heen: Ik zend u naar de Betlehemiet Isaï, want onder zijn zonen heb Ik Mij een koning uitgezocht. En dan zegt Samuël tegen God: Maar Samuël zeide: Hoe zou ik kunnen gaan? Als Saul het hoort, zal hij mij doden. De HERE zeide: Gij zult een jonge koe meenemen en zeggen: ik ben ge­ko­men om de HERE een slachtoffer te brengen. – 1 Sam.16:1,2.

Dus Samuël was wel degelijk bang voor een mens van vlees en bloed. En dan is het merkwaardige, dat God daar ook nog op ingaat. Het is heel frapperend, dat God die angst niet van hem wegneemt, maar dat God zegt: zeg maar dat je een offer komt brengen. Dus dan vraag je je af of God dan niet bij machte was om de vrees bij Samuël weg te nemen. God zegt tegen Samuël: je moet gewoon dit en dat zeggen en dan is er niets aan de hand. Dus God helpt hem gewoon aan een voorwendsel. Je zegt gewoon: ik kom hier een offerfeest hou­den. En dan zal Saul er wel niets achter zoeken. Dus Samuël is daar helemaal niet het toonbeeld van moed en dapperheid. Hij houdt wel degelijk rekening met de macht, met Saul. Hier zie je dus toch een heel frappant voorbeeld dat een man Gods best wel eens bang kan zijn. Het zou ook heel irreëel zijn als je zou zeggen: een kind van God is nooit bang. Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde. 1 Joh.4:8.

Het gaat er in 1 Johannes 4 over, dat je niet bang hoeft te zijn ten opzich­te van God. Want bij Hem is de volmaakte liefde. Maar daarom kun je best nog wel eens bang zijn voor bepaalde omstandigheden of be­paalde mensen. Want juist daar is vaak de liefde niet volmaakt. Je kunt ook be­ter in de handen van God vallen dan in de handen van men­sen. Het hoort wel degelijk bij het menszijn, dat er nog wel eens angst voor­komt, anders zou er trouwens ook niet zo vaak in de bijbel staan: vreest niet. Maar ook die angst mag omgeven worden door die volmaak­te lief­de, zodat je uitein­de­lijk, zij het met vreze en beven misschien, in de ar­men van de Eeuwi­ge terechtkomt.

 Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden

Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels, want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld. 1 Joh.4:17. Je zou haast kunnen vertalen: hierin is de liefde tamim geworden (vol­le­dig, compleet). Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde (de liefde die tamim is) drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde. – 1 Joh.4:18.

Als de liefde gaaf, volledig is, wordt daardoor de vrees uitgebannen. Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde. – 1 Joh.4:18 SV.

En dan staat er in de Johannesbrief ook nog even bij, dat wie vreest, niet volmaakt is in de liefde. Zo’n tekst zou je heel gemakkelijk weer kunnen verstaan als een veroordeling. Als je dus vreest, mankeert er wat aan je. Het probleem is vaak, dat veel teksten als het ware achterstevoren gele­zen worden. Je komt in de praktijk ook tegen, dat mensen jaar en dag de bijbel lezen als een beschuldiging. Elke tekst die ze op­slaan keert zich te­gen hen. Dan wordt de bijbel alleen maar een soort wetboek van straf­recht, waarin dan voortdurend de veroordeling naar je toe komt. Ik denk dat het toch belang­rijk is, om dit in zijn verband te bezien. Want het gaat daar in 1 Johannes 4 juist om de kracht van de liefde. En die lief­­­de omvat dan ook het mededogen. Het is juist de liefde die het tij keert. De liefde die sterker is dan de veroordeling. De liefde die dan ook de vrijmoedigheid geeft. In dat verband wordt in 1 Johannes 4 dan ge­zegd, dat die volmaakte liefde het wint van de vrees. Hierbij moet je na­tuurlijk oppassen, dat je dit niet om gaat keren, in de zin van: als je nog vrees hebt, dan is er dus iets mis. Dan komt natuurlijk de proble­ma­tische vraag naar boven: kan een chris­ten bang zijn? In de bijbel en ook in de praktijk kom je wel degelijk te­gen dat iemand die God kent, toch bang kan zijn. Alleen al het feit dat er 365 keer in de bijbel staat: vreest niet, geeft al een signaal in die richting. Die vrees komt dus wel degelijk voor, anders zou dat niet zo vaak ge­zegd hoeven te worden. Vrees op zich is ook geen schande. Een held is ook niet zozeer iemand die nooit bang is, maar iemand die mis­schien ondanks vreze en beven er toch opaf gaat. Iemand heeft eens gezegd: een charisma is het moment waarop je je angst overwint. Wat dat be­treft zou je in feite ook het hele wezen van angst moeten onderzoeken, een soort analyse, waarbij je dan ook nog een verschil hebt tussen angst en vrees. Angst heeft ook te maken met engte. Bovendien kan er ook een aspect in meespelen van het onbekende. Er bestaat bijvoorbeeld ook faal­angst, waarbij de angst zich meestal baseert op vroegere negatieve erva­rin­gen en de herhaling van die ervaringen. De bijbel spreekt niet over een soort supermensen die nooit bang zijn. Gideon bijvoor­beeld was ook bang, hij had zich verstopt in een perskuip. Paulus zegt ook tegen de Korintiërs: ik kwam bij jullie met vreze en beven. Daarin speelt ook mee, dat het menszijn ook iets in zich draagt van het bedreig­de bestaan. In de bijbel wordt ook veel gesproken over mensen die in hun bestaan bedreigd worden. Vrees kan ook te maken heb­ben met het be­grensd zijn. Door je beperktheid zijn er ook dingen, die je niet kunt over­zien en ook niet kunt beheersen. Ook in de psalmen kom je her­haaldelijk tegen dat de psalmdichter zegt: het is mij bang. ‘Het is mij bang te moede’ maakt het NBG er dan van. Maar er staat gewoon: ‘het is mij bang’. Het gaat dus om de situatie, niet zozeer om de gevoelens, hoe­wel die er natuurlijk wel bij zullen komen. De mens heeft ook zo zijn gevoelens en de bijbelse mens is ook zeker geen stoïcijn. Vanuit de er­varing kan het aspect naar voren komen, dat je als mens onder de maat blijft. Angst om te mislukken en angst om jezelf of de ander (Ander) teleur te stellen. Dan zie je toch dat de bijbelse mens in zijn angsten en vrezen mag er­varen, dat God ook dáár in is. Dat staat zo mooi in psalm 91: Roept hij Mij aan, Ik zal hem antwoorden; Ik zal in de benauwdheid bij hem zijn, Ik zal hem uitredden en tot ere brengen. – Ps.91:15.

Ik zal in de benauwdheid bij hem zijn, niet na de benauwdheid. Je hoeft niet eerst flink te wezen om Gods nabijheid te ervaren. Liefde is dan ook het moment waarop je jezelf vergeet, waarop je zo be­zig bent met de ander, dat je je eigen mogelijkheden of gebrek aan mo­ge­lijkheden vergeet. Het merkwaardige is dus, dat de mens soms in ex­tre­me situaties tot meer in staat blijkt te zijn dan hij zelf gedacht had. Ie­mand schreef: die puurheid kom je in onze westerse samenleving ei­­genlijk alleen nog tegen in extreme omstandigheden. Omstandigheden waarin de mens dan helemaal zichzelf is. Die schrijver noemde dan als voorbeeld van die situaties: in het aangezicht van de dood of bij demen­te bejaarden. Dan heb je daar dus extreme situaties, waarbij mensen he­le­maal los zijn van allerlei plichtplegingen en conventies. Een mens wordt vaak sterk beïnvloed door allerlei codes van wat wel of niet mag of wat wel of niet hoort. Door al die codes wordt vaak de echte iden­­titeit omsluierd. Dus de lief­de betekent dan eigenlijk, dat de mens de genade krijgt om zichzelf te zijn, om authentiek en echt te worden. Dat is dan ook dat heil dat Paulus noemt in Romeinen 13. Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ont­waken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. – Rom.13:11.

Jezus verklaarde alle spijzen rein. Ik weet en ben overtuigd in de Here Jezus, dat niets uit zichzelf onrein is; alleen voor hem, die iets onrein acht, is het onrein. – Rom.14:14. Dat is in feite wat Jezus ook gezegd heeft in Marcus 7. Jezus verklaarde alle spijzen rein. Niets, dat van buiten de mens in hem komt, kan hem onrein maken, maar het­geen uit de mens naar buiten komt, dat is het, wat hem onrein maakt.  Mc.7:15.

Er is niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreini­gen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, welke den mens ontrei­nigen. – SV. Die onreinheid zit dus niet zozeer in het stof, maar in je denken. Want indien uw broeder door iets, dat gij eet, gegriefd (verdrietig) wordt, wan­­delt gij niet meer naar de eis der liefde (agapè). Breng niet door uw eten hem ten ver­derve, voor wie Christus ge­stor­ven is. – Rom.14:15.

Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uw spijze, voor welken Christus gestor­ven is. – SV.

Rekening houden met de gevoeligheden van de ander

Het lijkt hier inderdaad enigszins, althans zo zou je het in dit verband kun­nen zien, dat je op die manier in een soort bodemloze put terecht­komt. Als je hier consequent op doorredeneert, dan moet je je steeds maar weer afvragen: doe ik een ander geen verdriet met wat ik doe of met wat ik eet? Als je dan mensen hebt, die op allerlei punten heel ge­voelig zijn, dan kom je wel in een moeilijke situatie. Je moet dan toch rekening houden met de gevoeligheden van een heel scala van mensen. De vraag is dan, waar je in dergelijke gevallen de grens moeten trekken. Jij moet de ander niet kwetsen, maar aan de andere kant moet die ander ook eens een keer loskomen van zijn overgevoelige reacties. Je zou dan het geval krijgen, dat degene die overal zo gevoelig op reageert, op de duur alle relaties gaat beheersen. Die vraag doet zich bijvoorbeeld ook voor bij de zondagsheiliging. In hoe­­verre moet je daarin een ander niet ergeren of kwetsen, waar ligt daar de grens? Dat hangt natuurlijk ook weer samen met de sociale con­text waarin dit gebeurt. Er zijn dorpen waar de zondagsheiliging heel streng gehandhaafd wordt, dan ligt het natuurlijk anders dan wanneer je in een stad woont. In dit verband moet je soms een bepaalde tact en wijs­heid tentoonspreiden. In Staphorst ligt dat anders dan in Amster­dam. Je krijgt dan natuurlijk ook allerlei kwesties als: mag het zwembad op zon­dag open en mag de kermis blijven draaien op zondag. Wie mag nu de wet opleggen aan wie. Is dat een kwestie van een meerderheid? Mag Prins Carnaval overal maar zijn gang gaan? Je komt dan ook op de kwes­tie: wat is discriminatie en wat niet. Aan de ene kant wordt er ge­zegd: de kerk moet geen geld van de overheid krijgen, aan de andere kant zijn er dan allerlei moskeeën, die dan wel met de nodige subsidies gebouwd moeten worden. Welke rol speelt de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting op dit gebied? Dat is dus inderdaad een heel complex geheel. De maatstaf is dus de agapè, de liefde. Het gaat dan inderdaad om pun­ten die dan ergens hun wortels hebben in de Torah. De hele wetgeving rondom spijzen is uiteraard niet willekeurig. In de gemeente van Rome zaten dus christenen uit de joden en uit de gojim. Paulus haalt hier na­tuurlijk geen willekeurige punten aan, maar in Rome speelde bijvoor­beeld ook nog koosjer eten een rol. Dus wat er in de Torah op dit gebied werd aan­gegeven, had nog wel zijn invloed in de gemeente. Je zit dan met een gemeente – en dat is natuurlijk ook een van de kernpunten van die gemeente in Rome geweest – waarbij dan het vraagstuk speelde: hoe moe­ten nu mensen met een joodse achtergrond en mensen met een hei­dense achtergrond samen gemeente-zijn? Eigenlijk is dat een van de hoofdthema’s van heel de Romeinen­brief. Het is dus in feite een kwestie van hoe je de Torah benadert. Het gaat dus niet zomaar om allerlei wil­le­keurige kwesties. Dat heeft natuurlijk ook allerlei praktische consequenties. Onlangs werd er een lezing ge­hou­den door een liberale rabbijn. Hij benadrukte, dat er toch nog wel be­hoorlijke verschillen bestonden tussen de liberale joden en de ortho­doxe joden. De orthodoxe jood zegt: op sabbat mag je niet autorijden, want je mag geen vuur maken, terwijl in een auto een ontsteking nood­zakelijk is. Dus als je zo ver van de synagoge af woont, dat je noodza­ke­lijkerwijs met de auto moet komen, dien je thuis te blijven. Wij als libera­le joden zeggen: het is belangrijker dat je het sociale contact hebt en dat je de Torah hoort, dan of je al dan niet vuur maakt op sabbat. Bij de or­tho­doxe joden zit daar natuurlijk ook het gevaar in, dat degene die geen auto rijdt, al gauw degene die wel auto rijdt, veroordeelt. In protestantse kringen kwam het wel voor, dat een gastprediker al op zaterdag aan­we­zig diende te zijn, omdat op zondag niet gereisd mocht worden. Een pre­dikant die zich niet aan die regels houdt, zal in bepaalde gemeen­ten ook niet beroepen worden.

Met elkaar omgaan in heilige geest

Uiteindelijk is de Torah in verband met dat eten en niet eten meer kader dan dwin­gend voorschrift. Paulus zegt: het criterium is dat je naar de liefde wandelt. Dan geef je de ander de ruimte om in overeenstemming met de Torah te wandelen. Er blijft dan wel een bepaalde speelruimte voor inter­pretatie. Het criterium is, dat joden en heidenen elkaar niet iets op mo­gen leggen. Als de joden koosjer willen eten, nu, dan mogen ze dat. Dan moet jij niet in hun bijzijn expres varkensvlees gaan eten. Dan is jouw karbonade in strijd met de agapè.

Laat van het goede, dat gij hebt, geen kwaad gezegd kunnen worden. Rom.14:16. Dat dan uw goed niet gelasterd worde. – SV. Want het Koninkrijk Gods (malkut sjamajim) bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid (tsedaqah), vrede (sjalom) en blijdschap (simcha), door de heilige Geest (in heilige geest).Rom.14:17.

De ander is altijd de arme

Het gaat dus om de grondprincipes, die hier in vers 17 genoemd wor­­­den. Je dient dus met elkaar om te gaan in heilige geest (ruach qo­desj). Paulus zegt: het Koninkrijk der hemelen wordt niet gebouwd door wat je eet of door wat je niet eet, maar heeft te maken met een grond­hou­ding. Dan ga je uit van een principe, waar ook Levinas de na­druk op legt: ‘de ander is altijd de arme’. Dat is een opvallende uitspraak in het ka­der van be­paalde bijbelse en rabbijnse voorschriften. De rechten van de arme wor­den niet zozeer beschreven om de rechten zelf, maar het gaat om mijn plicht ten opzich­te van de arme. Ik word persoonlijk aange­spro­­ken. Er wordt hierbij dus niet uitgegaan van de mogelijkheid, dat ikzelf die arme of die zwakke zou kunnen zijn en mijn rechten zou wil­len doen gelden. Dat is dus het verschil; je kunt namelijk Romeinen 14 niet omdraaien en zeg­gen: nu ben ik die zwakke en nu moeten alle an­deren rekening houden met mijn gevoelig­heden. Op die manier ga je Romeinen 14 omturnen en voor jouw karretje span­nen. Je kunt niet zeg­gen: wat ben ik toch zielig, want die anderen zitten mij maar te oorde­len. Ik moet rekening houden met die anderen. Je kunt de tekst niet om­draaien en zeggen: ze moeten alle­maal rekening houden met mij. Ook de Misjnah benadrukt de rechten van de ander. De armoede defi­nieert hem als ander. En daarom kan dat ook niet opgeheven worden. De armoede of die zwakheid is niet een eigenschap of een tijdelijke toe­stand, maar de omschrijving van het anders zijn van de ander. Dus die zwakheid is een omschrijving van zijn anders zijn. Ik kan dus niet zeg­gen: nu moet hij maar eens een keer ophouden met zo zwak te zijn. Broe­der, we zullen voor je bidden dat je sterker wordt. Hierbij kan dan de bijge­dachte meespelen: dan zijn we tenminste eindelijk van dat ge­zeur af. Broeder, dat je maar gauw sterk mag zijn, dan kun je tenminste verdragen wat wij allemaal doen. Daarom staat er ook in Deuterono­mi­um 15: de armen zullen er altijd zijn in het land. Het punt waar het hier om draait is, dat dat zwak-zijn betekent: het an­ders-zijn. En dat ‘anders zijn’ kun je niet opheffen. Hierbij moet je twee dingen van elkaar loskoppelen. In de eerste plaats moeten we van het gegeven uitgaan dat een mens kan veranderen. Zelf kan ik dat nooit als excuus hanteren en zeggen: ik ben nu eenmaal zo, en dat blijft ook altijd zo. Zo wordt ook gespro­ken van de vreemdeling, de weduwe en de wees, wat ook uitdruk­kin­gen zijn van dat anders zijn. Je kunt die ander niet naar jouw hand zet­ten. Je kunt ‘die arme’ ook niet opheffen door hem wat geld toe te stop­pen. Want wie door (in deze geest) deze Geest een dienstknecht is van Christus, is welgevallig bij God, en in achting (beproefd) bij de mensen. Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing be­vor­dert. – Rom.14:18,19.

Het doel is dus de sjalom en de opbouw. Daar tegenover staat dan in vers 20: ‘Noch iets, waaraan uw broeder zich stoot’

Noch iets, waaraan uw broeder zich stoot. Breek niet ter wille van spijs het werk Gods af; alles is wel rein, maar het is verkeerd voor een mens, als hij door zijn eten tot aanstoot is. – Rom.14:20.

Dat woord ‘aanstoot’ impliceert hier, dat de ander ten val kan komen. De woor­den die hier gebruikt worden, hebben ook een sterke uitdruk­kings­kracht. Het gaat dus niet zozeer om een emotionele kwestie. Dat is ook een beetje het gevaar van de vertaling ‘erger­nis’. Daarom heb ik expres gezegd: dat woord betekent valstrik of struikelblok. Want als je het gaat trekken in de sfeer van ergernis, dan wordt het een gevoelskwestie. Daarmee krijg je dus het aspect van de lange tenen. Het wordt op die ma­­nier wel heel sterk in de subjectieve sfeer getrokken. Iedereen kan al­ler­lei ge­voe­lig­heden hebben en zich aan alle mogelijke dingen ergeren. Iemand kan zich ergeren aan het feit, dat de ander te vlug of te lang­zaam zingt. Het is ooit gebeurd op Flakkee – daar gebeuren zulke dingen – dat tij­dens een kerkdienst de organist opeens midden in een lied stopte en van­af de orgelgalerij riep: niet zo jaegen mensen!  Het is best best voor­ te stellen, dat oudere mensen moeite hebben met het tempo waarin som­mi­ge liederen worden gezongen en gespeeld. Som­­mige gemeenten staan bekend om het snelle tempo, waarin gezon­gen wordt. Als je een aanbid­dingslied in marstempo gaat zingen, dan krijg ik ook de kriebels. Ik heb wel eens meegemaakt dat er liederen werden gezongen, waarvan ik het gevoel had: dit is een gedragen lied. Je had echter nauwelijks de tijd om de woor­den uit te spreken, of de re­gel was alweer ten einde. Het tempo moet ook passen bij tekst en melo­die. Die verscheidenheid hoeft ook niet erg te zijn, als je elkaar er maar niet om gaat verketteren. Je kunt op het gebied van liederen ook een wansmaak hebben, over smaak valt best te twisten. En twisten is op zijn tijd ook helemaal niet erg. Dat kan heel gezond zijn. Als je maar in het conflict elkaars hand vasthoudt. Dat is natuurlijk wel belangrijk. Dat is niet iets voor hete hoof­den en koude harten. Maar een discussie kan best de zaak eens opscherpen, waarom doe ik het zo en waarom doe jij en wil jij het op die manier?

Vers 21 zegt: Het is goed geen vlees te eten of wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot. – Rom.14:21.

Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot, of geergerd wordt, of waarin hij zwak is. – SV.

Letterlijk: ‘noch iets, waarin uw broeder ten val komt’. Of: ‘waarin uw broeder (daar heb je weer hetzelfde woord) zich stoot’. Je moet dat ook weer in de objec­tieve zin verstaan. Niet zozeer van: ik vind dat niet leuk, maar in de zin dat het botst vanuit de Torah. Dus ook speciaal toegespitst op het punt: joden en niet-joden. We lezen in vers 22: Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht. – Rom.14:22.

 Hebt gij geloof? hebt dat bij uzelven voor God. Zalig is hij, die zichzelven niet oor­deelt in hetgeen hij voor goed houdt. – SV.

Dus er staat ‘gij’; het geloof dat gij hebt, heb dat bij uzelf voor Gods aan­gezicht. Dus je geloof, je overtuiging, moet je niet opdringen aan een an­der. Je kunt een ander niet dwingen tot een bepaald geloof. Je kunt een ander niet dwingen tot een bepaalde visie op de Torah. Op het mo­ment dat je het tracht op te leggen, is het geen geloof meer. Dan is het een wet geworden. Dan is het ook geen vrijheid meer, maar dan wordt het een stuk tirannie. Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit ge­loof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde. – Rom.14:23.

Al wat niet geloof is, is zonde, dat wil zeggen dat het zijn doel mist. Als iemand met een joodse achtergrond met twijfel in zijn hart varkensvlees zit te eten, dan mist hij het doel. Dat betekent niet, dat hij dan weer straf krijgt, maar dan heeft het ook geen enkele waarde voor het Koninkrijk van God. Dan zit hij zichzelf dus te forceren. Het gaat hier niet zozeer over het punt, hoe je nu gerechtigheid ver­krijgt, maar het gaat hier meer over het aspect hoe je samen gemeente kunt zijn. En dan krijg je natuurlijk het punt, dat je niet kunt leven vol­gens de regels van een ander. Je kunt elkaar ook geen regels opleggen, want dan ga je iets forceren. Geloof heeft ook te maken met die inner­lij­ke consis­ten­tie, een innerlijke eenheid. Want als je vanbinnen niet één bent, word je gesple­ten. Dat wordt ook met het woord twijfel aange­ge­ven; in twijfel zit het woord twee. Je houdt het niet vol om twee te zijn; God wil juist dat je één wordt.

Gelijk de Godsomkering van Sodom en Go­morra

Ik heb onder u een omkering aangericht, gelijk God Sodom en Gomorra omge­keerd heeft, zodat gij gelijk zijt geworden aan een brandhout uit het vuur ge­rukt. Toch hebt gij u niet tot Mij bekeerd, luidt het woord des HERENAmos 4:11.

Ik heb sommigen onder ulieden omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra om­keerde, u, die waart als een vuurbrand, dat uit den brand gered is; nochtans hebt gij u niet be­keerd tot Mij, spreekt de HEERE. – SV.

Deze tekst is in zoverre merkwaardig, omdat God daar in het eerste deel van de tekst spreekt in de Ik-vorm, terwijl in de tweede helft van de tekst in de derde persoon wordt gesproken. Je zou verwachten: ‘gelijk Ik Sodom en Gomorra omgekeerd heb’. Letterlijk: ‘Ik heb onder u omgekeerd, gelijk de Godsomkering van Sodom en Go­morra’. Dus wat God daar doet, staat gelijk met de Godsomkering van Sodom en Go­morra. Een dergelijke stijlfiguur kom je in de bijbel wel vaker te­gen.

Wie zijn weg recht maakt, zal ik de bevrijding Gods doen zien

Wie lof offert, eert Mij, en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien. Ps.50:23.

Wie dankoffert, die zal Mij eren;  en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien. – SV. Deze tekst wordt vaak geciteerd. Eigenlijk moet je vertalen: Wie lof offert, eert Mij, en wie zijn weg recht maakt, die zal ik de bevrijding Gods doen zien. Ps.50:23.

Ook hier zou je verwachten dat er zou staan: ‘en baant de weg, dat Ik hem mijn heil doe zien’. Je kunt uit deze tekst niet afleiden, dat als je nu maar gaat lofprijzen, je dan een weg baant voor God. Althans zo staat het in deze tekst niet zon­der meer aan­geduid. Letterlijk staat er: ‘de Godsbevrijding’. De rabbijnen tekenen hierbij aan, dat deze tekst ook kan betekenen: de bevrij­ding van God, in die zin dat God bevrijd wordt. Dat is ook een van de kern­ge­dachten in het rabbijnse denken, namelijk dat God Zelf ook be­­vrijd moet wor­den. Zolang de duisternis nog rondgaat op deze we­reld, zolang is God ook nog niet voor honderd procent vrij om te doen wat Hem behaagt. God is in heel wat opzichten ook nog beperkt in zijn mo­ge­lijkheden. God zou veel meer willen doen; Hij zou Zichzelf veel meer willen openbaren. Maar er zijn heel wat factoren die dat tegenwer­ken. Daar is dat hele domein van de nacht, waardoor God nog niet voor hon­derd procent Zich kan manifesteren. We zien uit naar de bevrijding van God, opdat God vrij baan zal krijgen. Dat is toch wel een heel boei­end thema. Je komt dat ook tegen in psalm 91.

Met hem ben Ik in de benauwdheid

Omdat hij Mij zeer bemint, zal Ik hem bevrijden; Ik zal hem beschutten (Ik haal hem omhoog), omdat hij mijn naam kent. Roept hij Mij aan, Ik zal hem antwoorden; Ik zal in de benauwdheid bij hem zijn, Ik zal hem uitredden en tot ere brengen. Met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen,  en Ik zal hem mijn heil doen zien. – Ps.91:14-16.

‘Ik zal in de benauwdheid bij hem zijn’. Letterlijk staat er: ‘Met hem ben Ik in de benauwdheid’, met de nadruk op Ik. Hier staat voor het woord Ik in het Hebreeuws Anochi; dat is de lange vorm van ‘Ik’, waardoor het woord ‘Ik’ geaccentueerd wordt. De rabbijnen leiden hieruit af, dat als de mens in de benauwdheid zit, God ook in de benauwdheid verkeert. God zit samen met die mens in de benauwdheid. Dan zie je ook als Godsbeeld, dat God solidair is met zijn mensen en dat Hij samen met hen door de benauwdheid heengaat. ‘En Ik zal hem mijn heil (Jeshua = bevrijding) doen zien’. De rabbijnen hebben ook hier weer bij aangetekend, dat dit in­houdt, dat God weer helemaal vrij baan krijgt. We hebben hier een motief gezien, dat herhaaldelijk in de psalmen te­rug­­komt. Dat motief van het ‘aanroepen’ komt bijvoorbeeld ook in Jeremia 33 voor.Roep tot Mij en Ik zal u antwoorden en u grote, ondoorgrondelijke dingen ver­kondi­gen, waarvan gij niet weet. – Jer.33:3. Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet (die gij niet gekend hebt). SV.

Je kunt je afvragen welke tekst er nu eerder was, Jeremia 33 of psalm 91. Dat is op zich een interessante kwestie. Dat is een van die punten waar de exegeten zich nog wel eens graag mee bezig willen houden. Dan zou je dus de datering van deze teksten na moeten gaan. Wat die tekst uit Je­remia betreft, die is dan uit 586 voor Christus, de tijd zo rondom de val van Jeruzalem. Die grote en vaste (ondoorgrondelijke) dingen waar Jere­mia 33:3 over spreekt, hebben be­trek­­king op de terugkeer uit de bal­ling­schap. Die ondoorgrondelijke dingen zijn hier dus heel concreet en heb­ben te maken met de mogelijkheid dat het volk weer uit Babel terug­komt. De datering van psalm 91 is een moeilijker kwes­tie. Die tekst geeft niet di­rect een handvat voor een nauwkeurige datering in de tijd. Je zou de mogelijkheid kunnen openlaten, dat psalm 91 ook ergens in de balling­schap is ontstaan, maar dat is een veronderstelling. De psalm spreekt wel over allerlei unheimliche situaties, allerlei situaties waarin de mens be­dreigd wordt en waarin het dan aankomt op het kennen van Gods naam. Als je dan de naam van God maar kent, dan haalt Hij je omhoog. En als je Hem be­mint, mag je zitten in de schuilplaats van de Aller­hoog­ste. Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten (El Aljon) is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen (El Sjaddai). Ik zeg tot de HERE: Mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wie ik vertrouw. – Ps.91:1,2. De eerste zin van deze psalm vormt ook een prachtig chiasme. Wie in de schuilplaats (schaduw) des Allerhoogsten (El Aljon) is gezeten, in de schaduw des Almachtigen (El Sjaddai) zal hij vernachten.

Het begint met dat zitten in de schaduw en het eindigt met het vernach­ten in de schaduw. In deze psalm gaat het kennelijk over iemand die moet overnachten, die in het donker van de nacht een schuilplaats moet zoeken. Zoals in dat prachtige lied van Willem Barnard wordt gezegd: ‘dit is de dag waarvoor wij overnachten’. Het volk van God gaat dan door het donker heen, maar in het donker is daar toch die schuil­plaats en die overschaduwing van God. Dus het is heel goed mogelijk dat psalm 91 voortborduurt op dat thema van Jeremia 33.

De bevrijding is voor onze God

Psalm 98 is een van de koningspsalmen, een van de psalmen die ook al­tijd bij het begin van de sabbat wordt gezongen. Zingt de HERE een nieuw lied, want Hij heeft wonderen gedaan, zijn rechterhand en zijn heilige arm gaf Hem zege. – Ps.98:1.

Zingt den HEERE een nieuw lied;  want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven. – SV.

Je zou letterlijk kunnen vertalen: ‘Vrij baan van Hem door zijn rechterhand en de arm van zijn heiligheid’. Of: ‘Ruimte verschafte Hem zijn rechterhand’. Dan zie je ook weer dat er ruimte komt voor God, bevrijding voor God. In dat verband is er ook nog die interessante tekst uit Openbaring 7. En zij riepen (roepen) met luider stem en zeiden (zeggen): De zaligheid is van onze God, die op de troon gezeten is, en van het Lam! – Op.7:10.

Dat is dat loflied van de mensen die uit de verdrukking komen. Vanuit de grond­tekst kun je ook vertalen: ‘De zaligheid (bevrijding) is voor onze God en voor het Lam’. De bevrijding is dus voor God. Dat heeft ook een heel wezenlijke bete­ke­nis, in die zin dat als er bevrijding komt op aarde, als mensen bevrijd worden, dat dan ook God eindelijk de ruimte krijgt. Dan kan God hele­maal Zichzelf worden. Een vader is pas compleet vàder als hij al zijn kin­­deren bij zich heeft. God is pas compleet God als Hij alles in allen is ge­worden. Als Hij alle mensen terugheeft, als alle mensen tot bevrijding zijn gekomen, dan is die zaligheid er voor Hem! Dan is God helemaal tot zijn recht gekomen.

Tijd, tijden en een halve tijd

In het boek Openbaring wordt gesproken van tijd, tijden en een halve tijd. Deze zinsnede wordt op verschillende manieren aangeduid. Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet; want hij is aan de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeën­veertig maanden lang. Op.11:2. En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalf­hon­derd zestig dagen lang. – Op.11:3. En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God be­reid, op­dat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden zou worden. Op.12:6.

En hem werd een mond gegeven, die grote woorden en godslasteringen spreekt; en hem werd macht gegeven dit tweeënveertig maanden lang te doen.  Op.13:5. Eerst wordt gesproken van 42 maanden, dan van 1260 dagen; ook is er vaak sprake van drieënhalf jaar. Dat zijn dus allemaal uitdruk­kin­gen die dezelfde tijdsduur aanduiden. Ook wordt er gesproken over drie en een halve dag.

En na die drieënhalve dag voer een levensgeest uit God in hen, en zij gin­gen op hun voeten staan en grote vrees viel op (allen), die hen aanschouw­den. – Op.11:11.

En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven om naar de woestijn te vliegen, naar haar plaats, waar zij onderhouden wordt bui­ten het gezicht van de slang, een tijd en tijden en een halve tijd. – Op.12:14.

In dit vers staat dus die uitdrukking: ‘tijd en tijden en een halve tijd’.

Miskotte heeft in de laatste winter van de Tweede Wereldoorlog lezin­gen gehouden over het boek Openbaring in de Willem de Zwijger Kerk in Amsterdam. Hij behandelde toen ook die uitdrukking uit hoofdstuk 12:14, ‘een tijd, tijden en een halve tijd’. ‘Hoort u dat bepaalde ritme? Een nuchtere uit­leg­ging die je niet met de oren kunt lezen, omdat zij weinig artistiek is. Je krijgt dus problemen als je het niet met je oren kunt lezen’. Miskotte zegt dus: je moet het lezen met je oren. ‘Want anders krijg je een uit­leg die niet het hele drama grijpt dat in deze simpele gram­matica is ver­vat’. Tijd, tijden en een halve tijd; het duurt zo lang, zo is de stem­ming van het eerste bedrijf. Een tijd duurt lang. Maar de kerk ontdekt: oh, Here, het duurt nog veel langer, het duurt tijden. En dan nog een halve tijd, want dan is het toch nog sneller voorbij dan we dachten. Zo is de curve van de strijdende kerk, haar wil tot leven, ze moet geduld hebben, in de gang van haar noden en van haar angst.

Lang- langer- kort.

Houdbaar- onhoudbaar- zeer wel houdbaar.

Draaglijk- ondraaglijk- en zie wij dragen het.

Raak – raker – mis! die laatste slag.

De vijand denkt eerst: die is raak – een tijd.

Dan denkt hij: het is nog raker – twee tijden.

En dan: de laatste slag is mis – een halve tijd.

Daarbij moet je dan tevens bedenken dat ‘tijd, tijden en een halve tijd’ je tot het getal drieënhalf brengt. Drieënhalf is de helft van ze­ven. De bijbel denkt altijd in zeventallen. De sabbat is de zevende dag; er ver­strijken zeven weken van Pasen naar Pinksteren. Het zevende jaar is een sab­­batsjaar. En dan de uitdruk­king ‘zevenmaal zeven jaren’ naar het ju­bel­jaar toe. Dan wordt de nieuwe tijd aangekondigd. Dus het omvat een steeds wijdere tijdspanne: week – weken – jaar – jaren.

Bij drieënhalf ben je op het midden van de zeven. Dus de bevrij­ding komt in het midden van de tijd. Dat gegeven vind je dus telkens weer terug. In de tijd van Elia duurde de droogte drieënhalf jaar. Hierbij moet je wel bedenken dat dit niet in het boek Koningen staat, maar dat de eer­ste die dat heeft genoteerd, Jakobus was. Elia was slechts een mens zoals wij en hij bad een gebed, dat het niet regenen zou, en het regende niet op het land, drie jaar en zes maanden lang. – Jak.5:17.

In Israël kende men het maanjaar en het zonnejaar. Het maanjaar om­vat­­te 12 maanden van ruim 29 dagen. Om dan weer in overeenstem­ming te komen met de omloop van zon en maan, voegde men er een­maal in de zoveel tijd een 13e maand aan toe. De 12e maand was de maand adar en af en toe had je dan nog een maand extra, een soort schrik­kelmaand. Jakobus spreekt dus van drieënhalf jaar. Bij Elia is dus drieënhalf jaar de heerschappij van de droogte, maar na drieënhalf jaar, dus in het midden van de tijd komt de doorbraak. Dat vind je bijvoor­beeld ook weer bij Ezechiël. In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, in de aanvang van het jaar, op de tiende der maand, in het veertiende jaar, nadat de stad was gevallen, op diezelfde dag, was de hand des HEREN op mij en Hij bracht mij daarheen. Ez.40:1.

Ezechiël beschrijft hier de nieuwe tempel. Hij geeft in deze tekst een heel pre­ciese datering. Ezechiël is bezig met een periode van vijftig jaar, uit­lopende op het jubeljaar. Precies in het midden, in het 25e jaar, bij de aan­­vang van dit jaar (‘hoofd van het jaar, nieuwjaarsdag’) en dan op de 10e van de maand – dat is dan op Jom Kippur, Grote verzoendag, in het midden van de ballingschap – krijgt Eze­chiël dit visioen. Hier zien we dan de overgang naar de nieuwe tempel.

Het thema van het midden

Telkens zien we dat thema van het midden. Je kunt dat ook weer terugzien in de periode tussen Pa­sen en Pinkste­ren. Met Pasen gaat het volk op weg (Ex.12). In Exodus 19 zijn we bij Pinksteren. Tussen Pasen en Pinksteren ligt dus de woestijn. En precies in het midden, tussen Exodus 12 en Exodus 19 komt het manna omlaag in Exodus 16. Het manna als het midden tussen Pasen en Pink­steren. Midden in die periode begint het manna neer te dalen. De Samaritanen hebben dat ook op die manier verteld. Zeven sabbatten zijn er van Pasen naar Pinksteren. Ze hebben ook elke sabbat een naam gegeven. De eerste sabbat is de zee, de doortocht door de zee. De tweede is Mara, het bittere water. De derde is Eden, de oase met palmen en wa­terbronnen. De vierde is het manna. De vijfde is de rots, waar het levende water uit komt. De zesde is Amalek en de zevende zijn de woorden die God geeft op de berg Sinai. Dit zijn de woorden die God sprak op de berg Sinai. God sprak al deze woorden….

Zo krijg je inderdaad een zeventelling.

1. de Zee;

2. Mara.

3. Eden.

4. Manna.

5. De rots.

6. Amalek.

7. Debarim, de tien woorden.

Dus dat zijn de zeven sabbatten volgens de Samaritaanse telling. En dan zie je, dat nummer 4 precies in het midden staat. Er staan er nog 3 voor nog 3 achter. Op het midden van de woestijntocht van Egypte naar de Sinai geeft God het manna. Zo zie je dat in het midden van de tijd de bevrijding komt. Er zijn nog heel wat parallellen te vin­den met dat mid­den. Bijvoorbeeld in het Johannes-evangelie. Doch toen het feest reeds op de helft was, ging Jezus op naar de tempel en leer­­­de. – Joh.7:14. Toen het feest op de helft was, ging Jezus op naar de tempel en leerde. Op de helft van het feest gaat Jezus zijn onderwijs geven.

De Mak­kabeeën

Zo zie je telkens die symboliek: op de helft van de tijd.

Die drieënhalf jaar heeft ook merkwaardige aspec­ten. In de tijd van de Mak­kabeeën, dat was dus 169 v.Chr., werd de tem­pel ontwijd door An­ti­o­chus IV Epiphanes. Deze Antio­chus heeft toen in de tempel een var­ken geofferd. De Makkabeeën, de vrij­heids­strijders, kwa­men toen in op­stand tegen die vijande­lijke overheid. Precies drieënhalf jaar na de ont­wijding van de tempel lukte het aan de Makka­beeën om de tem­pel weer te heroveren. Ter gedachtenis daarvan werd het chanoe­kah­­feest ingesteld, het feest van het licht, het feest van de inwij­ding. Met een kruik­je olie hebben ze toen acht dagen lang de kandelaar kunnen laten branden. Op de eer­ste dag een vlammetje, op de tweede dag twee vlam­metjes, op de derde dag drie vlammetjes enzovoorts. Dus van 169 tot december van het jaar 165 duurde ook precies drieënhalf jaar. Na drieënhalf jaar komt dus de bevrijding. Dat is het thema dat je ook weer in het boek Openbaring terugvindt. Na drieënhalf jaar, op de helft van de tijd – je zou zeggen halverwege – komt de verlossing. Van­daar dat er toch aan de ene kant iets heel hoopvols zit in dat thema ‘tijd, tijden en een halve tijd’.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391735 bezoekers sinds 07-06-2010