De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 25

05-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

HOOFDSTUK 13

De houding ten op­zichte van de overheid

Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld. Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen. – Rom.13:1,2.

Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd. v.1. – SV. iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld. – v.1. – NBV.

De houding ten op­zichte van de overheid is natuurlijk vaak een heet hang­ijzer geweest. Er is hier dus sprake van een loyaliteitsverklaring, het erkennen van de staatsmacht. De gemeente heeft geen opstandige oog­­­merken. De gemeente is geen samenzwering. De gemeente heeft niet tot doel de overheid omver te werpen. Er zijn dus in het bijbelse denken als het ware twee uitersten. Aan de ene kant Romeinen 13 en aan de an­dere kant Openbaring 13. In Openbaring 13 wordt dan gezegd dat de Ro­meinse overheid als een beest is. Een beest uit de aarde en een beest uit de zee. De vraag is dus: wat mag de overheid wèl eisen en wat niet?

Wat is hier het verband met de Romeinse overheid?

Openbaring 13 heeft toch wel betrekking op het Romeinse Rijk. Daar zit­ten gewoon twee polen in, een spanningsveld. In dat verband is het ook wel interessant om iets te citeren uit de Talmoed, want daar komen we ook weer dat spanningsveld tegen wat betreft de overheid. Daar wordt bijvoor­beeld gevraagd hoe nu de houding moet zijn ten opzichte van de rech­ters van Sodom. In So­dom was er ook een overheid, die voor de gang van zaken van de stad zorgde. Rabbi Jozef stelt hier de vraag: denk je soms dat het Messiaanse tijdperk voor de rechters van Sodom is be­reid? Die rechters van Sodom worden dan aangeduid met twee namen, name­lijk met Nielik en Bielik. Die namen betekenen zoiets als: Jan en al­le­man, Jan rap en z’n maat. Die Messiaanse tijden zijn toch niet voor de rechters van Sodom! En daarbij moet je niet zozeer alleen maar denken – zegt Levinas – aan Sodom in zijn historische betekenis, maar dit gaat veel ver­­der. Overal is wel iets van Sodom te vinden. De overheid kan een hele schaal doorlopen van goed, minder goed tot slecht. Het Ro­mein­se Rijk in die tijd gaf ook niet altijd blijk van een rechtvaardig be­stuur. Op een gegeven moment eist de keizer zelfs dat er wierook voor hem gebrand wordt. Dan krijg je dus het punt dat je God meer gehoor­zaam moet zijn dan de men­sen. In hoeverre moet je nu de overheid navolgen en gehoorzamen? Wat mag de overheid wèl eisen en wat niet? Je zult maar een overheid heb­ben zoals van het Rusland onder Stalin of van het Duitsland onder Hit­ler. In het Romeinse Rijk waren religie en politiek nauw met elkaar ver­bonden. In de tijd van Constan­tijn de Grote kon je geen ambt bekleden in het Ro­meinse Rijk als je niet gedoopt was. Dus een ieder liet zich dopen, an­ders was er geen brood op de plank. We zien dus dat de hou­ding ten op­zichte van de overheid soms een heel complexe zaak is. In de Tweede Wereldoorlog heerste in bepaalde kringen – bijvoorbeeld die van do­minee Kersten – het stand­punt dat je je moest onderwerpen aan Hitler. Je mocht dus ook geen verzet plegen. Daar kwam bovendien de gedachte bij, dat Hitler ons gegeven was als een tuchtroede. Het is de straf van God dat we nu een Hitler hebben, dus daar mag je niet tegen in opstand komen. Er worden in verband met de verwoesting van Sodom en Gomorra vier namen genoemd van steden die aan het vuur werden prijsgege­ven: So­dom, Gomorra, Adma en Seboïm. en dat de gehele bodem er zwavel, zout en vuurbrand is, dat hij niet bezaaid wordt en niets laat uitspruiten en er geen gewas uit opschiet, zoals toen Sodom, Gomorra, Adma en Seboïm onderstboven gekeerd werden, die de HERE in zijn toorn en grimmigheid onderstboven gekeerd heeft. –  Deut.29:23.

Er wordt nog een vijfde plaats genoemd: Zoar. Dit stadje wordt dan nog ge­spaard, opdat Lot daarheen kan vluchten. De rechters van Sodom waren mensen die het politieke leven en de staat terdege kenden. Die rechters zijn elk moment rijp voor het absolute oor­deel.

Het kwaad kan ook ‘staat’ worden

We volgen nog even de gedachtegang van Levinas, aansluitend bij wat de Talmoed in dit verband zegt. Het historisch relativisme kan de mens niet van zijn schuld ontheffen. Dus een overheid ook niet. Je kunt niet alleen maar zeggen: de overheid is een kind van zijn tijd, dus kunnen ze het niet helpen. In de Middeleeuwen bijvoorbeeld werd er ook nogal ste­­­vig op los gehakt. Dan kun je niet zeggen: dat waren nu eenmaal die donkere Middeleeuwen, dus kon je dat die overheid niet aanrekenen. Het kwaad kan universele vormen krijgen.

Het kwaad kan ook ‘staat’ worden. Dat is ook een punt om eens over door te denken. Het kwaad kan een staat worden, dat krijg je dus in Open­baring 13. Dat zie je ook gebeuren bij Stalin en bij Hitler. Om van Nord-Korea maar niet te spreken. En dan zegt Levinas: maar dan is er toch ook het punt van de Messiaanse hoop, dat ‘een hoogste wil’ de triomf van het kwaad zal verhinderen. Nu is het frapperende in die uitspraak van Levinas, dat je er niet helemaal goed uit kunt opma­ken, wat hij nu bedoelt met die hoog­ste wil, of dat nu God is of de mens. Deze dubbelzinnigheid is mogelijk bewust toegepast. Als je zegt: die hoog­­ste wil is de wil van God, dan denk je aan een soort laat­ste oor­deel. De wil van de mens kan gebroken worden door slavernij en ti­ran­­nie. Maar de hoogste wil betekent dan, dat de mens zich kan wape­nen, dat hij het gevaar kan voorzien. Dat betekent dat de mens zich kan verzet­ten tegen het onrecht van het staatsbestel. Maar dan in naam van de rech­ten van de ander. De overtuiging dat er uiteindelijk nog iets is, dat boven de over­heid uitgaat, dat is de ander. Want de mens is belang­rij­ker dan de overheid. Dus aan de staat zitten twee aspecten. Dit stand­punt vind je ook in de joodse commentaren: aan de ene kant kan de staat een vorm van tirannie en afgoderij zijn, keizeraanbidding enzo­voort. Maar de staat is ook door God gewild, zegt het commentaar van­uit de Tal­moed, ‘omdat de mensen anders elkaar levend zouden verslin­den’. De staat is er dus om het kwaad in te dammen.

Er wordt vaak voor je gedacht en over je beslist. Zo neemt de overheid bij­­voorbeeld beslissingen op het gebied van euthanasie en abortus. Hier doet zich het probleem voor, in hoeverre daar een taak ligt voor de over­heid en in hoeverre je dergelijke dingen via een wet kunt regelen. Toch staat er: ‘De overheid staat immers in dienst van God’. Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft. Rom.13:4. Je onderwerpt je dus vanwege het geweten zegt vers 5. Daarom is het nodig zich te onderwerpen, niet slechts om de toorn, maar ook om des gewetens wil. – Rom.13:5.

De overheid is er ook tot lof voor degenen die goed doen, aldus vers 3. Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de over­heidspersonen, maar wel, als hij verkeerd handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen. – Rom.13:3.

Medische en politieke problematiek

Als echter de overheid zelf niet meer weet wat goed en kwaad is, wordt het een moeilijke zaak. Ik denk ook dat je dan met het punt zit, dat de overheid op een gegeven moment ook voor kwesties komt te staan, waar­­van je zegt: in hoeverre kun je dat nog overzien! Want de hele pro­blematiek van euthanasie is natuurlijk ten dele ook een kwestie van tech­­­­niek. Er zijn mensen die nu door apparatuur in leven worden ge­hou­den, maar die in vroeger eeuwen al lang overleden zouden zijn. En dan krijg je natuurlijk de volgende vraag: als je op een gegeven ogenblik te weinig apparatuur hebt of te weinig geld, wie moet je dan in leven laten? Als je twee apparaten hebt en drie patiënten, zit je al met een pro­bleem. Aan de andere kant zie je ook weer dat sommige mensen na jaren in co­ma te hebben gelegen, weer tot leven komen. Dan gaat op een gegeven ogenblik heel die discussie over de coma-problematiek weer op de hel­ling. Een man in Duitsland kwam na zes jaar in coma te hebben gelegen, weer ‘tot leven’. Zijn vrouw had hem zes jaar lang elke dag het nieuws verteld en was tegen hem blijven praten. Die man werd toen op een ge­geven ogen­blik wakker en wist toen precies hoe dat ongeluk zes jaar ge­leden ge­beurd was. Daar ga je dan met al je theorieën. Hoe kun je nu der­­gelijke dingen in een wet regelen? Hierbij zit je dan natuurlijk ook nog met het punt dat die wet een soort raamwerk geeft, waar­bin­nen dan de medi­sche wereld toch een eigen weg zoekt, of toch een bestaande praktijk gewoon doorzet. Zo is het ook met abortus gegaan, er wordt een wet gegeven als raamwerk, maar de bestaande praktijk gaat gewoon door. Het wonderlijke van dit soort van wetge­ving is, dat deze vaak achter de feiten aanloopt. Als er een be­staan­de prak­­­tijk op een gegeven ogenblik in een bepaalde richting gaat, dan wordt er gezegd: we moeten de wet maar eens aanpassen. De wet richt zich dus vaak naar de praktijk. En dan is de vraag: in hoeverre kan de rechter hiermee nog uit de voeten. Dat speelt natuurlijk ook een rol in heel die problematiek in Latijns-Ame­rika van de bevrijdingstheologie, waar het standpunt verkondigd wordt, dat je ook met geweld de bevrijding kunt afdwingen. Daarbij ne­men ze dan bijvoor­beeld ook het Exodusverhaal als model. Die onder­drukte arbeiders mogen dan volgens de leiders ook wel die kapitalis­ti­sche regering on­der­steboven gooien. Dat is net zoiets als de studenten­revolutie in 1968 in Parijs. Je kunt wel de rechter uit het raam gooien, maar daarmee heb je nog geen ander bewind. Dan ga je geweld dus weer met geweld beantwoorden. Er moet toch nog een andere weg zijn! Na de Tweede We­reld­oor­log von­­den er wraakoefeningen op de NSB-ers plaats. Maar de vraag is dan of degenen die die wraak uitvoerden, wel zo zuiver op de graat wa­ren. Er is zelfs een vereniging van kinderen van ex-NSB-ers, want die werden vaak op allerlei mogelijke manieren getreiterd en ge­koe­io­neerd. Zij moe­ten dan boeten voor de daden van hun ouders. Die NSB-kinderen gaan soms zelfs in therapie. In dat ver­band krijgen we ook weer vaak een soort zondebok-idee. Bepaalde groe­pen worden dan ge­stigmatiseerd. Dat verschijnsel werkt vaak ook in de joodse wereld nog door. Veel joden moeten de holocaust nog verwer­ken.

Ieder mens moet zich nu eenmaal onderschikken aan machten

Ieder mens (alle ziel) moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God ge­steld. – Rom.13:1.

Letterlijk: ‘alle ziel moet zich nu eenmaal onderschikken aan machten’. Hierbij moeten we dan wel aantekenen, althans dat wordt hier ook in een com­mentaar gedaan, dat dit niet een aansporing is, maar een con­statering. Er staat: dat moet nu eenmaal. En alle ziel betekent dus: al het le­vende. Uiteraard is hier de mens bedoeld, maar dan het menszijn dat nu eenmaal onderworpen is aan exousiai, aan machten en overheden. Pau­lus schildert hier niet een ideaal, in de zin van: zo bedoelt God dat, maar het is meer een constatering van het feit, dat het nu eenmaal zo gaat in maatschappijen. In de Talmoed wordt in dit verband ook verwezen naar het boek Samu­el. Onder Samuël krijgt Israël voor het eerst een politiek bestaan. Vóór die tijd hadden ze geen koning.

De verheerlijking op de berg

En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij zien, dat het Koninkrijk Gods gekomen is met kracht. – v.1. En zes dagen later nam Jezus Petrus en Jakobus en Johannes mede en leidde hen een hoge berg op, hen alleen. En zijn gedaante veranderde voor hun ogen. v.2. en zijn klederen werden schitterend, hel wit, zoals geen voller op aarde ze kan maken. – v.3. En hun verscheen Elia met Mozes en zij waren in gesprek met Jezus. – v.4. En Petrus antwoordde en zeide tot Jezus: Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, laten wij drie tenten opslaan, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een. v.5. Want hij wist niet, wat hij antwoorden moest, want zij waren zeer bevreesd. Mc.9:1-6.

Marcus 9 kun je een ‘Paasverhaal bij voorbaat’ noemen. Het wordt ook vanouds gelezen op een van de zondagen voor Pasen.

‘En zes dagen later’.   Bij ‘paasdatum’ voegen?

Het is dus een verhaal dat verwijst naar de zevende dag.

‘En zijn gedaante veranderde’. Hier wordt het woord metamorfose gebruikt.

‘En zijn klederen werden schitterend, hel wit’. Daar zit dus ook al weer een paassymboliek in.

Van die witte klederen wordt ook in het Paasverhaal melding gemaakt. ‘Zoals geen voller op aarde ze kan maken’. Een voller is een soort wasbaas; hij heeft ook iets te maken met het ver­vilten van stoffen. Die voller kom je ook nog tegen in Jesaja 7. Jesaja moet daar de koning Achaz tegemoet gaan bij het Vollersveld. Toen zeide de HERE tot Jesaja: Ga Achaz tegemoet, gij en uw zoon Sear-Ja­sub, naar het einde van de waterleiding van de bovenste vijver, naar de weg van het Vollersveld. – Jes.7:3.

Het Vollersveld is dus het veld waar de klederen gebleekt worden, de wasplaats, de bleekplaats. Het Vollersveld heeft dus te maken met de rei­niging. ‘De waterleiding van de bovenste vijver’.

Hier zit nog een woordspeling in.

Vijver = berechah, dat lijkt heel veel op het woord zegen = berachah.

Eljonah = bovenste; Eljon = de Allerhoogste.

Je zou haast kunnen vertalen: ‘de zege­ningen van de Allerhoogste’. Hier is dus sprake van een dubbele woordspeling. ‘En hun verscheen (waarom geen mv?) Elia met Mozes en zij waren in gesprek met Jezus’. Als je dan vraagt: hoe herkenden die discipelen nu Mozes en Elia, dan denk ik dat hier sprake is van een herkennen naar de geest. Elia zou je nog kunnen herkennen aan zijn kamelenharen mantel, maar dan is het de vraag of hij die toen nog droeg. Het zal toch meer betekenen dat hier sprake was van een herkennen naar de woorden, aan het gesprek. Je her­­­kent iemand aan zijn manier van doen, aan zijn manier van spreken, aan zijn geest.

Ik denk ook dat de identiteit dan zo doorzichtig wordt, dat je vanuit dat transparant worden iemand herkent. Dan wordt ook openbaar wie je bent. Je zult in de eeuwigheid waarschijnlijk niet met naamkaartjes lo­pen. Er is natuurlijk wel een continuïteit tussen wat je hier bent en wat je in de eeuwigheid bent. In het natuurlijke gesproken konden ze naar het uiterlijk Mozes en Elia natuurlijk niet herkennen. Hierbij moeten we be­denken dat Mozes de Torah vertegenwoordigt en Elia de profeten. To­rah en Profeten zijn dus met Jezus in gesprek. Ze zijn in gesprek met Hem die Torah en Profeten vervult. Daar komt dan nog bij, dat in de pa­ralleltekst van Lucas wordt verteld over welk onderwerp ze het had­den, namelijk over de exodus, die Hij zou volbrengen. Dezen, in heerlijkheid verschenen, spraken over zijn uitgang (letterlijk: over zijn uittocht), die Hij te Jeru­zalem zou volbrengen. – Luc.9:31.

Wie konden daar nu beter over spreken dan juist Mozes en Elia. Mozes had ervaring met een uittocht. Elia heeft op zijn manier toch ook wel een uittocht meegemaakt, namelijk de uittocht uit de Baäldienst. Hij heeft ook daar op de Karmel het volk van God uitgeleid. Zij spreken dan met de Messias over de uittocht die Hij gaat volbrengen. ‘En Petrus antwoordde’. En dan zul je zeggen: er vroeg toch niemand wat! Maar dat is nu juist het probleem van Petrus, hij gaf wel eens meer antwoord als er nie­mand iets vroeg. Dat is ook vaak het probleem geweest van bepaalde vormen van evan­­­ge­lisatie. Men ging dan met een megafoon op straat staan en dan werd er heel hard geroepen: Jezus is het antwoord! Iemand zei toen eens een keer heel nuch­ter: maar wat was de vraag? Dan kun je wel antwoor­den geven, maar de vragen zijn niet helder. Dus Petrus gaat hier ook ant­woord geven en in vers 6 dan nog een keer. Want hij wist niet, wat hij antwoorden moest, want zij waren zeer bevreesd. Mc.9:6.

‘Laten wij drie tenten opslaan, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een’. Petrus wil hier dus een soort Sukkoth gaan vieren. Dat is op zich na­tuur­­lijk wel een loffelijk streven. Er zijn ook sterke aanwijzingen dat dit ge­deelte van Marcus geschreven zou zijn tegen de achtergrond van het Loof­huttenfeest. Dat zou dan wel juist zijn, want hier heb je hele­maal de Loofhuttensymboliek. Loofhutten vieren op de berg; alleen dat blijkt dan toch niet de bedoeling te zijn, want, staat er dan: En er kwam (letterlijk: er geschiedde) een wolk, die hen overscha­duw­de, en er klonk (er geschiedde) een stem uit de wolk: Deze is mijn Zoon, de geliefde, hoort naar Hem. En opeens, rondkijkende, zagen zij niemand meer bij zich dan Jezus alleen. Mc.9:7,8.

Die wolk overschaduwt hen, dus die wolk is het beeld van de sjechina, maar tegelijk zit daar het beeld in, dat ze eerst door die wolk heen moe­ten. De sjechina is het beeld van God in ballingschap. Jezus met Torah en profeten, ze moeten door die wolk heen, die donkere wolk. Ze moe­ten door die donkere sluier heen, door de wolk van de geschiedenis. ‘En opeens, rondkijkende, zagen zij niemand meer bij zich dan Jezus alleen’. Je zou zeggen: Torah en Profeten zijn helemaal opgegaan in degene die de Torah en de Profeten gaat vervullen. Hij blijft over als degene die To­rah en profeten op zich neemt. Tegen Maria wordt gezegd: de kracht van de Allerhoogste zal u over­schadu­wen. Hier staat ook hetzelfde woord als in Marcus 9:7. En de engel antwoordde en zeide tot haar: De heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het heili­ge, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden. – Luc.1:35.

In dat woord overschaduwen zit inderdaad dat dubbele aspect van de sje­china (in het Grieks skia = schaduw) als beschermende wolk en als beeld van God in ballingschap. De God die met zijn volk door de wolk heen­gaat, door de ballingschap heen trekt. De sjechina is dus aan de ene kant de heerlijkheid van God, die met de mens meegaat en aan de andere kant ook God, die in de ballingschap mee­trekt. Op die manier wordt het Paasverhaal hierin al uitgebeeld.

De twee getuigen

In Openbaring 11 is sprake van de twee getuigen. Daar is ook weer sprake van Torah en Profeten. En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang. – Op.11:3vv.

Er is ook sprake van twee olijfbomen en twee kandelaren, die voor het aan­­gezicht des Heren staan. Die olijfbomen uit Openbaring 11 zijn af­kom­stig uit Zacharia 4. Daar gaat het om een profetie in verband met de wederoprichting na de ballingschap. Ik nam het woord en vroeg hem: Wat betekenen deze twee olijfbomen rechts en links van de kandelaar? Andermaal nam ik het woord en vroeg hem: Wat betekenen de twee olijftak­ken, die door twee gouden buizen het goud van zich doen uitvloeien? En hij zeide tot mij: Weet gij niet, wat zij betekenen? Ik antwoordde: Neen, mijn heer. Toen zeide hij: Zij zijn de twee gezalfden die vóór de Here der ganse aarde staan. – Zach.4:11-14.

We zien hier in die getuigen een overeenkomstig beeld. De olijfbo­men zijn twee gezalfden. Dat heeft in feite te maken met het koning­schap en het priesterschap. In Zacharia 4 worden ze de gezalfden genoemd, maar letterlijk staat er: de zonen van de olie. Dat zijn de gezalfde zonen. Zij dra­­gen een zalving of nauwkeuriger gezegd: die zalving draagt hen. Zij wor­den gedragen door die zalving. Dus dat zijn in feite dan de dragers van Torah en Profeten. Het gaat in Openbaring 11 niet om twee indivi­du­en, maar om het volk dat Torah en Profeten belichaamt. Het volk dat gestalte geeft aan en verbonden is met Torah en Profeten. Want daar gaat het over in heel die context van Openbaring 11-14. Het getuigenis van Torah en Profeten is onuitroeibaar.

Drieënhalf

Openba­ring 11 is in feite ook weer een Paasverhaal. Daar gaat het over die twee getuigen die gedood worden en na drieënhalve dag weer op­­staan. Het getuigenis van Torah en Profeten kan in eerste instantie uit­geroeid of geliquideerd worden, maar het staat altijd weer op. Dat ge­tal drieënhalf kom je telkens weer tegen in de bijbel. Drieënhalf is de helft van zeven, dus dat is altijd op het midden, het midden van de tijd. Niet het einde van de tijd, maar het midden van de tijd. Dat midden van die zeven kom je ook weer tegen in Daniël. Dat zien we ook weer bij de Mak­kabeeën. Drieënhalf jaar was de tempel ontwijd, maar na drieënhalf jaar krijgen ze de tempel weer in handen. Bij Elia zien we ook weer dat getal drieënhalf. Drieënhalf jaar was het droog, maar na drieënhalf jaar wordt de macht van de Baäldienst gebroken. Telkens krijg je dus die drie­ënhalf jaar (dag), de helft van de zeven. Op de helft van de tijd grijpt God in. Ook zien we dat in Openbaring 11; na drieënhalve dag, in het mid­den van de week, is daar de op­stan­ding van de twee getuigen. Als iedereen in een land of ieder­een van een volk denkt: nu hebben we het getuigenis van Torah en Pro­feten geliquideerd, dan blijkt dat het na die drieën­halve dag weer opstaat. Zo dacht ieder­een dat in Albanië de kerk niet meer bestond en het ge­loof uitgeroeid was. Dat zou dan de eer­­ste athe­istische staat ter wereld zijn. Maar mo­menteel hoor je posi­tie­ve getui­genissen over de uitbrei­ding van het ge­loof in dat land. Zo ver­telde een voorganger, dat hij in Albanië een film had gedraaid voor een gezel­schap professoren. Na af­loop vroeg hij toe­stemming om met hen te bid­den, iets wat sommigen nog nooit gedaan hadden.

Toen Hij thuis gekomen was

En zij kwamen te Kafarnaüm. En toen Hij thuis gekomen was, vroeg Hij hun: Waarover waart gij onderweg in gesprek? – Mc.9:33.

En Hij kwam te Kapernaum, en in het huis gekomen zijnde, vraagde Hij hun: Waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg? – SV.

Letterlijk staat hier: ‘Toen Hij in het huis gekomen was’. Dat kan eventueel betekenen thuis. Nu denk ik wel, dat je daarin ook een bepaalde ontwik­keling kunt onderscheiden, want je krijgt de indruk dat Jezus aanvanke­lijk nog wel een vaste verblijfplaats had, zoals ook het begin van Johan­nes suggereert.

Wat zoekt gij? Zij zeiden tot Hem: Rabbi – wat, vertaald, wil zeggen: Meester – , waar houdt Gij verblijf? Hij sprak tot hen: Komt en gij zult het zien. Zij kwamen dan en zagen, waar Hij verblijf hield, en zij bleven die dag bij Hem; het was omstreeks het tiende uur. – Joh.1:39,40.

 Later krijg je de indruk, dat Jezus steeds meer een zwervend bestaan gaat leiden, want Hij zegt dan: de Zoon des mensen heeft geen plaats om zijn hoofd neer te leggen. Er zal dus wel een bepaalde ontwikkeling zijn geweest in zijn manier van leven en reizen. Dat heeft ook te maken met het punt, dat Hij vogelvrij was verklaard en zich clandestien ergens moest ophou­den. Meestal zal dat wel bij vrienden zijn geweest, zoals bij Laza­rus in Bethanië.

Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben

Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. – Rom.13:8.

Dat is dus de enige verplichting, de enige opdracht. Dat schuldig zijn houdt in feite dan ook in, dat je daaraan gebonden bent. Terecht wordt erop ge­wezen dat er niet staat: ‘wie de ander liefgehad heeft’. Het staat dus in de tegenwoordige tijd. Dat betekent dus niet, dat je op een gege­ven ogenblik kunt zeggen, dat je daar dus klaar mee bent. De werk­woords­vorm in de tegenwoordige tijd geeft aan: voortdu­rend, steeds weer. Niet als een plicht, want plicht heeft te maken met schuld, maar als een nooit eindigende opgave. De rabbijnen zeggen ook: die opgave eindigt niet, want het loon van een gebod is een gebod. Dat is een van die mar­kante rabbijnse uitspraken. Als je dus een gebod vervuld hebt, krijg je als beloning weer een gebod. ‘Gij zult God liefhebben’, is ook een gebod dat nooit eindigt. Dat houdt dus weer in, dat je daaraan gebon­den bent. Dat wordt uitgewerkt in vers 9: Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samen­gevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. – Rom.13:9.

Hier neemt Paulus dus een aantal van de 10 woorden. Hij neemt hier dus wel een reeks woorden uit de tweede tafel, althans als je die term twee­de tafel wilt gebruiken. Paulus zegt dus, dat die geboden worden sa­menge­vat; dat betekent letterlijk: onder één hoofd gebracht. Dat is het­zelfde woord dat je ook tegenkomt in Efeze 1. om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten, – Ef.1:10.

Hier, in Efeze, wordt dus gezegd dat God alles onder één hoofd, name­lijk de Messias, tezamen gaat brengen. Hierbij moet je bedenken dat het woord hoofd (rosj in het Hebreeuws) tegelijk principe betekent. Alles wordt dus onder één hoofd, onder één principe, onder één hoofdstuk (kapittel; on­der één kopje) gebracht. Alles wordt dus onder één principe gebracht en dat principe (het eerste; het grondbeginsel) van alle gebo­den is: ‘gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’. Dat wordt trouwens ook al in Leviticus gezegd. Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de HERE. – Lev.19:18.

André Neher heeft ooit eens een interessant artikel geschreven waarin hij zegt: je naaste kun je eigenlijk ook vertalen met: je verre. Degene die ver is, zul je liefhebben als jezelf. De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet. – Rom.13:10.

God doet ook zijn naaste geen kwaad. De liefde is Gods wezen, dat is de afspiegeling van zijn karakter. Daarom is de liefde de volheid (pleuro­ma) van de Torah. Dus heel de Torah is vervuld van de liefde. Waar liefde is, wordt de Torah tot vervulling gebracht.

Het is thans voor u de ure om uit de slaap te ontwaken

Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwa­­men. – Rom.13:11.

En dit zeg ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben. – SV.

Gij verstaat de tijd; hier wordt het woord kairos gebruikt. Dat woord be­te­kent altijd een tijdsgewricht. Dat is dus een tijd waarin een belang­rij­ke verandering plaatsvindt, het is een keerpunt in de tijd. Het is een tijdsmoment, het betekent letterlijk een tijd die beweegt. ‘Moment’ bete­kent letterlijk movimentum, een tijdsbeweging. In het Grieks gebruikt men twee woor­den voor tijd, namelijk het woord chronos en het woord kairos. Het woord chronos be­tekent tijdsver­loop, tijdsduur. Wij kennen dat bijvoorbeeld uit het woord chro­no­logisch en chronometer. Een chro­nische ziekte is een ziekte die maar ein­­­de­loos doorgaat. Daarnaast heb je het woord kairos, dat dan in feite het Hebreeuwse woord et weergeeft. Het woord et hangt samen met a­t­tar, dat nu betekent. Dat betekent dus dat er nu iets gebeurt. Een andere vertaling zegt dat heel mooi: ‘Wees je bewust van het kerend getij’. Mensen, je moet wel in de gaten hebben dat het getij gekeerd is. Je moet niet denken dat die oude tijd nog steeds maar voortsuddert. Het is het uur om uit de slaap te ontwaken. Het is het uur ‘nu’.

De tijd is nabij

‘Want het heil (soteria) is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwa­men’. Het heil is nu. Het is nu dichterbij dan toen wij tot ge­loof kwamen. Dat woord soteria (jeshua) doet toch heel sterk denken aan de Messiaanse be­vrijding. Een uitspraak in de Talmoed zegt: ‘Groot is de omkeer (tes­ju­bah), want hij brengt de verlossing nader­bij’. Je kunt dat ‘nabij’ niet berekenen. Paulus zegt: het is nu meer nabij dan toen wij tot geloof kwa­men. Dat is dus al bijna 2000 jaar geleden. Johannes zegt ook aan het begin van het boek Openbaring: de tijd is nabij. Dan krijg je die beroemde theorie, die dan wel de ‘Parousieverzeuge­rung’ genoemd wordt. Is het verloop van de heilsgeschiedenis nu ver­traagd? Je kunt het niet op die manier tijdsmatig uitdrukken. Je kunt niet zeggen: in de 21e eeuw zijn we dich­ter­bij de Messiaanse be­vrijding dan in de dagen van Paulus. Het punt is, dat naarmate je omkeert, de bevrijding dichterbij komt. Voor degenen die op weg gaan naar de toe­komst, is die toekomst van God dichterbij. Want de toekomst is een per­soon, niet een aantal feiten. Levinas zegt: toe­komst is de ander (An­der) die op jou toekomt. In veel eindtijdboeken wordt de toekomst al­leen maar beschouwd als een aantal feiten. De toe­komst wordt dan sa­men­gevat in: de opname, de verdrukking, oorlogen en nog een aantal al dan niet reële gebeurtenissen. De toekomst is een persoon en niet een aan­­tal dingen. Als jij je omkeert, als Hij dus op jou toekomt, kan Hij sneller komen. Je kunt in die zin de toekomst, de ontmoeting, tot op zekere hoogte be­spoe­­digen.

Zou Jezus eerder hebben kunnen komen?

Zou Jezus dus eerder hebben kunnen komen? Dat is een heel moeilijke kwestie. Had Hij eerder kunnen komen? Ik denk aan de ene kant wel, aan de andere kant blijf je met een aantal vragen zitten. In het denken van de Talmoed heeft men daarin twee aspecten gezien. Aan de ene kant wordt gevraagd: wan­neer komt de Messias? En het antwoord is dan: als alle mensen recht­vaardig zijn. Aan de andere kant wordt ge­zegd: de Messias komt als heel de wereld goddeloos is. Hij komt dus op een hoogtepunt of op een diep­tepunt. In de bijbel zien we ook die twee as­pec­ten. Toen Jezus op aarde zijn werk begon, was daar aan de ene kant een hoogtepunt van ver­wach­ting. Aan de andere kant was daar ook een dieptepunt aan godde­loosheid en tirannie. Als je spreekt van de volheid van de tijd is er een rijpingsproces naar twee kanten. Het koren wordt rijp en het onkruid wordt rijp. Aan de ene kant zit daar iets in van: het wordt toebereid, zodat Hij komt. Daar zijn ook wel bepaalde bijbelse lijnen voor aan te wijzen. Ook bij de rabbijnen kun je die gedachte terugvinden. Aan de andere kant moet je ook weer voor­zichtig zijn, want het is ook wel eens op een overspannen manier gepre­dikt. Dan wordt er gezegd: als de gemeente volmaakt is, dan gaat ‘het’ gebeuren! Alleen, dan komt de vraag naar voren: wanneer is die ge­meen­­te vol­maakt? Ga je dan niet naar een overbelasting toewerken? In de praktijk heeft dat vaak geleid tot een stuk irritatie, frustratie en fana­tisme. Nu moeten die anderen ook eens een keer opschieten, want de ge­­meente moet volmaakt worden!

Het volgende punt is dan: wat is dan volmaakt? Volmaakt is vanuit het He­breeuwse denken tamim en het woord tamim betekent: gaaf, uit één stuk. Wat wij in het gangbare spraakgebruik onder ‘volmaakt’ verstaan, heeft toch wel een andere gevoelswaarde. Tamim betekent meer: onver­deeld, eenvoudig. Tegen Abraham wordt ook gezegd: wandel voor mijn aangezicht en wees tamim (‘onberispelijk’). Wees een man uit één stuk. Het bij­belse be­grip volmaakt betekent dus niet: onberispelijk, zodat er niets meer te be­rispen valt. Dat is een wat moeizame vertaling. Tamim is veel meer een totaalbegrip. Moet de gemeente dan één van denken zijn? Er blijft altijd een stuk ver­scheidenheid en daar is ook helemaal geen bezwaar tegen. Ik geloof dat die veel­kleu­righeid en ook die verschillen in tradities en die verschillen in beleving niet allemaal in één keurslijf kunnen worden geperst. Wat dat betreft is God ge­lukkig een beetje ruimer dan de mensen vaak zijn. Wij hoeven niet al­le­maal één model christen te worden. Ik denk als je een Oud-Gerefor­meerde ge­meente hebt en de vlam slaat erin, dat het dan niet zozeer een Pink­stergemeente wordt, maar dat er wel vuur in de har­ten komt. Inder­tijd was er in Dordrecht een Oud-Gereformeerde ge­meente, waarvan de pre­di­kant gedoopt werd in de heilige Geest en dat had voor de gemeen­te ook wel zo zijn gevolgen. Als er dan in Dordrecht de een of andere oc­­cultist zijn kunsten wilde gaan vertonen, werd er in de geeste­lijke we­reld ook daadwerkelijk strijd gevoerd. En dan heb ik het idee dat ze niet perse gemodelleerd hoeven te worden naar een be­paald model pinkster­idee. Ze hoeven voor mij niet uit ‘Opwekking’ te gaan zingen en ze hoe­ven voor mij niet te gaan klappen. God is geen methodist; God is niet aan een bepaalde methode gebonden. Laat ze maar heerlijk in hun eigen stijl God dienen. Zendelingen hebben helaas maar al te vaak ge­probeerd om volkeren ook cultureel om te turnen naar een zoge­naamd westers model. Indianen moesten dan ‘Amerikaans worden’.

Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ont­waken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. – Rom.13:11.

Dat woord heil (jeshua) dat Paulus in deze tekst gebruikt, betekent: Mes­si­aanse bevrijding. Dat omvat meer dan wat nu al is. Dat is ook de hele Messiaanse ver­lossing en bevrijding die nog komen zal. Het spreekt dus van de toekomst, van de Messiaanse tijd, van de voltooiing, van de we­der­­op­richting van alle dingen. Het is dus een veelomvattend begrip. Dat is de toekomst waarheen je op weg bent. Want in vers 12 gaat Paulus het ook verbinden met de nacht en de dag. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duis­ternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts! – Rom.13:12. Nacht en dag zijn termen die je ook vaak bij de profeten tegenkomt. De nacht als aanduiding van de ballingschap, van het donkere van deze eeuw. En dan de dag als de toekomende eeuw. Daarbij gaat Paulus ook geen berekeningen toepassen, hij heeft geen geheime kennis van dag of uur, maar hij weet één ding: het is voorbij met de wereldnacht. Die nacht heeft zijn tijd gehad. De bevrijding staat voor de deur, de be­vrij­ding van de mens, de verlossing uit de slavernij, de verlossing van het lichaam. En de hoop wortelt nog dieper dan de vrees. Uiteindelijk is het de hoop die wint, de hoop die zegt: en toch…. De nacht is vergevorderd, de nacht is over de helft, zou je kunnen zeg­gen. Dat is in feite dan die laatste nachtwake. De rabbijnen hebben daarover een prachtig verhaal. Er zijn dus drie, vol­­gens andere tellingen vier nachtwaken. De nacht wordt dan verdeeld in ‘waken’. In de eerste nachtwake – uitgaande van het gegeven dat er drie zijn – dan balkt de ezel. Het balken van de ezel wordt vanouds ook verstaan als een signaal van het komen van de Messias. Denk ook aan de intocht in Jeruzalem, waar Jezus op een ezel Jeruzalem binnen­reed. De Messi­as komt niet te paard, want dat is het symbool van ge­weld. Een uit­spraak uit de Talmoed luidt: als je droomt dat er een ezel komt, dan weet je dat de komst van de Messias nabij is. Dus in de eerste nacht­wake balkt de ezel. In de tweede nachtwake blaft de hond en in de derde nacht­wake, dat is tegen het aanbreken van de morgen, dan spreekt de vrouw met haar man. De hond is vaak het beeld van waakzaamheid. De naam Kaleb betekent hond. De hond is ook het symbool van trouw. In de der­de nachtwake wordt de vrouw wakker en ontdekt dat het lang­zamerhand tijd wordt om de baby te voeden. Dat is dus het teken van de nade­rende dag. Dat is wat Paulus hier ook zegt: het is tijd om op te staan, om uit de slaap te ontwaken. Dat is dus die derde nachtwake, het sym­bo­ol van het naderen van de dag. Het is merkwaardig dat in de gelijkenis van de maagden alle tien meis­jes sliepen. De rabbijnen zeggen: de slaap is ook een beeld van de bal­ling­­schap. Als je slaapt, heb je je uit de zichtbare we­reld teruggetrokken. De slaap wordt vanouds ook ver­bonden met de dood. Er wordt gezegd: de slaap is éénzestigste van de dood. Dat éénzestigste is een aanduiding van de voorsmaak. Het is de ‘voorsmaak van de dood’. Er staat ook in een prachtig gedicht van Klaas Heeroma: ‘Slapen is niet tot de dood, maar slapen is wachten op U’. Als die tien meisjes slapen, is dat ook een beeld van het wach­ten, maar dan komt ook die oproep te middernacht: gaat uit, de bruidegom tegemoet! De haan heeft in de symboliek van het waken weer een andere functie. In een Talmoedtekst wordt ook over de haan gesproken. Een haan en een vleermuis keken beiden uit naar het licht. De haan zegt dan tot een vleermuis: ik kijk uit naar het licht, want het licht is mij toe­vertrouwd, maar wat heb jij aan het licht? De haan ziet uit naar de dag, maar de vleermuis heeft er eigenlijk helemaal geen belang bij dat het dag wordt. De vleermuis voelt zich veel meer thuis in het donker. Het licht is voor de vleermuis het einde van al zijn activiteit. De dag des He­ren is voor de een het begin en voor de an­der het einde. Dit wordt hier dus gezegd in het verband met de tekst: ‘Wee hun, die verlangen naar de dag des Heren’.

Wee hun, die verlangen naar de dag des HEREN! Wat toch zal de dag des HE­REN voor u zijn? Duisternis is hij, en geen licht! – Amos 5:18.

Je moet je wel realiseren, waar je nu eigenlijk naar verlangt. Heb je nu inderdaad reden om naar die dag des Heren te verlangen? In de tijd van Amos ging het ook over mensen die zeiden: de dag des He­ren moet maar gauw komen. Maar ze hadden niet in de gaten, dat die dag des He­ren nu juist het einde betekende van alles waar ze zo druk mee be­zig waren. Die dag des Heren wordt dan wel een kink in de kabel. Dan komt er een eind aan alles waar je nu zo lekker mee bezig was. Vooral voor die mensen waar Amos het nu over heeft. Die mensen die daar breeduit op een divan zitten en denken dat ze de baas zijn. Dan wordt die dag des Heren een inbreuk op hun bestaan.

Laten wij dan de werken der duis­ternis afleggen

De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duis­ternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts! – Rom.13:12.

Dat is dus de weigering om mee te doen met de werken van de duister­nis. De werken van de duisternis zijn onder andere: de verdoving, de roes, de slaap, de illusie, de schijn en de schijnvertoning en de grijze ver­doezeling. Laten we dan de wapenen van het licht aandoen en de waak­zaam­heid, de hoop, vasthouden. De wapenen van het licht zijn ook To­rah en Pro­­feten, de woorden van God.

Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen, niet in brasserijen en drink­ge­lagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd! – Rom.13:13.

Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronken­schap­­­pen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; Rom.13:13.- SV.

Je zou haast kunnen vertalen: laten we fatsoenlijk wandelen. En dat lijkt dan op het eer­ste gezicht niet zo veel, in de zin van: is dat nou het enige waarin de gemeente zich onderscheidt van anderen? Maar het is toch de bewuste ontkenning van het nachtwerk. Het is de weigering om mee te doen met het leven in het donker, met de tweespalt, met het gespleten bestaan. Aan de ene kant spreek je over vrijheid en gelijkheid, maar aan de ande­re kant is er sprake van heersen en verdrukken, van agressie en beledi­gin­gen. Dat betekent ook, dat je vanbinnen één moet worden en van daaruit ook één naar buiten. Een andere vertaling zegt: ‘niet in optochten en beschonken, niet met uitspat­tingen, niet met geruzie en jaloezie’. Dat is wat het leven ontkent, wat het leven kapotmaakt en bedreigt en ondermijnt. Daartegenover wordt dan het fatsoen gezet. En dat vergt best heel wat moed en heldendom, om dat in de nacht van deze wereld op te brengen. Bertolt Brecht zegt: in nazi-Duitsland was er moed voor nodig om jegens je joodse buurman fatsoenlijk te handelen. Alsof het mid­den in de nacht reeds dag was.

Maar doet de Here Jezus Christus aan en wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeer­ten worden opgewekt. – Rom.13:14.

Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot be­geer­­­lijk­he­den. – SV.

Ook te vertalen: ‘Laat de zorg van het vlees niet omslaan in begeerten’. Dat herinnert aan dat punt waar Jezus over spreekt in de Bergrede: Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten of drin­ken, of over uw lichaam, waarmede gij het zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding? – Matt.6:25.

Dat wil zeggen: alle energie vrijhouden voor het zoeken van het Konink­rijk van God. Wie op zijn bezorgdheid gefixeerd raakt, wordt spoedig door duizend driften en begeerten beheerst. Een Messiaans mens laat zich niet door zijn driften en begeerten beheersen. Hij graait niet, maar hij zet zich in. Hij vreest de moord meer dan zijn eigen dood. Hij is een mens van de dag (Dag). Je kunt niet spelen met de leugen zonder het recht op de waarheid te verliezen. Je kunt niet spelen met de wreedheid zonder de tederheid van je geest teniet te doen. Je kunt niet spelen met het beestachtige, zonder dat je helemaal beest wordt.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010