De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 23

07-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

ROMEINEN 12    

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw re­de­lijke eredienst. – Rom.12:1.

‘Ik vermaan u dan’. Dit is een heel positieve uitspraak. Hier staat het woord paraklario, dat ‘erbij roepen’ betekent. Hier hangt ook het woord parakleet (Trooster) mee samen. Het kan ook betekenen aanmoedigen, aanvuren, opmonteren. Het woord vermanen heeft bij ons een wat nega­tieve klank gekregen. We denken dan meteen aan dat opgestoken vin­ger­tje. Ook in het Nederlandse taaleigen had vermanen oorspron­ke­lijk een veel posi­tievere betekenis. Een gemeente vermanen betekende dan: de ge­meente erbij betrekken, aanmoedigen. Doopsgezinde kerkgebou­wen wer­den altijd genoemd ‘De Vermaning’; we gaan ‘s zondags naar de ver­maning. In sommige plaatsen tref je nog wel eens zo’n oud doops­ge­zind kerkge­bouw aan, die dan aan de Vermaningsweg ligt.

De werken van barmhartigheid

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods’. Die barmhartigheden heeft Paulus dan in de vorige elf hoofdstukken uit­­een­ge­­zet. Daar vind je dan de inhoud van die barmhartigheden. Het begrip ‘barmhartigheden’ speelt een belangrijke rol in de Tenach. Van­ouds spreekt men ook van de ‘werken van barmhartigheid’. Paulus had dus ook kunnen zeggen: ‘Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de wer­ken van barmhartigheid van God’. In die werken van barmhartigheid van God worden soms zeven aspecten onderscheiden. In de rabbijnse tra­­di­ties worden verschillende aantallen genoemd. In Matteüs 25 wor­den er zes genoemd. Dat vind je dan in dat bekende gedeelte van de schapen en de bokken. Ik had honger en gij hebt Mij gevoed; dorst en Mij te drin­ken gegeven; een vreemdeling en Mij gehuisvest; naakt en Mij gekleed; ziek en Mij bezocht; in de gevangenis en tot Mij gekomen.

Ook in Jesaja 58 vinden we een opsomming. Is dit niet het vasten dat Ik verkies: de boeien der goddeloosheid los te maken, de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te ver­bre­ken? Is het niet, dat gij voor de hongerige uw brood breekt en arme zwer­ve­lingen in uw huis brengt, ja, als gij een naakte ziet, dat gij hem bekleedt en u niet ont­trekt aan uw eigen vlees en bloed? – Jes.58:6,7.

Hier worden er dan vier genoemd: het bevrijden van gevangenen; het spij­­­zigen van de hongerigen; het opnemen van daklozen en het kleden van de naakten. In de joodse traditie worden er minstens twaalf genoemd, onder andere: het voeden van de hongerigen; het bekleden van de naakten; het verle­nen van gastvrijheid; het opvoeden van weeskinderen; het loskopen van gevangenen; het ondersteunen van geleerden; het on­der­steunen van men­sen in nood, bijvoorbeeld door middel van lenin­gen (zon­der rente!); het verlenen van een uitzet aan een arme bruid; het bezoe­ken van zie­ken; het begraven van doden en het troosten van treuren­den.

De joodse traditie heeft ook een vaste uitdrukking voor het uitoefenen van die werken van barmhartigheid: kenniloeth chassidim. Dat chassi­dim is dus in feite een meervoudsvorm en betekent eigenlijk goedertie­ren­heid. Chèsed is het enkelvoud en chassidim het meervoud. Je zou ze dus ook kunnen noemen: daden van verbondenheid, daden van solidariteit. De werken van Jezus waren uiteraard ook daden van barmhartigheid: ge­vangenen vrijlating verkondigen, blinden het gezicht teruggeven, ge­bon­denen heenzenden in vrijheid, enzovoort, dat ligt ook in dezelfde orde.

De rabbijnen zeggen: God gaat ons daarin voor; Hij doet die werken van barmhartigheid ook. En dan worden enkele frappante voorbeelden ge­noemd. In Genesis 3 wordt gezegd dat God kleding maakte voor Adam en Eva. Dus God bekleedt ook de naakten; dat doet Hij dus al in Genesis 3. God oefent dus ook werken van barmhartigheid uit. Helemaal aan het eind van de Torah in Deuteronomium 34 staat, dat God Mozes begraaft. En ook het begraven van doden was een werk van barmhartigheid. Op die manier omvat de barmhartigheid heel de Torah. En de HERE verscheen aan hem bij de terebinten van Mamre, terwijl hij op het heetst van de dag in de ingang der tent zat. – Gen.18:1. God komt op bezoek bij Abraham. Vlak daarvoor wordt verteld dat Abra­ham was besneden. Abraham was nog ziek van de besnijdenis en God komt bij hem op ziekenbezoek. Sara was trouwens ook niet meer in zo’n goede conditie, zij was al op hoge leeftijd gekomen. De moeder­schoot van Sara was al verstorven. Na de dood van Abraham zegende God zijn zoon Isaak; en Isaak woonde bij de put Lachai-Roï. – Gen.25:11. Zo troost God de treurenden, want Isaak had natuurlijk getreurd over de dood van zijn vader en dan gaat God hem zegenen. Dus als de mens die werken van barmhartigheid doet, wordt hij navolger van God. Zo kom je dus ook in de evangeliën die werken van barmhartigheid te­gen. Daar­bij wordt wel een onderscheid gemaakt tussen aalmoezen en barmhartig­heid. Er wordt van aalmoezen gesproken, als het alleen om geld gaat. In dit verband zijn er drie verschilpunten. Aalmoezen bestaan uit geld. Bij barmhartigheid gaat het ook om de persoonlijke inzet. Dan gooi je niet alleen iets in de collectebus, maar zet je je ook persoonlijk in. Aalmoezen zijn bestemd voor de armen, maar barmhartigheid kun je be­wijzen aan armen en aan rijken. Aalmoezen geef je alleen aan de le­venden, maar barmhartigheid kun je zowel aan de levenden als aan de doden bewij­zen. Want als je iemand begraaft, wordt dat ook als een daad van barm­hartigheid beschouwd. Barmhartigheid omvat dus leven en dood. Barm­hartigheid is dus een ruimer begrip dan aalmoezen ge­ven. Zo mag je na­volger worden van de Eeuwige.

In het Hebreeuws staat voor barmhartigheid het woord rachamim. Dat hangt samen met het woord rèchem, dat moederschoot betekent. Je zou dus kunnen zeggen: barmhartigheid is de moederschoot van God. Die zeven werken van barmhartigheid vormen met elkaar dus de schoot van God. Daar komt de mens thuis in de veilige schoot van de Allerhoogste. Zo werd de arme Lazarus (Lucas 16) opgenomen in de schoot van Abra­ham. Daar ontvangt hij eindelijk de vertroosting.

Uw lichamen stelt tot een levend en Gode welgevallig offer

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw re­de­lijke eredienst. – Rom.12:1.

Je lichaam omvat dus je hele bestaan. Dan zegt Paulus erbij: ‘dit is uw re­de­lijke eredienst’. Voor redelijk staat hier het woord logè, dat samenhangt met logos, het woord. Het is dus een eredienst die in overeenstemming is met het woord, met het woord Gods. Wat wordt er geofferd: het li­chaam, de lichamen van de gemeenteleden. Dat heeft dus te maken met je hele inzet als mens. Het is dus een concreet, materieel offer, dat past bij het nieu­we menszijn. Het gaat dus om een offer van je totale mens. Paulus speelt hier niet het lichaam uit tegen de geest, dat is hem vreemd. Ook niet omgekeerd; hij bedoelt niet te zeggen: laat het lichaam nu maar opgaan, dat zou een soort dualisme zijn. In de zin van: laat je lichaam nu maar ge­opend worden, dan kan de geest tot bevrijding komen. Dat was vaak de Griekse gedachte, het lichaam was maar een kerker. En dan moet de geest eruit kunnen. Het lichaam betekent bij Pau­lus de hele mens. De mens heeft niet een lichaam, maar is een li­chaam.

Maar doet de Here Jezus Christus aan en wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt. – Rom.13:14.

Besteedt geen zorg aan het vlees, daar wordt ook het lichaam bedoeld. Er staat natuurlijk ook wel, en dat is een tekst die ook wel in dit verband wordt aange­haald: ‘de oefening van het lichaam is van weinig nut’. Dat is natuurlijk het beroemde misverstand, dat die oefening van het li­chaam in ons spraakgebruik dan wordt verstaan als lichamelijke oefe­ning, als gymnastiek. Dus: doe niet te veel aan sport, houd je niet te veel met gymnastiek bezig. Alleen, die tekst betekent toch wel wat anders. Er staat in 1 Timoteüs: De oefening van het lichaam is van weinig nut maar wees afkerig van onheilige oudevrouwenpraat. Oefen u in de gods­vrucht. Ø Want de oefening van het lichaam is van weinig nut, doch de gods­vrucht is nuttig tot alles, daar zij een belofte inhoudt van leven, in heden en toe­komst. – 1.Tim.4:7,8.

In vers 7 wordt gesproken van de oefening in de godsvrucht. En dan wordt daar in vers 8 gezegd: de lichamelijke oefening (gymnasia of durha­zia?) is nuttig tot weinig. Maar de godsvrucht (vreze Gods) is nuttig tot alles. Want zij heeft de belofte van leven van nu en van het toekomende leven. Alleen, hierbij moet je bedenken, dat oefening van het lichaam in verband met de oude Griekse wereld veel meer was dan alleen maar atletiek. Het was vooral ook de ascese, het je onthouden van aller­lei din­gen. Je lichaam bedwingen, je lichaam onder bedwang en controle bren­gen, je allerlei dingen ontzeggen. Op die tegenstelling gaat Paulus dus anticipe­ren. Hij zegt niet: dat lichaam is niet belangrijk. Want dat zou dan juist weer een dualistische, Griekse gedachte zijn. Hij zegt dat alleen maar als een vergelijking. Dan is die oefening in de godsvrucht veel meer omvat­tend, die omvat de belofte van leven voor nu en voor de komende eeuw. In de Griekse we­reld werd er een enorm gewicht toegekend aan de schoonheid. Het be­grip gymnastiek is in wezen ook van Griekse oor­sprong. Gymnastiek hangt samen met het woord gym­nos, dat naakt bete­kent. De atletiek bij de Grieken geschiedde ook prak­tisch naakt, vandaar dat dat woord ook daar vandaan komt. Van­ daaruit gaat het dan bete­kenen: oefening, trai­ning. Bij de Grieken was die trai­ning uiteraard heel intensief; dan werd het lichaam het een en het al. Je zou het kunnen ver­gelijken met de be­roepssport van van­daag. Dan ga je dus je hele bestaan wijden aan de sport. Als een topsporter een fatale blessure krijgt en voor­­goed wordt uit­­geschakeld, dan zou je kunnen zeggen met een va­riatie op de woor­den van 1 Timo­teüs 8: daar zij geen belofte meer inhoudt van leven. Hij heeft geen belofte van leven meer. En als je te oud wordt, komt er een ander, die net weer een paar secon­den sneller is dan jij. Daar gáát dan je we­reldrecord! Het is natuurlijk wel leuk om even aan de top te staan, maar wat komt er daarna? In een bejaardentehuis heb je ook niet veel aan een wereldrecord. Je kunt dan hooguit nog zeggen: weet je nog wel, oudje. Kampioen op de 100 m, maar nu ben ik al blij als ik de gang op en neer kan lopen. Wat blijft er dan over van je lauwer­krans! Daarom zegt Pau­lus: de oefening van het lichaam is van weinig nut. De oefening van de godsvrucht blijft voor eeuwig zijn waarde hou­den. Dat betekende dus niet, dat Paulus het lichaam niet belangrijk vond, of dat hij lichamelijke oefening afkeurde. Door de Romeinen werd vaak de spreuk aangehaald: een gezonde geest in een gezond lichaam. We moeten er op deze plaats op wijzen dat dit slechts de helft van deze spreuk is. Er gaat iets aan vooraf, namelijk: ‘Er moet gebeden wor­den, opdat er zij: een gezonde geest in een gezond lichaam’. Het is dus eigenlijk een gebed. In het Latijn luidt die spreuk: Ora …Mensana at corpora sanos. Het is een spreuk van Ovidius in poëtische bewoordingen geuit. Dus Paulus gaat lichaam en geest niet tegenover elkaar stellen. Juist via het lichaam heeft de mens contact met de buitenwereld. Tegelijk heeft het li­chaam van de mens zijn behoeften, dat lichaam heeft van alles no­dig. Daar is de aspect van de kwetsbaarheid van het lichaam. In je li­chaam word je vaak bedreigd. Het lichaam van de mens kan uitgeleverd wor­den aan mach­ten van geweld en on­recht. Vandaar dat God allereerst aan­­spraak maakt op het lichaam, omdat Hij niet wil dat de mens onder­worpen is aan de machten en krach­ten van de wereld.

Paulus in contrast met het Griekse denken

God roept mensen terug uit de vervreemding. En die gehoorzaamheid aan de Messias vindt dan ook heel lijfelijk plaats in de materiële geschie­denis. Dat kun je in die zin niet vergees­te­lijken door te zeggen: dat is alleen maar een geestelijke macht, want dan wordt het te weinig con­creet. Dan zou Karl Marx gelijk hebben, dat godsdienst opium van het volk is. Dan zou het alleen maar om het hier­namaals gaan, maar het moet ook hier en nu gestalte krijgen. Een nieu­we orde en een nieuwe vre­­de. Vandaar dat Paulus ook zegt: dit is uw eredienst. Die eredienst vindt niet ergens plaats buiten het leven, alleen op zondag, maar die ere­dienst doortrekt het hele leven, midden in de alledaagse werkelijk­heid. Midden in het kwetsbare en bedreigde bestaan. Wat dat betreft staat Paulus in contrast met het Griekse denken, want bij de Grieken was er altijd die gerichtheid van beneden naar boven. We moeten dat sterfelijke en stoffelijke lichaam achterlaten, je moet proberen om steeds hoger te komen. Het is opmerkelijk dat het Griekse denken vaak sterk heeft doorgewerkt in het christendom. Dan werd er gezegd: hier bene­den is het niet.

Het hiernamaals en het hiernumaals

De concilies hebben er vaak mee geworsteld om die verbinding tussen het zichtbare en het onzichtbare vast te houden. We leven tenslotte in twee werelden. In dit verband is er ook uitgebreid over gediscussieerd hoe nu die verhouding was tussen het zichtbare en het onzichtbare bij de Messias. Ook over de eenheid van God is heel wat gesproken. We moe­ten aan de ene kant de hemel vasthouden, maar aan de andere kant ook de aarde. Dat is in de loop van de tijd altijd weer een worsteling ge­weest. Soms werd het christendom alleen maar tot een soort hemel­ver­langen. Alleen het hiernamaals telde dan nog; eenmaal daarboven, na het zure komt het zoet. De joodse denker André Neher legt er de na­druk op, dat het niet is straks daarginds, maar het is hier en beneden, het ‘hiernumaals’ om het zo maar uit te drukken. We moeten de op­dracht van God en de beloften van God niet wegschuiven naar een verre toe­komst. Dat gevaar zit er soms ook in, als je gaat spreken over de hoop. We moeten de hoop niet richten op iets wat heel ver weg is. Niet in de zin: eenmaal zal dat nog wel eens komen. Dan wordt de hoop ge­richt op iets wat dan ooit misschien nog wel eens een keer gereali­seerd zou kun­nen worden. Zouden wij ook eenmaal komen…..

In de tijd dat het communisme furore maakte, werden er heel wat bij­een­komsten gehouden waar de sprekers de idealen van het communis­me uit de doeken deden. Een van de leiders hield toen een gloedvolle toespraak waarin hij zei: ja, wij moeten ons nu behelpen met het socia­lisme, maar aan de horizon wenkt het echte communisme van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Na de toespraak ging een van de toehoor­ders naar de spreker en vroeg wat hij bedoelde met de zinsnede ‘aan de horizon’. Het antwoord van de spreker was: dat moet je thuis maar in het woorden­boek opzoeken. Toen de man thuisgekomen was en dat woord opzocht, las hij: de horizon is een lijn aan het eind van je ge­zichts­veld, die als je er dichterbij komt, steeds verder terugwijkt. Dat is het gevaar ook als je spreekt over de hoop, namelijk dat die hoop kan wor­den tot iets dat alleen maar heel ver weg is. Vandaar dat Paulus ook de nadruk op het concrete legt. Niet zozeer proberen steeds hoger­op te ko­men, maar de nadruk leggen op de neerdaling van God; God daalt neer. Dat is dus precies het tegenovergestelde. God komt tot de mens. Voor Paulus is dat offer beschikbaar; beschikbaar voor God en men­sen. Want de hemel is toegespitst op de aarde. Dat zien we ook in de weg van Jezus, want Hij heeft Zichzelf geofferd in totale verbon­den­heid met de mensen. Juist met de zuchtende, gekwetste, bedreigde, ten dode opge­schre­ven mensen. Paulus kan dat zeggen vanuit dat nieu­we bewind. Jezus is meer en omdat Jezus meer is, geldt er een nieuwe heerschappij, een nieuw Koninkrijk.

Het zondebok-mechanis­me

Dat is dus dat offer; je lichamen stellen tot een levend offer. Paulus gaat daar ook ín tegen de gangbare gedachten van de heidense offerdienst. Bij die heidense offerdienst werd er altijd een zondebok aangewezen. Want overal geldt dan de offerwet, dat ook wel het zondebok-mechanis­me werd genoemd. Er moet altijd iemand worden aangewezen die de schuldige is. En die moet dan het veld ruimen. Dat zie je ook nu nog steeds en daarom wordt het ook een mechanisme genoemd. Door dat ‘mechanisme’ wordt op die ma­nier de heersende orde gehandhaafd. De handhaving van die orde gebeurt dan onder andere door mensen tegen elkaar uit te spe­len en tegen elkaar op te zetten. En dat zorgt voor een labiel evenwicht. Je wijst dan dus een schul­dige aan voor al het onheil dat je elkaar ver­wijt. Op die manier zijn de joden ook vaak de zondebok geweest. Als er in de Middeleeuwen een pestepi­de­mie uitbrak, hadden de joden dat weer ge­daan. Wat voor onheil er ook gebeurde, altijd werd gezegd: dat is de schuld van de joden. En dan vond er weer een pogrom plaats, een Jo­den­vervolging. Hetzelfde werd ook door Hitler gezegd: de joden zijn de schuld van alle ellende, evenals dan nog een paar groepen, zoals de zigeuners en de ge­handicapten. Door die zondebok kwam het dus, dat het niet goed ging in de maatschappij. En als je dat dan maar op een stevige manier kunt over­brengen dan heb je een offer. En zo werden de joden opgeofferd. Die zondebok wordt dan vervolgd, vastgezet en geofferd. De zon­de­bok was immers schuldig!

Zo heeft men dus altijd op die manier een offer willen aanwijzen. Het of­feren van de zondebok geeft een zeker gevoel van voldoening, want dan is de orde hersteld en de vrede is teruggekeerd. In het bijbelse denken wordt dat hele zondebokmechanisme voortdu­rend aan de kaak gesteld. Want in de bijbel wordt juist de onschuld be­le­­den van de zondebok. Dat begint al bij Abel. Kaïn zegt: Abel moet ver­dwijnen, maar dan zegt de Tenach: Abel is onschuldig. Dat zie je ook bij Jozef. De broers zeggen: Jozef moet verdwijnen. Maar in Genesis wordt ge­zegd dat Jozef onschuldig is. En dat gaat dan door tot op de lijdende knecht, de knecht des Heren. Dat vind je weer terug bij Jezus. Jezus moet verdwijnen, maar het evangelie getuigt: Jezus heeft dam naki, on­straffelijk bloed. Het is wonderlijk dat zelfs Judas dat belijdt. ‘Ik heb onschuldig bloed overgeleverd’. Hebben de christenvervolgingen daar ook mee te maken? Dat zie je inderdaad ook bij alle christenvervolgingen en alle po­groms. Telkens wordt gezegd: de christenen of joden hebben voor onrust ge­zorgd. Als we nu de dader maar geliquideerd hebben, dan is de orde weer hersteld. Dan kan het systeem zich eindelijk weer ontplooien.

Dat gegeven van een zondebok vind je op allerlei manieren weer terug. Je ziet het ook heel duidelijk in het extreme Mohammedanisme. Lenin had ook zo’n zondebok, dat waren de kapitalisten. In die tijd stond Lenin op posters afgebeeld, waar hij met een bezem de wereldbol schoon­veegde. Al­le kapitalisten werden van de aardbol afgebezemd. Zo zou de wereld eindelijk een paradijs worden. En zo heeft Hitler gezegd: als we nu de joden maar kwijt zijn, dan wordt de orde weer her­steld. ‘Ordnung muss sein’. Maar de bijbelse gedachtegang is net andersom. Daar wordt de leugen ontmaskerd. Jezus kiest als onschuldige vrijwillig voor het zondebok-zijn. Hij zegt: neem Mij maar. Hij stelt zich beschikbaar als zondebok. En juist omdat Hij vrijwillig kiest voor het offer, wordt het een levend offer. Dat krijgen ze niet kapot. En dat is dan het wonderlijke bij Pasen, dat Hij aan zijn leerlingen verschijnt als de levende gekruisigde. Kijk maar naar mijn handen en kijk maar naar mijn voeten. Zie je wel dat ik de ge­krui­sigde ben? Maar Ik leef wel! De gekruisigde leeft. Dàt is nu een levend offer. Dat is het paradoxale van het evangelie: de gekruisigde leeft! Hij is de gekruisigde, dat kan Hij zelf laten zien. Hij is niet een ander, Hij draagt de tekenen van het offer in zijn lichaam. Hij laat als de lijdende Knecht alles op zich aan komen. Zo legt Hij dat mechanisme van de zondebok bloot. Het mechanisme dat zegt: we moeten een zon­de­bok vinden. En op die manier voert Hij dat mechanisme tot het uiter­ste. En Hij overstijgt het, Hij komt er boven­uit. Want als Hij zich vrij­wil­lig aanbiedt, neemt Hij in feite hen alle wapens uit handen. Want in diep­­ste zin vindt men er dan toch ook geen voldoening meer in. Als je dan je agressie kwijt wilt, en iemand zegt: doe maar, ga je gang maar, wat moet je dan met zo iemand! Daar loopt in wezen dan ook alle agres­sie op dood. Want hoe kun je nu je agressie botvieren op iemand die niet tegenspartelt! Dat is net als bij jongens, die het leuk vinden als ze een slachtoffer hebben gevonden en vooral als dat slachtoffer dan ook nog kermt en smeekt; daardoor wordt de agressie alleen nog maar feller. Maar als het slachtoffer niet tegengespartelt en ze hun gang laat gaan, dan wordt de wind van de agressie hen uit de zeilen genomen. De gemeente kiest voor de Messias, die vrijwillig zondebok is. De ge­meen­te sluit zich bij Hem aan en belijdt zijn onschuld. Daarom doet de gemeente niet mee met het zoeken en aanwijzen van zondebokken, het opofferen van slachtoffers. Wat dat betreft zal de gemeente dus anders moeten zijn. Daar wordt niet voor de zoveelste keer een schul­dige ge­zocht, maar in de gemeente wordt juist de onschuld van de an­der ge­zocht. De gemeente is het volk van het geslachte Lam, de onschul­dig ver­oordeelde Heer. Zij is bereid zich met Hem zelf als offerbok te laten slachten. Neem ons dan maar. De gemeente is solidair met de slacht­offers.

Je lichamen stellen als een levend offer

Dat is wat Paulus bedoelt, als hij zegt: je lichamen stellen als een levend offer. Een levend offer wil zeggen: een offer met heel je le­ven. Net als Jezus: Hij offerde Zich met en in heel zijn leven. En in dat offer leefde Hij. Een heilig offer, dat wil zeggen: anders, anders dan wat in het gang­bare denken een offer genoemd wordt. En het is ook een Gode wel­ge­vallig offer. Dat is datgene wat past bij de barmhartigheden van God. Dat is niet een offer zoals de heidenen dat kennen: we zullen wat aan de goden aanbieden, dan worden zij wellicht weer vriendelijk. Dan wordt het of­fer ook vaak als een prestatie gebracht. Maar het offer moet zijn een offer van toewijding. Dat is je eredienst, dus je kunt eredienst en le­ven niet van elkaar scheiden. Niet de eredienst in een aparte ruimte bij God, maar midden in dit leven. Eredienst en leven horen bij elkaar. Heel je le­ven dient een eredienst te zijn.

De joodse traditie zegt dat ook zo merk­waar­dig: de eredienst is er voor de mens en de ethiek is er voor God. Meestal wordt het andersom gezegd: de eredienst is er voor God, bid­den en zingen, dat doe je voor God en je naaste liefhebben, dus de ethiek, doe je met het oog op de mensen. Nee, zegt de joodse gedachte, het is net an­dersom. Bidden en zingen dat doe je om in leven te blijven, om te over­leven. Maar je naaste liefhebben, dat doe je voor God. Want alleen daarin is Hij geïnteresseerd. Daarin word je navolger van Hem. Dat is de vervulling van de Torah. Dan wordt het dus juist van de andere kant benaderd. God heeft van tevoren werken bereid, opdat wij daarin zouden wande­len. God is geïnte­resseerd in je wandel, in de weg die een mens gaat. In die weg, in die wandel, daarin wordt de mens beeld van God. Daarin wordt hij tot lof van zijn heerlijkheid. Je kunt dus niet een apart terrein afbakenen waarvan je zegt: dit is profaan en dat is heilig. Niet: de zon­dag is voor heilige dingen en de doordeweekse dagen zijn voor de pro­fa­ne dingen. ‘Geloof en leven’ is een zegswijze, waarvan je de delen niet van elkaar kunt scheiden. Het hele leven is tot heiliging bestemd.

Wordt niet gelijkvormig aan deze eeuw

Paulus zegt: En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene. – Rom.12:2. Er staat in deze tekst een woord dat samenhangt met schema. Dus: laat je niet inpassen in het schema van deze wereld. Laat je niet schemati­se­ren. Voor wereld staat er het woord aeoon (Hebr. ‘olam), dat betekent: de­ze eeuw. Laat je dus niet inkapselen in deze eeuw, in het schema van de wereld, in de structuren van het bestaande, de cirkelgang van macht en boosheid. Want vrijheid is vaak moeilijk, de mens heeft altijd weer de nei­ging om zich aan te passen aan de bestaande orde. Slavernij biedt een zekere mate van veiligheid. Soms schijnt het, alsof je het beste mee kunt doen met de meerderheid.

Dat schema is ook het schema van macht tegenover macht, van kwaad tegenover kwaad. De een is machtig ten koste van de ander. De een is heer en de ander is knecht. De een zit boven en de ander zit onder. De een is baas en de ander is slaaf. Maar dan komt Jezus en Hij doorbreekt dat schema. Want Hij is de heer en Hij wordt knecht. Hij is de heer die knecht werd en de Knecht die Heer bleek te zijn. En zo heeft Hij de mach­ten overwonnen. In Hem is alles anders. Zo heeft Hij de aard van deze wereld ontmaskerd en te kijk gezet. Zoals gezegd wordt in Kolos­sen­zen: Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd. – Kol.2:15. Hij heeft de machten tentoongesteld en zo over hen gezegevierd. Hij heeft ze dus vooral krachteloos gemaakt, doordat ze  zijn door­zien. Als je op een gegeven ogenblik doorziet, waar die mach­ten mee werken, maak je ze daardoor machteloos, dan zijn ze dus op hun werkelijke bedoeling doorgelicht.

Als iemand met een heleboel machtsvertoon komt, maar een ander zegt: ik kijk er dwars doorheen, dan kan hij wel ophou­den. Dus als Je­zus te­gen die machten zegt: Ik kijk dwars door jullie heen, Ik weet pre­cies hoe jullie werken, dan zijn ze uitgeteld. Dan is het schema van deze wereld voorbij. Dat is de ontmaskering. Alleen, dat gebeurt dus niet van­­uit een bepaalde moraal, maar vanuit de ontfer­ming. Zo zien we de overwin­ning van die barmhar­tig­heid, waar het mee begon. Die zegswijze ‘wordt niet gelijkvormig aan deze eeuw’ is vaak op allerlei manieren uit­gelegd, waarbij dan vooral ge­zegd werd: je moet niet we­reldgelijk­vor­mig worden. Vaak werd dat dan ook gezocht in allerlei uiter­lijkhe­den: doe niet met de mode mee, je moet geen televisie nemen, we gaan niet naar de bioscoop. We doen een heel aantal dingen niet. En als we nu maar heel angstvallig allerlei dingen niet doen, dan zijn we dus niet wereldge­lijkvormig. Er zijn natuurlijk groeperingen die daar heel strak aan vasthouden. Wij zijn niet gelijkvormig aan deze wereld. Dat kun je dan soms ook zien aan de kleding. In sommige gemeenten kun je je kind niet laten dopen als je televisie in huis hebt. Het punt is natuurlijk, hoelang je dat vol­houdt. Christenen zijn vaak in eerste instantie tégen allerlei moderne uit­­vindingen. Toen de telefoon kwam en de telegraaf, waren er ook men­­sen die zeiden: dat kan nooit van God zijn. Dat deden ze zelfs met een beroep op de psalmregel: ‘s Heren goed­heid kent geen palen, want die telefoondraden liepen tussen palen. Zo kun je allerléi dingen wel we­reld­gelijkvormig noemen. Waar ligt dan de grens en tot hoe lang houd je dat vol. Dan krijg je inderdaad dat separatisme, dan ga je je afschei­den, waarbij je dan misschien nog wel in een betrekkelijk beschermde omge­ving terechtkomt. En als de jeugd daar dan buiten komt, weten ze vaak niet hoe ze zich moeten opstellen ten aanzien van de buitenwereld en kunnen ze de vrijheid niet aan en slaan ze door. Dat heb je ook vaak gezien als mensen in de grote stad gingen wonen of als ze in militaire dienst kwamen. Dan valt opeens de sociale controle weg. Dus dat gelijkvormig zijn is niet een kwestie van mo­raal. Het merk­waar­dige is, dat je bij de kwestie van moraal altijd het as­pect tegenkomt, dat je door anderen beoordeeld wordt. Bij die sociale con­trole wordt er­op ge­let wat de ander doet. Als je op zondag fietst, kan dat in sommige dor­pen als heel choquerend worden ervaren. Iedereen zit daar dan op zondag achter de horretjes te kijken. Natuurlijk heeft die sociale controle ook positieve aspecten. Maar op die manier krijg je toch vaak, dat een an­der wordt geoordeeld of beoordeeld, terwijl jijzelf buiten schot blijft. Karl Marx heeft gezegd: de heersende morele ideeën zijn de idee­ën van de heersenden. Zij zijn het immers die de moraal uit­maken. Dat zijn dus de­genen die de lakens uitdelen en zeg­gen hoe je le­ven moet. Zij bepalen dan wat een ander mag of niet mag. Wie de macht heeft, bepaalt dus de moraal. De Deense denker Kierke­gaard heeft ge­zegd: in de moraal zit de verborgen wens zichzelf te recht­vaardigen. Ik heb geen televisie, dus bij mij zit het wel goed. In dat verband is er een opmerkelijke uitspraak van Nietzsche: onder de as van de moraal gloeit het vuur van de wrok. Vaak zit dat er inderdaad ach­ter, want mensen leggen anderen vaak wetten op, omdat ze zelf het ge­voel hebben dat ze het niet ‘gemaakt hebben’. Uit een stuk bitterheid en wrok groeit dan een geest van veroordeling. Uit een soort verbittering wor­­den dan anderen wetten opgelegd. Op die manier krijg je ook die klaagzangen over de wereldgelijkvormigheid. Die moraal uit zich dan in standpunten, die mensen uiteendrijven. Dan kom je onder de religie­uze knoet. Maar Paulus bedoelt iets anders. Weest niet gelijkvormig. Dat betekent dat de gemeente een andere Heer heeft. Zij is bevrijd uit de zonde, zij is ook bevrijd uit de kennis van goed en kwaad. Ter Schegget gebruikt daar een heel leuke uitdrukking voor: ‘de gemeente is mora­li­ne­­vrij’. Je hebt allerlei stoffen in je bloed, zoals adre­naline, maar je hebt ook moraline, dan wil je voortdurend een ander mo­raliseren en de les lezen. Dan kweek je allemaal brave Hendriken en mensen die het uiter­lijk alle­maal keurig doen. Maar de gemeente doet daar niet aan mee, zij is mo­ralinevrij. Zij zit niet voortdurend de ander de les te lezen en de ander te meten, want dan kweek je alleen maar men­sen, die keurig in de maat lo­pen. Eén twee in de maat, anders wordt er iemand kwaad. De ge­meente heeft echter een andere Heer. Zij is vrij van dwang, zij heeft zich losge­maakt uit de aanpassing. Zij heeft niet een vrijheid van, alleen maar een vrijheid tot dienen. Vrij tot God en op die manier ook vrij tot elkaar. Jezus oor­deelde niet, maar Hij werd ver­oordeeld. Hij doorbrak de barrières. Daarom laat de gemeente zich niet de wet voorschrijven door de wereld, maar zij is vrij tot dienst. Dat is de betekenis van die uitdrukking ‘niet gelijkvormig’.

Het gebed is er voor de mens en de ethiek is er voor God

Het gebed is er voor de mens; dat wordt dan verstaan in die zin, dat het niet zozeer Gód is die het gebed nodig heeft. God wéét al wat de mens wil vragen, Hij heeft dus niet een verlanglijstje nodig. God is volmaakt in Zichzelf. Hij heeft niet nodig dat de mens Hem iets gaat ver­­tellen. Het gebed is in die zin niet een informatie geven aan de Aller­hoog­ste. Niet de hemel informeren over het laatste nieuws op aarde. Het gebed is er voor de mens, want de mens heeft het nodig dat hij gaat bidden. Al biddend ge­beurt er iets in jezelf. Nu is het merkwaardige, dat het Griekse woord voor bidden een passief woord is. Zo kun je soms vertalen: laat het ge­bed in u gebeuren. Dat gebed gebeurt in jou en aan jou. Bidden doet iets aan en in je­zelf. Je bidt niet om God te veranderen, om God om te turnen. Er wordt ergens vertaald: God liet zich verbidden (bij Isaak); maar dat is ei­genlijk een verkeerde vertaling. Er staat eigenlijk: de Here nu liet zich bid­den. Soms heerst de gedachte: als je veel bidt of hard bidt, dan gaat God wel overstag. Op die manier wordt het bidden tot dreinen, waarbij men denkt: tenslotte zal God wel zeggen: nou, vooruit dan maar. Het waarachtige gebed heeft zijn oorsprong in de wil van God. Door het waarachtige gebed ga je aan de kant van God staan. Zo word je bond­ge­noot van de Eeuwige. In het gebed ga je ontdekken wat er naar zijn wil is. De mens moet gaan ontdekken wat de gedachten van God zijn, waar God zich voor inzet. Je doet als het ware met God mee. Bidden betekent als het ware met God meedenken. In het Onze Vader en dan speciaal de eerste drie beden, verklaar je je solidair met de doelstellingen van God: zijn naam, zijn koninkrijk en zijn wil. Bidden betekent dan, dat je he­le­maal achter het plan van God gaat staan. En dat is dan bidden naar zijn wil. Je denkt dan in dezelfde richting als God; God krijgt een mede­stander.

Er zijn verschillende vormen van gebed. Het gelovig gebed is vaak een ge­bed dat naar je toekomt. Dat kan naar je toekomen door bijvoorbeeld een bijbeltekst of een gedachte die steeds in je opkomt. De heilige Geest zal u alles te binnen brengen. Het wordt je te binnen ge­bracht. Het kan ook zijn dat je een gebed uitspreekt, dat bijvoorbeeld in een psalmboek of liedboek staat. Dan wordt er een gebed vanuit de eeu­wen opgezon­den. Zo zijn er heel wat gebeden die al voor (vóór) jou ge­beden zijn. Dat ge­bed kan naar je toekomen en dan gebéúrt zo’n gebed aan jou. Dat is dus een gebed dat je niet zelf hebt bedacht. Jezus bad aan het kruis ook een gebed vanuit de psalmen: mijn God, mijn God, waar­om hebt Gij Mij ver­laten (Ps.22). En: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest (Ps.130). Dit laatste gebed was ook een kindergebed voor het slapengaan. Dat wa­ren dus ook bestaande gebeden. Die gebeden kun­nen dus naar je toe­komen en zich aandienen. Als jij niet meer bidden kunt, ligt er voor jou nog wel een gebed klaar. Een gebed dat voor jou en in jou wil bid­den. Bidden is dus vaak een wisselwerking; soms maak jij een gebed en soms maakt het gebed jou. Soms zing jij een lied en soms zingt dat lied in jou. Soms ga jij op weg naar de woorden van een gebed; een gebed dat mis­schien al heel lang bestaat. Een gebed dat opeens voor jou gaat le­ven. Je kunt bidden vanuit een psalm, je kunt bidden vanuit de bijbel­se gedach­ten.

De eredienst is er voor de mens en de ethiek is er voor God

Er wordt wel gezegd: de ethiek is er voor God. Dat moeten we in die zin verstaan (juist ook vanuit de punten die we hierboven besproken heb­ben), dat bijvoorbeeld ‘werken van barmhartigheid’ ook door God zelf ge­daan worden. Hij bekleedt de naakte, Hij troost de bedroefde, Hij be­graaft de doden. Dus als de mens werken van barmhartigheid ver­richt, komt hij daardoor in de nabijheid en navolging van God. Hij wordt ie­mand die in de voetsporen van God gaat. Juist door dìe levens­wandel komt het Koninkrijk. Het Koninkrijk van God openbaart zich in de vier ellen van het menselijke bestaan. Die menselijke wandel (hala­gah) is volgens de rabbijnse traditie maar vier ellen, want elk mens krijgt vier ellen om mens te worden, dat is jouw kleine stukje grond. Op jouw klei­ne stukje grond mag jij mens worden. Soms heeft de mens ook niet veel meer bewegingsruimte dan die vier ellen, dan dat kleine vierkantje. Een mens kan vaak door allerlei omstandigheden niet zo goed uit de voeten. Maar – zegt de overlevering – in die vier ellen van een mens, daarin komt het Koninkrijk van God openbaar. Want als de mens barm­har­tig­heid betoont, al is het maar in zijn kleine wereldje, dan brengt hij daar­mee het Koninkrijk van God naderbij. Dat doet hij dan niet voor zich­zelf, maar dat doet hij voor God. Juist daarin is God geïnteresseerd; daar­mee krijgt God vaste voet op aarde. Dat wordt dan een stukje voort­gang van de geschiedenis. Wat in de ogen van mensen van geen belang is, heeft dan juist zijn waarde voor God.

Er gebeuren op deze wereld nog heel wat werken van barmhartigheid, zonder dat de mens daarbij aan God denkt. Dat wordt ook gedaan door mensen die God niet kennen of zelfs God ontkennen. En soms zie je dat er bij de mensen die God niet kennen, heel wat meer barmhartigheid ge­schiedt dan onder christenen. Als die barmhartigheid bij christenen niet meer tot uiting komt, heeft dat soms zijn oorzaak in allerlei dogma­tische leerstellingen of vormen van verbittering. In dat geval moet die barm­hartigheid vaak door zoveel blokkades en barrières heen, dat je niet meer kunt spreken van spontane barmhartigheid. De dogma­tische men­s is vaak zo verweven met allerlei bedenkingen, dat hij moeilijk spon­taan in beweging komt. Een stukje spontane barmhartigheid, puur menselijk, zonder dat dat gerelateerd is aan geloof in God, kan toch wel een teken zijn van Gods Koninkrijk op aarde. Karel Hoekendijk noemde dat dan ‘de pantomime van het heil’, zoals bij een pantomime geen woor­den zijn, kan daar toch een stukje heil in worden doorgege­ven. Een stukje heil zon­der ondertiteling. Misschien is het probleem bij christenen vaak juist, dat die ondertiteling te nadrukkelijk aanwezig is. In de zin van: ja, ik heb je lief, ik heb je lief met de liefde van de Heer, hoor! Met dat koortje heb ik toch altijd wel wat moeite. In sommige samenkomsten wordt dat uit den treure gezongen. Dan heb ik altijd de neiging om te zeggen: dat zal dan vanzelf wel blijken. Soms lijkt het ook wel of dat uit­spreken van ‘ik heb je lief met de liefde van de Heer’ dient als compensatie van de prak­tijk, waar die liefde niet altijd zo overduidelijk blijkt. Ik heb ook mensen meegemaakt die zeiden: na afloop ga ik toch weer alleen naar huis. Blijk­baar was er niemand die zei: ga je mee een kopje koffie drin­ken? Het klinkt dan bijna als een soort excuus voor het ontbreken van de prak­­­tische toepassing. Eigenlijk kan ik je niet luchten of zien, maar met de liefde van de Heer zal ik je verdragen. Dan wordt het inderdaad een soort verbeten liefde. Ook dan geldt, dat de ethiek er is voor God. De rab­bijnen zeggen: de heiden die barmhartigheid betoont, is gelijk aan de hogepriester. Wat dat betreft doen de rabbijnen soms heel gedurfde en ver­gaande uitspraken. Dan denk je ook aan dat verhaal van de barm­har­tige Samaritaan, die dan blijkbaar minder blok­kades heeft dan de pries­ter en de Leviet. Er zijn dan vaak al zoveel overwegingen, dat de barm­har­tigheid niet meer tot uiting komt. De priester en de Leviet waren zo bang voor alles wat daar in die omge­ving speelde, dat ze maar doorlie­pen. In feite waren ze slachtoffer van datzelfde geweld, waardoor die man daar was neergeslagen.

Wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken

En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene. – Rom.12:2.

En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de ver­nieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbe­ha­ge­lijke en volmaakte wil van God zij. – SV.

Letterlijk staat er: wordt niet gelijkvormig aan deze eeuw, maar……Maar wordt omgevormd, getransformeerd. Er staat een werkwoord dat sa­menhangt met het woord metamorfose; wordt gemetamorfoseerd. Dat is een woord dat duidt op een gedaanteverandering. Hetzelfde woord wordt ook gebruikt bij Jezus, bij de verheerlijking op de berg. Daar staat ook letterlijk, dat de gedaante van Jezus werd gemetamor­foseerd. Hier­bij moet je wel bedenken, dat dit een proces is dat van binnenuit komt. Het is niet een gedaanteverandering die van buitenaf komt, maar van binnenuit. We zien dat woord ook staan in 2 Korinthe 3: En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heer­lijkheid des Heren weerspiegelen (of: aanschouwen), veranderen naar hetzelfde beeld van heer­lijk­heid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is. 2 Kor.3:18.

Hier gaat het dus ook weer over die metamorfose. Die metamorfose moet dus geschieden door de vernieuwing van je den­ken. Het woord dat gebruikt wordt voor vernieuwen duidt op een kwa­li­ta­tieve verandering. Door welk proces wordt nu die vernieuwing be­werk­stelligd? Hoe krijgt die vernieuwing nu gestalte en waar kun je dat dan aan herkennen? Wat zijn dan de kenmerken van dat nieuwe den­ken? Soms krijg je dan het idee, dat deze vernieuwing bestaat uit het in­wisselen van bepaalde dogma’s, die dan eventueel vervangen worden door andere leerstellingen. Soms heeft die vernieuwing meer de ken­mer­ken van het zich afzetten tegen bepaalde tradities. Dat is echter een wat griezelig misverstand. Dan krijg je toch het idee van een soort beel­denstorm. Als je nu maar flink wat beelden kort en klein slaat, dan ben je vernieuwd in je denken. Als je nu maar flink tegen tradities tekeer­gaat, dan kom je daarvan los. Zo staat er een lied in de bundel van Johan de Heer: vroeger vast in vormen, nu volkomen vrij. Dan krijg je dus de indruk dat hoe harder je zo’n lied zong, hoe vrijer je dan was. Nu zijn we vrij van vormen, want nu heeft de Geest het voor het zeggen.

De waarde van tradities en vormen

Dat blijkt dan toch in de praktijk vaak maar heel relatief te zijn, want je krijgt er toch weer andere vormen voor in de plaats. Zo is het zoge­naam­­­de ‘vrije gebed’ in evangelische kringen toch niet altijd zo vrij; je vindt er vaak dezelfde woorden en hetzelfde jargon in terug. Ook een vrije gemeente heeft vormen, wat je dan ook onder een vrije gemeente mag verstaan. Je had vroeger in Amsterdam ook ‘de Vrije Gemeente’, dat was dan ook een heel apart verschijnsel. Op allerlei manieren wordt er nu dus gezegd: we zijn vrij van vormen, vrij van tradities. In de prak­tijk blijkt, dat je daar maar zeer ten dele vrij van bent, maar daar hoef je ook niet vrij van te zijn. Het is toch een vorm van een bepaalde kortzich­tig­heid, dat als je bepaalde tradities overboord gooit, je automatisch ver­nieuwd wordt in je denken. Het kan ook weer leiden tot een be­paald soort vor­meloos­heid, dat er voor in de plaats komt. Je kunt in een evan­ge­lische samen­komst wel zeggen: we hebben geen vaste liturgie, maar dan is het toch vaak weer voorspelbaar wat er zoal zal komen in het verloop van de samenkomst. Als je geen vaste formules hebt en geen vaste vormen, is het alternatief dat je alles op de kaart van de impro­visa­tie zet. De joodse denker Abraham Joshua Heschel heeft eens gezegd: dit lijkt op iemand die piano speelt en zegt: ik speel nooit bestaande muziek, want dat vind ik traditie, ik speel alleen maar improvisatie. Ik speel ge­woon wat er in me opkomt. Maar al die grote meesters dan, waar je zo­veel van kunt leren! Nee, die waren er al voordat ik er was, dus daar schenken we geen aandacht aan. Beethoven, Mozart, en al die anderen, nee, ik speel alleen maar muziek die zo uit mijn hart komt. Daar zit toch ook het gevaar in, dat je in dat cirkeltje van je eigen hart blijft ronddraai­en. Juist het over­boord zetten van tradities en vormen veroorzaakt een verar­ming en be­perking. Alles wat er vóór jou gedacht en gecompo­neerd is, acht je dan van nul en generlei waarde. Maar al die heiligen vóór jou hebben, gedre­ven door de Geest, prachtige dingen gezegd of prachtige liederen ge­com­poneerd. In feite zet je dan de werkingen van de Geest buiten de deur. Alleen ‘samen met alle heiligen’ van alle eeu­wen kun­nen we de hoogte en de diepte en de breedte van de liefde van God omvat­ten. Hierbij moeten we wel bedenken dat de bijbel in feite ook traditie is. De bijbel is ook getradeerd, overgeleverd. Als je dan zo consequent tegen tra­­ditie bent, moet je ook niet meer uit de bijbel voorlezen. Dan ben je im­mers bezig met iets te traderen wat aan jou ook al getradeerd is. Al die geslachten vóór jou hebben die gedachten Gods overgeleverd. Paulus zegt ook: ik heb jullie overgeleverd wat ikzelf bij overlevering ontvan­gen heb. Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder over­gegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgele­verd, een brood nam, – 1 Kor.11:23.

In de kern van de zaak kom je tot de conclusie, dat de mens lééft van tra­­ditie. Zonder overdracht is er ook geen inspiratie mogelijk. Je leeft van datgene wat van geslacht op geslacht is gezegd, gebeden, gedacht en gezon­gen. Dus die vernieuwing van denken moet toch iets anders zijn dan een soort afreageren. Het gaat dus om je denken. De middeleeuwse joodse denker Malonides heeft gezegd: bij het begrip ‘denken’ kun je eigenlijk het beste beginnen bij een woord uit Jesaja:

Elk groot denken ontspruit uit een bestaanserva­ring

Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn we­gen, luidt het woord des HEREN. – Jes.55:8.

Deze tekst uit Jesaja 55 heeft de joodse denker Malonides als uitgangs­punt geno­men voor zijn uiteenzettingen. Wat is het dan wonderlijk, dat God zijn gedachten aan ons wil bekendmaken. Dat woord uit Jesaja is niet be­doeld als een soort wegversperring in de zin van: die gedachten van God, daar kun je nu eenmaal toch niet bij, dus verdiep je daar nu maar niet in. In het kader van dat standpunt is deze tekst vaak geci­teerd. Dat werd dan wel gezegd bij een sterfgeval of als iemand overval­len werd door een ernstige ziekte: Gods gedachten zijn nu eenmaal niet on­ze ge­dach­ten. De mens wikt en God beschikt. De gedachten van God kun je toch niet narekenen. Je moet er dan maar in berusten, dat God an­ders denkt, dat God anders beschikt dan jij. Wat dat betreft kun je niet in hoger be­roep gaan. Het merkwaardige is, dat Job dat wel doet. Job zegt: ik be­roep mij op God tégen God. Ook al bespotten mij mijn vrienden, nochtans richt zich mijn oog schreiend op God, Ø opdat Hij de mens recht doe tegenover God, en recht doe tussen de mens en zijn naaste. – Job 16:20,21.

Zo heeft ook een joodse middeleeuwse dichter het onder woorden gebracht:

Als alles om mij donker is,

en vrienden mij niet verstaan,

Dan wend ik mij van U tot U,

vindt liefde in uw ogen.  

Dat is toch ook iets, dat blijk geeft van die vernieuwing van denken. Zo zie je dat ook die mensen uit de 12e eeuw iets van die vernieuwing van denken hebben verstaan, van dat denken op dat andere spoor……. Van de denker Waeles is een gevleugeld woord bekend geworden: ‘Elk groot denken ontspruit uit een bestaanserva­ring en buigt zich daarover’. Je denken komt dus uit een bepaalde ervaring voort. In de joodse traditie heeft men dat ook zo gezien. Dat zie je ook op het gebied van kunst en creativiteit. Dat begint dus ook met een bestaanservaring. Rosenzweig zegt ook: alle kunst is in wezen uitbeelding van lijden. Waarachtige kunst begint altijd vanuit een be­paald lij­den, ontsproten aan pijnlijke ervaringen. Alle kunst heeft in we­zen ook iets tragisch, omdat het een vorm van lijden uitbeeldt. Dus van­uit een ervarings­proces komt het denkproces bij de mens tot ontwik­keling. Om dan ook nog een andere uitspraak te citeren van weer een andere joodse denker, namelijk Ernst Bloch: nood leert denken. Dat ligt misschien dichter bij de waarheid dan de slogan: nood leert bidden. Dat laatste is vaak niet meer dan een loze kreet. Dat wordt dan vaak gezegd door mensen die het nog niet zo moeilijk hebben. ‘Als een mens maar goed in de puree zit, gaat hij wel bidden’. Maar, nood leert soms ook vloeken. Vanuit de ervarin­gen, kritieke ervaringen soms, gaat een mens nadenken. En dat kan een heel gezegend proces zijn. De mens wordt dan gedwongen om zich op zijn situatie te bezinnen en niet maar voort te hollen. Je kunt dat ook verstaan als het ‘stil worden’, zoals ook in psalm 62 wordt gezegd: Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God, van Hem is mijn heil;  Ps.62:2.

Je kunt stil worden als je onder de indruk van iets komt; zo kun je ook on­der de indruk van God komen. Je komt onder de indruk van iets wat je van God hoort of van Hem ervaart. En onder die indruk wordt de mens verstild. Je kunt hier in psalm 62 ook letterlijk vertalen: ‘Mijn ziel is verstilling tot God’.

De Griekse en de Hebreeuwse gedachtewereld

Denken begint vanuit de ervaring. De Hebreeuwse mens kent ook niet zo­­zeer het theoretische denken, want dat is iets voor de Grieken, voor de theorie, voor het theoria. Dat woord betekent ook aanschouwen of schou­wen. De Hebreeuwse mens is niet zozeer bezig te beschou­wen, als­wel vanuit het concrete te denken. Hij gaat dus ook niet uit van een of an­der abstract idee, vanuit de ideeënwereld, zoals bij Aristoteles of Pla­to. In de Griekse denkwereld wordt gezegd dat het concrete juist nìet het be­langrijkste is. Wat heb je er aan als je een paard ziet lopen, het gaat om het idee dat erachter zit, het ‘idee paard’, wat dan de ‘paardheid’ wordt ge­noemd. Je moet dus boven al die paarden uitstijgen tot de ‘paard­heid’. Dan zie je niet meer al die paarden galopperen, maar dan zie je het idee ‘paard’. Het gaat er in het Griekse denken dus om dat je loskomt van al dat concrete. Het gaat om het idee dat erachter zit. Al die concrete din­gen zijn maar van voor­bijgaande aard, maar het idee blijft. Het Hebreeuwse denken is heel anders, daar gaat men juist uit van het con­crete. Voor de Hebreeuwse mens is het concrete juist oneindig be­lang­­­rijk. Het gaat niet om het idee ‘mens’, maar het gaat om concrete in­di­viduele mensen. Wat heb je eraan als er ergens een idee ‘mens’ is. Maar juist die concrete, individuele mens heeft een oneindige waarde. De mens zelf heeft een oneindige verantwoordelijkheid.

Het Hebreeuw­se denken redeneert dus juist andersom in vergelijking met het Griekse denken. Het concrete aspect is toonaangevend. Het is ook niet de bedoeling om boven dat concrete uit te stijgen, maar juist om in de concrete werkelijkheid God terug te vinden. Vooral in de 18e eeuw waren er vaak liederen in de trant van: ‘hier beneden is het niet’ en ‘bo­ven de starren daar zal het eens lichten’. Maar hier beneden moet het juist wèl zijn en het moet juist op de aarde gaan lichten. In die liederen zit dus de tendens, dat deze concrete werkelijkheid toch niet zo belang­rijk is. De aarde is daarom ook niet zo belangrijk, daar moet je proberen bo­venuit te stijgen. Je moet je zien los te rukken uit dit aardse gewoel. De denker Walter Benjamin heeft ge­zegd: elke seconde kan een poort zijn waar­door de Messias kan binnen­komen. De Messias kan zich open­ba­ren, zo­maar ‘hier in dit stervend bestaan’. De nadruk in het joodse den­ken ligt dus niet zozeer op de verre toekomst in de zin van: eens in het hierna­maals. Nee, het gaat om het hiernumaals. André Neher spreekt in dit verband van ici bas, hier beneden, het hier en nu.

Zoekt de dingen, die boven zijn

Als er gezegd wordt: zoekt niet de dingen die beneden zijn, maar zoekt de dingen die boven zijn, dan moet je daarbij wel een onderscheid ma­ken. Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Ø Bedenkt de dingen, die bo­­ven zijn, niet die op de aarde zijn. – Kol.3:1,2. Vers 5 vervolgt dan meteen: Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij, – Kol.3:5. Dan wordt het juist concreet, want datgene wat beneden is, wordt ook heel concreet aangegeven in vers 5. Verder wordt dat ook uitgewerkt in vers 8: Maar thans moet ook gij dit alles wegdoen: toorn, heftigheid, kwaadaardig­heid, laster en vuile taal uit uw mond. – Kol.3:8

Hier zien we dus dat Paulus dit in een heel specifiek kader gaat zetten. Het gaat daar dus niet om de aarde als aarde, de aarde als schepping, maar om datgene wat van de wereld komt; wereld hier in ongunstige zin. Dat heeft dus niets te maken met de gedachte, dat de aarde niet zou deu­gen. Hier wordt dus heel concreet in een bepaalde setting gespro­ken. Het gaat hier om wat van beneden komt, vanuit het ‘koninkrijk van bene­den’, dat is het duistere, het demonische, datgene wat niet van God is. Dat komt van de andere kant. Dat zijn specifiek al die negatieve ele­men­ten, van datgene wat de schepping verstoort en wat het leven on­mo­­ge­lijk maakt en saboteert. Dat wordt dan in een soort beeldtaal gezet. Je hebt dus dingen van beneden, dat is al dat duistere, en je hebt de din­gen die boven zijn. Het heeft dus ook te maken met het aspect: nieuwe mens – oude mens. Dan is daar dus de tegenstelling, waar het meer gaat om het punt waar dat nieuwe leven dan zijn oorsprong heeft, namelijk boven bij de Messi­as. Je­zus zegt ook: Ik ben van boven, niet van bene­den. Hij zegt ook in Jo­han­nes 18, wat ook een sleuteltekst is in dit ver­band: mijn Koninkrijk is niet uit deze wereld. Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van (beter: uit) deze wereld; indien mijn Ko­ninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Konink­rijk niet van hier. Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een ko­ning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de we­reld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waar­­heid is, hoort naar mijn stem. – Joh.18:36,37.

Er staat dus niet: ‘mijn Koninkrijk is niet van deze wereld’, maar uit deze wereld’. Het Koninkrijk is wel bedoeld om in deze wereld in te gaan. Dat woord ‘uit’ betekent hier: waar is de oorsprong van dat Koninkrijk, waar liggen de wortels? De wortels van dat Koninkrijk liggen in de hemel. En vanuit de hemel komt het op de aarde. Het Koninkrijk begint in de hemel, maar de hemel is gericht op de aarde. Wat dat betreft moet je dus onderscheid maken tussen datgene wat Paulus zegt: je moet niet aardsgezind zijn en de gezindheid die gekenmerkt wordt, doordat je hart hebt voor de aar­de. De aardsgezindheid waarover Paulus spreekt, kenmerkt de mens wiens be­lan­gen uitsluitend gericht zijn op de aarde. God heeft wat dat betreft ook hart voor de aarde. Het gaat hier dus vooral om de intentie van een mens, waarin ligt zijn doelstelling. Die vernieuwing van denken heeft te maken met een nieuw uitgangspunt. Je zou kunnen spreken van een nieuw startpunt. Dat nieuwe denken vindt zijn uitgangspunt in de Mes­sias. Zoals Kolossenzen 3 zegt: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. – Kol.3:1.

Eerst was er het aangezicht van de ander

Je begint dus vanuit de andere kant. Dat is het denken vanuit de ander. Dat is ook waar de joodse denker Levinas heel sterk de nadruk op legt. Het is ook heel kenmerkend voor het Hebreeuwse en joodse denken, dat je begint vanuit de ander. Want die ander is er al eerder dan jij. Dat is een totaal andersoortig denken dan het heidense denken. Je zou kunnen zeggen: het heidense denken begint vanuit jezelf, hoe kom ìk nu aan mijn trekken. Het heidense denken is in wezen egocentrisch. Het start­punt begint vanuit het ik. In tweede instantie komt dan het probleem: ja, er zijn ook nog anderen. En dan kan die ander een probleem gaan vor­men. Ik had het nu net een beetje voor elkaar met mezelf en nu komt die ander, die dan vaak roet in het eten komt gooien. Hoeveel ruimte moet ik nu aan de ander gunnen? Ter Schegget zegt in dit ver­band: hierdoor krijg je dus een soort terrein-exegese, waarbij jouw vrij­heid beperkt wordt door de vrijheid van de ander. Je kunt het verge­lijken met geiten aan een touw, die een bepaald cirkelvormig ge­bied kun­nen begrazen. Maar daar waar die cirkels elkaar dreigen te gaan over­lappen, krijg je de proble­men. Op die manier krijg je natuurlijk een heel negatief beeld van vrij­heid. Je vrijheid wordt dan bepaald door de lengte van je touw. En dan hoop je maar dat je een heel lang touw hebt, waardoor je een heel eind kunt komen. Maar helaas word je dan be­grensd door het ‘graasterrein’ van de ander. Levinas begint dus hele­maal van de andere kant en zegt: die ander was er het eerst. Eerst was er het aangezicht van de ander. En dat aangezicht wordt naar jou toe­ge­wend en dat vraagt iets aan jou. Dat aangezicht van de ander is een vraag aan jou. Die ander is een gebod. Het aangezicht van de ander is een gebod voor jou. Dat is het ver­nieuwde denken, dat uitgaat van de ander. En juist van daaruit kom jij dan ook tot jezelf.

Hebt uw naaste lief als uzelf

Buber vertaalt dat dan: ‘hebt uw naaste lief, want hij is aan u gelijk’. Er is dus een gelijkwaardigheid van jou en de ander. Je bent van hetzelfde ni­veau, je hebt dezelfde waarde. Je hebt de ander nodig om mens te wor­den. Samen met de ander kun je mens worden. Jij wordt door die ander bekleed. Alleen door die ander kun jij jezelf worden. Levinas noemt dat de investituur. Het woord investituur wordt meestal gebruikt als ie­mand bekleed wordt met een ambt. Een priester wordt bijvoor­beeld be­kleed met een ambtsgewaad door een andere ambtsdrager. Levi­nas benadrukt dat en zegt: dat gewaad kun jij jezelf niet omhangen. Je kunt niet jezelf tot priester bekleden. Je kunt niet jezelf tot voor­gan­ger, oudste of profeet bevestigen. Alleen als die ander jou bekleedt, kun je iets worden. Alleen door de bekleding dóór een ander kun je bestaan. De ander bekleedt jou met vrijheid. De ander bekleedt jou met het mens­zijn. Zo word je steeds weer in die relatie met de ander bekleed en over­kleed. Dat is de omgekeerde gedachtegang als van iemand die zichzelf aanbeveelt. Sommige mensen trachten zichzelf naar voren te schuiven door zich te profileren en te poneren. Jezus heeft ook nooit gezegd: weet je wel wie Ik ben; Ik ben de Messias hoor, Ik ben de Zoon van God! Hij noemt zich altijd de Zoon des mensen. Ik hoor bij die anderen, Ik hoor bij de mensen. Als iemand zegt: ik heb de roeping ontvangen om dit of dat te zijn, dan kun je zeggen: als het waar is, zal het er wel uitkomen. De ware profeet zal zichzelf niet aankondigen of aanbevelen, maar dat zal blijken uit wat hij is en wat hij zegt. En als dat positief uitvalt, dan wordt hij ook wel als zodanig be­vestigd.

Jezus geeft ons ruimte en stelt ons grenzen

Je hebt de ander nodig om mens te worden, die ander moet jou bekle­den. Daar zitten inderdaad verschillende kanten aan. Je kunt nooit mens zijn op je eentje. Je wordt pas werkelijk een ik in een relatie met een gij. Dat is ook een van de basispunten van Buber. Alleen, dat is ook weer heel dialectisch, in die zin, dat die ander jou ook kan beknotten en jou de vrij­heid kan ontnemen. Maar dan is er in wezen ook geen sprake van een echte relatie. Het contact met anderen kan soms ook heel lastig zijn. Soms kan die ander inderdaad tot een last worden. Dat kom je natuur­lijk in het bijbelse denken ook tegen. Denk bijvoorbeeld aan de relatie tus­sen Jakob en Esau. Jakob gaat op een gegeven ogenblik een merk­waar­dig gebed bidden: verlos mij uit de hand van mijn broeder. Zo’n gebed heb je in een bidstond nog nooit horen bidden. Red mij toch uit de hand van mijn broeder, uit de hand van Esau, want ik ben bevreesd voor hem: misschien zal hij komen en mij verslaan, zowel moeder als kinderen. – Gen.32:11. Meestal zijn we toch wel een beetje te beleefd om zoiets te vragen. Jakob had dan toch de moed om dat te bidden. In de praktijk kom je dat ook wel tegen, dat iemand zegt of denkt: dan maar liever zonder broeder ver­der. Dan maar liever op mijn eentje, zonder gemeente of zonder ver­band. Soms kan die broederband pijn doen en knellen. Tom Naastepad zegt ergens: Gij legt ons geen andere last op dan de hand van onze broe­der op onze schouder. Wij zeggen vaak: de Zoon maakt vrij. Maar de Zoon is ook degene die ons begrenst. Waar de Zoon des mensen komt, wordt een mens begrensd in zijn mogelijkheden, in die zin dat hij niet meer alles kan doen wat hij zelf wil. Dus die ander geeft ook een stuk be­grenzing. Op je eentje kun je gaan en staan waar je wilt, maar als er een ander is, kun je niet altijd meer doen waar je zin in hebt. Dat is iets wat je in de praktijk ook heel duidelijk kunt bespeuren. Je moet ook re­ke­­ning houden met die ander. Dus die ander is ook je begrenzing. Jezus is niet alleen degene die ons ruimte geeft, maar Hij is ook degene die ons een grens stelt.

Het aanvaarden van begrenzingen

Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald. – Hand.17:26

En heeft uit een bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op den ge­helen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hun woning; – SV.

Hier zien we ook hetzelfde principe. God heeft ook de grenzen vastge­steld van de woonplaatsen. Daar zit weer hetzelfde grondprincipe in van die begrenzing. Zo kom je dus toch ook tot het principe, dat je je be­grenzing moet aanvaarden. In heel het bijbelse denken wordt de mens toch ook gezien, naast ook nog andere aspecten, als een begrensd we­zen. Dat zie je eigenlijk al bij Kaïn, die dacht zonder broeder te kunnen leven. Hij wilde dus een bepaalde begrenzing doorbreken. Miskotte heeft die begrenzing genoemd: geschonken eindigheid. Dan krijg je ein­dig­heid als cadeau. De mens heeft vaak de neiging om oneindig te wil­len zijn. ‘Eindeloos – dat is het einde’, zijn typisch uitdrukkingen van deze tijd. De mens wil graag zijn grenzen steeds verleggen, dat zie je bijvoorbeeld ook bij de ruimtevaart en op allerlei andere wetenschappe­lij­ke terreinen. De mens wil grenzen te buiten gaan. Het is vaak een moei­lijke opgave om je begrenzing te accepteren. De mens is ook be­grensd in zijn tijd, je kunt niet meer dan zoveel doen op een dag. Op zìch kan dat toch ook een ze­gen zijn. Tijdgebrek kan een mens juist ac­tiveren om de tijd uit te kopen. Anderzijds zie je dat mensen tot passi­viteit vervallen als ze te veel tijd hebben. Willem Kloos zei al: ik had zo graag nog zo­veel willen doen. Een mens wil vaak alles kunnen en alles bereiken, maar praktisch blijkt dat niet haalbaar te zijn. Je moet leven met wat je wèl kunt. In Deuteronomium 32 staat, dat God de grenzen van de volkeren heeft vastgesteld. Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde, toen Hij de men­sen­kinderen van elkander scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het aantal der zonen van Israël. – Deut.32:8.

Maar in de geschiedenis zie je steeds weer dat de volkeren die grenzen niet willen accepteren. Vandaar dat er zich steeds weer grensconflicten voordoen. Na de val van de Sovjet-Unie zag je bijvoorbeeld dat al die volk­­jes in de buurt van de Kaukasus elkaar in de haren vlogen. Hetzelf­de verschijnsel zag je op de Balkan, waar na de val van het communis­me zich ook allerlei grensconflicten voor gingen doen. Het omgekeerde zie je bijvoorbeeld bij een Verenigd Europa, waar de grenzen juist wor­den uitgewist. Waar in moreel of ethisch opzicht grenzen niet meer wor­den geaccepteerd, ontstaat zedeloosheid en verloedering. De mens die zich daaraan overgeeft, denkt vrij te zijn, maar verliest juist zijn vrijheid; hij wordt een slaaf. Waar die gren­zen te strak worden getrokken, bij­voor­­beeld uit religieuze of dogmatische overwegingen, en daardoor als een keurslijf gaan werken, verdwijnt de vrijheid ook en wordt de mens evenzeer een slaaf. Het blijkt steeds weer, dat mensen hun grenzen niet accepteren. Er wor­den steeds weer torens van Babel gebouwd. Je ziet ook steeds weer in de geschiedenis van de volkeren, dat er altijd weer geprobeerd wordt een bepaalde eenheid te creëren. Het Romeinse Rijk heeft dat geprobeerd; keizer Augustus, die de hele bewoonde we­reld wilde inschrijven. Karel de Grote heeft dat geprobeerd. Zo was er bijvoorbeeld ook de uitspraak: ‘Alle Erdreich ist Österreichs Untertan’. Hitler met zijn duizendjarig Rijk; ‘ein Volk, ein Führer’. Zo ook de com­mu­­nis­tische heilsstaat. Steeds weer die pogingen tot eenheids­streven. In de bij­bel lezen we het verhaal van al die machthebbers uit allerlei ge­wes­ten die het beeld van Nebukadnessar moesten aanbidden.

Koestert geen gedachten hoger dan u voegen

In Romeinen 12 wordt in vers 2 dus gesproken over dat nieuwe denken. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene. – Rom.12:2.

In vers 3 wordt daar dan meteen aan gekoppeld: Want krachtens de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaam­heid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebe­deeld. – Rom.12:3. Koestert geen gedachten hoger dan u voegen. Dat lijkt dan op het eerste gezicht een beetje een anticlimax. In de zin van: wees nu maar beschei­den, zing maar een toontje lager. Ik denk dat hier een heel belangrijk prin­­cipe in zit, want wat zijn dat dan voor gedachten die hoger zijn dan je voegen? Letterlijk staat er: ‘niet bovenuit te denken verder dan men moet denken’. Dat principe vind je ook al in psalm 131. Een bedevaartslied. Van David.  HERE, mijn hart is niet hovaardig, mijn ogen zijn niet trots; ik wandel niet in grootse dingen, noch in dingen die te wonderbaar voor mij zijn. Immers heb ik mijn ziel tot rust en stilte gebracht als een gespeend kind bij zijn moeder; als een gespeend kind is mijn ziel in mij. – Ps.131:1,2.

Tom Naastepad heeft eens gezegd: geef ons werk dat ons geen geweld aan­doet. Wat zijn nu die gedachten hoger dan je voegen? Dat zijn ge­dachten waardoor je jezelf geweld aandoet. Dat kun je soms op aller­lei manieren tegenkomen. Mensen willen vaak carrière maken op een ma­nier waardoor zij zichzelf gaan forceren. Dan doe je dus jezelf ge­weld aan. Ik moet de top bereiken. Geweld van de concurrentie, geweld van het omhoog komen, altijd maar dat streven naar meer. Die neiging kan ook in een heel vroom gewaad gekleed gaan. Dat kan zich ook voordoen in het werk dat je voor God doet. Dat kan zich uiten in het streven naar een vooraanstaande positie. Maar dan dreigt het gevaar, dat je je gaat ver­tillen aan een taak. Dan wil je verder reiken dan waartoe jouw capa­ci­teiten jou in staat stellen. Dan ga je op je tenen lopen. Dan ga je je soms vergelijken met anderen; wat hij heeft, moet ik ook hebben. Dan loop je jezelf voorbij. Dan beantwoord je niet aan datgene wat God voor je ge­dacht heeft, maar daar ga je iets doordrukken en forceren.

Profetenscholen

In de bijbel wordt ook gesproken van profetenscholen. Daar wordt met name in het boek Ko­ningen over gesproken. Blijkbaar kun je het profeet-zijn leren. Aan de ene kant is dat inderdaad het geval, maar aan de an­dere kant ook weer niet; het is een betrekkelijke zaak. In het boek Konin­gen wordt inderdaad gesproken over ‘zonen der profeten’. Dat was daar een gebruikelijke uitdrukking.

Sommige profeten, zoals Elisa, hadden een groep leerlingen om zich heen verzameld. Zij werden dan voor het profetenambt opgeleid. Op zích geloof ik dat het wel een goed principe is, dat een leermeester weer leerlingen voortbrengt. In de Talmoed wordt ook gezegd dat je veel leer­lingen moet opvoeden. Dat deed Jezus tenslotte ook, Hij ging ook twaalf leer­lingen opleiden. Blijkbaar kun je dat ook toepassen op het punt: pro­feet-zijn; leerling-profeet. Alleen, het heeft zijn beperkingen. Men blijft natuurlijk permanent leren, dat is een proces dat altijd doorgaat. De ri­sico­factor is alleen, dat een leerling-profeet, je zou haast zeggen: ‘het niet haalt’. Dan heeft hij het alleen vanbuiten geleerd en niet vanbinnen. Dat hebben we ook in déze tijd wel gekend, dan krijg je kopieën van de leider. De leider krijgt een aantal volgelingen, die hem proberen na te doen. De leider wordt dan het model en de leerlingen denken: als ik nu precies zo ga doen als de leermeester….., maar dan komt er uiteindelijk toch niets uit. Dat zien we ook bij de knecht van Elisa, Gehazi, die dan wel keurig in het paadje van de leraar gaat, alleen, hij is het niet! Het zit er vanbinnen niet in. Hij gaat wel heel plichtsgetrouw met de staf van Elisa naar die dode jongen en hij legt de staf op hem, maar er gebeurt niets. En dan weet hij het zelf ook niet meer. Hij volgt precies de instructies op en verder…….. het gaat niet. In feite is hij geen echte profeet. Hij is alleen maar een kopie. Hetzelfde stramien zien we ook weer bij die verhalen over de leer­ling-profeten. Ze gaan een huis bouwen en dan valt er een bijl in het wa­ter. Ze weten dan niet goed wat ze doen moeten. En dat is ook het geval bij de hemelvaart van Elia. Al die zonen van de profeten weten het pre­cies, zoals in 2 Koningen 2 wordt beschreven. Heb je het al gehoord: Elia gaat naar de hemel. En overal waar ze komen wordt gezegd: Elia wordt op­genomen. Alleen, de enige die werkelijk achter Elia aangaat, is Elisa. En hij krijgt dan de mantel. Al die anderen bleven keurig op een af­stand staan, de geest van Elia krijgen ze niet. Ze gaan wel het lichaam van Elia zoe­ken, drie dagen lang speuren ze rond. Ze denken merkwaardigerwijs dat hij misschien wedergekomen is. Toch wel een merk­waar­dige vi­sie: Elia is opgenomen, maar misschien is hij ook weer we­der­gekomen. Als­of God hem hemelwaarts had genomen om hem ver­volgens ergens weer neer te werpen. Dan maak je er een soort dropping van. En maar zoe­ken: waar ligt het lichaam van Elia toch? En ook de geest van Elia kun­nen ze niet vinden.

Het probleem van de tweede ge­ne­ratie

Dat is natuurlijk een risicofactor, die zich gaat voordoen bij de tweede ge­ne­ratie. De mensen van de eerste generatie waren authentiek. Kohl­brüg­ge heeft eens gezegd: het licht van het evangelie brandt in de regel op een bepaalde plaats slechts één generatie. Dat is dan op het eer­ste gezicht een nogal sombere zienswijze, maar als je naar de praktijk kijkt, ben je geneigd om te zeggen: hij kon nog wel eens gelijk hebben ook. Het licht brandt maar één generatie, maar dan zit je dus met het pro­bleem van de tweede generatie. Als er ergens een werk van God begon, was het enthousiasme groot, maar als dan de tweede gene­ratie kwam, werden de zaken gekanaliseerd. Dan werd er soms weer een methode van gemaakt en werd het keurig in vaste banen geleid. Eerst kreeg je de tijd van Wesley, en daarna kreeg je het Methodisme. Al die bewegingen krijgen op de duur de neiging om langs een vaste bed­ding te gaan stromen. Eerst krijg je het optreden van Calvijn, dat dan weer uitmondt in het soms extreme Calvinisme. Dit verschijnsel kwam ook al voor in de begintijd van de kerk. Bij het optreden van Paulus werd er gezegd: ik ben van Paulus, ik ben van Apollos; zo kwamen er toen ook al verschillende stromingen. De een doet het zoals Paulus het deed, de ander zoals Apollos het placht te doen. Zo krijg je dus weer het optreden van de tweede generatie, dat dan ook deze beperkingen met zich meebrengt. Aan de andere kant is God toch ook weer de God van de geslachten. Zoals het in het Hebreeuws staat: maar door geslacht op geslacht zijn trouw betoont. De fakkel moet wel doorgegeven worden. Mozes geeft de fak­kel door aan Jozua. Elia geeft de fakkel door aan Elisa. Eli draagt het weer over aan Samuël.

Een profeet is geen voorspeller, maar een röntgenoloog

Een profeet is eigenlijk iemand die spreekt namens God. Het Hebreeuw­se woord voor profeet, nabi, hangt samen met spreken. Het is in wezen een woord dat nog wat anders geaccentueerd is. Wij denken soms bij een profeet te vaak aan een toekomstvoorspeller. Een profeet is niet zo­zeer een voorspeller, maar een profeet is meer een röntgenoloog. Een profeet is iemand die de zaken dóórlicht. Een profeet schouwt de dingen achter de dingen. Hij laat de dingen achter de dingen zien. Hij mag ach­ter de schermen zien, hij laat de toekomst van God zien en mag de ver­borgen dingen bekendmaken. In die zin kun je natuurlijk zeggen, dat Je­saja ook een leerling was. Aan de andere kant had Jesaja zelf ook een kring van leerlingen om zich heen verzameld. Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijn leerlingen. – Jes.8:6. ‘Mijn leerlingen’, een groep mensen om Jesaja heen, die dan ook werden ingewijd. Ik kan me wel voorstellen, dat zo’n profeet anderen ook in­wijdt in die bepaalde manier van omgaan met de geschiedenis, van om­gaan met de Torah, want profeten brengen mensen weer bij de To­rah. Dus op die manier wordt als het ware het omgaan met de gedach­ten van God levend gehouden.

Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten

De profeten hebben gevorst en gezocht waarop de Geest in hen doelde. Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doel­de, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. – 1.Petr.1:10,11. De profeten hebben zich uitgesproken en zijn zelf soms verbijsterd ge­weest over hun woorden. Profetie heeft ook vaak meer dan één zin. Zo­als trouwens ook de rabbijnen gezegd hebben, die ook van de ‘viervou­dige schriftzin’ spreken. Een tekst kan ook vaak minstens vier betekenis­sen hebben, vier lagen van ver­staan. Je kunt een profetie letterlijk ver­staan, maar je kunt er ook een diepere zin achter zien. Het is interessant dat die vier soorten van Schriftuitleg sa­mengevat worden in het woord paradijs. In het Hebreeuws het woord pardes (p-r-d-s). Als je dus die vier betekenissen van Schriftuitleg neemt, zie je het woord paradijs ver­schij­nen. Je kunt je afvragen in hoeverre de profeten hebben gepeild wat hun woor­den betekenden. Er staat wel bij, dat aan hen werd geo­pen­baard dat zij niet zichzelf, maar u dienden. Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan. – 1 Petr.1:12.

Ergens hebben ze blijkbaar soms wel aangevoeld, dat er meer in hun woor­­den zat dan de mo­mentele en letterlijke betekenis van hun woor­den en de vervul­ling daarvan. Sommige profeten hebben ook inderdaad hun woorden nooit in vervulling zien gaan. De profeten in de balling­schap hebben vaak niet gezien, dat het einde van de ballingschap inder­daad kwam. Jere­mia heeft dat ook niet gezien. Het einddoel, het eind­punt hebben ze niet voor hun ogen zien gebeuren. Ze hebben wel aan­ge­voeld en ge­vorst, dat er meer moest komen dan op dat moment aan­we­zig was. Wat dat betreft zie je ook, zoals bijvoorbeeld bij Jesaja, dat hun profetieën moes­ten worden verzegeld. Zoals er ook staat:

Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijn leerlingen. – Jes.8:6.

Dus Jesaja heeft dat ook geweten, zoals er ook staat in hoofdstuk 30: Ga nu, schrijf het in hun bijzijn op een tafel en teken het op in een boek, opdat het diene voor latere dagen, voor immer en altoos. – Jes.30:8.

De profeten hebben kennelijk wel geweten, dat het een keer in vervul­ling zou gaan, alleen de tijd waarin dat zou gebeuren, was hun onbe­kend. De profeten zijn dus wel bezig geweest met de toekomst, maar niet als een voorspelling, maar meer als een schouwen. Hans van Leeu­wen zegt dat zo mooi: het is niet zozeer voorspellen, maar meer vóór-spellen. Ze spellen vóór wat er komt. Je kunt het ook noemen: vóórspe­len, zoals een organist een lied eerst voorspeelt. De profe­ten spelen de toekomst dus voor. Dan heb je alvast een keer gezien hoe het gaat wor­den.

Een profeet is een wisselwachter van de tijd

De profeten zijn ook tijdmakers, gangmakers, naar het woord van Ernst Bloch: wisselwachters. Een profeet kan op een gegeven ogenblik een wis­sel omgooien. Hij zet de wissels in de tijd om. Een profeet is meer dan iemand die zegt wat er gaat gebeuren. Ze zeggen iets, opdat het gaat gebeuren. Door hun woorden maken ze, dat er iets op gang komt. Ze zijn gangmakers in de tijd. Je moet met je tijd meegaan, wordt er dan ge­zegd. Je hebt mensen die gewoon met hun tijd meegaan, maar bij de pro­­feten is het vaak net andersom. De tijd gaat met hèn mee. De profe­ten zetten een bepaalde wissel om in de tijd, zodat bepaalde dingen een andere loop gaan nemen. De profeten veranderen tijden. Een profeet is niet iemand die alleen maar zegt: ik zie dat het misgaat, ik zie dat het af­loopt. Dat is geen profetie! Maar een profeet is iemand die zegt: ik zie nog iets anders. De woorden van de profeten trekken een nieuw spoor, geven een nieuwe koers aan. De profeten zijn wat dat betreft ook crea­tief. Een wisselwachter gaat niet alleen maar in ogenschouw nemen wat er gebeurt. Een wisselwachter zegt niet: ik zie dat er straks twee treinen op elkaar inrijden, maar een wisselwachter grijpt in, hij gooit de wissel om. Op die manier zet hij die trein op een ander spoor. Dat is ook wat de profeten doen: mensen op een ander spoor zetten, een andere koers laten varen. De profeten doen uitspraken opdat iets zal gebeuren. Maar de profeten doen soms ook uitspraken, juist op­dat bepaalde dingen niet zullen ge­beu­ren. Dat is natuurlijk vaak het geval bij onheilsprofe­tieën. Een pro­feet kondigt een onheil aan, opdat het niet komt. Dat is natuurlijk ook het verschil tussen profetie in Israël en wat je bij an­dere volken tegenkomt: waarzeggerij. Waarzeggerij legt dus de din­gen vast. Je kunt hoog of laag springen, maar het komt! Je krijgt een on­geluk; denk in dit verband aan de horoscopen of tarotkaarten. Maar bij een profeet lig­gen de dingen niet vast. De profeet zegt: als je de ver­keer­de kant op gaat, gebeurt er dát. De aangesprokene wordt dus voor een keus ge­steld. Dat kun je vergelijken met een leraar, die tegen een leer­ling zegt: als je zo doorgaat, blijf je zitten. De leraar heeft dus niet ge­zegd: ik voor­spel dat jij blijft zitten, maar als je zo doorgaat, kan ik nu al zien waar dat op uitloopt. De bedoeling van die leraar is juist om die jongen tot actie te prikkelen, zodat hij niet blijft zitten. Dat zittenblijven van die jongen is dus niet voorbeschikt. De profeten profeteren bepaalde dingen niet om ze vast te leggen, maar juist om mensen te bewegen ver­keerde zaken los te laten.

Opdat gij moogt beproeven, welke de wil van God zij

En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieu­wing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, wel­ge­vallige en volkomene. – Rom.12:2.

En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de ver­nieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbe­ha­gelijke en vol­maak­­te wil van God zij. – SV.

In v.2 staat dan iets over de wil van God. Die vernieuwing van den­ken moet dan als gevolg hebben: ‘opdat gij moogt onderkennen’. Letterlijk staat er: om te beproeven, opdat gij moogt beproeven wat de wil van God is. Het gaat hier inderdaad om een toetsen, een onderscheiden. Het grond­­woord heeft de betekenis: de toets kunnen doorstaan, datgene wat be­proefd blijkt te zijn. Dus om te beproeven wat de wil van God is. De wil van God wordt dan in een drietal termen ontvouwd: het goede, het wel­gevallige en het volkome­ne. Het goede (tov) is datgene wat geschikt is voor het leven, het rechte, het ordelijke. Het gaat hier niet om een zwe­verige toestand, maar om het afwegen van mogelijkheden en gevol­gen. Je kunt dus wel analyseren wat er in een bepaalde situatie nodig is. En op grond daarvan kun je wel concluderen of iets goed is of niet. Je kunt dan tot een besluit komen of iets schadelijk is en afbreekt of dat iets opbouwt. Dus dan analyseer je meer in de zin van: een diagnose stellen. Aan de andere kant, kun je echter de wil van God niet altijd leren ken­nen vanuit de werkelijkheid. Want anders krijg je een soort terreur van de feiten. Niet het bestaande geeft aan wat recht en juist is, maar in het bestaande komt het erop aan, om te gaan ontdekken wat nu de bedoe­ling van God is. In de tweede plaats wordt de wil van God gekend vanuit het welge­val­li­ge oftewel het welluidende. Het gaat om datgene wat God behaagt. Dus daar zit ook een emotionele kant in. Wat is nu werkelijk liefdevol, wat is hartelijk van mens tot mens, wat is werkelijk toegewijd. Het ene heeft het ander weer nodig, want liefde zonder zakelijkheid wordt senti­men­teel. Dan krijg je dus ook, dat het zich terugtrekt in de sfeer van het in­ner­lijk. Als het alleen maar betrekking heeft op de binnenkant, komt de liefde niet tot zijn recht. In de derde plaats wordt de wil van God gekend vanuit het volkomene. Volkomen heeft hier de betekenis van gaaf, onverdeeld. Het gaat om het liefhebben over barrières heen. Daar zit dan tegelijk ook in de hóóp op die volkomenheid. De hoop dat het allemaal gaaf gaat worden. Want we zitten nog in een spanningsveld; ons handelen is ten dele, gebroken. Je moet dus oppassen niet krampachtig te worden. Dat zie je soms in de praktijk ook wel gebeuren, als men­sen zeggen: ja, je moet jagen naar de volmaakt­heid, wat dan weer tot een kramp­toestand leidt. Vooral als dat dan ge­koppeld wordt aan allerlei voor­waar­den in de zin van: als jij dit doet, zal God dat doen. Als jij nu maar geloof hebt, zal God jou genezen. Als jij nu maar in de overwinning gaat staan, zal God jou de overwin­ning geven. Als jij nu maar gaat lofprijzen, dan zullen de problemen ver­dwij­nen. Maar op die manier krijg je een heel vertekend godsbeeld. Dan wordt het allemaal geworteld in dat aspect van: als jij dit doet, dan zal God dat doen.

Het ‘do ut des – principe’

Soms is die gedachtegang wat al te zeer gemeengoed gewor­den in het christelijk en evangelisch denken. Dat is dat ‘do ut des principe’: ik geef, opdat Gij geeft. Dat is in feite al een heel oud Romeins principe. Jij moet wat doen, en dan zal God iets voor jou doen. Daar zit dus een verborgen omkering aan gekoppeld. Als jij het niet doet, dan doet God het ook niet. En dan kun je dus de conclusie trekken: als iets dan niet gebeurt, heb je dus niet genoeg gebeden, of te weinig geloof gehad, of niet hard genoeg gebe­den, of niet goed gebeden, of op de ver­keerde manier gebeden. Soms wordt er gezegd: als je gebed niet verhoord wordt, staat er ergens nog een verkeerde deur open in je leven; misschien is je wapenrusting niet voor honderd procent in orde. Op die manier kan je dan zoge­naamd haar­fijn oorzaak en gevolg onderscheiden. Dan krijg je dus een gerafeld den­ken, alles wordt uiteengerafeld. Dan houdt God in feite op om God te zijn. Want dan is Hij alleen nog maar degene die uitbetaalt naar ge­lang jouw presta­ties. En daar zit dan vooral het kwantitatieve aspect in: hoe­veel heb jij dan gedaan? Op die manier wordt God een soort vere­del­de boekhouder. God is geen boekhouder, maar Hij is de Verbonds-God. Hij is van Genesis tot Openba­ring de Verbonds-God. Hij zal voor eeuwig zijn verbond gedenken. Je kunt dat dus niet afmeten naar de ma­­te waar­in jij je deel volbrengt, in de zin van: doe jij jouw deel, dan doet God zijn deel. In extreme vorm krijg je dat dan ook soms op finan­cieel gebied. Als jij je tienden geeft, dan krijg je het honderdvoudig te­rug. Je zou dan dus met God moeten gaan onderhandelen. Je krijgt dan een soort trans­actie-verhouding. Die gedachte sloot soms aardig aan bij de koopmans­geest van de Nederlanders.

De Poolse denker Kolakowsky heeft erop gewezen wat voor consequen­ties dat zou geven. Op die manier kun je ook je ge­loof misbruiken. Je kunt zo de nadruk leggen op wat er komt, dat je het heden eigenlijk om­draait. Het heden wordt dan alleen maar een opstap­je naar de toekomst. Dus het leven nu heeft dan bijna geen waarde meer. Hij knoopt in dat verband aan bij een leuze die indertijd in zwang was in de straten van Warschau: ‘TBC vertraagt de wederopbouw’. We moe­ten dus wel wat doen, opdat de men­­sen geen TBC meer krij­gen. An­ders duurt het veel te lang voordat Polen weer opgebouwd is. Dus, zorg dat je niet besmet wordt, doe er wat aan, leef hygiënisch, want dat is goed voor Polen, dat is goed voor het land. Kolakowsky zegt: dat zijn ontmas­kerende plakka­ten, want genezing van TBC wordt op die ma­nier een mid­del. Het doel is: de wederopbouw van Polen. Jij moet dus zor­gen dat je gezond bent, want dan ben je een goede arbeidskracht. Het is al­leen maar lastig als mensen af en toe ziek zijn.

Hetzelfde principe zie je bij de torenbouw van Babel. Bij de toren draait al­les om de productie en het project. Iedereen moet zijn individuele le­ven ondergeschikt maken aan het project. In een verhaal wordt verteld: op een gegeven ogenblik valt er bij de torenbouw een man uit de stei­gers en sterft. Het werk ging na­tuurlijk gewoon door. Arbeiders zijn im­mers al­leen maar een middel om het project te voltooien. De volgende dag valt er een stapel tichel­ste­nen kapot. Maar dan wordt er een dag van nationale rouw afgekondigd. Een arbeider kun je makkelijk vervan­gen, maar een aantal gebroken stenen vertraagt het werk. Kolakowsky zegt: op die ma­nier ga je in plaats van mensen de dingen tot middelpunt maken. Zo was er ook een periode dat lofprijzing een middel was om iets te be­reiken. Ga maar prij­zen, en de muren vallen om. Ga maar zingen en de problemen verdwijnen als sneeuw voor de zon. Kolakowsky zegt: de toe­­komst wordt dan allesbepalend. De dag van morgen heiligt dan de dag van heden. Maar, zegt hij, de dag van heden wordt tot nacht als hij ook geen doel in zich­zelf mag zijn. Dat is heel belangrijk: de dag van he­den mag ook doel in zichzelf zijn, anders wordt hij tot nacht. De dag van heden is tot hori­zon van de reeds afgelegde weg. Je hebt een bepaalde weg af­gelegd en dan is die dag van vandaag in dat verband toch heel be­langrijk. Die is op zich tot een horizon. De dag van vandaag heeft ook zijn eigen unieke waarde en is niet alleen maar brug of opstapje naar iets beters. Want anders zit je voortdurend vooruit te kijken met het gevoel: vandaag wordt het toch weer niets.

En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieu­wing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, wel­ge­vallige en volkomene. – Rom.12:2. Het goede, het welgevallige en het volkomene, die drie moeten elkaar dan wel in evenwicht houden.

Beloften onder voorwaarden

Hoe moeten we nu dat voorwaardelijke zien, zoals dat in verschillende schriftgedeelten en beloften naar voren komt? God is immers de Ver­bonds-God en bij een verbond wordt er toch op beide verbondspartners een appèl gedaan, in de zin van: als je dit doet, dan doet God dat. Daaraan gekoppeld dan het punt: hoe moeten we die teksten over ze­gen en vloek zien, zoals in Deuteronomium worden genoemd, waar je dan toch beloften hebt onder voorwaarden. Indien gij aandachtig hoort naar de stem van de Here, uw God, dan …………. en indien gij dat niet doet, dan zullen over u komen al deze vervloekingen, enzo­voorts. Ik denk dat we hierbij een paar punten moeten onderscheiden. In de eerste plaats: het verbond blijft overeind! Dus als ik zeg: God is de Verbonds-God, dan betekent dat wel, dat de toekomst in Hem ligt. Want in dat verbond is de mens wel partner, maar God is in wezen de eerste en de laatste in dat verbond. En daarbinnen krijgt een mens dan speel­ruim­te, speelruimte om mens te zijn. Niet in die zin dat het hele plan van God ook zou kunnen mislukken. God stelt zich garant als eer­ste en als laatste. Ik denk dat het ook niet voor niets is, dat in Openba­ring 1 de Mes­sias zegt: Ik ben de eerste en Ik ben de laatste. Dat staat ook in Jesaja 44. Ik ben de eerste en Ik ben ook de laatste. Dus dat ver­bond ver­onderstelt wel de mens als partner, maar toch is die mens tot op zekere hoogte in bepaalde zin ook passief. We zien dat bijvoorbeeld dui­delijk bij Abra­ham. Abraham valt in een diepe slaap en tijdens die diepe slaap sluit God een verbond met hem (Genesis 15).

Binnen het verbond heeft de mens zijn verantwoordelijk­heid

Wat dat punt betreft van de zegen en de vloek, daar speelt het aspect van de menselijke verantwoordelijkheid toch ook wel in mee. We vin­den dat betreffende schriftgedeelte in Levi­ti­cus 26 en de parallelteksten in Deuteronomium 28. Indien gij hoort naar deze woor­den (of: indien gij hoort naar mijn stem) dan zullen al deze zegenin­gen over u komen en indien gij niet hoort…… Daar worden in feite twee wegen aangewezen. De weg die een mens gaat, heeft te maken met zijn verant­woordelijkheid. Binnen dat verbond – ik zeg dit met nadruk, dat moe­ten we goed onderstrepen – binnen dat verbond heeft de mens zijn verantwoordelijk­heid. In het kader van dat verbond – want daar gaat het over de verbondsmens – heeft de verbonds­­mens zijn aanspreekbaarheid, zijn verantwoordelijkheid. Je kunt dat ver­­gelijken met de verantwoor­de­lijkheid van een kind. Een kind heeft thuis ook zijn verantwoorde­lijk­heid, maar daarmee staat of valt zijn kind­-zijn niet. Een kind blijft kind van de ouders, ook als het in zijn zwak­ke momen­ten niet handelt volgens zijn verant­woor­de­lijkheid. Dat betekent niet, dat het kind op grond daarvan geen eten of onderdak meer krijgt, of dat het buiten de deur gezet wordt. Dus binnen het huis heeft het kind zijn aanspreekbaarheid.

Van al het gehoorde is het slotwoord: Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen. – Pred.12:13. Vrees God en bewaar zijn geboden. En dat geldt voor kol adam, voor ‘alle mens’. Het punt is dus – dat is speciaal wat ik wil onderstrepen – dat die verantwoor­de­lijk­heid plaatsvindt binnen het verbond. Dus dat ver­bond omvat de verant­woordelijkheid. De volgende zegeningen zullen alle over u komen en uw deel worden, indien gij luis­tert naar de stem van de HERE, uw God: – Deut.28:2. Maar indien gij niet luistert naar de stem van de HERE, uw God, en niet al zijn gebo­den en inzettingen, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zul­len de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen: – Deut.28:15.

Dat zie je dus in Deuteronomium 28 en ook in de paral­leltekst heel na­drukkelijk gesteld, want dan staat er: indien gij hoort, dan zal Ik zege­nen. Indien gij niet hoort, dan krijg je dus een binnen dat verbond plaats­vin­dende andere situatie. Maar daarmee valt de mens niet uit het verbond. Het is heel treffend, dat Leviticus 26 dan weer eindigt – dat is toch ook wel heel barmhartig – met dat woord van vers 44: Maar ook zelfs, wanneer zij in het land hunner vijanden zijn, versmaad Ik hen niet en heb Ik geen afkeer van hen, zodat Ik hen zou vernietigen en mijn verbond met hen verbreken: want Ik ben de HERE, hun God. Maar Ik zal hun ten goede gedenken het verbond met hun voorvaderen, die Ik voor de ogen der volken uit het land Egypte heb geleid, om hun tot een God te zijn. Ik ben de HERE. – Lev.26:44,45.

Dat is dus het laatste woord. Ik zal mijn verbond gedenken. Dat zie je ook weer in vers 42. dan zal Ik mijn verbond met Jakob gedenken; ook mijn verbond met Isaak en ook mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en Ik zal het land gedenken. Lev.26:42

Daar zien we dus de aartsvaders in omgekeerde volgorde staan. God volgt het spoor terug. Deze volgorde komt voor zover na te gaan in de Tenach verder nergens voor. Dus het verbond heeft daar in Leviticus 26 het laat­ste woord. Zelfs de ballingschap is omvat door het verbond. Als je in de ballingschap bent, in het land van de vijanden, ook dan valt de mens niet buiten het ver­bond van God. Dat is een manier van denken, die we ook mogen leren. Juist omdat je anders wel een erg wankel fun­da­ment zou krijgen, want dan weet je nooit waar je aan toe bent. Dus het ver­bond staat als een paal boven water. Dat blijft overeind en daar­binnen is dan de mens zelf gekenmerkt door een zekere passiviteit. Hij ontvangt; het ver­bond gebeurt aan hem.

De mate van het geloof, dat God aan ieder heeft toe­bedeeld

We zien dan een nadere uitwerking in vers 3. Want krachtens de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaam­heid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebe­deeld. – Rom.12:3.

Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iegelijk, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft. – SV.

Een mens moet geen taken hebben te verrichten, die hem van zichzelf ver­vreemden. Tom Naastepad zegt in een gebed: geef ons arbeid die ons niet van onszelf vervreemdt, die ons geen geweld aandoet! ‘Geen ge­dach­ten, hoger dan u voegen’. Dat heeft ook te maken met het be­grensd zijn van de mens. Miskotte noemt dat in dit verband: geschon­ken eindig­heid. Het is soms wel eens moeilijk om je beperkingen te aan­vaar­den. En dan ligt het eraan, waar die beperkingen liggen. De mens heeft zijn be­per­kingen, hij heeft begrensde tijd en begrensde ruimte. De Tal­moed zegt in dit verband: je krijgt vier ellen. De vier ellen van het men­­selijke wandelen. We leven in een tijd waarin vaak het onver­zadig­ba­re ge­propageerd wordt, het moet altijd maar méér zijn. Je hoeft niet tevre­den te zijn met hetgeen je hebt. Dat is het gulzig, hebberig, graai­end leven. De kijk-grijp mentaliteit. Als je iets niet hebt, dan koop je het toch zeker, eventueel op afbetaling. Maar ook in het christen-zijn: alles willen doen, al­les willen zijn. Wat dat betreft heb ik wel eens een beetje moeite met de manier waarop een tekst uit Filippenzen 4 tot een koortje geworden is.

Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft. – Filipp.4:13.

Deze tekst wordt meestal uit zijn verband geplukt. Dat koortje doet het dan heel goed, vooral dankzij de melodie en het tempo. Maar wat zing je nu in feite? Je kunt natuurlijk ook terechtkomen in die uitleg van een kind die zei: ik mag alle dingen. Afgezien daarvan, wat bedoel je nu ei­gen­lijk! Kun je dan alles? Erken je dan geen grenzen meer? In hoeverre gaat dat dan voor het individuele mensen­leven op? Zo kom je bijvoor­beeld ook nog wel de gedachte tegen: een christen moet te allen tijde vrucht dragen. Daarbij vergetende, dat er ook seizoenen zijn in een men­sen­leven. Het is ook wel eens herfst of winter. Tom Naastepad zegt er­gens: God geeft je de ander om je te begrenzen, die ander is soms een be­grenzing. Vaak wordt er gezegd: tijd is eindeloos, maar dat is in feite geen bijbelse uitspraak. Paulus zegt hier dus: niet het denken over wat men moet kunnen, maar het denken tot bedachtzaamheid. Een ieder naar de maat van het geloof. Op die manier krijg je een een zekere mate van bescheidenheid. Onze cultuur wordt gekenmerkt door een soort wilde vrijheidszin. Doe maar wat je voelt en wat in je opkomt. Maar dat is een vrijheid die leidt tot isole­ment, een vrijheid die eenzaam maakt. Dat is meer gevangenschap dan vrijheid. Vrijheid zonder de ander bestaat in feite niet. Alle bindin­gen worden opgezegd en met die bindingen ook de overgave aan el­kaar. Alleen de zelfbevestiging blijft over, ‘ik ben’. Die zelfbevestiging kan ook weer omslaan in zelfontkenning; ik ben toch niets! Dát zijn nu die gedachten die ons voegen of die ons niet voegen. De mens heeft soms het verlangen om een Übermensch of een supermens te zijn, waar­door je een ander niet meer kunt accepteren. Daardoor komt de an­der pas in tweede instantie in beeld; die ander wordt dan soms tot ‘Unter­mensch’. ‘Naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld’. Rom.12:3.

Niemand wordt overvraagd, want het geloof is uit het horen en door stuk­­je voor stukje te verstaan wat ons gegeven is en wat ons opgegeven is. Het hangt dus af van de maat van het geloof, dat God ons heeft toe­be­deeld. Het gaat er dus om: hoeveel heb je gehoord? En hoeveel heb je dan al horende verwerkt? Jezus heeft Zich juist solidair verklaard met de zwakken en de kleinen. Hij is allereerst de grote Bevrijder en zo schept Hij vrede. Hij is het die de schare liefheeft, het onderliggende opricht en het gebrokene geneest. En dat deed Hij niet als individu, als enkeling, maar dat deed Hij in verbondenheid met de ander, door mee te lijden. Juist die houding geeft de mens bedachtzaamheid. Bedachtzaam­heid heeft dus vooral te maken met het bedacht zijn op Jezus, de Messi­as, het be­dacht zijn op de ander. Dat is het tegenovergestelde van door­dram­­men. Je kunt doordrammen op een fanatieke manier, waardoor je dan een soort bulldo­zer-effect krijgt. De ander moet dan mee in het tem­po dat jij toevallig hebt. Dat merk je ook af en toe aan de manier waarop gepreekt wordt of zelfs geprofeteerd. Je hebt dan meestal het gevoel dat het Koninkrijk van God haast heeft en vervolgens leg je dat gevoel dan ook op aan de ander. Dan krijg je profetieën in de trant van: Haast u; God wil dat we de tijd uitkopen en dat we uittrekken. Daar kan uiter­aard wel een element van waarheid in zitten, maar het gaat erom welke geest daaruit spreekt. Dat is dat dwangmatige in de trant van: ìk heb haast, dus de Heer heeft ook haast. En als dat dan in de vorm gegoten wordt van profetie of prediking, wordt het toch wel een bedenkelijke zaak.

De duivel is een jager, maar God is een herder. Je vergeet dan zo gauw het her­derschap. Het gaat dus om ‘de mate van het geloof, die God aan een ieder heeft toe­bedeeld’. Let op dat ‘aan een ieder’. Dus elk mens heeft zijn unieke maat van geloof en zijn unieke tempo. Het volk Israël kwam bij de Sinai, daar ston­den 600.000 mensen. Een uitspraak van de Talmoed luidt: elk van die 600.000 zielen onthult een eigen onvervangbare be­te­ke­nis van de Torah. Concreet gezegd: als God daar zijn woord geeft, komt dat woord in 600.000 harten en dan krijgt het in elk hart zijn eigen beteke­nis. Dus je zou kunnen zeggen: dan zijn er 600.000 betekenissen. Daar wordt mee bedoeld: ieder individu heeft een eigen wortel in de Torah.

Niemand is dus een kopie van een ander, niemand is een takje van een ander. Stel je voor: de voorganger is de boom en de gemeen­teleden zijn allemaal takjes van die boom. Of: een vooraanstaande broe­der is de wor­­tel en daar komen allemaal scheuten uit en dat zijn dan de ge­meen­­tele­den. Nee, ieder mens heeft zijn eigen wortel in de Torah. Dus ieder mens is uniek. Dat is geen detailkwestie, maar dat heeft zijn bij­zon­dere betekenis. Ook iedere student van de Torah heeft zijn eigen unie­ke in­breng in de studie. Daarom kun je ook niet de ander een me­ning opleg­gen. Daarom eindigen discussies in de Talmoed met ver­schil­lende me­nin­gen naast elkaar. Dan worden er dus geen knopen door­ge­hakt. Je kunt daar ook niet doen, wat in de christelijke overle­ve­ring nog wel eens gebeurd is: jij eruit of ik eruit. Men beschuldigt elkaar dan vaak van ‘niet zuver in de leer te zijn’. Paulus zegt dus: iedereen zijn eigen maat in het geloof. Die maat kan ook groeien; ieder kan zijn eigen maat ontwikkelen. Daar mag je elkaar dus ook de ruimte in geven.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

383934 bezoekers sinds 07-06-2010