De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 21

09-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

HOOFDSTUK 1 1

We willen eerst onze aandacht richten op het gedeelte van de verzen 1 tot en met 10. God heeft zijn volk niet verstoten. In feite zijn we dus bij hoofdstuk 11:1 weer terug bij het uitgangspunt.

God heeft zijn volk niet verstoten

Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benja­min. – Rom.11:1. God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet, wat het schriftwoord zegt in (de geschiedenis van) Elia, als hij Israël bij God aanklaagt: – Rom.11:2. Dat was het punt dat in Romeinen 9 ter sprake kwam. In het antwoord gaat Paulus dan weer dezelfde koers inslaan als in hoofdstuk 9 vanaf vers 6. Maar het is niet mogelijk, dat het woord Gods zou vervallen zijn. Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, – Rom.9:6. God heeft zijn volk niet verstoten, dat zij verre. Want, zegt hij, ik ben ook een Israëliet. Ik ben een ben Jizrael, een zoon van Israël. Paulus zegt: ik ben het bewijs. Want als God Israël verstoten had, dan zou ik er ook bui­ten val­len. De leden van de eerste gemeente in Jeruzalem waren alle­maal jo­den.

God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. – Rom.11:2.

‘Door God gekend’ is voor Paulus dan ook de basis van het feit dat God zijn volk trouw blijft. Dat verstoten wordt ook gezegd met een citaat, dat aan de ene kant uit de psalmen komt. Want de HERE zal zijn volk niet verstoten, en zijn erfdeel niet verlaten; – Ps.94:14.

Psalm 94 is een klaagzang, waarin gezegd wordt dat het lijkt alsof de god­delozen het winnen. Maar dan toch: God verstoot zijn volk niet. Het andere citaat komt uit Jeremia. Zo zegt de HERE: Als de hemel boven te meten is en de fundamenten der aar­de beneden na te speuren zijn, dan zal Ik heel het nageslacht van Israël ver­wer­pen om al hetgeen zij gedaan hebben, luidt het woord des HEREN. – Jer.31:37.

Dan zijn er soms van die snuggere uitleggers, die zeggen dat we nu de he­mel en aarde zo ongeveer kunnen meten. Dus nu is het dan zover. Maar dat is misbruik maken van een tekst, het slaat nergens op om te zeg­gen: nu gaat God Israël verwerpen, omdat we nu met onze kennis van het heelal de hemel en aarde kunnen meten. Hier gaat het dus om het verband van: zo zeker als die hemel en de aar­de ondoorgrondelijk zijn, zo zeker is ook het verbond dat God heeft met zijn volk. Dus God zal zijn volk nooit en te nimmer aan de kant schui­ven. Dit dubbele citaat is dus het uitgangspunt dat Paulus hier poneert: God heeft zijn volk niet verstoten! God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet, wat het schriftwoord zegt in (de geschiedenis van) Elia, als hij Israël bij God aanklaagt: – Rom.11:2. Hier gaat Paulus dus dat voorbeeld van Elia aanhalen. Here, uw profeten hebben zij gedood, uw altaren hebben zij omvergehaald; ik ben alleen overgebleven en mij staan zij naar het leven. – Rom.11:3.

Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel. SV.

Een overblijfsel naar de ver­kie­zing der genade

Maar wat zegt de godsspraak tot hem? Ik heb Mij zevenduizend man doen over­blijven, die hun knie voor Baäl niet hebben gebogen. – Rom.11:4. Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de ver­kie­zing der genade. – Rom.11:5. Er is dus een overblijfsel. En die rest is het motief in Romeinen 11. Elia dacht: ik ben de enige. Nee, zegt God, er zijn er nog 7000. Nu is dat na­tuur­lijk verhoudingsgewijs een vrij klein getal. Tom Naastepad zegt: je kunt er geen politieke partij mee oprichten. En je kunt met 7000 leden er ook geen omroep mee rond krijgen. Dat is dus dat overblijfsel der gena­de. Naar de verkiezing staat er dan in vers 5. Het is dus gegrond op de ge­nade van God, dat Hij uitnodigt tot leven. De genade die vaak begint waar wij denken dat hij ophoudt. God kiest dus voor het principe van de genade, voor de onverdiende gunst. Dat is de vaste grond die je hebt gevonden. De Oud Gereformeerden zouden zeggen: je zakt door alle gron­den heen tot je op Gods grond terechtkomt. Dat is de grond waarin je anker eeuwig hecht. Dat is genade, dan heb je geen grond meer in je­zelf, geen grond meer in allerlei dingen die je eventueel nog kunt aan­voe­ren. God neemt redenen uit Zichzelf. Die grond ligt alleen in Hem. Zo was er dus in de dagen van Elia een rest; telkens is er weer zo’n over­blijfsel. Die rest is tegelijk de kiem, het zaad. Dus dan is er hoop voor de toekomst.

Indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de ge­nade geen genade meer. – Rom.11:6.

En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de ge­na­de geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen ge­nade meer; an­derszins is het werk geen werk meer.SV.

Er is dus een rest die het verstaan heeft en die hebben geleefd vanuit die gunst van God. Hier gaat Paulus bewijzen dat het woord van God volle­dig van kracht blijft. Ook al ziet de meerderheid het niet, toch is daar­mee het woord van God niet vervallen. Je kunt dus de betrouw­baar­heid van Gods woord niet afmeten aan het getal van mensen, die het aanne­men. Als je zegt dat Nederland een christelijke natie is, kunnen we daar­bij wel een aantal vraagtekens zetten. De gemeente is dan misschien in veel opzichten in een minderheidspositie. Is het woord van God daar­mee krachteloos ge­wor­den? Paulus zegt: daar hangt het niet vanaf! Het merendeel van het uitverkoren volk heeft het ook niet verstaan, maar de rest is draagster van de belofte. En zo vervult God zijn belofte aan zijn volk als totaliteit. Wat dan? Hetgeen Israël najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverko­ren deel heeft het verkregen, en de overigen zijn verhard. – Rom.11:7. Voor verkregen staat een woord dat eigenlijk betekent bereikt. ‘Maar het uitverko­ren deel (ecclobe)’. Hier staat hetzelfde woord dat ook in v.5 voor­­kwam: verkiezing. Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de ver­kie­­zing der genade. – Rom.11:5. Je zou dus ook kunnen vertalen: ‘Maar de verkiezing heeft het bereikt’. Het woord verkiezing kan dus het feit aanduiden dat God verkiest. Het kan ook aanduiden: de mensen die aan die verkiezing deelhebben. Het woord ecclobe betekent letterlijk de elite; het woord elite heeft in ons taalgebruik vaak iets van de upper-ten, een speciale groep, waar je niet zomaar bij mag horen. Het woord elite heeft bijbels gezien ook de be­tekenis van uit­verkorenen, de uitgelezenen. Het uitgelezene heeft het ver­staan, dat uitge­lezen deel. Dat zijn die aren die gelezen worden. Het is natuurlijk merk­waardig, dat als je spreekt over het lezen van aren, dat dit meest­al juist de randverschijnselen zijn. De randen van het veld worden gelezen. Zo leest men ook vaak aan de rand de aren op, de rand­figuren. En wat Hij zo opleest, bijeenzamelt, dat is het uitverkoren deel. Die 7000 bij Elia waren ook van die randfiguren. Die ecclobe heeft (hebben?) het bereikt, juist van­wege die genade. Dat is ook weer het paradoxale: niet degenen die het hardst gelopen hebben, hebben het bereikt, maar de­genen die gin­gen ver­staan dat ze er niet hard voor hoefden te lopen, want het kwam naar hen toe. Die rest had begrepen, dat je het niet kon bereiken door je best te doen, maar doordat je in die genade geloofde.

Ze zijn gestold op hun droesem

….. en de overigen zijn verhard, – Rom.11:7.

Een betekenis die er dichtbij ligt is: hun hart is vet geworden. Het is in wezen een zelfde soort proces. Dat is ook wat er staat in Jeremia 48: Moab heeft van zijn jeugd af rust gehad; het heeft stil op zijn droesem gele­gen, het is niet overgegoten van het ene vat in het andere, en het is niet in ba­l­lingschap gegaan; daardoor is zijn smaak hem gebleven en is zijn geur niet ver­an­derd. – Jer.48:11.

Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gele­gen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd.SV

Je krijgt dus een soort stollingsproces; je gaat niet meer over van het ene vat naar het andere, je geest is niet meer in beweging, je raakt gesetteld. Dan krijg je dus dat wonderlijke proces, waarbij een mens niets meer voelt, niet meer aanvoelt, maar zelfgenoegzaam wordt. Iets dergelijks lezen we in Sefanja 1: Het zal te dien tijde geschieden, dat Ik Jeruzalem met lampen zal doorzoeken; Ik zal bezoeking doen over de mannen die dik geworden zijn op hun droesem, en die bij zichzelf denken: De HERE doet geen goed en Hij doet geen kwaad. Sef.1:12

Je kunt ook vertalen ‘ze zijn gestold op hun droesem’. Hier staat een woord dat letterlijk betekent: hard worden. gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden. – Rom.11:8.

Dit is weer een combinatie van citaten, en wel uit Deuteronomium en Jesaja. Doch de HERE heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op de huidige dag. – Deut.29:4. Zo hebben ze ook 40 jaar door de woestijn gewandeld.

Een geest van diepe slaap

Want de HERE heeft een geest van diepe slaap over u uitgestort en Hij heeft uw ogen, de profeten, toegesloten en uw hoofden, de zieners, omhuld.  Jes.29:10. Het is dan als met een vervelend boek of met een boek dat men geeft aan iemand die niet kan lezen. Dat is ook weer het raadsel, in wezen het mysterie van de openbaring, dat een mens die teksten wel kan lezen, maar dat ze niet tot hem doordringen. Het is net alsof het woord voor hem is ver­zegeld. Vaak moet bij zulke mensen de ontferming doorwerken, totdat er ruim­te is gekomen. Je zou haast kunnen zeggen: vaak moet een mens eerst vast­lopen in zijn eigen kennis. En pas dan komt er ruimte voor wat God wil zeggen. Dat is ook het ontginnen van het land. Het land moet eerst ontgonnen worden, zegt Jeremia 4 en dan komt er pas de openheid, waar­­door God iets kan zaaien.

Dan zult gij zweren: ‘zo waar de HERE leeft’, in waarheid, recht en gerechtig­heid, en de volken zullen elkander in Hem de zegen toebidden. – Jer.4:2. en in Hem zich beroemen. Want zo zegt de HERE tot de mannen van Juda en tot Jeruzalem: Ontgint u nieuw land en zaait niet tussen de doornen.- v.3.

Eerst het land ontginnen en dan komt er ruimte voor het zaad van God. Je ziet hier in wezen ook weer dat principe van de omweg. En juist die omweg is in wezen ook de genade. Juist in de nacht gaat God zijn licht geven. Niet omdat God nu zo van de nacht houdt, maar wel omdat Hij juist daar is en daar de mens gaat ontmoeten. In een prachtig lied staat: ‘God zelf vertaalt de duisternis in eindelijk eeuwig licht’. Duisternis komt niet van God, dus in die zin ook niet die verharding. God zegt niet: nu ga ik je hard maken, maar als de mens daarin zit, in het donker, dan zit hij in wat hier dan genoemd wordt ‘een geest van diepe slaap’. De rabbijnen zeggen: die slaap betekent hier ballingschap. En omgekeerd ook: ballingschap is een toestand van slaap. Want als je in de balling­schap zit, sta je eigenlijk buiten het leven. Je staat buiten dat­gene wat er allemaal gebeurt. Maar dan kan juist gaan plaatsvinden wat zo mooi staat in Hooglied 5: ‘ik sliep, maar mijn hart was wakker’. Juist in de ballingschap begint het ontwaken. De ballingschap is dus een slaap, je ziet niets en het is donker. Dat volk in ballingschap heeft dus een geest van diepe slaap. In dat citaat uit Jesaja wordt ook gezegd: Want de HERE heeft een geest van diepe slaap over u uitgestort en Hij heeft uw ogen, de profeten, toegesloten en uw hoofden, de zieners, omhuld.  Jes.29:10. Hier staat: een ruach tardemah. Dat woord tardemah wordt meestal ver­taald met diepe slaap, maar eigenlijk betekent het een narcose, een ver­­­­doving. Dat woord wordt ook gebruikt bij Adam, als de vrouw uit Adam wordt gebouwd. En dat bouwen vond plaats in die tardemah, in die toestand van verdoving. Dat woord wordt ook gebruikt in Genesis 15, bij de verbondssluiting van God met Abraham. Er valt een diepe slaap op Abraham en dan krijgt hij een profetisch inzicht. Dan schouwt hij de toekomst. Dat woord wordt ook weer gebruikt in de geschiedenis van Jona, als hij in het schip ligt te slapen. Die tardemah is heel vaak de overgang naar een nieuw begin, de overgang van één naar twee. Op die manier wordt de mens door God uit zijn isolement gehaald. Er valt dus een ruach tardemah op het volk. God gaat als het ware die duisternis vertalen, dat geeft ook ons een schitterend vergezicht. Ook als een mens soms door de nacht heen gaat, dan kan God het duis­ter ver­talen in licht, ‘in eindelijk eeuwig licht’. Net zoals Job zegt: ‘zij het nog zo donker, het zal worden als de morgenstond’. Wat dat betreft zit er toch nog wel enige waarheid in dat lied: Laat mij slapend op U wachten…… In de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden staat ook dat zij allen slie­pen, ook de wijzen. Ook dit heeft te maken met de ballingschap. De bruidegom komt in het middernachtelijk uur, hij komt in de balling­schap.

De slaap is beeld van de ballingschap

gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden. – Rom.11:8. Daarbij moeten we aantekenen, dat de ballingschap ook bete­kent, dat de mens beroofd is van herinnering en wil. Dat wordt in de Ro­meinenbrief ook gezegd. Dat is weer in overeenstemming met dat be­grip van de slaap. Want als je slaapt, ben je ook in zekere zin beroofd van je herin­ne­ring en beroofd van je wil. Die herinnering kan dan nog even­tueel bij vla­gen in de vorm van dromen komen. Maar daarbij kan de zaak na­tuur­lijk ook aardig door elkaar lopen. Als je slaapt, ben je passief, dan is ook de wil uitgeschakeld. We laten het slaapwandelen nu maar even bui­ten beschouwing. Zo is de slaap dus ook een toestand van wachten, wachten op de dage­raad. Tegelijk zit er ook nog het punt in, dat de wereld genezen moet. Het gaat om de wederoprichting van de schepping en de genezing van heel de volkerenwereld. In verband met die genezing is het nodig, dat Is­­raël ook deel uitmaakt van die ballingschap. Daar zit weer een parallel in, in die zin, dat Jezus deel heeft gekregen aan vlees en bloed om de mens­­heid te kunnen redden. Redden gebeurt altijd van binnenuit.

Mozes moest ook Egypte in om het volk te kunnen bevrijden. Dat kon hij niet van buitenaf. Mozes moest ook eerst balling worden met de bal­lingen, om dan het volk te kunnen uitleiden. Voor Jezus was het ook nood­zakelijk om af te dalen in het dodenrijk om de mensheid te kunnen verlossen. Als Hij dan verkeert te midden van de doden, dan kan Hij ook de doden tot leven wekken. Dat gegeven zie je steeds opnieuw te­rug­ko­men, zo ook bij Ezechiël. Hij zit daar te midden van de bal­lingen, te midden van de dorre doods­been­deren. En van daaruit kan hij gaan pro­feteren over de herleving. Zo zie je ook, dat Israël deel moet heb­ben aan de ballingschap, opdat de wereld zal genezen. Dus die diepe slaap hebben we gezien bij Adam, Adam die de overgang meemaakt van één naar twee. We hebben het ook gezien bij Abraham in Genesis 15. We zijn het ook tegengekomen bij de wijze en dwaze maag­den. Je komt het ook weer tegen bij het dochtertje van Jaïrus. De mensen zeggen: ze is gestorven, maar Jezus zegt: ze slaapt. Het meisje moet uit haar slaap gewekt worden. Hetzelfde wordt ook gezegd van Lazarus in Johannes 11. Jezus zegt: hij slaapt en Ik ga om hem uit de slaap te wekken. Jezus wekt Lazarus uit de slaap met de woorden: Lazarus, exo, kom naar buiten! Het wordt dus een exodus uit de slaap, uit de doods­slaap. Dood en ballingschap hebben in het bijbelse denken ook nauw met el­kaar te maken. Lazarus is helemaal het type van het volk dat uit de bal­ling­schap en de doodsslaap geroepen wordt. Bij het dochtertje van Ja­ï­rus zie je die symboliek ook heel sterk. Ze is net 12 jaar geworden, dan begínt het leven eigenlijk, maar voor haar eindigt het. Maar dan wordt ze uit die slaap geroepen. gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden. – Rom.11:8. De ogen zijn de rechtvaardigen, zij zijn het gezicht. Want het wezenlijke van het leven gaat via de ogen en de oren. Door wat je ziet en door wat je hoort, word je aan het den­ken gezet. De rechtvaardigen zijn dus de ogen. Als die ogen niet zien en die oren niet horen, dan gebeurt, wat ook in psalm 74 gezegd wordt: onze tekenen zien wij niet meer.

Onze tekenen zien wij niet, geen profeet is er meer, niemand onder ons, die weet tot hoelang. – Ps.74:9.

Misschien zijn die tekenen er wel, maar ze worden niet opgemerkt. Dat betekent niet, dat die tekenen niet bestaan, het betekent alleen dat we ze niet kunnen zien. Soms wordt dat ook verbonden met een tekst uit Je­saja 63. Gij immers zijt onze Vader; want Abraham weet van ons niet en Israël (Jakob weet van ons niet; herkent ons niet) kent ons niet; Gij, HERE, zijt onze Vader, onze Verlosser van oudsher is uw naam. – Jes.63:16.

Dat is dus ook weer de situatie van het verbannen zijn. Vroeger was al­les zichtbaar en we verkregen wat we vroegen, zowel in het materiële als in het geestelijke. We hadden ook profeten. En dat alles was mogelijk vanwege Abraham en Jakob. Maar in de ballingschap wordt gezegd: we zien geen tekenen meer en er zijn geen profeten meer. Dan is nog het enige wat kan gebeuren, dat God direct handelt. Als het dan niet meer gaat via Abraham en via Jakob, dan is het enige wat over­blijft dat God diréct zal handelen. Het merkwaardige is trouwens, dat in deze Jesaja-tekst Isaak wordt overgeslagen. Isaak is in de bijbel juist het beeld van de overlevende. Isaak overleeft nadat hij op het altaar heeft ge­­legen. Isaak is de gestalte van de zoon, de zoon die oog in oog heeft ge­legen met de dood. Isaak die op het altaar lag en dan tegen alle ver­wach­ting in mag terugkeren. Ondanks alles is er weer toekomst. In die­zelfde Jesaja-tekst staat dan: maar Gij zijt onze Vader. Dus dan komt het aan op dat directe handelen van God.

Hun tafel worde tot een strik

En David zegt: Hun tafel worde tot een strik en een net, en tot een aanstoot en vergelding voor hen. – Rom.11:9.

Dit is ook weer een citaat, een citaat uit psalm 69.

Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en hun genoten tot een val (aanstoot, struikelblok). Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, doe hun lendenen bestendig wankelen. – Ps.69:23,24.

Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik. – Ps.69:22-SV.

Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, en doe hun rug voor­goed zich krommen. – Rom.11:10.

Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd. – SV.

Hierbij moeten we wel even aantekenen, dat het NBG hier vertaalt met voorgoed. Het is juister om hier te vertalen: duurzaam, voortdurend. De SV heeft het dus beter vertaald. Het heeft hier ook de betekenis van ‘steeds’. De vertaling ‘voorgoed’ is hier toch af te keuren, omdat daar het element in gebracht wordt van: het kan nooit meer goed worden. Iets wat ‘voortdurend’ zo is, kan nog een keer veranderen. Als je ver­taalt met ‘voorgoed’, dan roep je de suggestie op van iets onherstel­baars. Wat er dan na dat ‘voortdurend’ komt, wordt opengelaten. Je moet er dus voor oppassen, dat je in deze tekst niet iets gaat lezen wat er oor­spronkelijk niet in zit. Zo kan een vertaling soms aanleiding worden tot een onherroepelijke visie. Als die rug zich voorgoed kromt, zal hij ook nooit meer overeind komen. Hoe letterlijker je een tekst vertaalt, des te zekerder ben je van de inhoud. In dit verband is er ook een overeen­komst met het einde van vers 8: ‘tot de dag van heden’. Dit laat ook de mogelijkheid open dat het morgen an­ders zou kunnen zijn. Er is hier dus geen sprake van voorbeschikking.

Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen

Ik vraag dan: zij zijn toch niet zo gestruikeld, dat zij wel vallen moesten? Volstrekt niet! Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot na­ijver op te wekken. – Rom.11:11.

Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloers­heid te verwek­ken. – SV.

Dat is een gedachte die Paulus hier oppert, een gedachte die misschien in discussies wel naar voren werd gebracht. Dan zegt de apostel hier: dat zij verre. Anders zou je toch wel hele vreemde theorieën krijgen. Dat lijkt een beetje op pootje lichten; iemand laten struikelen opdat hij zal val­­len. Anders zou je een beetje komen in de sfeer van een trucje. Het is niet zo, dat God mensen of een volk ten val gaat brengen. ‘Door hun val is het heil (verlossing, bevrijding) tot de heidenen gekomen’.  En dan met de bedoeling om hen tot jaloersheid te verwekken. Letterlijk: om hen jaloers te maken, om hen naijverig te maken. Dat grijpt dan weer terug op dat citaat uit Deuteronomium 32. Ik zal hem tot naijver ver­wek­ken door een lo ‘am, door een ‘niet-volk’.

Betekent nu hun val rijkdom voor de wereld (kosmos) en hun tekort rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid! – Rom.11:12.

En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!SV.

‘En indien hun val’, zegt dan vers 12, hun val of hun overtreding, hun paratoba. Paratoba is in het Hebreeuws pesjah. Dat woord pesjah wordt vaak vertaald met overtreding. Maar het betekent eigenlijk meer zoiets als rebellie, weerspannigheid. In het Grieks zit in dat woord paratoba ook wel als grondstam vallen. Dus het woord beweegt zo‘n beetje tussen die twee aspecten, namelijk weerspannigheid en vallen. ‘Hoeveel te meer…’. Dat is een typisch rabbijnse manier van redeneren. Je gaat van het mindere naar het meerdere. Je zegt: als dìt dan zo is, hoe­veel te meer is dàt dan zo. Dat is een van de gangbare redeneermethoden die de rabbijnen toepassen. Als het nu in het klein geldt, hoeveel te meer geldt het dan in het groot. Als nu de ballingschap van Israël het heil brengt aan de gojim, hoeveel te meer zal dan de thuiskomst van Israël tot heil zijn. Nu is hierbij nog iets merkwaardigs aan de hand, namelijk dat Paulus in feite de zin in vers 12 niet afmaakt. Want je zou dus verwachten: ‘Indien hun val de rijkdom is van de kosmos, en hun vermindering de rijkdom van de gojim, hoeveel te meer zal hun volheid heil brengen aan de hei­denen’.

Hoeveel te meer hun volheid

Alleen, dat zegt hij er niet bij. Hij zegt alleen maar: ‘hoeveel te meer hun volheid’. Wat is nu die volheid? Daar zijn in hoofdzaak twee opvattingen over. Dat begrip volheid kun je kwantitatief verstaan en je kunt het kwa­litatief verstaan. Ik heb toch de neiging om voor het kwaliteitsaspect te kiezen, want op getallen word je nu niet direct jaloers. Je zegt niet: o, wat een massa mensen, daar wil ik nu ook naar toe. Maar die volheid is het compleet worden, zou je kunnen zeggen. Die volheid betekent het tot vervulling komen, je bestemming vinden. Dus als Israël zijn bestem­ming vindt, zijn thuiskomst, zijn herstel en zijn wederoprichting, hoe­veel te meer zal dat dan zijn uitwerking hebben op de gojim. Ik denk dat je je om te beginnen kunt afvragen: wat zal dat voor uit­wer­king hebben op heel de volkerenwereld? Je krijgt dan natuurlijk ook het punt, zoals dat bijvoorbeeld in Jesaja 2 staat, dat de volkeren naar de berg Sion zullen stromen. Dat is in heel veel opzichten een profetie, die nog niet gerealiseerd is. Ook wat er in dat verband verder staat, dat ze de Torah zullen kennen en de oorlog niet meer zullen leren. Ze zullen hun zwaar­den omsmeden tot ploegscharen. Dus ik denk dat daar toch ergens iets in zit van een hele verandering van de volkerenwereld. Je moet dat niet zozeer zien in het individuele aspect, hoewel die dimensie er wellicht ook wel in zit.

De Torah en de maatschappelijke structu­ren

Er staan gewoon in de Torah een heleboel principes, waar we in feite niet meer mee uit de voeten kunnen. In heel veel opzichten weten we niet goed raad met de Torah. We kunnen de maatschappelijke structu­ren niet terugdraaien. Als je daar over gaat nadenken, dan kun je vanuit de Torah haarscherp een analyse geven van de huidige maat­schap­pij. Dan komen er vragen naar voren zoals: hoe wordt er omgegaan met de mens, hoe is het mensbeeld, hoe ziet het prin­cipe van de ere­dienst eruit? Ook het principe van de sabbat speelt dan een belangrijke rol. Wordt het land wel voldoende rust gegund? Van daaruit gaan allerlei principes een rol spelen, ook wat betreft de eco­­­nomie en productie; in hoeverre komt ons maatschappelijk denken overeen met de principes van de Torah? Alleen, als je probeert om daar praktisch zicht op te krijgen, dan werkt dat soms uitermate frustrerend. Je komt dan alleen maar tot de conclusie, dat de hele maatschappij op al­lerlei punten mank gaat. Je kunt de zaak echter niet terugdraaien. We zitten ergens in een schuitje waarin we mee moeten varen. We zitten met fabrieken die je niet zomaar stil kunt leggen. Het hele principe van de sabbat, het op adem komen van de schepping, speelt in de moderne maatschappij nauwelijks een rol. Je wordt ook geconfronteerd met aller­lei milieu-aspecten. Als je kijkt naar wat je elke week voor drukwerk in de bus krijgt, dan moeten daar weer heel wat bomen voor gerooid wor­den. Dan zinkt de moed je bijna in de schoenen om ooit nog een boek te schrijven. Alleen al vanwege de bomen die dat weer kost. De figuren uit de milieubeweging en de radicalisten, die dan weer pro­be­ren terug te gaan naar de natuur, worden vaak ook een beetje meewa­rig aangeke­ken. We laten die dingen meestal over aan bepaalde groepe­ringen, die dan vaak ook meteen onder één hoedje spelen met bewegin­gen als New Age, Onkruid en dergelijke. Maar er moet een tijd komen, waarin ook al die principes van de Torah weer tot leven komen. Dat moet dan ken­ne­lijk gebeuren van­uit een centrum, van waaruit heel die Torah weer gaat functioneren. We moeten hierbij het aspect onderkennen, dat zolang Israël in bal­ling­schap is, de volkerenwereld zich ook in het donker bevindt. Wat dat be­treft kun je inderdaad zeggen: ogen die niet zien en oren die niet ho­ren. Vandaar dat je bepaalde onderwerpen ook helemaal niet kunt be­han­delen, al­thans je komt niet verder dan: zo moet het niet. Uiteindelijk kom je al­leen nog maar tot een analyse, tot een diagnose. Alleen, wat heb je aan een dok­ter die alleen maar een diagnose stelt. Dat is toch wel een vrij trieste bezigheid. Meneer, dat en dat functioneert er bij u niet. Ja, maar wat moet ik dan doen? U moet toch wel beter worden! Maar daar kom ik juist voor.

De Torah zit opgesloten in de structuren

Dus de Torah zit ergens opgesloten in de structuren. Het punt is dus hoe de Torah weer uit de verf kan komen. Dat is dus dat as­pect in Jesaja 2. Dat heeft dan ook te maken met die volheid. Er zal een tijd komen waarin ook de structuren worden vernieuwd. Het is natuur­lijk prettig als er in­dividueel mensen veranderen, maar heel vaak zit je toch met het punt dat daarmee de omgeving nauwelijks veran­dert. Soms wordt heel en­thou­siast gezegd: verander de mensen en dan ver­an­dert de we­reld. Dat is natuurlijk in beperkte zin waar, alleen, hoe ver­andert dat structureel en wereldwijd. Er zijn dus bepaalde ontwrich­tingen wereld­wijd op te merken. Ook dat is weer een aspect van de bal­ling­schap. De balling­schap van Israël en de ballingschap van de vol­ke­ren haken op el­kaar in. Ik denk, dat er toch wel heel concreet iets moet gaan gebeuren vanuit God. Je zou kunnen spreken van een restauratie, een wakker maken, een doen ontwaken. We weten dat als we geopenbaard zijn, we Hem gelijk zullen zijn, dan zul­len we Hem zien gelijk Hij is. We zijn kinderen Gods, maar het is nog niet geopenbaard wat we zijn zullen. Dat heeft ook te maken met die vol­heid. Er wordt ook gesproken van een volheid van de heidenen. Daar komen dan straks in vers 25 nog op terug. Het punt is ook dat Paulus het niet alleen maar schuift naar een moment in de verre toekomst, maar je ziet – zoals vers 13 zegt – dat hij het ook al plaatst in het heden, ook voor zijn eigen tijd.

Ik spreek tot u, heidenen. Juist omdat ik apostel der heidenen ben, acht ik dit de heerlijkheid van mijn bediening, – Rom.11:13.

Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk.  – SV.

De Statenvertaling heeft het hier beter vertaald: ‘ik maak mijn bediening (diaconia) heer­lijk’. Paulus zegt: als ik nu mijn dienstbetoon heerlijk maak, dan zou het kunnen gebeuren, zoals vers 13 zegt:

De naijver van mijn vlees en bloed opwekken

Dat ik zo mogelijk de naijver van mijn vlees (en bloed) mocht opwekken, en eni­gen uit hen behouden. – Rom.11:13.

Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken, en enigen uit hen behou­den mocht. – SV.

Paulus zegt : ja, dat kan nu al gebeuren. Namelijk dat door dat dienst­be­toon, door mijn bediening, er enige mensen van mijn eigen vlees, van mijn eigen volk, wakker gemaakt worden. Dat wordt dus niet alleen maar opgeschoven naar het eind van de tijden. Maar dat is iets wat nu reeds kan beginnen. Paulus zegt: dat stel ik me nu reeds ten doel.

Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld (kosmos) is, wat zal hun aan­ne­ming anders wezen dan leven uit de doden? – Rom.11:15.

Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanne­ming wezen, anders dan het leven uit de doden? – SV.

Hun verwerping, je zou ook kunnen zeggen: hun ballingschap, het neer­da­len in het doodsgebied, hun gaan door de nacht, dat heeft dan tot ge­volg, dat er verzoening komt voor de wereld. Hier staat eigenlijk een woord dat betekent afwerping. Dat moet je dus wel in de goede zin verstaan, want we hebben reeds in het begin gezien: God heeft hen niet verworpen, God heeft ze ook niet verstoten, maar je zou kunnen zeggen: het heeft toch weer veel meer te maken met het in ballingschap gaan. In het Grieks staat voor het woord afwerpen: apo bonè. Je zou hier haast kunnen zeggen: ze staan tijdelijk op een zij­spoor. Dat is toch meer de sfeer die hier in zit. Dat is wel een interpretatie van­uit de hele context, in die zin dat je het nooit kunt opvatten als iets defi­ni­tiefs, zoals dat ook blijkt uit de hele gedachtegang. Het blijft altijd open voor verandering. En dit geldt dan vanuit heel die grondgedachte van de balling­schap, die aan de ene kant een zijspoor is, maar aan de andere kant een thuiskomst impliceert. Want er is nooit een balling­schap zonder thuiskomst. Dus vanuit de grondgedach­te van heel het bij­belse denken, kun je zeggen: ballingschap heeft nooit het laatste woord. En die ballingschap blijkt toch ook weer een zin te heb­­ben, het is een uitzaaiing, een diaspora. Je wordt als zaad uitgezaaid. Je zou dat begrip afwerping wellicht in actieve zin kunnen verstaan. Dat duidt dan een subject aan en niet een object. Dat betekent dan dat zij iets verwerpen. Dat zou dan ook nog een mogelijke interpretatie zijn. ‘Indien hun daad van verwerping’ zou het dan betekenen, zij hebben verworpen. Je kunt dit dan ook zien als iets wat je van je afwerpt, iets dat je afwijst.

Hun daad van verwerping en hun daad van aanneming

En dan als contrast daarmee: ‘wat is hun aanneming anders dan leven uit de doden’. Die aanneming zou dan ook hun daad van aanneming kun­nen zijn. Dat is inderdaad wel een mogelijkheid. Dus eerst werpen zij af en dan nemen zij aan. Dat is een nuance die in deze teksten zou kunnen zit­ten. In de Engelse bijbel staat ook: they accept Him. De mens accepteert wat God hem aanbiedt. ‘Wat zal de aanne­ming wezen, anders dan het leven uit de doden? – SV. Dan gaat dat iets bewerken net zoals Ezechiël 37 aangeeft, namelijk dat die doodsbeenderen tot leven komen. Daar wordt vanouds ook om gebeden, in de tweede bede (berachah) van het achttiengebed. Daarin wordt ook heel specifiek gebeden om de herleving van de do­den. Dat gegeven wordt ook verbonden met de dauw die gaat komen. De dauw als symbool van de opstanding. Dat is toch eigenlijk iets heel wonderlijks, namelijk dat er dus eeuw in eeuw uit, geslacht op geslacht, van dag tot dag, gebeden is om de herle­ving van de doden. En je zou dus kunnen zeggen, dat Paulus hier ook aanknoopt bij die tweede bede, bij die tweede zegenspreuk. Hij zegt: wel­nu, dan komt inderdaad die herleving. Het komen uit de bal­ling­schap is dan ook de herleving van de doden. Dan kunnen ook die vol­keren herleven. Die volkeren die ook nog gevangen zitten in de scha­duwen des doods. Wat dat betreft zitten daar dan ook wijdse perspec­tieven in. Ik denk dat dit ook al helemaal wordt uitgebeeld in wat Jezus in zijn bediening gedaan heeft, namelijk die herleving van de doden, zoals dat bij het doch­tertje van Jaïrus tot openbaring kwam. Hierbij den­ken we ook aan de jongeling van Naïn en uiteraard ook aan Lazarus. Die drievoudige herleving is tegelijk sym­bool van wat er zal gaan ko­men. Deze wonderen zijn niet alleen maar incidenten, maar zijn ook te­ke­nen van het rijk dat komt. Het zijn tekenen van de uiteindelijke we­der­oprichting. Ook heidenen konden toen al deel krijgen aan de beloften. Dat zie je bij Rachab in Jericho, bij Ruth, de Moabitische, en er zijn nog wel meer voor­­beelden van. Ook die vreemdeling uit Jesaja 56 hoeft niet te zeggen: ik val er bui­ten. Hij mag ook meedoen, hij mag ook ‘een hand en een naam’ krijgen. Dat perspectief wordt dus ook al aangegeven, namelijk dat de volkeren zullen komen. Het volk Israël is 40 jaar door de woestijn getrokken en is daar gestor­ven tot de laatste man. En dan wordt er bij de intocht onder Jo­zua ook ge­sproken van een herleving. Daar staat letterlijk ook het woord herle­ven. In Jo­zua 5 wordt beschreven hoe het volk bij Gilgal herleefde. Het NBG maakt er helaas weer iets anders van, daar wordt dan gezegd dat ze ge­nezen. In dit geval heeft ook de Statenvertaling het onjuist vertaald met herstellen. Letterlijk staat er echter dat ze herleven.

Toen het gehele volk zich tot de laatste man toe had laten besnijden, bleven zij waar zij waren in de legerplaats, totdat zij hersteld waren. – Joz.5:8.

En het geschiedde, als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnij­den, zo bleven zij in hun plaats in het leger, totdat zij genezen waren. – SV.

 Een hele generatie sterft in de woestijn en dan herleeft de volgende ge­ne­ratie. Dat is een rest, maar tegelijk ook het nieuwe begin. Zo zit daar toch het principe in, dat dat ene volk als drager van de Torah tegelijk ook de ballingschap draagt. Je zou haast zeggen: het draagt de onwetend­heid. Het neemt ook het onbegrip en de toestand van verblin­ding op zich, totdat ook dat voldragen is. Dan zegt Paulus in vers 16:

Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg

Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg, en is de wortel heilig, dan ook de takken. – Rom.11:16. De eerstelingen worden gevormd door dat begin, de wortel, dat is Abra­ham. Je zou kunnen zeggen: de aartsvaders. Daar is het mee begonnen. Die eerstelingen zijn ook het beeld vanuit Numeri 15. De HERE nu sprak tot Mozes: – v.17. Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land, waar­heen Ik u brengen zal, – v.18. dan zult gij, wanneer gij van de spijs des lands eet, de HERE een heffing (hef­of­fer) ge­ven. – v.19. De eerstelingen van uw gerstemeel (deeg) zult gij, in de vorm van een koek, als hef­fing geven; gelijk gij een heffing geeft van uw dorsvloer, zo zult gij het als een hef­fing geven. – v.20. Van de eerstelingen van uw gerstemeel zult gij de HERE een heffing geven, van geslacht tot geslacht. – Num.15:17-21.

Zo zal het geschieden, als gij van het brood des lands zult eten, dan zult gij den HEERE een hefoffer offeren. De eerstelingen uws deegs, een koek zult gij tot een hefoffer offeren; gelijk het hefoffer des dorsvloers zult gij dat offeren. Van de eerstelingen uws deegs zult gij den HEERE een hefoffer geven, bij uw ge­slachten. – Num.15:19-21.- SV.

Die eerstelingen vertegenwoordigen het geheel. Pinksteren is vanouds het feest van de eerstelingen. Dat begrip eerstelingen kun je dus toepas­sen op het begin van het volk, Abraham, Isaak en Jakob. Je zou het ook kunnen toepassen op die eerste groep in Handelingen 2, de eerste ge­meente in Jeruzalem. Dat is het begin geweest, de kiem. De eer­stelingen staan dus als deel voor het geheel, voor het hele volk. Zo wer­den van­ouds de eerstelingen ook aan God gebracht. En daarmee werd in feite het geheel aan God toegewijd. Zo werden dus de eerstelingen aan­ge­boden, wat je heel mooi beschreven vindt in Deuterono­mium 26. Maar tegelijk bij het aanbieden van de eerstelingen – dat is het won­der­lij­ke van dat gedeelte uit Deuteronomium – werd dan met­een het hele ver­haal verteld van de omzwervingen van de aartsvaders.

Wanneer gij komt in het land, dat de HERE, uw God, u ten erfdeel geven zal en gij het in bezit neemt en daarin woont, – v.1. dan zult gij van de eerstelingen van alle vruchten van de bodem, die gij zult inzamelen van het land, dat de HERE, uw God, u geven zal, nemen, en in een mand doen en naar de plaats gaan, die de HERE, uw God, verkiezen zal om daar zijn naam te doen wonen. – v.2. En gekomen bij de priester, die er dan wezen zal, zult gij tot hem zeggen: Ik verklaar heden voor de HERE, uw God, dat ik gekomen ben in het land, waar­van de HERE aan onze vaderen gezworen heeft, dat Hij het ons zou geven. – v.3. Dan zal de priester de mand van u aannemen en die voor het altaar van de HERE, uw God, zetten. – v.4. Daarna zult gij voor het aangezicht van de HERE, uw God, betuigen: Een zwervende Arameeër was mijn vader; hij trok met wei­nige mannen naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling, maar werd er tot een groot, machtig en talrijk volk. – v.5. Toen de Egyptenaren ons mishandelden en verdrukten en ons harde slaven­arbeid oplegden, – v.6. riepen wij tot de HERE, de God van onze vaderen, en de HERE hoorde onze stem en zag onze ellende, moei­te en verdrukking. – Deut.26:1-7.

Dan wordt in Deuteronomium 26 ver­der het hele verhaal van de ver­druk­king en de uittocht verteld. ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër’. Dat moest dan gezegd worden bij het aanbieden van de eerstelingen. ‘Mijn vader was een bedorven Syrier’, zegt de Statenvertaling. In die eerstelingen zit dus het hele verhaal van de verdrukking en de uit­tocht. Het hele verhaal van Israël is dus begonnen met een zwerven­de Arameeër. Van meet af aan zat dat principe van het zwerven, van het onderweg zijn, erin. Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg, en is de wortel heilig, dan ook de takken. – Rom.11:16.

Die eerstelingen staan dus voor het geheel. Dat is die broodkoek (galah) die dan heilig is, en waar het mee begint. Op de avond van de sabbat wordt ook broodkoek gebruikt. Die vormt dan het begin, die vormt dan de heiliging van het geheel. Dan gaat Paulus door op dat beeld van die takken. Hij zegt in vers 17:

Als wilde loot daar­tussen geënt

Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daar­tussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen, Rom.11:17.

En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms me­de deelachtig zijt geworden, – SV.

Dus sommige van de takken zijn weggebroken, en de gojim zijn als wil­de olijf (als wilde loot) ingevoegd. Opmerking: ik dacht dat het principe van enten juist anders­om was; normaal wordt een tamme loot geënt op een wilde stam. Waar Paulus dit voorbeeld vandaan haalt, is voor mij altijd een raadsel ge­weest; plant­kundig gesproken was het dus net andersom. Het kan natuurlijk ook zijn, dat Paulus hier bewust het gangbare beeld uit de biologie omdraait. Paulus gaat wel eens meer bewust be­paal­­de ge­­gevens hanteren om een bepaald geestelijk principe duidelijk te ma­ken. Vanouds bestaat er dus altijd al de vergelijking dat Israël gezien wordt als een olijfboom. Bij Jeremia komen we dat ook al tegen. “De olijfboom wordt voort geteeld door scheuten of spruiten, die nadat zij wortel ge­schoten hebben, geënt worden, anders zouden ze als wilde olijfbomen opgroeien en minderwaardige vrucht dragen. Somtijds houdt echter een goede olijfboom op vrucht te dragen, en dan wordt een wilde olijfboom – dat is een van de scheuten, die uit zijn eigen wortel zijn voortgesproten – op de dorre boom geënt, met het ge­volg dat het sap van de goede olijfboom deze wilde scheut in een goede tak veran­dert, die even goede vruchten draagt als de vaderlijke stam vroeger deed. Op deze gewoonte zinspeelt Paulus als hij zegt: ‘En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeent, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden’  en: ‘Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeent; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geent worden?’ Het joodse volk, Gods olijfboom, is dor geworden en draagt geen vrucht; de heide­nen tot die tijd toe wilde loten, worden op den ouden boom ingeënt en gaan vrucht­dragen, maar alleen door de wortel en het sap van de oude boom. Olijfbomen van nature wild, zijn alleen de uitspruitsels van de oude stam. Verder zijn er geen wilde olijfbomen. ‘Natuurlijk’ zou zijn dat die geënt worden uit de oude stam. Tegen nature, dat is, buitengewoon en niet naar de gewone loop der natuur, is dat zij op de oude stam geënt worden, daardoor vruchtdragen en ook de oude stam weer goed maken.

Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen,  Rom.11:17.

Want indien gij uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden. Rom.11:24.

 Aldus James Neil in ‘Palestina en de Bijbel’

De twee gezalfden die vóór de Here der ganse aarde staan

Een groene olijf, schoon van prachtige vrucht, heeft de HERE u genoemd; on­der geluid van groot gedruis heeft een vuur zijn loof aangestoken en zijn zijn tak­ken verbrand. – Jer.11:16.

De HEERE had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van lie­fe­lijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot geroep een vuur om denzelven aangestoken, en zijn takken zullen verbroken worden. – SV.

Wat dat betreft kan Paulus hier aanknopen bij een Jeremia-tekst. In deze tekst wordt ook gesproken van takken die verbroken worden. De olijf­boom wordt dus verschillende keren als beeld voor Israël ge­bruikt.

Maar ik ben als een groenende olijfboom in het huis van God; ik vertrouw op Gods goedertierenheid, altoos en immer. – Ps.52:10.

In deze psalm zegt David van zichzelf dat hij een olijfboom is. Jeremia spreekt van die olijfboom ook in verband met de ballingschap die gaat komen. Jeremia spreekt van het vuur dat komt. Het is wel in­te­ressant om er dan op te wijzen, dat na de ballingschap in de pro­fe­tieën van Zacharia ook weer dat beeld van de olijfboom naar voren komt. In Zacharia 4 krijgt de profeet twee olijfbomen te zien. en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. – Zach.4:3. Van die twee olijfbomen wordt dan gezegd: Toen zeide hij: Zij zijn de twee gezalfden die vóór de Here der ganse aarde staan. –  v.14.

Twee gezalfden, de koning en de priester. Het wonderlijke is, dat hier een heel aparte uitdrukking gebruikt wordt voor die gezalfden. Ze wor­den in vers 14 letterlijk ‘de zonen van de olie’ genoemd. Of nog beter: ‘de zonen van het glans’ (de olieglans). We kunnen dat be­ter niet omdraaien tot glansolie, anders krijg je er allerlei huishou­delij­ke as­so­ciaties bij. Die twee gezalfden vormen dan ook het principe van het her­stel na de ballingschap. Dat beeld zien we ook weer terug in Open­­­­baring 11, waar die twee getuigen ter sprake komen. Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Here der aarde staan. – Op.11:4.

Zo kun je een hele lijn ontdekken: Israël als olijfboom, David, de zonen van de olie, twee zo­nen na de ballingschap en de twee getuigen uit Open­baring 11. De olijfboom is dus de gezalfde en tegelijk ook de lichtdrager, de drager van de olie. Dat beeld wordt ook in rabbijnse teksten vaak uitvoerig uit- gewerkt. De olie als beeld van het gebod, de Torah, het beeld van de olie die voor licht zorgt, zoals er ook in Spreuken staat: Want het gebod is een lamp en de onderwijzing een licht, de vermaningen der tucht zijn een weg ten leven, – Spr.6:23.

Tegen die achtergrond komt Paulus dan ook met het beeld van de olijf­boom. Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daar­tus­sen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen, – Rom.11:17. Je wordt dus ingeënt en je krijgt deel aan de saprijke wortel.  Niet gíj draagt de wortel, maar de wortel ú beroem u dan niet tegen de takken! Indien gij u ertegen beroemt – niet gíj draagt de wortel, maar de wortel ú. – v.18. Paulus benadrukt daar tegenover de gojim in de gemeente van Rome dat ze zich wel bewust moeten zijn, dat het geloof niet bij hen is begon­nen. De Talmoed zegt in dit verband: veracht de grijsaard niet als hij oud geworden is en als hij zijn kennis is vergeten. Daar zit ook een heel wezenlijk punt in, namelijk dat je niet degenen, die je zijn voorgegaan moet verachten. Zoals ook: eert uw vader en uw moeder. Dat geldt ook in veel andere verbanden. Je moet eerbied hebben voor degenen die be­gon­nen zijn, die in trouw gewandeld hebben en soms in het donker heb­ben volgehouden. Je moet die grijsaard niet een trap achterna geven en zeggen: wij zijn al een stuk verder dan jij. Op die manier krijg je een ver­keerd soort roem. Dan ga je je afzetten tegen degenen die jou zijn voor­gegaan. Die wortel wordt in dit beeld vooral gevormd door de aartsvaders. Wij geloven samen met al die heiligen. We staan op de schouders van al de­genen die ons zijn voorgegaan. Wij hebben het geloof niet uitgevon­den, maar het was er al. Dan krijg je ook een stukje besef van geschie­denis. In sommige stromingen lijkt het wel, of het met hen allemaal begon­nen is en het vóór die tijd niet veel zaaks was. In de loop van de eeuwen is er altijd al het geloof in God geweest. Dat is de wortel, waar je weer uit mag leven.

Gij zult dan zeggen: er zijn takken weggebroken, opdat ik als loot geënt zou worden. – v.19.  Goed! Zij zijn om hun ongeloof weggebroken en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees! – v.20.

Ceders en wijnstokken

Een mooi beeld om in dit verband hiermee te vergelijken, vinden we in Ezechiël 17, waar dat gegeven prachtig wordt uitgewerkt. Daar wordt gesproken van over een takje dat eerst door een arend wordt meege­no­men. en zeg: Zo zegt de Here HERE: de grote arend met machtige vleugels, breed van vlucht, rijk aan slagpennen, en veelkleurig, kwam naar de Libanon en rukte de top van een ceder af. Het bovenste van de jonge takjes brak hij af en bracht het naar een handelsland; hij legde het neer in een stad van kooplieden. Ez.17:3,4.

Daar gaat het dan over een cederboom. Dan komt er in vers 7 een ande­re arend, die ook een takje neemt. Maar er was nog een andere grote arend met machtige vleugels en veel slag­pen­nen. En zie, de wijnstok strekte zijn wortels naar hèm uit en deed zijn ran­ken naar hem toegroeien, opdat déze hem zou drenken en niet het bed, waarop hij geplant was. – Ez.17:7.

Zo wordt dan een uitvoerig verhaal verteld, dat over de koning van Ba­bel gaat. Daar doorheen is dan het verhaal van de ballingschap gewe­ven.

Zo zegt de Here HERE: Dan zal Ik zelf van de top van de hoge ceder (een twijgje) nemen en dat in de grond zetten; van de bovenste der jonge takjes zal Ik een twijgje (een teder takje) plukken en Ik zelf zal dat planten op een hoge en verheven berg; op de hoge berg Israëls zal Ik het planten, en het zal takken dra­­gen, vrucht voortbrengen en tot een prachtige ceder worden. En allerhande vogels van allerlei gevederte zullen onder hem wonen; in de schaduw zijner tak­ken zullen zij wonen. – Ez.17:22,23.

En dan eindigt deze gelijkenis aldus: Alle bomen des velds zullen weten, dat Ik, de HERE, de hoge boom vernederd en de nederige verhoogd heb, de sappige boom heb doen verdorren en de dorre heb doen uitspruiten. Ik, de HERE, heb het gesproken en Ik zal het doen. – v.24.

Dit gegeven zou ook heel goed mee kunnen spelen als achtergrond van Ro­mei­­nen 11. De hoge boom wordt vernederd en de nederige boom wordt verhoogd. De groene boom verdort en de dorre boom komt tot bloei. We zien hier dus een omkering van de bestaande orde. Ezechiël spreekt in dit hoofdstuk niet alleen over een ceder, maar ook over een wijnstok. Je ziet inderdaad dat Ezechiël verschillende beel­den in el­kaar laat schuiven, waarvan je zegt: plantkundig is dat niet he­le­maal haalbaar. Je begint dus met een takje van een ceder en je ein­digt met een wijnstok. Als je dit dus ziet als een metafoor, als geestelijk beeld, dan kan het dus wel, omdat er hier verschillende beelden worden gebruikt die in elkaar grijpen. Ceders en wijnstokken komen wel vaker voor als beeld voor het volk van God. Een paar hoofdstukken hiervoor, in Ezechiël 15, zagen we de wijnstok als beeld van Jeruzalem. Jezus pakt dat beeld ook weer op in Johannes 15 en zegt: Ik ben de ware wijnstok. Je krijgt de indruk dat die eerste adelaar Babel was en die tweede ade­laar de farao van Egypte. Zedekia zendt dan boden naar Egypte, want Zedekia rebelleerde tegen Babel, waarbij hij het verbond met Babel ver­brak en hij zich verbond met Egypte. In elk geval zien we dus, dat Ezechiël 17 een helder beeld geeft, ook als achtergrond bij Romeinen 11.

God heeft de natuurlijke takken niet gespaard

Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen.  Let dan op de goedertierenheid Gods en zijn gestrengheid: over de ge­vallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid Gods, indien gij bij de goe­dertie­ren­heid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden. – Rom.11:21,22. Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare.

Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goe­dertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden. – SV.

Voor het woord gestrengheid staat letterlijk een woord dat betekent: af­snijding. Hier is dus sprake van goedertierenheid en van afsnijding. God snijdt soms bepaalde zaken dus ook af. Hij doet dat om niet de dwaling te laten voortsudderen. Het is belangrijk om te zien, dat dat afsnijden in wezen een heel heilzame functie heeft. Of je hier een verband moet leg­gen met dat snoeien van de wijnstok, waarover Jezus spreekt, is nog wel de vraag. Over dat snoeien wordt soms een beetje te veel gepreekt. Som­mige sprekers doen dat dan heel plastisch en zeggen: dan komt de land­man en dan gaat de beuk er­in. Maar ik heb nog nooit een landman op die ma­nier bezig gezien. Ik heb het idee, dat als het op die manier gebracht wordt, dat misschien een wat overhaaste toepassing is. Want alles wat wij dan als niet prettig ervaren, wordt dan geïnterpreteerd als snoeien. Dit valt toch wel enigs­zins buiten het bestek van ons onderwerp, dus ik kan mij ontslagen ach­ten van de plicht om Johannes 15 uit te leggen. We moeten dus toch wel voorzichtig zijn om overal dat snoeimes in te zien. Het is de vraag of, als je soms door een moeilijke periode heengaat, je kunt zeggen: ja, God is mij aan het snoeien. Het wordt helemaal ris­kant, als je het voor een ander gaat invullen. Oh, ik denk dat God jou aan het snoeien is. Bij een dergelijk bedenkelijk pastoraat moet je toch wel de nodige vraagtekens plaatsen. Dat snoeien heeft in ieder geval niet te maken met allerlei nare om­standig­he­den, die dan op je dak gestuurd worden. Het is trouwens zeer de vraag of je dat gedeelte in Johannes 15 zo individua­lis­tisch moet verstaan, alsof het dan zou gaan om allerlei takken, die dan uit jouw leven zouden moeten worden weggedaan. Die goedertierenheid (v.21) en die afsnijding vormen dus één geheel. God is niet dualistisch bezig.

God is immers bij machte hen opnieuw te enten

Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten. – Rom.11:23.

Ook dat is weer in overeenstemming met de lijn van Ezechiël, met name dan Ezechiël 18. Paulus zegt dus: de zaak ligt niet vast in de zin van: eens afgesneden blijft afgesneden. Of ook: eenmaal ingeënt en je zit voor al­tijd gebeiteld. Het is dus een kwestie om bij die goedertierenheid te blij­ven en te blijven in het geloof, of opnieuw in dat geloof te gaan wan­de­­len. God is wat dat betreft nooit statisch, er is altijd weer een weg terug. Er is altijd weer een herstel mogelijk. God is bij machte om op­nieuw te enten.

Want indien gij uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weg­ge­kapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden. – Rom.11:24.

Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeent; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden? – v.24.- SV.

Immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de na­tuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen dan zij die er van nature bij horen, op die boom worden geënt! – v.24. – NBV.

Naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt

Die natuur is in wezen de Torah. Natuur moet je niet in de zin van bloed en bodem verstaan. Het gaat hier over het volk, dat van huis uit met de Torah ver­trouwd is. Je zou zeggen: zij hebben de Torah van huis uit mee­gekregen. Terwijl de heidenen daar nog helemaal in moeten ko­men, omdat zij de Torah niet kennen. Het is niet zo dat dit betekent: dat zit bij de een in de menselijke natuur en bij de ander niet. Dan zou je allerlei vreem­­de theorieën krijgen. Net als indertijd de godsdienst-socioloog Wil­­­liam James, die in dat verband over twee soorten men­sen sprak: Ones-born en twice-born. Je hebt mensen die hoeven dan maar één keer geboren te worden en je hebt mensen die moeten twee keer geboren wor­­den. Maar dat is geen bijbels onderscheid. Elk mens moet wederge­bo­ren worden. Die natuur is de Torah die ze van huis uit meekrijgen. En de heidenen kunnen ook daarin komen tegen hun natuur, tegen hun van huis uit meegekregen achtergrond. Zij kunnen ook binnenko­men in het Koninkrijk en op die manier deel krijgen aan de beloften van God. De Torah is ook het principe van waaruit je denkt. De Torah is de voe­dings­bodem voor je leven. Je kunt natuurlijk zeggen: je weet niet wat er in het hart van een mens is, maar zo’n uitspraak kan ook tot een dooddoener worden. Er zijn er wel die er heel oprecht met hart en ziel mee bezig zijn. Die zijn er door de eeuwen heen geweest. Ik geloof dat je dat aan beide kanten ziet. Er zijn ook christenen met de bijbel op zak, die er niet veel van terechtbrengen. Christenen waar­bij het alleen maar een uitwendige zaak is. Dus wat dat betreft zie je dat aan weerskanten. Ik denk dat het punt toch is, hoe ga je er op in en hoe ga je met heel je leven, met heel je hart en ziel de Torah indrinken, zodat het je leven gaat worden en zodat je daar ook de Messias in gaat herkennen.

Vader wij danken u voor dat woord,

voor die onderwijzing die ten leven is.

Daarin biedt u ons het leven aan.

Dat woord is eeuwig.

Het heeft nog nooit zijn kracht en zijn geldigheid verloren.

We willen in ieder woord de gestalte van de Messias herkennen.

Zo neemt U ons mee op uw weg.

Wij danken u dat wij toch ook mogen verwachten

dat daar een wederoprichting komt, leven uit de dood.

Waardoor volkeren, waar­door heel de wereld van de gojim

tot leven gered wordt.

Want u bent de God die machtig is om weer te enten.

U bent de God die de dood overwint.

U bent de God voor wie ook de doodsgrens geen grens is.

U bent de God die in de ballingschap

en in de diepte uw mensen tegemoet komt.

U brengt een afgesneden zaak tot leven.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391735 bezoekers sinds 07-06-2010