De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 22

08-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Tot­dat de volheid der heidenen binnengaat

Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig la­ten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, tot­dat de volheid der heidenen binnengaat, – Rom.11:25.

Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. – SV.

Wat is dan dat geheimenis? In feite zie je dat Paulus – en eigenlijk zien we dat ook in het voorgaande gedeelte – iets omgedraaid heeft. Want de gangbare op­vat­ting was, dat de volkeren zouden toestromen naar de berg Sion. Dit vol­gens de lijnen van Jesaja 2 en Micha 4. De volkeren zullen opstromen. Er wordt daar een merkwaardig woord gebruikt, een woord dat afge­leid is van een rivier. En die rivier stroomt de berg óp. Dat is natuurlijk op zich al iets merkwaardigs. Dat moet je ook vanuit de Hebreeuwse tekst even in zijn merkwaardigheid horen. Dat wordt daar dus vertelt in Jesaja 2. Dat is een van die kernteksten wat betreft de toekomstverwachting.

Opgaan naar de berg des HEREN

En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen. – Jes.2:2.

En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEE­REN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven wor­­den boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien. SV.

Ook in Micha 4 wordt dat gezegd: En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En volkeren zullen derwaarts heenstromen. – Micha 4:1. ‘Op den top der bergen’. Zo luidt dus de Statenvertaling. Boven op al die bergen komt de berg des Heren, als een soort ‘topberg’. De berg Sion is de naam van de Tempel­berg. Hierbij moet in aanmer­king worden genomen, dat het Hebreeuws eigenlijk geen woord heeft voor tempel. Er wordt altijd gesproken in dit verband over ‘het Huis’. God is niet zo ‘tempelachtig’. De God van Israël doet in feite niet in tem­­pels. Dat is typisch een kenmerk van het heidendom. De God van Is­raël is meer huiselijk. Een huis dat dan ook een thuis mag worden. De bijbel begint ook met een huis. De eerste letter van de bijbel is name­lijk een beth (beresjit = in den beginne). De letter beth is naar alle kanten ge­sloten, alleen open naar voren (b – we moeten dit van links naar rechts bezien). Daarmee wordt uitgebeeld dat die drie kanten voor de mens gesloten zijn (achter, boven en onder). Wat bo­­ven is, is Gods zaak; wat beneden is, is ook zijn zaak; wat achter je ligt daar hoef je je niet meer over bezorgd te maken; alleen de toekomst is open. Dat is de eerste reden, waarom de bijbel met een beth begint. Het woord beth is niet alleen de naam van een letter, maar het is ook een woord en betekent huis. Dus de bijbel begint met een huis. Daar zie je dus meteen, dat de God van Israël van meet af aan een huiselijke God is; Hij wil zijn mensen onderdak verlenen. Een dak voor de daklozen en een thuis voor de thuislozen. In de rabbijnse traditie wordt ook de vraag gesteld: waarom begint de bijbel nu niet met de eerste letter van het alfa­bet, met de aleph (a))) De aleph is de letter van God (Elohim begint ook met een aleph). En God was er al vóór Genesis 1. Dus de aleph gaat aan  Genesis 1 voor­­af. Vandaar dat Genesis 1 begint met de tweede letter van het alfabet. De aleph wordt gezet aan het begin van de 10 woorden: Ik (Anochi) ben de HERE, uw God. Dus de aleph wordt opgespaard tot­dat God zich gaat openbaren op de berg Sinai. In Jesaja 2 wordt dus gesproken over de berg van het huis des Heren. En alle volkeren zullen derwaarts heenstro­men. – Jes.2:2. ‘En opstromen zullen daarheen alle natiën’. En vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaan­de zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet (To­rah) uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem. – Jes.2:3.

Dan krijg je de indruk, dat Paulus in Romeinen 11 de zaak een beetje om­draait want hij zegt: die gojim zullen Israël jaloers maken. Terwijl je dus in Jesaja 2 het motief krijgt, dat die gojim zullen opstromen naar Si­on, om daar onderwijs te krijgen. Paulus zegt: die volkeren zullen Israël tot jaloersheid verwekken. Dan wordt er in vers 25 van Romeinen 11 gesproken over dat geheime­nis. Dat geheimenis houdt in, dat er een gedeeltelijke verharding over Is­raël is gekomen.

Het geheimenis van de verharding

Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig la­ten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen (let­terlijk: is geschied), tot­dat de volheid der heidenen binnengaat, – Rom.11:25.

Let op dat ‘gedeeltelijk’; het is een verharding ten dele. Tot hoelang duurt dat: ‘tot­dat de volheid der heidenen binnengaat’. We komen dan voor enkele vragen te staan:

1. Hoe moeten we die ge­deeltelijke verharding verstaan; wat betekent het woord ‘gedeeltelijk’ in dit verband?

2. Wat betekent dat binnengaan?

3. Wat is de volheid van die gojim?

We zullen vers 26 er meteen bij betrekken, om het verband met deze vragen te kunnen zien.

En aldus zal gans Israël behouden (of: bevrijd) worden, gelijk geschreven staat: De Ver­losser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob af­wen­den. – Rom.11:26.

En alzo zal geheel Israel zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. – SV.

Als je dat woord behouden naar het Hebreeuws terugvertaalt, staat er het woord jasjaf (bevrijding); daar zit ook het woord Jeshua in. Jasjaf is dat koninklijke woord, dat in verschillende afleidingen zo’n 350 keer voor­komt in de Tenach. Dat is een woord waar heel wat muziek in zit, dat is de bevrijding, de Messiaanse verlossing, de wederoprichting, het her­stel. Dat klinkt daar allemaal in mee. Dus: ‘En aldus zal gans Israël bevrijd (hersteld) worden’. En dan noemt Paulus daar nog een tekst bij:  ‘De Ver­losser zal uit Sion komen, Hij zal goddelooshe­den van Jakob af­wen­den’. Er wordt dus een einde aangekondigd van de verharding.

In dat verband willen we nog een andere uitspraak noemen. In de Babylonische Talmoed wordt gezegd: de zonen van de Torah zijn de verzoening voor de wereld, een uitspraak van Jochanan ben Zakai. Deze Jochanan heeft trouwens wel meer van die prachtige uitspraken ge­­­daan. Van hem is ook het woord: als je bezig bent een boom te plan­ten en ze komen je vertellen, dat de Messias in aantocht is, plant dan eerst die boom en ga daarna de Messias tegemoet. Op de herstelde aar­de is het planten van bomen nog wel degelijk zinvol. ‘De zonen van de Torah zijn de verzoening voor de wereld’. Dat doet ook denken aan wat Paulus in Romeinen 11 heeft geschreven: En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid! – Rom.11:12.

En ook wat er in vers 15 staat: Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aan­ne­ming anders wezen dan leven uit de doden? – Rom.11:15.

Paulus gebruikt hier in vers 15 ook die uitdrukking: de verzoening van de wereld. Dat is toch een van die centrale gedachten, die Paulus hier voor ogen staat, dat er een verzoening komt van de kosmos, zoals er letterlijk staat; van heel de schepping. Oftewel een wederoprichting van alle dingen. En in dat kader staat ook dat geheimenis. Er gaat een vol­heid van de gojim binnen en aldus (er staat dus niet ‘dan’), in die weg, zal gans Israël de bevrijding deelachtig worden.

En aldus zal gans Israël behouden worden

en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Ver­los­ser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. Rom.11:26.

Dat onderbouwt Paulus dan in vers 26 met een woord uit Jesaja 59: Maar als Verlosser (letterlijk: de Losser, de goël) komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van over­tre­ding bekeren, luidt het woord des HEREN.  Jes.59:20.

Jesaja 59 spreekt van de goël; dat is ook het woord, dat in het boek Ruth zo’n centrale rol speelt. De losser zal komen uit Sion. Daarbij komt ook nog een regel uit Jesaja 27: Daarom zal hierdoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en hier­in zal de volle vrucht van de verwijdering van zijn zonde bestaan, dat hij alle altaarstenen tot verbrijzelde kalkstenen maakt, en dat geen gewijde palen en wie­­rookaltaren overeind blijven staan. – Jes.27:9.

Paulus gaat eerst hierbij uit van Jesaja 59 en dan vanuit Jesaja 27; de zo­ge­naamde Jesaja-Apocalyps. Het gaat hier vooral om het eerste gedeelte van dit vers, de verzoening en de verwijdering van de zonde. Die tekst uit Jesaja 59 wordt ook door de rabbijnen in Messiaanse zin verstaan. Die verlosser zal komen, de ver­losser zal uit Sion komen. En in de Sep­tu­agint is dat woord ‘de ver­losser’ ook een vaststaande uitdrukking voor de Messias. Vanuit de Sep­tuagint is bovendien ook die verandering afkomstig, want in de He­breeuw­­se tekst staat namelijk: de verlosser zal tot Sion komen, of: voor Si­on. De Septuagint heeft er dus van gemaakt: uit Sion. Dan krijg je dus even een verschuiving in het beeld. De Hebreeuwse tekst zegt: de verlosser komt voor Sion in de zin van: ten behoeve van, met het oog op. De Septuagint heeft dus: de verlosser komt uit Sion. Op die manier krijg je dus ook een wat andere gedach­tegang. Dat gedeelte uit Jesaja 59 spreekt dus oorspronkelijk van een ver­lossing na de tijd van de ballingschap. Waarbij dan ook een rol speelt die beroemde tekst, die er onmiddellijk aan voorafgaat.

De vijand zal komen gelijk een stroom

En men zal vanwaar de zon ondergaat de naam des HEREN vrezen en van­waar zij opgaat zijn heerlijkheid, want Hij komt als een onstuimige rivier, door de adem des HEREN voortgezweept. – Jes.59:19.

Dan zullen zij den Naam des HEEREN vrezen van den nedergang, en Zijn heerlijkheid van den opgang der zon; als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des HEEREN de banier tegen hen oprichten. – SV.

In het westen zal men de naam van de HEER vrezen en in het oosten zijn majesteit. Want hij zal komen met de kracht van een rivier in een smalle bedding, voortgestuwd door de adem van de HEER. – NBV.

Er is dus een behoorlijk verschil in de vertaling van het NBG en de Sta­ten­vertaling. De Statenvertaling zegt dus: de vijand zal komen als een stroom. Ook de King James vertaling heeft het op die manier weerge­ge­ven. In de En­gels sprekende wereld is dit ook een geliefkoosde tekst om over te pre­ken. Dit was toch wel een heel geliefd onderwerp; als de vij­and komt ge­lijk een stroom, zal de Geest des Heren de banier daartegen op­heffen. Het is – hoe dan ook – een heel troostrijk perspectief, dat als de vijand komt gelijk een stroom de Ruach Adonai daartegen een ba­nier zal op­hef­fen.

Er bestaat dus een innig verband tussen Jesaja en de Romeinenbrief. Je­sa­ja spreekt niet direct zo over een olijfboom. Jesaja heeft dus wel die ge­dachte van een rest. Je kunt daarom een doorgaande lijn ontdek­ken – dat is op zich best heel boeiend – door de profeten heen. Want dan zie je ook hoe de ene profeet weer voortbouwt op de volgende of de vorige. Als je de profeten enigszins wilt dateren, dan blijkt dat Amos zo onge­veer de oudste is (760). Dan krijg je Hosea (750), dan Jesaja (700). Ver­vol­gens Jeremia (650). Micha is een iets jongere tijdgenoot van Jesaja. Mi­cha zou een leerling van Jesaja kunnen zijn geweest. Ezechiël is een jongere tijdgenoot van Jeremia (600-560). We zijn dan helemaal in de tijd van de Babylonische ballingschap. Ezechiël wordt dus met de eerste groep weggevoerd in 597. Hij zit dan al 11 jaar in Babel als Jeruzalem verwoest wordt in 586. De profeten bouwen dus steeds weer op elkaar voort. Heel wat motie­ven van Hosea kom je weer bij Jesaja en Jeremia tegen. Dan is er dus ook een gedeelte van Jesaja, dat speelt na de tijd van de bal­­lingschap. Dat is Jesaja 40 tot 55. Dit gedeelte is weer sterk verwant met Ezechiël. Er liggen heel wat verbindingen tussen die gedeelten wat be­treft de terugkeer na de ballingschap. Het derde gedeelte van Jesaja omvat hoofdstuk 56 tot 66. Dit gedeelte speelt helemaal na de ballingschap. Jesaja 56 tot 66 vertoont weer ver­want­­schap met Jeremia. Zo kun je dus allerlei lijnen trekken. Er liggen dus heel wat verbindingen tussen die verschillende profetische lagen. Jesaja 40 tot 55 gaat dus over de terugkeer. Jesaja 56 tot 66 gaat over de periode dat ze teruggekeerd zijn, althans een gedeelte van het volk. Het is dus heel boeiend om te zien hoe de pro­feten tel­kens voortbouwen op wat er al als fundament door hun voor­­gangers ge­legd is. In die interactie tussen de profeten speelt de herkenning dus een belang­rijke rol. Paulus heeft zich dus herkend in die woorden van Jesaja, mis­schien op dat moment meer nog dan in dat beeld van Ezechiël 17, waar het gaat over geënt worden en overgeplaatst worden. Ik denk toch dat Paulus zich speciaal in Jesaja herkend heeft in verband met heel die lijn, die hij wilde beschrijven over dat geheimenis. Het ge­hei­menis waar hij het dan over heeft hier in vers 25. Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig la­ten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen (let­terlijk: is geschied), tot­dat de volheid der heidenen binnengaat, – Rom.11:25. en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Ver­los­ser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. Rom.11:26.

Hier komt ook dat motief van de rest en de ver­har­ding naar voren en ook van de wederoprichting na de balling­schap. We hebben gezien dat die ‘geest van diepe slaap’ vooral een aanduiding is van de ballingschap. Paulus heeft in Jesaja heel wat herkenningspunten ontdekt, en ook trou­wens in Jeremia, die ook door Paulus wordt aangehaald. Hierbij speelt dan ook nog, dat Paulus zichzelf heel duidelijk heeft gezien als een soort ‘voortzetting’ van Jere­mia. Er zijn een heleboel verbanden tussen Paulus en Jeremia. Paulus voelde zich voor zijn dagen zelf kennelijk ook een Je­re­mia. Vandaar, dat hij in Romeinen 10 telkens een ver­band legt tussen Deute­ro­nomium en Jesaja. Hier in Romeinen 11 gaat hij dus ook weer voort­bouwen op Jesaja, om het motief van het herstel verder uit te werken. Dus de basis is de verwachting van het herstel van Israël en de pel­grims­tocht van de natiën naar Sion. Dat hoorde vanouds ook bij elkaar in het denken van de diverse joodse tradities, zoals ook tot uiting komt in ‘de Jubileeën’ en de ‘Psalmen van Salomo’. Er waren dus twee dingen die bij elkaar hoorden: het her­stel van Israël en de bekering van de vol­keren. Het is opvallend dat je dat ook al in het boek Genesis tegenkomt. Wat dat betreft is Genesis al helemaal een blauwdruk voor datgene wat gaat komen. In Genesis 47 wordt een bijzondere ontmoeting be­schre­­ven.

Jakob zegent de farao

Ook bracht Jozef zijn vader Jakob en stelde hem aan Farao voor. En Jakob ze­gen­de Farao. – Gen.47:7.

Dat is een tekst met een onvoorstelbaar grote reikwijdte. De farao van Egypte en de oude patriarch Jakob staan daar oog in oog met elkaar. De farao vertegenwoordigt het hele rijk van Egypte en Jakob vertegen­woor­digt Israël. Daar heb je in feite de twee volkeren waar het in de bij­bel om gaat. Egypte, dat de gojim vertegenwoordigt en Israël als volk van God. De farao werd beschouwd als een zoon van de goden. Hij was de zoon van de zonnegod, de zoon van Re. Egypte had al eeuwen een hoog­staan­de cul­tuur. Al meer dan 1500 jaar hadden priesters en schrij­vers hun stempel op de Egyptische samenleving gezet. Daartegenover staat dan Jakob, de oude herder. Letterlijk staat er, dat Jozef Jakob deed staan voor het aangezicht van de farao. En dan zegent Jakob de farao. Jakob als vertegenwoordiger van Israël, zegent de farao als vertegenwoordiger van de gojim. Dat is helemaal een profetisch beeld. Daar gebeurt meer dan alleen maar even een ont­roerend incident. In de vertaling wordt het ook een beetje afgezwakt: ‘hij stelt Jakob aan farao voor’. Maar – staat er – hij stelt hem voor zijn aangezicht. Het wordt een ontmoeting ‘panim el panim’. En blijkbaar heeft de farao daarnaar verlangt. Hij heeft kennelijk gedacht: die Jozef hééft wat, waar zou hij dat vandaan hebben? Ik zou zijn vader wel eens willen ontmoe­ten. Wat zou dat er voor één zijn? Jozef bezat immers zoveel wijsheid, waardoor hij Egyp­te had gered.

Toen zeide Farao tot Jakob: Hoe groot is het getal van uw levensjaren? Gen.47:8.

En Farao zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens! – SV.

De farao vraag niet: hoe oud bent u nu? Letterlijk: ‘Hoe is het met de dagen van de jaren van uw leven?‘ Hij vraagt dus niet: hoeveel dagen, maar wát voor dagen. Wat voor da­gen heeft hij nu gehad. De farao is gefascineerd door de oude sjeik en denkt en vraagt: wat voor dagen zou deze man gehad hebben? De farao had al jaren cultuur achter zich en kende heel de geschiedenis van Egyp­te. Al 3000 jaar voor Christus hadden ze een hoogstaande cultuur met pries­ters en schrijvers. Een Egyptische priester zei eens tegen de eer­bied­­waar­dige Griekse wijze Solon: man, je komt pas kijken! Die Grieken had­den veel minder cultuur achter de rug dan de Egyptenaren. Dus daar ging het er eigenlijk om wie de oudste cultuur had. En dan komt de oude Jakob, die in feite helemaal geen culturele achtergrond had. Abra­ham, Isaak en Jakob, het was net de derde generatie. En dan vraagt de farao dus: wat voor dagen heeft u gehad? En dan is het antwoord van Jakob: En Jakob zeide tot Farao: Het getal (letterlijk: de dagen van de jaren) der ja­ren mijner vreemdelingschap is hon­derd en dertig; weinig in getal en kwaad zijn al mijn levensjaren geweest, en zij hebben niet bereikt het getal (de dagen van de jaren) der levens­jaren van mijn vaderen in de dagen hun­ner vreemde­ling­schap. – Gen.47:9. Jakob zegt: ik ben op aarde een vreemdeling geweest. En nu ben ik in Egypte en ik ben nòg een vreemdeling. Dan staat er opnieuw: Toen zegende Jakob Farao en ging van Farao heen. – Gen.47:9.

En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao’s aangezicht. – SV.

De zegen die Jakob aan de farao geeft, omsluit dat hele gesprek. De ou­de Jakob had eigenlijk niets anders op aarde meegemaakt dan vreemde­ling te zijn. Een randfiguur. Er is ook niet veel cultuur aan te wijzen bij een herder. Van een herder moesten de Egyptenaren trouwens ook niets hebben, want in de laatste regel van hoofdstuk 46 staat, dat schaap­her­ders voor de Egyp­tenaren een gruwel zijn. zegt dan: uw knechten zijn veehouders geweest van onze jeugd aan tot heden, zowel wij als onze vaderen – opdat gij in het land Gosen moogt wonen, want al wat schaapherder is, is voor de Egyptenaren een gruwel. – Gen.46:37.

Van al dat schaapachtige gedoe waren ze niet zo gecharmeerd. Maar daar staat dan die oude herder, die balling, die zwerver, Jakob, en hij ze­gent de farao. ‘Het mindere wordt door het meerdere gezegend’ zegt Hebree­en 7. Daaraan zie je dat Jakob in wezen geestelijk gezien meer is dan die farao, ondanks die hele cultuur en achtergrond en al die eeuwen be­scha­ving. Dat is waar de volkeren op wachten. Al die farao’s wachten op de zegen. Hierbij moeten we duidelijk zien wat ze­genen nu eigenlijk inhoudt. Zegenen betekent dat iemand kracht wordt verleend om tot zijn bestemming te komen. Zegenen is niet zo­maar iets. Zegenen is ook veel meer dan een wens. Het is toch wel be­lan­grijk om dat ook weer te ontdekken. Zegenen betekent niet: nou, we wensen je het beste hoor! We wensen je alle goeds toe! Ze­ge­nen betekent ook, dat je iets vast­­legt in de geest. Dat is niet zomaar het gezegde: we wensen je de zegen toe, hoor! Abraham en de aartsvaders zouden een zegen zijn in het midden van de aarde. Dat zie je al in Genesis 12, waar dat al bij Abraham tot uiting komt; Abra­ham wordt een gezegende met het oog op allen. In u zullen alle geslach­ten van de aardbodem gezegend worden. En bij Jakob zie je dat ook he­lemaal gestalte krijgen. Hij mag aan het hof van de farao komen en mag daar de zegen meedelen. Dat is dus ook een profetisch beeld. Jakob in zijn ouderdom mag op die manier de zegen leggen op de volkeren­we­reld. De farao als toonbeeld van heel de wereld van de go­jim, opdat ook de gojim tot hun bestemming mogen komen. Want in wezen kun je zeggen dat er maar twee volkeren zijn: Israël en Egypte. Die komen dan onder ver­schillende namen voor.

Tot­dat de volheid der heidenen binnengaat

In Romeinen 11:25 ging het dus om de verwachting van het herstel. Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig la­ten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, tot­dat de volheid der heidenen binnengaat, – Rom.11:25. en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Ver­los­ser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. Rom.11:26.

In vers 25 staat dus totdat. Paulus spreekt hier in vers 25 dus over de volheid van de heidenen en over kol Jisrael, gans Israël. Hierbij moeten we dan bedenken, dat de volheid van de gojim toch vooral een kwali­tatief gegeven is. De volheid van de gojim wordt ook wel eens kwanti­tatief opgevat. Dan gaat het over een getal, een aantal heidenen. Ik denk niet dat het aantal heidenen nu zozeer tot jaloersheid wekt. Dan zou het in de massa zitten. Dan wordt er soms wel gezegd: als de laatste heiden binnengaat, is het getal vol. Maar volheid is weer een kwaliteitsbegrip. Het gaat om de volle kwaliteit van de gojim. Dus in die zin dat de ge­meente tot volheid komt, volwassen wordt, volgroeid is. Dan zie je de rijpe vrucht, dan is het voldragen. Al het onrijpe en al het onvolwassene gaat verdwijnen. Paulus noemt dat in Romeinen 8 het openbaar worden van de zonen Gods. Zonen in de zin van tot rijpheid gekomen kinderen. Die rijpheid zien we ook in Efeze 4:13. totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. – Ef.4:13.

Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus; – SV.

Daar wordt dat ook heel helder naar voren gebracht. Dit wordt dus ook gezegd in verband met de gemeente: totdat wij allen de eenheid van geloof en de volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben. De man­ne­lij­ke rijpheid. De uitdrukking mannelijke rijpheid staat in de grondtekst letterlijk net andersom; de rijpe man. Als je het terugvertaald in het Hebreeuws, dan zou het dus worden: de isj tamim. Dat betekent: een man uit één stuk. Van Abraham wordt ook ge­zegd dat hij tamim moest zijn. Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HERE aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk (tamim); – Gen.17:1.

Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aange­zicht, en zijt oprecht! – SV.

De term ‘eindtijd-gemeente’

Het begrip tamim komt ook weer voor aan het eind van de Torah in Deu­teronomium 18.Gij zult onberispelijk staan tegenover de HERE, uw God; – Deut.18:13.

Oprecht zult gij zijn met den HEERE, uw God. – SV. Tamim betekent dus: gaaf, volwassen, uit één stuk, onverdeeld.

Zo moet ook een gemeente zijn en worden. En dan denk je soms: wan­neer zal dat dan gerealiseerd worden? Toch is die volwassenheid er in de loop van de geschiedenis af en toe wel geweest. Als je over de eind­tijdgemeente spreekt, heb ik persoonlijk het idee, dat die gemeente veel groter is dan vaak gedacht wordt. Je kunt het niet allemaal op de schou­ders van de laatste generatie leggen. Dan zou één generatie overbelast worden. Wat dat betreft heb ik wel eens de indruk dat er soms een zeer zware last gelegd wordt op de gemeente in onze tijd. In de zin van: in onze generatie gaat het gebeuren! Deze generatie zal gaan doen wat in alle vorige generaties niet gelukt is. Dat is toch wel een standpunt om overspannen van te raken. Dan moet jij dus al die lasten van die 20 eeu­wen op je nek nemen. Dan wordt er soms bij gezegd: nu kan het al­le­maal, we kunnen niet de hele wereld bereiken, maar we hebben nu de satellieten en de media, enzovoort. Maar dan ga je het veel te veel  in de sfeer van de techniek trek­ken. Net alsof die technische hulpmiddelen ons dichter bij God zouden brengen. Maar daardoor word je geen betere gemeente. Maar toch denk ik: volwassen gemeenten zijn er door de eeu­wen heen geweest. We denken aan de Waldenzen, aan de Mora­vische broe­ders, die honderd jaren lang vrijwel continu gebeden heb­ben. Zij heb­ben enorm veel bete­kend voor het bereiken van de randfi­gu­ren. We denken ook aan de Huge­noten en andere verborgen stromin­gen. Zo heeft God in dat opzicht door de eeuwen heen toch velerlei mensen of groepe­rin­gen gehad. Het waren vaak de verschopten en de vertrapten, want de geschiedenis van God is vaak de geschiedenis van mensen in de scha­duw, mensen die vaak niet zo meetelden. Ik denk dat de eind­tijd­­ge­meente de bunde­ling wordt van al die generaties. De term ‘eindtijdgemeente’, gebruik ik nu eigenlijk even tussen aanha­lingstekens. Persoonlijk houd ik niet zo van de term eindtijdgemeente. Ik wil er alleen mee aangeven, dat al die generaties het zaad vor­men. Dat is een lijn die je kunt ontdekken. Paulus, de Waldenzen, de Hugeno­ten en al die randfi­guren en reformatoren; zij allen waren op hun manier bezig met het Koninkrijk van God. Lindeboom schreef indertijd een boek: ‘Stiefkin­deren van het Christendom’. Er zijn heel wat van die stief­kinderen. En al die stiefkinderen vormen het zaad voor de eindtijdge­meen­te. Dat zaad gaat een keer opkomen. Van al dat zaad van al die eeuwen kun je zeggen: het is niet tevergeefs geweest. Zij zijn met elkaar dat zaad dat uiteindelijk vrucht zal dragen. Dan is die term ‘eindtijdgemeente’ wat riskant en wat topzwaar. Aan die term zitten natuurlijk allerlei vooronderstellingen vast, wat betreft: wan­neer is nu het einde en hoe moeten we dat einde dan zien. Vanuit de Hebreeuwse opvatting moet je zeggen: er is geen einde aan de ge­schie­­­de­nis. Na het laatst der dagen komt er altijd nog een morgen. Ik ga dus wel van het gegeven uit dat God – door alle tijden heen – mensen zaait. En die men­sen die door God gezaaid worden, zìj zullen vrucht voort­brengen. In dat verband kun je ook verstaan wat er in 1 Tessalo­ni­cenzen 4 gezegd wordt: wij zullen de ontslapenen niet voorgaan, want zij zullen er ook bij betrokken worden.

De ontslapenen betrokken bij het herstel van de schepping

Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achter­blij­ven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken (commando), bij het roepen van een aarts­engel en bij het geklank ener bazuin (sjofar, ramshoorn) Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen. – 1 Tess.4:15-17

Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend over­blijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ont­slapen zijn. – SV.

Zij zullen ook betrokken worden bij het herstel van de schepping. Want de Heer zal op een commando, bij het roepen van een aartsengel zijn troepen bijeenbrengen. Hij zal zijn troepen formeren in wolkenforma­ties. Bij God gaat niets verloren, ook niet van al die vorige generaties. Elke generatie heeft haar plaats in de geschiedenis van God. Wij zijn niet meer dan de mensen in de Middeleeuwen. Ook in de Middeleeuwen zijn ze er geweest, die trouw zijn gebleven aan hun roeping. In elke ge­ne­­ra­tie heeft God zijn mensen gehad. Net zoals er van David staat: hij heeft voor zijn tijd de Raad van God gediend. En al die generaties bij elkaar vormen dan de totale gemeente. Dat is de gemeente van alle tij­den en van alle plaatsen, die voldragen wordt en tot vrucht komt.

De ver­worpen broeder gesteld tot een dubbele roeping

Dat zou je dus aan de ene kant ook kunnen noemen ‘de volheid van de heidenen’. En anderzijds ‘gans Israël’. Die lijn zie je ook in Genesis in de geschiedenis van Jozef. Jozef is aan de ene kant Messiaans en treedt op tot redding van Egypte, dus tot redding van de gojim. Anderzijds spreekt hij ook tot het hart van zijn broeders. Dat is die dubbele lijn.

Aldus zal gans Israël behouden worden. Aldus, langs die weg, langs die­­zelfde weg zal gans Israël opnieuw geënt worden. Merkwaardig is dat de broeders juist in Egypte, dus in de ballingschap, bij Jozef komen. Ze ontvangen daar het brood uit de hand van de verworpen broeder, tot op de dag dat Jozef zich aan hen bekendmaakt (Genesis 45). Dat wordt dan ook beschreven als een vertroosting. Want daarvan wordt dan ook gezegd in Genesis 45: Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden.Gen.45:5. Jozef als een voorloper, als een vooruitgezondene, met het doel om zijn broeders in het leven te houden.

Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzeke­ren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden. Gen.45:7.

Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een over­blijf­sel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote ver­lossing (ontkoming). – SV.

Dat komt ook nog weer aan het eind van Genesis terug: Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart. – Gen.50:21

Dus Jozef is wat dat betreft tot een dubbele roeping gesteld. Aan de ene kant de roeping om Egypte te redden en aan de andere kant om zijn broeders te vertroosten. Diezelfde lijn kun je dus ook ontdekken bij Jezus. Hij wordt ook de ver­worpen broeder. Hij wordt aan de ene kant tot redding, tot leven voor Egypte, voor de gojim. Aan de andere kant wordt Hij tot een vertroos­ting voor zijn broeders. Dus dat motief, dat je al in Genesis aantreft, komt in Romeinen 11 weer terug. Dat gaat dus door heel de balling­schap heen, door het raadsel van de geschiedenis.

Naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing geliefden om der vaderen wil

En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem. Rom.11:27. Hier komt dus het aspect van het verbond ter sprake, God die zijn ver­bond vasthoudt. Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil. – Rom.11:28.

Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aan­gaan­de de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil; – SV.

Daar krijg je dus die paradox van ‘vijanden en geliefden’. Vijanden, om op die manier het heil bij Egypte te doen komen. Dat is dus het won­derlij­ke, net als bij Jozef en zijn broeders. De broeders hebben Jozef ver­kocht naar Egypte, maar daardoor is het heil bij Egypte terechtgekomen. Maar daar zit toch iets heel merkwaardigs in; stel dat ze hem niet ver­kocht hadden, hoe had Egypte dan ooit Jozef kunnen ontmoeten. Hoe had Jozef dan ooit een plaats kunnen krijgen aan het hof van de farao. Hoe had Egypte dan door die zeven jaren van honger heen moeten ko­men? Daar zit een merkwaardig soort planning in. Dan denk je aan dat woord: God gaat zijn ongekende gang. Hij vertaalt de duisternis in eindelijk eeuwig licht. Die duisternis komt niet van God. Maar blijkbaar kan God de duis­ternis omzetten in licht, de duisternis vertalen.

Is­ra­ëlvisies

Er zijn in verband met die hoofdstukken Romeinen 9-11 allerlei Is­ra­ël­visies. Visies op Israël en ook op de toekomst van Israël. Wie een visie heeft, heeft daar meestal een reeks teksten voor. Maar wat zijn de voor-onder­stellingen? Dus in wezen is het een hermeneutische kwestie. Als iemand bij je komt en wil gaan discussiëren over Israël, dan zeg je gewoon: broeder, dit is een hermeneutische kwestie. En dan is de dis­cussie gesloten. Dan ben je meteen van al het gezeur af. De hermeneu­tiek is de manier waarop je gaat uitleggen. Vanuit wel­ke uitgangs­pun­ten ga je teksten verklaren? Meestal hebben mensen al iets in hun ach­terhoofd en van daaruit gaan ze teksten lezen. En ook tek­sten sprok­ke­len. Hier haal je een tekst, daar haal je er één. Van­daar dat ie­mand te­recht heeft opgemerkt: het is niet zozeer een kwestie van pra­ten over de kleur van de deur, maar over de kleur van je bril. Door wel­ke bril bekijk je de dingen. Je kunt wel over de kleur van de deur twis­ten, maar je moet eerst weten of je bril niet gekleurd is.

De zo­genaamde geestelijke Israëlvisie

De zo­genaamde geestelijke Israëlvisie is in feite begonnen zo omstreeks 200 n.C. met Cle­mens van Alexandrië en Origenes. Ook in de tijd van Paulus schijnt dat al ge­speeld te hebben in Rome. Daar schijnen al men­sen ge­weest te zijn die zei­den: de Joden hebben hun plaats verspeeld doordat ze Jezus hebben gekrui­sigd. Dus dan krijg je een zogenaamd vervan­gings­model. De Jo­den heb­ben Jezus verworpen, dus God heeft hèn ver­worpen. En dat werkt door tot op vandaag de dag. En dan krijg je vaak de gedachte: als een Jood tot Jezus komt, moet hij zijn Jood-zijn afleg­gen. Onlangs sprak ik een Jood, die Jezus als Messias had gevon­den. Deze man was in een gemeente ge­weest, waar ze tegen hem ge­zegd hadden: als je je wilt laten dopen, moet je wel je jood-zijn vergeten. ‘Jezus was een Jood, maar Hij is later christen geworden’. Soms is men zeer vin­ding­rijk. Soms speelt daar dus ook het platonische denken in mee, voor­al vanaf de tweede eeuw. De echte waarheid is bóven, hier be­ne­den is het niet. Het zichtbare is van ondergeschikte betekenis. Het aard­se is alleen maar schaduw. Soms worden twee andere punten ook wat door el­kaar gehaald. Dan wordt er ge­zegd: het Oude verbond is voor­bij, dus het Oude volk is ook voorbij. Hierbij krijg je dan de ver­schil­lende nu­ances waarin dat voorkomt. Vooral wordt er dan ook vaak gezegd: Jeru­zalem, dat is de kerk. Het verbond met Abraham zijn vriend, dat is dan hier het verbond met de christenheid.

Het herstel van Israël verbonden met de gemeente

Een tweede opvatting is, dat het geestelijk herstel van Israël verbonden werd met de gemeente. Dat kom je vooral tegen zo vanaf het jaar 1600 bij de Wederdopers en bij de nadere Reformatie. God zal Israël terug­roe­pen. Ook Wesley was een voorstander van deze visie, evenals Zin­zen­dorf en Wilhelmus Brakel, een van de ‘oud-vaders’. Wilhelmus Bra­kel heeft daar ook over geschreven, evenals Theodorus van de Groe (?). Bra­kel en van de Groe zijn beken­de schrijvers die vooral veel gele­zen wor­den in Oud-Gereformeerde kringen. Het geestelijk herstel van Israël is dus in deze visie verbonden met de gemeente; dus ze worden samen hersteld.

Een aparte weg voor Israël

Dan krijg je de derde opvatting: er is een aparte weg voor Israël. Deze visie komt vooral op vanaf 1830, waarbij vooral John Darby een rol speelde. Van hem is ook de beroemde Scofieldbijbel afkomstig, de bijbel met kanttekeningen. Hier begint dus ook het ontstaan van de bedelingenleer. Israël staat tij­de­lijk op een zijspoor. Dus de gemeente is dan nu het volk van God, de gemeente uit de heidenen. Straks wordt de gemeente opgenomen en dan gaat God weer verder met Israël. Dan heb je dus ook drie weder­kom­sten. Eerst krijg je de geheime eerste wederkomst om de gemeente op te nemen; daarna krijg je de wederkomst voor Israël op de Olijfberg. Dan krijg je de derde wederkomst met het oordeel over de wereld. Dat is dan het eindgericht. Op die manier heb je dus twee aparte volkeren. Ook de zogenaamde bergtoppentheorie houdt hiermee verband. Men zei dan: de profeten in het oude verbond zagen de komst van Jezus en de wederkomst in elkaars verlengde. Dat waren dus twee bergtoppen en ze zagen niet, dat daar nog een dal tussen lag. En dat dal is de tijd waarin we nu leven, die 2000 jaar waarin God met de heidenen op weg is. Dat was voor die profeten dus verborgen. Dus ze zagen de eerste komst en de tweede komst van Jezus als één geheel. Bijvoorbeeld: om uit te roepen een jaar van het welbehagen des HEREN en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten, – Jes.61:2.

Hij komt dus om de treurenden te troosten, maar meteen is er sprake van een dag van wraak. Maar volgens de bedelingenleer zit daar dus een lange tijdsspanne tussen. De gemeente is dus eigenlijk een inter­mezzo, de gemeente zou dan ingevoegd zijn, omdat Israël niet wilde. Toen zei God: dan ga Ik maar met de heidenen verder. Dan gaat Hij dus een volk verga­deren uit de heidenen. Als dus de laatste heiden gered wordt, dan wordt de gemeente opgenomen. En dan kan God weer ver­dergaan met Israël. Vandaar dat je bijvoorbeeld ook letterlijk de gedachte tegen kunt komen – zoals iemand dan ook schrijft – elke keer als ik het evangelie predik dan hoop ik dat onder mijn prediking de laatste heiden tot beke­ring komt. Dat is eigenlijk het doel van mijn prediking. Misschien dat onder mijn verkondiging de laatste heiden binnenkomt en dan wordt de ge­meente weggenomen en dan kan God weer verder met Israël. Maar hoe wordt dan de situatie gezien, dat joden nu reeds hun Mes­sias vinden. Waarschijnlijk wordt dat gezien als een voorproefje. Want uit­ein­delijk komt het herstel als de gemeente ‘weg’ is. Dus dan krijg je het punt, dat dit dan de eerstelingen zijn. Natuurlijk ook wel in die zin, dat op dit moment er een gemeente is uit joden en heidenen. Dan zie je dus dat joden ook wel tot bekering kunnen komen, maar in feite komt het eigenlijke herstel na de zogenaamde opname.

De dialoog met het jodendom

Dat zijn dan globaal zo drie opvattingen. Dan is er nog een vierde opvatting, de dialoog met het jodendom. Hierbij gaat men ook meestal van de gedachte uit, dat er twee wegen zijn. God heeft een weg waarlangs Israël bij Hem komt en God heeft een weg met de ge­meen­­te. Dus God gaat met Israël een eigen weg. Israël hoeft dus niet op dezelfde manier bij God te komen als wij. Binnen die vier opvattingen zijn natuurlijk dan ook nog allerlei vertak­kingen, ook allerlei concretiseringen. Soms zo concreet, dat ik een beetje mijn hart vasthoudt. Er zijn er die precies weten wat Israël nog te wach­ten staat. Er zijn er zelfs die zeggen: de staat Israël zoals die in 1948 is be­gonnen, is het kruis waaraan Israël komt te hangen. Als ze dan hele­maal vastlopen, zullen ze om de Messias roepen. Soms wordt daar dan nog ingevoegd: eerst gaan ze dan ook nog achter de antichrist aan. Daar komen ze dan bedrogen mee uit in de tijd van de grote verdruk­king. Dan zullen ze roepen om de ware Messias. Dan zal Hij zich open­baren aan zijn volk. De naam Israël kun je geven aan het geheel. Je kunt ook onderscheid maken tussen Israël en Juda, het tweestammen-rijk en het tienstammen-rijk. Maar het meest gebruikelijk is: de naam Israël staat voor het geheel. Als je over joden spreekt, kun je strikt genomen zeggen, dat je spreekt over Judeeërs. Je moet dus eigenlijk spreken van de benee Jisraël, de zo­nen van Israël. Ze zullen weeklagen en dan zullen ze Hem aanschouwen, die zij door­sto­ken heb­ben. Dat staat dan in de profeet Zacharia. Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen hem aanschouwen, die zij door­sto­ken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene. – Zach.12:10

Het komt ook weer terug aan het begin van het boek Openbaring. Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen. Op.1:7. Dat is dan een gezegend weekla­gen. Op het moment dat je gaat klagen, ben je dicht bij het Ko­ninkrijk van God. De weeklacht is in feite dan tegelijk het herstel. Dat klagen is een gave van God.

Een geestelijk Israël is er altijd geweest

Zo zijn er dan nog allerlei specifieke invullingen. Ze zullen als volk blij­ven bestaan, dus ook een land hebben. Er is ook sprake van het terug­brengen uit de ballingschap, waarbij dan soms ook gezegd wordt: in Eze­chiël 36 zien wij het terugbrengen als volk en in Ezechiël 37 zien wij het geestelijk herstel. Het gevaar dat in dit verband dreigt te ontstaan, is het feit dat er vaak heel sterk gepolariseerd wordt. Ik heb het idee, dat in die verschillende visies vaak een element van waarheid zit. Alleen het punt is, dat men vaak heel veel moeite heeft om de ander te verstaan, om te horen wat be­doeld wordt. Bijbels gezien kun je zeggen: er is een geestelijk Israël, maar dat geestelijk Israël dat was er ook al in de dagen van Mozes en in de dagen van de profeten. Er loopt telkens een bepaalde lijn dwars door een volk. Ook in die zin dat je kunt zeggen: het is nooit puur een kwes­tie van afstamming. Zodra iemand zich gaat beroepen op een bepaalde stamboom, dan zeg je: waar ben je nu mee bezig! In Johannes 8 komen de joden tot Jezus en zeggen: wij hebben Abraham als vader. In Jesaja 63 wordt al gezegd: Abraham kent ons niet. Telkens is daar dat kritische afwegen, dat je je nooit kunt beroepen of beroemen op een stamboom. Aan de andere kant – en dan zie je ook weer dat daar de misverstanden op de loer liggen – wordt er vaak zo met etiketten gewerkt. Dan wordt er bijvoorbeeld gezegd: dat is een anti-Israël gemeente. En díe gemeente heeft een natuurlijke visie, of een aardse visie. Dan ben je de zaak aan het opsplitsen. Want bijbels gezien hoort het bij elkaar, hemel en aarde. En ook het natuurlijke en het geestelijke. Dat is met elkaar verweven. Dat kun je niet zo tegenover elkaar stellen. Wij leven zowel in een na­tuurlijke als in een geestelijke wereld. Wij kunnen ons ook niet beroepen op een stamboom. God heeft altijd gewerkt in de geest, dat zat er van meet af aan al in. Abraham werd ook uit Ur weggeroepen; hij kon zich ook niet beroepen op zijn achtergrond. Bij Ismaël en Isaak krijg je ook weer een keuze. Maar dan toch weer, en dat hebben we gezien in Ro­meinen 9, de een wordt gekozen met het oog op de ander. Zo zien we vaak het probleem van de vervanging. De een wordt ver­vangen door de ander. En dat zou dan haast al betekenen, dat de ander verworpen wordt. Dan is het weer exclusief. Dat verschijnsel zie je dan ook in de loop van de eeuwen. Maar daar loopt men dan toch ook weer ergens mee vast. Dan wordt er gezegd: de kerk is Israël. Dat geestelijke is er dus altijd als principe geweest.

The­orieën van bloed en bodem

Je moet oppassen dat je de bijbel niet historiserend gaat lezen. Want dan ga je zoeken naar welk volk er nu bedoeld wordt. Sommige trachten dan de lijn door te trekken en zeggen: de Filistijnen dat zijn nu de Pa­lestijnen of de Palestijnen zijn nu de Filistijnen. Gog en Magog worden dan voor Rusland aangezien. Dat leger in het boek Openbaring, dat van­uit het oos­ten komt, zouden dan de Chinezen zijn. Dan krijg je dus weer een soort uitverkiezing. Dan zou God per definitie anti-Rus­sisch zijn of anti-Chinees. Maar dan wordt het gevaarlijk. Dan ga je dus bepaalde vol­keren een stempel geven. Het ene volk is dan al bij voor­baat ver­wor­pen, het andere is bij voorbaat uitverkoren. En aan welke kant staat God dan? Amerika zegt: wij zijn ‘Gods own country’. Er zijn er zelfs ge­weest die zeggen: daar zal de wederkomst plaatsvinden. Dat zijn alle­maal the­orieën van bloed en bodem. Maar daar zit het niet in. Uit­ein­delijk valt alle beroep op een bepaalde status weg. Je kunt je nergens op beroepen of beroemen. Dat is dan ook de beperktheid van die verschil­len­de visies, denk ik. Ze hebben elk hun betrekke­lij­ke waarde, maar ik denk: samen vormen ze een geheel.

Je komt samen met je broeder thuis

Hierbij wil ik er trouwens nog wel bij aantekenen, dat ik met num­mer drie de meeste moeite heb, namelijk met die theorie van Dar­by en Sco­field. Daar kan ik weinig waardering voor opbrengen. Voor mijn gevoel laat je dan ook iets heel wezenlijks weg. Dan is het ver­band weg, want dan gaat God een aparte weg met Israël. Eerst wordt de gemeente opge­nomen en dan Israël. Dan worden het allemaal losse brok­ken. Volgens mij kan dat niet. Mijn uitgangspunt is in wezen: we komen samen thuis. Die scheidsmuur is toch immers weggebroken. Hij heeft de twee één ge­maakt. Ik denk dat het gevaarlijke van die derde op­vatting is, dat Israël door de verdrukking zou moeten gaan, terwijl de gemeente wordt opge­no­men en feest gaat vie­ren. Ik heb het idee dat die verdrukking al lang aan de gang is. Als je aan de christenen in China vraagt of ze later door de verdrukking zullen gaan, kijken ze je verbaasd aan, want ze zitten er al jaren in. Zij hebben dat probleem nu al. Als uitgangspunt heb ik dan toch altijd het idee: óf je gaat sa­men door de verdrukking óf geen van tweeën, Israël en de gemeente. Naar mijn idee is het ook niet in overeenstemming met de Torah om te zeggen: de één wel en de ander niet. De Torah zegt juist in Leviticus 25: als uw broe­­der wankelt aan uw zijde, ondersteun hem dan. Want uw broeder zal met u leven. Dat is nu een van de grondregels van de Torah. Je kunt niet leven zonder je broeder. De een feestvieren en de ander in de ellen­de zitten, is geen bijbels uitgangspunt. Óf allebei feestvieren óf beiden in de verdrukking. Dus alleen al vanuit het principe van de soli­da­riteit zou je dan haast moeten bidden: God, wilt u het feest nog even uitstellen tot mijn broeder er ook bij kan zijn. Dat is een gebed volgens de Torah.

Een van de grondprincipes is, ook vanuit de Torah: je komt samen met je broeder thuis. Samen met je broeder kom je thuis, denk maar aan Ja­kob en Esau. Daarom lijkt mij die opsplitsing, zoals bij de bedelin­gen­leer toch wel een moeilijke zaak. Ik geloof dat we veel meer die verban­den mogen gaan zien, die verbanden waarbinnen God mensen wil zet­ten. Samen ga je er doorheen, samen kom je dan ook waar God je wil heb­ben. Al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden wor­den, zegt de profeet Joël. Als ze dan zelfs biddend en zingend de gaskamers zijn in­ge­gaan, dan kan ik niet geloven, dat dit bij God geen waarde heeft. Dat zou wel heel tegenstrijdig zijn als dat niet zou tellen. Dan is daar toch iets naar buiten getreden van dat volk dat vanouds drager is geweest van de To­rah. Dat is iets wat nooit weggaat, het drager zijn van de To­rah houdt altijd zijn waarde. Daarin ligt toch aan de ene kant de zegen, aan de an­dere kant ook het lijden. Juist daarom misschien ook de bal­ling­­schap. Daar zit toch ook weer de gedachte in, dat de profetie toch al­tijd weer die lijn in zich heeft vanuit Genesis. Jakob gaat lange tijd in bal­­ling­schap, maar in feite is dat ter wille van Esau. En misschien is het ook zo, dat het volk Israël al die eeuwen in ballingschap is, ter wille van de gojim. Dat is ook de lijn vanuit de Romeinenbrief. Dan heeft dat toch ook iets van een lijden ter wille van de ander. Dat is in wezen ook bij Je­zus zo geweest. Het lijden ter wille van de Torah, ter wille van het dra­gen van dat woord door de geschiedenis heen. Paulus zegt ook: ik vul aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus. Zo zie je toch door de eeuwen heen, dat daar een volk geweest is dat het lijden heeft doorstaan. En dan mogen we aannemen, dat al dat lijden niet tevergeefs is geweest. Het is niet zonder zin. God geeft er een zin aan. Ze zijn daar doorheen gegaan, ze hebben gebeden en gewor­steld. Er zijn ook heel wat vragen gesteld, vragen tot op de bodem. In al die vragen en in al die worstelingen is God er ook geweest. Misschien als een verborgene, zoals ook gezegd wordt in Jesaja 45. Hij was wel de verborgene, maar Hij was er.

Daar zit heel wat aan vast, want in wezen kom je dan op heel het raadsel van de geschiedenis, het raadsel van het principe van de bal­lingschap. Ik kom steeds meer tot de overtuiging, dat dat het principe is door heel de bijbel heen. Ballingschap belooft een thuis­komst. Zo zijn we als Israël en de gemeente, ballingen in ballingschap. Maar dan ook om samen thuis te komen. Ik geloof dat je in wezen heel de geschiedenis kunt ver­staan vanuit die lijn: ballingschap en terugkeer. Dat is het thema van Genesis tot Openbaring.

Het boek des levens vanaf de nederwerping van de wereld

Het beest, dat gij zaagt, was en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond en het vaart ten verderve; en zij, die op de aarde wonen, wier naam niet geschreven is in het boek des levens van de grondlegging der wereld af, zullen zich verba­zen, als zij zien, dat het beest was en niet is en er toch zal zijn. – Op.17:8.

Is er dan van eeu­wigheid af bekend wie er in dat boek van het leven zul­len komen, wie behouden zijn en wie niet? Is er dan toch een voorbe­schik­king, een predestinatie, een uitverkiezing? Want hier wordt dan toch gezegd van mensen, dat hun naam niet geschreven is in het boek van het leven. En dan nog wel vanaf de grondlegging van de wereld. Nu ligt dat denk ik toch wat anders, want ik geloof dat er in het boek des levens na­men staan, maar nog meer ook verhalen van mensen. Dus daar wordt ook het hele levensverhaal van mensen in verteld. Daar staat het leven van Abraham in, het leven van Isaak en van Jakob. Het leven van al die heiligen, al die mensen die met God gewandeld hebben. Het leven van Henoch, het leven van Abel. Al die mensen van alle geslach­ten en alle tijden. En dat geldt dus vanaf de grondlegging der wereld. Dat begint dus al vóór alle tijden. De eerste mens, de eerste Adam, zal er denk ik ook nog wel in staan. Dus vanaf de grondlegging der wereld zijn er namen en ver­halen van mensen, die in dat boek van het leven op­getekend zijn. Vanaf de grondlegging der wereld zijn daar dus ook na­men van mensen, die daar niet in vermeld staan. Althans, die moge­lijk­heid zit erin, al kun je dat niet direct met naam en toenaam aanduiden.

In het boek van het leven staat alles wat met het leven van God te ma­ken heeft. Dus wat niet uit God is, komt er niet in te staan. Een leven dat niet uit God is, komt dus ook niet in dat boek te staan. Wat mensen niet voor God gedaan heb­ben, wordt in dat boek niet verhaald. Het kwaad wordt dus in dat boek niet opgetekend. Alleen het heil, de leven­wek­ken­de daden wor­den opgetekend. Dus dat geldt voor de beide cate­go­rieën vanaf de grond­legging der wereld. Dat betekent dus niet dat van tevoren vastligt wie er in komt en wie er niet in komt. Ik denk niet dat bij de grondlegging der wereld al een hele lijst klaar ligt met alle namen van mensen die behou­den zullen worden, een soort hemelse computer, waarin alle toe­kom­stige gelovigen zouden zijn genoteerd. Dat verhaal van een gelovige wordt in de loop van de tijd opgeschreven. Dat begint bij de grondleg­ging der wereld en dat gaat door totdat heel de geschie­denis voleindigd zal zijn. Dus aan het boek van het leven wordt nog steeds gewerkt. Het is nog steeds een vervolgverhaal. Die uitdrukking grondlegging der wereld’ is op zich ook nog een punt van exegese. Er is namelijk ook nog de mogelijkheid om die uitdrukking te vertalen als ‘vanaf de nederwerping van de wereld’. Dan zou er dus mee bedoeld zijn: niet de schepping, maar de val. En vanaf die neder­wer­ping van de wereld begint dus ook de scheiding van wat wèl in het boek van het leven komt en wat er nìet in komt. Vóór die tijd was het allemaal nog gaaf en goed. Na de val krijg je dus ten leven of ten dode. Dus vanaf die nederwerping der wereld is de breuk gekomen. De breuk tussen licht en duisternis, de breuk tussen goed en kwaad. En dan krijg je dus de mogelijkheid dat mensen in het boek des levens ko­men, maar ook dat ze daar niet in komen. Zo zal alles wat David gedaan heeft als man naar Gods hart, in het boek des levens komen. Maar zijn mis­stap­­pen zul­len er niet in vermeld worden. Als mensen misstappen be­gaan heb­ben en daar vergeving voor gevraagd hebben, dan zijn die ook uit­gewist en worden die verder ook niet opgetekend.

Het beest, dat gij zaagt, was en is niet

Ze zullen zich verbazen over het beest, dat was en niet is en er zal zijn. Voor dat ‘er zal zijn’ wordt een woord gebruik dat ook verwant is met parousia. Dat woord wordt gebruikt voor de komst, de komst des He­ren, maar dus ook voor de komst van dat beest. De parousia van de Mes­sias en de parousia van dat beest. En omdat ze dus de achtergrond van dat beest niet kennen, zijn ze uitermate verbaasd. Eerst was hij er, dan is hij er weer niet en dan komt hij weerom. Terug van weggeweest. Dat is dan natuurlijk helemaal verbazingwekkend, omdat ze niet in de ga­ten hebben, dat die geest niet sterft. Neem bijvoorbeeld de geest van Hitler. Op een gegeven ogenblik denkt iedereen: Hitler is dood, dat is voorgoed voorbij. Maar dan steekt het neo-nazisme weer de kop op. Moet je daar nu verbaasd over zijn? Nee, als je een beetje de geestelijke wereld kent, hoef je daarover helemaal niet zo verbaasd te zijn, want dan weet je: die geest van Hitler is nooit dood geweest. Het is wel een dodelijke wond toegebracht, om het met de woorden van Openba­ring 13 te zeggen, maar die dodelijke wond geneest ook nog weer. En dan komt die kop weer boven, dat beest steekt zijn kop weer op. En dan zeg je: daar heb je diezelfde geest weer. Die is blijkbaar dan nog spring­levend. Dus dat is dan het gegeven dat je in Openbaring ook vindt. Je hebt inderdaad het beest en het beeld van het beest, dat is de val­se profeet. Je zou haast kunnen spreken van een soort drie-eenheid. In ie­der geval is het wel een soort driemanschap. In de tijd voordat de kei­zers aan de regering kwamen in het Romeinse Rijk, kende men ook een regering van een driemanschap. Je hebt dus het beest, daarnaast de val­se profeet, die voor inspiratie zorgt en dan heb je het beeld van het beest. Dat zou je de aanhangers kunnen noemen. Zij vormen als het wa­re het lichaam van het beest. Je krijgt inderdaad dan een soort ver­bond, een soort regering, een samenspannen. Je vindt daar eveneens een parallel van in het Duitsland van Hitler. Hit­ler het beest, Goebbels de valse profeet en de partij als het beeld van het beest. Ook in Rusland was iets dergelijks te onderkennen. Een partij-politicus, dan was er een politoloog, die helemaal de partij-ideologie door­dacht en de strateeg. De uitvoerder, de strateeg en de man achter de schermen. Je ziet ook altijd weer dat die machts­blok­ken tot een sys­teem worden. Dat systeem moet dan gebaseerd zijn op een leer of op een theorie. Je moet dus ie­mand hebben die die leer uit­bouwt en dan moet je het ook nog uit weten te voeren. Dergelijke syste­men zien we bijvoorbeeld bij de farao van Egypte en la­ter bij het Babel van Nebu­kadnessar. Onder verschillende namen komen die syste­men weer terug. Het mooiste is natuurlijk als je dat systeem van binnen­uit kunt afbreken. In 1917 was in Rusland Lenin net aan de macht. Er was toen een politicus die Jitschaq Steinberg heette, een jood. Hij is de naaste medewerker geweest van Lenin. Hij was in die tijd mi­nis­ter van Justitie. Het verhaal gaat dat Lenin dan ‘s middags Stein­berg toestemming gaf om zijn middaggebed te doen. Alleen, na drie maan­den zijn Lenin en zijn consorten begonnen om overal mensen uit de weg te ruimen. Er werd toen heel wat onschuldig bloed vergoten. Daar kon Jit­schaq Steinberg toen niet langer achter staan. De gebeurtenissen on­der Lenin hadden zich gunstig kunnen ontwikkelen, maar omdat het tot een sys­teem werd, moest er weer geweld aan te pas komen om dat sys­teem te kunnen handhaven. Een systeem heeft vaak de kiemen van het ge­weld al in zich.

Gog en Magog

en gij zult optrekken tegen mijn volk Israël als een wolk die het land bedekt. In toekomende dagen zal het geschieden, dat Ik u doe optrekken tegen mijn land, opdat de volken Mij leren kennen, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan u, o God de Heilige betonen zal. – Ez.38:16.

Hier spreekt God; maar hoe kan er dan staan: ‘aan u, o God?’

……..Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden. – SV. God zal zich dus als de Heilige betonen aan Gog. Het woord Gog schijnt samen te hangen met het arcadische woord gugu, dat duisternis bete­kent. Het woord Magog betekent dan land der duisternis. Ma is een afkorting van magu, dat land betekent. Gog is dan de vorst van het land Magog (Magugu = het land der duisternis). Je zult heel voorzichtig moeten zijn om daar hedendaagse geografische namen in te gaan vullen. Dat wil men natuurlijk wel graag, vooral ook omdat die namen Gog en Magog ook weer in het boek Openbaring terugkomen.

Miskotte was in de Tweede Wereldoorlog predikant in Amsterdam. Hij is daar op een gegeven ogenblik lezingen gaan houden over het boek Openbaring. Die lezingen trokken nogal veel belangstelling, omdat men ook graag de verbanden wilde zien tussen het boek Openbaring en de ge­beurtenissen van de Tweede Wereldoorlog. Men vroeg zich dan af: wel­­ke profetieën uit het boek Openbaring gaan op het ogenblik mis­schien al wel in vervulling. Miskotte begon dan met te zeggen: op die vra­gen moet je van mij nu geen antwoord verwachten. Je moet niet den­ken dat we nu de krant naast de bijbel gaan leggen. Hij heeft daar later nog een boek over ge­schre­ven, ‘De Hoofdsom der Historie’. Er wa­ren toen heel wat men­sen teleurgesteld, omdat ze op die vragen geen ant­woord kregen.

Wat dat betreft doen boeken van Hal Lindsay en dergelijke figu­ren het vaak veel beter. In die zienswijze leest men namen als Gog, Mesach en Tubal als Rusland, Moskou en Tobosk. Het gaat dan dus over Russi­sche plaatsnamen. Op die manier maak je van de bijbel een soort puzzel­boek. Dit is toch wel een riskante manier van bijbeluitleg. Vooral ook omdat je dan het gevaar loopt te denken: met de Russen kan het nooit meer iets worden. Die zijn dan eigenlijk ook al gepredestineerd om ten onder te gaan. En sommigen zien dan de Chinezen als de grote vijanden. Dat moe­ten dan die 200 miljoen solda­ten worden die over de Eufraat trek­ken. Er wordt dan gezegd: China is het enige land dat zo’n groot aantal soldaten kan leveren. Een andere uitspraak trekt mij dan meer aan: er is zo’n groot aantal Chi­nezen, omdat God zoveel van China houdt. Daarom heeft Hij er zoveel van gemaakt. Dat is toch wel een wat positievere visie. God houdt toch ook nog wel van Nederlanders, al zijn er daar dan maar 16 miljoen van. Maar het is ook bijbels om te denken, dat God juist aan­dacht heeft voor het kleine. Gog en Magog zijn dus namen voor een systeem. Een systeem waarvan je niet precies kunt vastleggen waar het zich geografisch bevindt. Het vervelende van systemen is, dat ze vaak dichterbij zijn dan je denkt. Als je denkt, dat dat systeem in Rusland zit, ben je al een deur te ver. Profe­tisch den­ken is vaak een kwestie van herkennen waar iets thuishoort. Dan kun je vaak het beste begin­nen met eerst maar eens jezelf te toetsen. Je moet je dan afvragen: waar werkt nu dat principe.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406064 bezoekers sinds 07-06-2010