De brief van Paulus aan de Romeinen deel 2

28-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Jezus’ solida­riteit met de mensen was zijn heerlijkheid

Als het in Romeinen 2 gaat over het punt van het oordeel, dan moeten we erop letten, dat de bijbel niet bedoelt een soort edelmoedigheid van mensen die dan daarnaast ook nog eens oog hebben voor de ander, maar over iets dat er heel wezenlijk bij hoort. Dus solidariteit hoort er wezenlijk bij. Dat zit er gewoon in. Alleen als een mens solidair is met de ander, alleen dan is hij waarachtig mens. Je kunt niet eerst een goed mens zijn op je eentje en dan zeggen: laat ik ook nog eens iets voor een ander doen. Je kunt ook niet op je eentje volmaakt worden, openbaar worden als zoon. Alleen samen kun je zoon worden. Alleen samen kun je mens worden in en vanuit die solidariteit met de an­­der. Dat is ook hele­maal de weg van de Messias geweest. Jezus heeft dat ook voor honderd pro­cent voorgeleefd. Hij was ook niet eerst iemand die leefde als een goed mens of een volmaakt mens, en dan ook nog iets deed voor de mens naast Hem, maar Hij was door en door solidair met de zijnen, so­lidair tot het uiterste. En dat was zijn heerlijkheid. Juist daarin bestond zijn heerlijkheid dat Hij solidair was met de mensen. Dat was de glans van zijn mens­zijn. Er is dus geen plaats voor een ‘heils-egoïsme’, in de zin van: als ik er nu maar kom. Als ik nu maar binnen ben, als ik nu maar het doel bereik. Want mijn daden hebben consequenties voor al­len. De rab­bijnse commentaren hebben daar een aardig beeld voor. Een com­men­taar op Leviticus zegt: stel dat ik in een boot zit met een aantal mensen en ik boor een gat onder mijn stoel… Dan kun je wel zeggen: ik boor dat gat toch onder mijn eigen stoel, daar hebben jullie toch niets mee te maken! Maar je gaat wel met z’n allen naar de bodem. Mijn da­den hebben consequenties voor het hele gezelschap. Dan zie je dus weer het principe dat de ene mens de ander nodig heeft. Dat zie je ook weer in Romeinen 2. Jood en heiden kunnen ook niet zeggen: we hebben el­kaar niet nodig. Samen worden ze het volk van God. Dat is ook één van de belangrijkste punten waar het in de Romeinenbrief om gaat. Een van de punten waar Paulus vrijwel continu mee bezig was, en wat ook heel intens meetelde in die eerste gemeenten, was om een gemeenschap te vormen waarin Joden en heidenen hun plaats zouden kunnen vinden. Paulus is er niet op uit om de Torah te vervangen, dat kan ook niet, je kunt die To­rah niet vervangen, want dat is het eeuwige woord van God. Maar Paulus ging zoeken naar een leefmodel van een nieuwe geloofs­ge­meen­schap, waarin plaats is voor Joden en niet-Joden. Voor wetenden en on­wetenden, voor geleerden en voor degenen die nooit geleerd heb­ben. Uit zulke mensen bestonden de gemeenten in Rome, in Efeze en noem maar op.

Eerst de Jood en dan de Griek

Het valt mij op, dat dit punt vandaag de dag ook weer speelt. Ik was on­langs in een gemeente met een aantal Messiaanse Joden. Maar merk­waar­digerwijs blijkt dan ook, dat ge­meenten daar vaak niet mee weten om te gaan. Dan zijn ze in feite nog net zo ver als in de tijd van Paulus. Men weet niet hoe dat moet. Als daar een Jood in de gemeente komt, die zegt: Ik heb Jezus als de Messias gevonden, dan geeft dat vaak merk­waardige misverstanden. Laatst zei iemand, ook een Jood, die zich had aangemeld bij de gemeente, dat hij zich wilde laten dopen. Er werd hem toen gezegd dat hij christen moest worden. Dan moet je je Jood-zijn af­leggen of vergeten of iets der­gelijks. Dat zijn toch wel vreemde kronkels. Ja, wordt dan gezegd, Jezus was eerst Jood, maar later is Hij christen ge­worden. Nooit geweten dat Jezus ook nog christen gewor­den is. Toegetre­den tot het christendom. Zo krijg je allemaal vreemde, merkwaardige redene­rin­­gen.

Dat vreemde merk je dan ook weer, als christenen zo nadrukkelijk staan op hun notabene Griekse uitdrukkingen. In die gemeente hadden die Jo­den gevraagd om gedoopt te mogen worden. Toen kreeg je het punt: welke doopformule moet er dan gehan­teerd wor­den. Die gemeen­te hield voet bij stuk: wij dopen in de naam van Jezus Christus. Ja, maar wij willen graag gedoopt worden in de naam van Jeshua ha Mes­jiach. Daar werd dus nogal moeilijk over ge­daan. Was Je­zus dan een Griek? De naam Jezus Christus en terugver­taald Jeshua ha Mesjiach zijn het­zelf­de. Die dopelingen wilden dus in de oor­spron­ke­lijke taal gedoopt wor­den. Paulus zegt: eerst de Jood en dan de Griek. Maar nu denken de Grieken dat ze de baas zijn. Zij denken dat ze de dienst uitmaken en schrijven de Jood de wet voor. Wij hebben on­ze for­mule en jij moet je daaraan aanpassen. Maar dan lees je de Ro­mei­nen­brief achterstevoren. Uiteindelijk hebben ze het toen allebei ge­daan. En daar kan ik dan he­le­maal niet meer bij. Dan zie je hoe moei­lijk mensen soms doen. Dan zie je ook dat die Romeinenbrief kennelijk nog steeds no­dig is. Want het blijkt in de praktijk toch ontzaglijk moei­lijk te zijn om mensen in een gemeen­te bij elkaar te krijgen. Tenslotte is het evangelie niet in Griekenland be­gonnen! Maar de geest spreekt alle talen, zingen we dan heel dapper, en doet ons elkaar verstaan. Maar dat duurt dan soms toch nog wel even.

Een ge­meenschap waar we elkaar verstaan

Dat is dus waar Paulus over gaat spreken: hoe vinden we nu een ge­meenschap waar we elkaar verstaan? Een gemeenschap waar we ook nog solidair zijn en waar wetenden en onwetenden, geleerden en niet­leer­den, degenen die de Torah van jongs af aan hebben meegekregen, en degenen die daar nooit in thuis geraakt zijn, de gojim, tezamen in een gemeente bijeen zijn. Er is een mooie uitspraak van de rabbijnen, waar de geleerden wor­den vergeleken met druiven en de onwetenden met de bladeren. ‘Laten de druiven om erbarming bidden voor de bladeren, want zonder blade­ren zouden er geen druiven zijn’. Dan moet je niet zeggen: ja, maar ik ben een druif, want zonder bladeren zou je geen druif zijn. Samen moet je één geheel vormen door die onderlinge verbonden­heid. Dit was dus iets over die asymmetrische verantwoordelijkheid. Maar dit meer aan verantwoordelijkheid aan mijn kant, dit meer schuldig zijn van mij, is niet van buitenaf te constateren. Dat geldt dus ook voor Romeinen 2. Je kunt dus niet van buitenaf gaan constateren: het Jodendom heeft ge­faald. Dat is vanuit Romeinen 2 gezien een absurde uitspraak. Het Jo­den­dom heeft niet gefaald. Hoogstens kan iemand zeggen: ik als Jood heb gefaald. Alleen als ‘ik‘, alleen in de eerste persoon, kun je dat zeg­gen. Dat kan nooit door een buitenstaander in de derde persoon gezegd wor­den. Als je spreekt over de Jood of het Jodendom, ga je bovendien je uit­spra­ken veralgemeniseren. Zo ontstonden er in de middeleeuwen die voor de Joden kwetsende af­beel­dingen. De synagoge werden afgebeeld als een vrouw met een blind­doek voor, de Jood leed immers aan blind­heid. De kerk werd dan uit­gebeeld als degene die het dan allemaal zo goed ziet. Op die manier heeft men Romeinen 2 en nog een aantal tek­sten los­ge­kop­peld uit dat asymmetrische principe en dan staat het sym­metrisch naast elkaar. Eén zonder blinddoek en een met een blinddoek. En dan kun je daarnaar kijken en zeggen: die hééft het en die heeft het niet. En dan wordt het dus objec­tief, want dan staat het er zelfs als twee stand­beel­den naast elkaar.

Schuld belijden en beschuldigen

Vanuit Romeinen 2 is dat dus absoluut ondenkbaar. Schuld is niet van bui­tenaf te constateren. Schuld kan alleen door mij beleden worden. Ik kan mijn schuld belijden. Maar ik kan niet een ander zijn schuld laten be­lijden, want dan ben ik bezig om te beschuldigen wat in Romeinen 2: 1 staat, dan ben ik bezig om te oordelen. Dan zit je dus op het verkeerde spoor, want dan ga je dus krakatino, letterlijk: naar beneden oorde­len, veroordelen, zegt Paulus. Dan ben je dus bezig om te zeggen: laat mij die splinter eens uit je oog halen. Dus wat Paulus over de Joden zegt, kan alleen gelden als je het in de ik-vorm gaat behandelen. Dat is dus geen beschrijving. Romeinen 2 is dus niet desprictief, is geen beschrijving van een bepaalde groep. Hij is daar niet bezig op beschrijvend niveau. Romeinen 2 bevat een appèl voor Jo­den en voor heidenen, een appèl naar twee kanten. Maar dat appèl luidt niet voor beiden hetzelfde. Je kunt het ook niet veralgemeniseren tot een feit. Het zijn geen feiten die je kunt registreren. In de eerste plaats moet je dan bedenken dat het een zaak is tus­­sen God en mensen. Die mensen kunnen op een gegeven moment tot de erken­ning komen: dat is onze schuld. Anderen kunnen niet zeggen: dat zij in ballingschap gaan is hun schuld. Dan ben je alweer in de derde persoon bezig en dat gaat niet. Dus de schuld is alleen intern aanwijs­baar, maar nooit van buitenaf. Dan kom je uiteindelijk in diezelfde ramp­­­zalige the­o­rieën terecht, waar dan gezegd wordt: die gaskamers heb­ben ze aan zichzelf te danken. De Joden hebben Jezus verworpen en daarom heb­ben ze in de loop van de tijd al die ellende over zich heen gekregen. En dan is er dat beruchte verhaal over de zwervende Jood, die dan altijd in bal­lingschap zal moeten blijven, net zolang totdat hij eindelijk op zijn knie­en gaat en doet wat hij moet doen. Dan ben je alweer bezig met een oor­zaak en een gevolg aan te wijzen. Dat is een soort causaliteitsdenken van: ze hebben dit gedaan en dan krijgen ze dat. En dat gaat dan ook nog 20 eeuwen door en dat kan natuurlijk sowieso al nooit. Bovendien als ze geroepen hebben ‘zijn bloed kome over ons en onze kinderen’, dan is dat het bloed van de verzoening. Dan hebben ze profetisch ge­roe­pen en meer geroepen dan ze ooit beseft hebben. Dus dat kan ook nooit het bloed zijn dat om wraak roept, want Jezus had geen bloed dat om wraak riep. Zijn bloed had alleen maar de betekenis om te verzoenen. Dus die uitleg is bij voorbaat al onmogelijk. Bovendien zou het onmo­ge­lijk zijn dat een God die enkel goed en barmhartig is, op die manier met een volk zou omspringen. Om ze 20 eeuwen te laten boeten voor iets wat ze dan gedaan of misdaan zouden hebben.

Solidariteit in de ballingschap

Het wonderlijke is, dat er dus ook vanouds twee lijnen gezien worden wat betreft de ballingschap. Aan de ene kant: ze gaan in ballingschap en dat betekent dan dat ze vervreemd raken. Aan de andere kant zie je ook weer die wonderlijke lijn, dat God meegaat in de ballingschap. Dus toch ook weer over de grens van die verbanning heen de solida­ri­teit. Dat is als dat wonderlijke verhaal dat je ook bij de rabbijnen tegenkomt over die koning, waarvan de zoon naar een ver land gaat. Die koning reist achter zijn zoon aan. Die koning gaat dus ook in ballingschap. Zo gaat God ook mee met zijn kinderen.

Luther en de Duitse theologie

Het is goed om iets te weten van de geschiedenis. Soms zijn we geneigd om te makkelijk over de geschiedenis heen te huppe­len. Als je nagaat wat Luther allemaal heeft gezegd in verband met de Joden, dan rijzen je haren te berge. Ik heb ten opzichte van Luther zeer ambivalente gevoe­lens. Aan de ene kant heb ik grote waardering voor deze man, aan de an­dere kant krijg ik er soms de koude rillingen van. Hitler kon bijvoor­beeld zo aankno­pen bij bepaalde uitspraken van Lu­ther. Luther was zeer teleurgesteld geraakt. Hij had het evangelie herontdekt, spe­ciaal vanuit de Romeinenbrief. Hij dacht toen: de Joden zullen zich nu mas­saal be­keren. Maar toen ze dat niet de­den, raakte hij zo gefrustreerd, dat hij een boekje ging schrijven: ‘Van de Joden en hun leugens’. Hij zei: de Jo­den wìllen het evangelie niet aannemen. Nu moeten we maar hun syna­gogen in brand steken en hun boeken ver­bran­den. En dan haalt Lu­ther een tekst aan, waar staat: de toorn is over hen gekomen tot het ein­de. Nu moet je je wel twee keer bedenken, voordat je de juiste uitleg van deze tekst op deze situatie toepast. Ik denk, dat er wat dat betreft bij Luther toch nog wel verschillende man­­­co’s zaten. Zo is dat doorgegaan in het denken van bepaalde Duit­se theologen tot in de 20e eeuw. Vooraanstaande Duitse theologen heb­ben op een ongelofelijke manier blijkgegeven, dat ze in de mist zaten wat hun standpunt betreft over de verhouding tussen Joden en heidenen. Wat dat betreft rust er op het zogenaamde christendom wel een schuld door de eeuwen heen. Ook nu nog steken in Duitsland hier en daar anti­semi­tische gevoelens de kop op. Zo werd er tegen een jochie op school gezegd: ‘was er dan voor jou geen gaskamer meer’. De demonie is wat dat betreft nog steeds actief. Daarom moeten wij juist leren van de ge­schiedenis. Opdat de geschiedenis zich niet herhaalt. Het is ook niet voor niets dat er gezegd is: vergeten leidt tot ballingschap. Als je vergeet wat er gebeurd is, gebeurt het morgen weer. In de jaren 1930 waren er heel wat Duitse christenen, die zeiden: Hitler is een geschenk van God.

Achteraf zeggen wij: deze mensen waren toch wel verschrik­kelijk ver­blind. Blijkbaar kunnen mensen met de beste bedoelingen daar intrap­pen. André Neher schrijft ook over deze gebeurtenissen. Indertijd was hij hoogleraar in Straatsburg. Het viel hem op dat er maar weinig col­lega’s waren, die het voor hem opnamen. Dan zie je dus dat het soli­da­riteitsprincipe verdwijnt, als de situatie te moeilijk wordt. Het is niet zo, dat wij nu constant schuld moeten gaan belijden, maar wel dat wij ons bewust moeten zijn en bewust moeten worden over wat zich in dat op­zicht in de geestelijke wereld heeft afgespeeld en nog afspeelt. Het is voor ons de zaak om waakzaam en attent te blijven. Het christendom heeft zich in de loop van de eeuwen – speciaal in de derde en de vierde eeuw – losgemaakt van zijn Joodse en Hebreeuwse wortels. Daardoor is het christendom voor de Joden vaak totaal onherkenbaar geworden. Het beeld van Jezus was helemaal overgeschilderd in Griekse kleuren, waar­door ze hun Messias daarin niet meer konden terugvinden.

Nu wil ik Luther niet van alles gaan beschuldigen. Maar ik moet voor me­zelf onderkennen: waar liggen de wortels van dat soort denken, op­dat ik niet in dezelfde valstrik zal trappen, waar hij ingetrapt is. Bepaal­de uitspraken van Luther – en dat geldt ook voor andere mensen – gaan op een gegeven ogenblik een eigen leven leiden en gaan de boventoon voeren. In heel wat kerken en stromingen is het standpunt ten opzichte van de Joden in de loop van de eeuwen nu niet bepaald fraai geweest. Als er leringen binnen onze gemeente gebracht worden, dan mogen wij daar wel degelijk een oordeel over hebben, anders zou dat betekenen dat je alles maar goed zou vinden. Het punt is echter, dat wij nog steeds met de publicaties van Luther geconfronteerd worden. Luther heeft ook heel goede dingen geschreven. Zo bijvoorbeeld over Genesis en Exodus, waar hij dus de Tenach weer helemaal in ere herstelde. Je moet er dus op ­letten waar er iets gezaaid wordt en waar er iets opkomt. Dat is weer de wet van het zaad. Het zaad van de 16e eeuw komt bij de Duitse theo­lo­gen van de 20e eeuw dus te voorschijn. Daarom moet je bepaalde gees­telijke tendenzen wel onderkennen. Zo zie je ook weer, dat een leer ook tot een daad leidt. De leer die dan ergens bij Luther begon of al eerder begon – zoals bij de kerkvaders, onder andere bij Johannes Edostenes in de vierde eeuw – heeft zijn doorwerking wel gehad. Deze Johannes Edos­tenes zei onder an­dere: wee je gebeente als je nog een keer naar de synagoge gaat. Er waren mensen in de gemeente die af en toe nog eens stiekem een syna­gogetje gingen pikken. Die tendens begon dus al bij de kerkvaders uit de derde en vierde eeuw en werkte door tot in de 20e eeuw. Dan is het ook belangrijk om in de gaten te hebben, hoe deze kerk­vaders aan hun the­orieën kwamen. Zij kwamen daar onder andere aan door het ver­keerd lezen van Romeinen 2. En dan kom je tot de ontdek­king, dat je het op die manier helemaal niet moet lezen. Want Romeinen 2 is geen be­schrijving van het Jodendom. Het is een appèl voor de Jood en een appèl voor de heidenen. Daarbij valt dan de nadruk op de daad.

Kijk maar naar vers 13: Hoorders der wet en daders der wet. Want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden. – Rom.2:13. Niet de hoorders van de Torah zijn rechtvaardigen, maar de daders van de Torah. Dat is dus een uitspraak voor de Joden. Want besneden te zijn heeft wel betekenis, indien gij de wet volbrengt, maar indien gij een overtreder van de wet zijt, is uw besnijdenis tot onbesnedenheid geworden. – Rom.2:25.

Dat geldt dus voor ‘uw’. Het wordt dus niet in de derde persoon gezegd. Hier is dus sprake van een appèl. Een appèl tot de besnedene. Daarnaast wordt dus van de heidenen gezegd: Wanneer toch heidenen, die de wet (torah) niet hebben, van nature doen wat de wet (torah) gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet. Rom.2:14.

Er zijn heidenen die de Torah niet hebben en toch van nature dingen doen die de Torah gebiedt. En dan zegt vers 26: Zal dan, indien de onbesnedene de eisen der wet in acht neemt (bewaart – be­waakt), zijn onbesne­denheid niet voor besnijdenis gelden? – Rom.2:26.

Jood en Griek vermaand tot beschei­denheid

Daar heb je dus aan de ene kant in vers 13 en in vers 25 de Jood, aan de andere kant in 2:14 en 2:26 de gojim. Hier zien we dus de combinatie Jood en Griek. Op die manier wordt elk mens vermaand tot beschei­den­heid. Wie oordeelt zal geoordeeld worden. En het enige criterium is: de daad. Dus niemand kan zeggen: ik heb toch de goede leer of het goe­de standpunt. Nee, zegt Paulus, want wat doe je met die visie?! Ja, maar wij hebben het bij het rechte eind. Het gaat dus niet om het punt: ben je orthodox, maar ben je ook orthoprax. Je kunt honderd keer orthodox zijn, maar als je niet orthoprax bent, ben je nog niets. Dat is vaak een pro­­bleem geweest en dat is het nog wel binnen de christenheid. De een meent vaak nog orthodoxer te zijn dan de andere. Wij hebben de zuive­re leer! Maar wij hebben een nog zuiverder leer! Daarmee zeg ik niet dat je geen zuivere leer moet hebben, natuurlijk moet je een zuivere leer heb­­­ben. Alleen, die leer moet wel tot praktijk leiden. En niet een verhef­fen boven degenen die dat dan niet hebben. Dus het perspectief dat Pau­lus in Romeinen 2 schildert, is als volgt: eerst ik als Jood en de ander als Griek. Dus niet de mens als Jood, maar ik als Jood. Ik als Jood en de an­der als Griek. En dan vervolgens: ik als Griek, dus niet de wet als Griek – ‘het Griekendom’ – . Daar kun je dan een boom over opzetten bij de koffie: die Grieken van tegenwoordig het is toch wat! Daar kun je ook heerlijke preken over houden: wat ze in de wereld tegenwoordig toch wel uitspoken…! Oh God, ik dank u, dat wij niet bij de wereld horen. Dan maak je dus twee blunders. In de eerste plaats preek je dan niet de solidariteit. In de tweede plaats ben je bezig te oordelen. Maar dat is niet Romeinen 2 en het is ook niet Romeinen 1. Dan zit je als buitenstaander de wereld te veroordelen. Dan ben je bezig als toeschouwer te klagen en te steunen. Je kunt wel zien dat het afloopt. Dat is echter geen visie, zeker geen eindtijdvisie, dat is helemaal niets van dat alles, dat is alleen maar een negatieve beoordeling.

Het appèl van de profeten

Het gaat dus om een appèl. In wezen zit Paulus hier helemaal in de lijn van de profeten. Al die profeten doen een appèl op de mensen. Mensen, als je zo door­gaat, dan….. Maar, ze kondigen het einde aan, opdat het niet zal ko­men. Ze hebben altijd gezegd: het einde komt! Maar de be­doeling was, dat het niet zou komen. Als je je nu omkeert, dan kan het misschien nog anders. Kijk maar naar Jona. Jona zegt: Nineve wordt omgekeerd. Dat is dus wat Paulus hier ook zegt: eerst ik als Jood en de ander als Griek, dan ik als Griek en de ander als Jood. En dan heb ik dus steeds de zwaar­ste verantwoordelijkheid. Ik word specifiek als Jood aan­ge­spro­ken (2:13). En ik ben geneigd mezelf te beschouwen als ge­leerd, goed onderwezen, besneden, volbrenger van de Torah. En die Griek, o, die weet niets. En dan houdt Paulus mij de spiegel voor van een hei­den, die nooit iets geleerd heeft, maar toch de werken van de Torah doet.

Heidenen fungeren als spiegel

Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet. – Rom.2:14

Dus Romeinen 2:14 is niet gezegd tot heidenen, maar dat is gezegd tot mij als Jood. Telkens zegt Paulus: moet je eens zien, kijk eens in de spie­gel. Jij zit daar met een heleboel pretenties, maar kijk nu eens naar die heidenen. Die doen de werken van de Torah. Wat hebben ze voor on­­derwijs gehad: niets! Nooit in een synagoge geweest, nooit in een leer­huis gezeten. Ze hebben nog nooit van Mozes gehoord, en toch: moet je eens kijken wat ze doen. Die heidenen fungeren dus als spiegel. En die spiegel is dan voor mij als Jood een aansporing om eens naar me­zelf te kijken en me af te vragen: hoe breng ik het er nu vanaf?! Waar sta ik ergens? Hoe zit het met mijn extra verantwoordelijkheid? Als dan ie­mand die van niets weet, er toch iets van terechtbrengt, wat breng ik er dan van terecht met alles wat ik weet? Nou, dan mag ik wel een toon­tje lager gaan zingen. Ik ken de Torah, ik heb de besnijdenis, als ik dan faal, als ik als Jood faal, dan is dat wel een ernstige zaak. In dat verband is er vanuit het Jodendom, in een commentaar op Exo­dus, een parabel bekend. Toen God de Torah wilde geven, nam geen van de volkeren hem aan, behalve Israël. God heeft de Torah aangebo­den, er wordt zelfs gezegd: God sprak in zeventig talen op de berg Sinaï. En God zei tegen al die volkeren: willen jullie de Torah hebben? Maar toen sloegen ze allemaal het aanbod af. Toen kwam het volk Israël en zei dat het de Torah wèl wilde hebben. Alles wat U zegt, zullen wij doen en we zul­len het horen. Dat lijkt op een koning die een veld had en dat veld wilde over­doen aan pachters. Hij vroeg aan de eerste: wil jij dat veld aan­nemen? En deze antwoordde: nee, ik heb geen kracht. Het werk is te zwaar voor mij. Zo antwoordden ook de tweede en de derde en de vier­de. Ze na­men het niet van hem aan. En de koning sprak tegen de vijfde: wil jij dit veld aan­nemen? Hij zei: ja! Maar, zodra hij het veld in zijn bezit had, liet hij het braak liggen. Op wie is de koning nu boos? Op hen die zeiden: wij kunnen het niet aannemen of op degene die het aannam en het braak liet liggen? Toch zeker op degene die het wel aannam, maar er niets mee deed. En zo was het toen God zich openbaarde op de Sinaï. Er was geen volk, op wiens deur Hij niet klopte. Toen kwam kwam Hij bij Isra­ël en Israël zeide: alles wat God gezegd heeft, zullen wij doen en zullen wij horen. En horen brengt de zware verplichting mee om het ook te doen. Dat is nu ook wat Paulus zegt in Romeinen 3:20. De wet doet zonde ken­­­nen. Zonder wet geen overtreding. Alleen moet je daar weer bij be­den­ken, dat het gaat om een asymmetrische verantwoordelijkheid. Op het moment dat je gaat zeggen: zie je wel, Israël heeft gefaald, ga je ab­soluut buiten je boekje. Dat kan alleen intern gezegd worden. Dit is niet iets wat een toeschouwer kan zeggen. De volkeren kunnen niet ach­teraf zeggen: Israël heeft gefaald; wij springen er heerlijk onder­uit, want wij heb­ben het immers niet aangenomen. Wij hebben tegen God ge­zegd: nee, dank U! Het is ons te zwaar. Ja, jullie hebben het aangenomen en nu zit je eraan vast. Dan ga je die gelijkenis dus gebruiken en han­te­ren tegen de ander. Dat kan dus nooit, want dan ga je weer Romeinen 2 oppakken als een feitelijk oordeel, een uitgesproken oordeel. Want voor de Jood geldt dus het appèl dat we net gezien hebben, maar voor de heiden geldt niet datzelfde in de zin van: zij (de Joden) worden geoordeeld, maar wij zijn dan die heidenen die nog wel wat goeds doen.

Wat heb ik er als heiden van terechtgebracht

Maar, bij de heiden wordt dan gezegd: ik moet als heiden niet wensen om besneden te worden, maar, ik moet als heiden kijken of ik als heiden soms ook ergens heb gefaald. En dan kom je dus bij dat laatste stuk van Romei­nen 1, waar Paulus op gaat noemen wat er allemaal aan die hei­­denen man­keert. Voor de heidenen geldt: ik moet voor mezelf kijken, wat ik er als heiden van heb terechtgebracht. Ik als heiden moet respect hebben voor de Jood, die een zwaardere verantwoordelijkheid draagt dan ik. En een heiden moet nu niet denken, dat nu hij al zo rechtvaardig han­delt, dat hij die extra aansprakelijkheid van de besnijdenis er ook nog wel bij kan hebben. Het zou dus heel pretentieus zijn, als een hei­den zou zeggen: o, nu laat ik mij maar besnijden, omdat hij denkt dat hij dat ook nog wel aankan. Maar dat kan die heiden helemaal niet aan. Je moet je eens voorstellen wat je er dan allemaal bij krijgt! Daarom zegt Paulus dat die heidenen zich niet moeten laten be­snijden. Dat zou immers een staaltje van hoog­moed zijn! We zijn toch al een aardig eind op weg, dus dat nemen we er dan ook wel even bij. Je bent bij wijze van spreken al een paar keer vast­ge­­lopen als soldaatje, en dan ga je toch maar bij de mariniers. Of je gaat meteen maar bij de groene baretten. Maar dan zegt Paulus: weet je wel wat de besnijdenis allemaal voor extra verantwoor­delijkhe­den met zich meebrengt? Weet je wel waar je aan begint? Dus ook wat dat betreft geldt de uiterste bescheidenheid. En dit alles wordt geschreven om die gemeente in Rome te brengen tot een stuk solidariteit en verbondenheid. Dit was dus zo de grote lijn.

Jezus heeft zich nooit ergens op beroemd

Dat is dus het gegeven dat heel sterk speelt in Romeinen 2. Die Torah mag nooit iets worden waarop de mens zich zou kunnen laten voor­staan, een soort bezit. Zodra het iets gaat worden waarop ik mij ga be­roemen, of wat ik een ander ga opleggen, wordt het uitzicht verduis­terd. Het bijzon­dere van de Messias is juist geweest, dat Hij zich op niets heeft la­ten voorstaan. Hij heeft gewoon gedáán. Hij dééd gewoon, Hij wàs er. Hij wàs het woord, Hij wàs de Torah. Hij zei niet heel pretenti­eus: kijk Mij eens! Pas aan het eind van zijn bediening zegt Hij: Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Dat had Hij toen ook inmiddels ten voeten uit laten zien. Hij heeft inderdaad dat woord uit Exodus 24:7 toe­gepast: doen en horen; en dan wel in dìe volgorde. Hij heeft eerst ‘ge­daan’. En dat heeft Hij gedaan zonder enige pretentie. Het was zelfs zo, dat Hij tegen de mensen zei: je bent nu genezen, maar praat er maar niet over. Dat is het Messias-ge­heim, een weg in het verborgene. Hij heeft zich nergens op beroemd. Hij heeft zich ook nergens op beroepen. Hij heeft nooit gezegd: je moet naar Mij luisteren, want anders…..  Gewoon, Hij wàs er, Hij was solidair, Hij was mensen nabij. En zo heeft Hij mensen verlokt. Dat was zijn heerlijkheid. De heerlijkheid van het vleesgeworden woord. Hij zei nooit: Ik ben de zoon van God hoor, weet je wel wie je voor je hebt! Jezus paste alleen maar het principe toe: Kom en zie! Ga maar eens samen met Mij op weg, en dan zul je het wel mer­ken. En zo was Hij Mens tot het uiterste, tot in het extreme. Mens tot in de grenssituaties. Hij was de mens die nooit afhaakte. ‘Om mens te zijn met de mensen in al de pijn, waarin de mensen mensen zijn’. Broeder tot het einde. Zo is Hij ten voeten uit Torah gewòrden. Dat is dan waar Paulus naartoe wil. Dat is dan die gerechtigheid Gods. Er is er dan in ieder geval Eén, die het wáár gaat maken tot op de bo­dem. Daarom kunnen wij God danken, omdat Hij dan uiteindelijk die ene mens gevonden heeft. Dat is voor God dan ook zijn grootste verruk­king geweest. Dat is voor God de meest intense vreugde geweest. Zo is er Eén geweest die het niet heeft laten zitten, maar heel de Torah op zich genomen heeft. Hij heeft er zich totaal mee verenigd. In die ene mens is Gods hele bedoeling en zijn hele bestemming te voorschijn ge­ko­­men. Dat is ook onze vreugde, dat zo Gods gerechtigheid openbaar is gewor­den. Daar is God nog steeds mee bezig, om vanuit die Ene vele zo­nen te voorschijn te brengen. Dat is hartverwarmend en vol van per­spec­tief. Te midden van alles wat weerstreeft en te midden van alles wat wil afbre­ken, gaat Gods lichtglans het winnen. Dat is Gods heerlijk­heid, die Hij in mensen openbaart. Gods gerechtigheid zal zegevieren in heel zijn schepping.

Ze zijn damp achterna ge­gaan en ze zijn verdampt

Er is speciaal één sleutelwoord, dat eruit springt en dat vinden we in Ro­­meinen 1:21: Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of ge­dankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister ge­worden in hun onverstandig hart. – Rom.1:21. Dat sleutelwoord is het woord mattaios. ‘hun overleggingen zijn op niets uitgelopen’. Letterlijk staat er: ‘ze zijn verijdeld in hun overleggingen’. ‘Op niets uitgelopen’ is dus een sleutelbegrip, een werkwoord dat van het Griekse woord mattaios afgeleid is. Het woord mattaios bete­kent dus ijdel en dat gaat terug op het boek Prediker, althans daar komt het heel veel voor. Dat is dat beroemde woord waar Prediker mee be­gint: ‘ijdel­heid der ijdelheden’. In het Hebreeuws staat daar het woord hèbel. Dat hèbel is hetzelfde woord als de naam Abel. Ons woord heibel komt daar ook nog vandaan. Het woord hèbel wordt dan meestal vertaald met ijdel­heid. Het woord hèbel betekent eigenlijk damp. In dat oude psalm­vers staat: ‘het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur’. We vinden dat begrip hèbel ook in een tekst uit Jeremia. Zo zegt de HERE: Wat voor onrecht hebben uw vaderen in Mij gevonden, dat zij zich ver van Mij verwijderd hebben, en het nietige (hèbel) zijn achterna­ge­lopen, zodat zij teniet (hèbel)  zijn geworden.  Jer.2:5.

Paulus en Jeremia

Dat is des te meer interessant, omdat Paulus zich toch wel heel sterk een tweede Jeremia gevoeld heeft. Paulus is als het ware een herleefde Jere­mia. Jeremia zegt bijvoorbeeld: God heeft mij vanaf de moeder­schoot af­ge­zonderd en Paulus zegt dat ook. Jeremia spreekt over bouwen en plan­­­­ten en Paulus heeft het daar ook over. Paulus knoopt helemaal aan bij de beelden en de thema’s van Jeremia. In Jeremia 2:5 zien we een heel belangrijk principe, dat Paulus ook gaat hanteren in Romeinen 1. Dus dat is niet alleen maar dat hij een woord uit Jeremia neemt, maar hij neemt ook een heel thema uit Jeremia 2.

Jeremia 2:5 zou je haast kunnen vertalen als: ‘ze zijn damp achterna ge­gaan en ze zijn verdampt’. Ze zijn de mist achterna gegaan en ze zijn in de mist terechtgekomen. En zo zijn ze vermist. Dat geeft dan in het Nederlands ook nog weer dubbele associaties. Die afgoden worden in Jeremia 2 dus vergeleken met damp. En dat achternagaan is ook de vaste Hebreeuw­se uitdrukking voor navolgen. Het Hebreeuws heeft geen apart woord voor navolgen. Dus dan zegt men: achter iemand aan gaan. Dat motief van de navolging wordt in het Hebreeuws dus heel beeldend uitge­drukt, letterlijk: je gaat in iemands voetsporen, je gaat achter die ander aan. In dat woord uit Jeremia zit dus een soort causaliteit, een kwestie van oor­zaak en gevolg. Het is heel frappant – en je komt dat wel vaker tegen in het bijbelse denken – dat het achternagaan van die damp de uit­wer­king heeft, dat je ook damp wordt. Je gaat je identificeren met dat­gene wat je achterna loopt. Als je damp achterna loopt, kom je ook in de sfeer van die damp. De Duitsers hebben daar een prachtig woord voor: Schick­salwirkende Tatsphäre. Dus dat is een daad die een sfeer met zich meebrengt. En die sfeer bewerkt weer een bepaald lot. Die sfeer be­werkt weer een Schicksal. Een daad werkt dus iets uit. Er wordt in de Torah ook wel gezegd: iemands zonde zal op zijn hoofd wederkeren. Van­daar dat het Hebreeuws ook geen apart woord heeft voor straf. Zonde en straf zijn als het ware één geheel. We zien hier dus dat Paulus dat principe uit Jeremia overneemt. Dat gaat Paulus dan in Romeinen 1 in drie cirkels uitwerken. Die cirkels hebben we indertijd al even genoemd.

1. De eerste cirkel was dus vers 22 tot 24.

2. Van 25 tot 27.

3. En dan 28 tot 32.

Het gaat hier dus over de toorn die zich ontlaadt. In een drievoudige cyclus wordt dat uitgewerkt. Het basispunt is wat er staat in vers 21:

Een proces van verduistering

Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of ge­dankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister ge­worden (verduisterd) in hun onverstandig hart (een hart zonder inzicht).   Rom.1:21.

Ze hebben Hem niet als God verheerlijkt of gedankt’. Ze hebben God geen gewicht (kabod) toegekend’, zoals er letterlijk staat. ‘Ze zijn op niets uitgelopen’, ze zijn damp geworden. Hier is dus sprake van een proces van verduistering. Dat heeft dus te ma­ken met de overleggingen en met het hart. Het woord hart (lev) is vaak ook weer een sleutelwoord. Het hart is verduisterd. Hierbij moet je bedenken dat dit niet zozeer het gevoel is, maar het hart is veel meer de kern van je bestaan. Met je hart maak je plannen, met je hart be­paal je je koers. Dus als het hart verduisterd wordt, dan heb je geen rich­ting meer in je leven, dan weet je niet meer welke kant je op moet gaan. Dan word je stuurloos; het hart is het roer van het schip. We denken aan dat prachtige woord van Gerrit Achterberg:

Aan het roer die avond stond het hart.

en scheepte maan en bossen bij zich in.

Af en toe kom je bij de dichters terecht; die vertellen je precies hoe je de zaak moet uitleggen. Via dichters kom je altijd nog weer een stukje dich­ter bij de waarheid. Uiteindelijk moet je het toch hebben van profeten en dichters. Leve de dichters, leve de profeten; daar moet je zuinig op zijn. Hun hart is dus verduisterd. Nu zie je tegelijk dat het woord lev ook ‘moed’ betekent. Als het hart van de mens verduisterd is, heeft hij ook geen moed meer om er te zijn. Dan wordt de mens moedeloos en fata­listisch. Dan voelt hij zich overgegeven aan het noodlot. Dan komen dus die drie cirkels in beeld. Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de ma­jesteit van de onvergankelijke God vervangen (ingeruild) door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van krui­pende die­ren. Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onrein­heid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. – Rom.1:22-24.

Dit is dan de eerste cirkel. ‘vervangen (ingeruild) door hetgeen…’

Het is verwonderlijk dat dit motief ook in Jeremia 2 naar voren komt. Heeft ooit een volk goden verruild? – en dat zijn toch geen goden! – maar mijn volk heeft zijn eer (kabod) verruild voor wat geen baat brengt. – Jer.2:11. Jeremia 2:11 is dus de basistekst voor Romeinen 2. Ontzet u daarover, o hemelen, huivert en weest ten diepste ontroerd, luidt het woord des HEREN, want mijn volk heeft twee boze daden bedreven: Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, ge­broken bakken, die geen water houden. Is Israël een slaaf? Is hij een onvrij geborene? Waarom is hij dan tot een prooi geworden. – Jer.2:12-14.

Daar zie je dat Jeremia dit gegeven ook helemaal gaat belichten. Het grondprobleem is het inruilen van de goden. Hun heerlijkheid, hun ka­bod, namelijk God, hebben ze ingeruild voor andere goden. Daarom komt dan ook de ballingschap, het verlies van de vrijheid.

Ontzet u daarover, o hemelen

Het gebeurt wel vaker dat hemel en aarde als getuigen worden opgeroe­pen, dan krijg je dus een soort kosmisch rechtsgeding. Dan worden de hemelen met alle bewoners daarin, dus onder andere de engelen, als het ware als getuigen opgeroepen. God gaat om zo te zeggen een proces be­ginnen tegen zijn volk. Hij gaat zijn volk ter verantwoording roepen. God roept dus hemel en aarde tot getuigen. Dat is ook heel wezen­lijk, want wat er in het volk van God gebeurt, heeft ook inder­daad we­­reld­wijde, kosmische consequenties. Zoals die man die een gat boorde onder zijn zitplaats in een boot. Hij vond dat niemand het recht had daar iets van te zeggen. Het was im­mers zijn eigen zitplaats. Maar het gevolg was wel dat de boot zonk. Op die manier kan de rechtvaardige nooit zeggen: wat ik doe, gaat al­leen mijzelf aan. In die zin moet je ook dat woord verstaan: je bent ver­ant­woor­delijk voor allen. Wat jij doet heeft zijn consequenties voor het ge­heel. Je bent nooit mens op je eentje. Je bent nooit mens in een geï­so­leer­de positie. Je kunt nooit zeggen: ik doe wat ìk leuk vind en daar heeft verder nie­mand iets mee te ma­ken. Je ziet dus dat Paulus hier weer aanknoopt bij Jeremia.

De ma­jesteit van de onvergankelijke God vervangen

En zij hebben de ma­jesteit van de onvergankelijke God vervangen (inge­ruild) door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vo­gels, van viervoetige en van krui­pende die­ren. – Rom.1:23.

Let op dat contrast van vergankelijk en onvergankelijk. Wat gebeurt er als een mens het onvergankelijke inruilt voor het vergankelijke, het eeu­wi­ge inruilt voor het voorbijgaande? Het opvallende punt hierbij is, dat Paulus hier in wezen een toepassing geeft van de Torah. Want wat gebeurt er nu, als een mens het vergan­ke­lijke gaat vereren? Dan gaat hij dus in wezen een trap omlaag. Terwijl hij bestemd is om de Eeuwige te aanbidden, om op die manier eeuwig te worden, in plaats daarvan gaat hij het vergankelijke vereren. Dat is in we­zen een surrogaat, waardoor je wel een eind onder je niveau zit. In feite krijg je dus het gegeven in Romeinen 1 en Jeremia 2 dat de mens on­der zijn niveau gaat leven. Dus de mens die in zonde (ver)valt, leeft in feite onder de maat. Hij leeft onder het niveau waarvoor hij bedoeld is. De Torah heeft in wezen als basis: de menselijke waardigheid. Dat zegt André Neher ook zo tref­fend: het zijn de geboden van de menselijke waardigheid. Als de mens gaat zondigen, krijg je dus een degradatie. Het woord degradatie bete­kent letterlijk ‘een trap omlaag’; de mens gaat dus steeds verder omlaag, totdat hij helemaal beneden zit. Die afdaling gaat door tot in het stof, tot in het dodenrijk. Dan komt het evangelie en dat is bedoeld om de men­sen weer vanuit de degradatie tot hun waar­dig­heid te brengen. Dat vind je dan steeds weer als basis, als grondprin­cipe. Dat is ook in wezen het hele punt waar het in de boeken van Mo­zes om draait. Vandaar dat Pau­lus ook niet tegen de Torah is, maar hij gaat de boeken van Mozes eigen­lijk weer helemaal restitueren, weer in ere herstellen. Want dat is het the­ma van Genesis tot en met Deutero­nomium, dat juist de mens die zijn waardigheid kwijt is, de slaaf, de vreem­deling, de bijwoner, de ar­me en ellendige, weer wordt verheven tot de rang van persoon. De mens wordt weer tot mens verheven. Wat gebeurt er nu als gevolg van dat proces van ontaarding?

Vers 24 hoort hier dus nog bij. De insnijding komt na vers 24. Want dat daarom hoort nog bij vers 22 en 23. Ze hebben dat gedaan, zegt vers 22, 23 en dan zegt vers 24: daarom….. Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de ma­jesteit van de onvergankelijke God vervangen (ingeruild) door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van krui­pende die­ren. Daarom heeft God hen in hun hartstochten (begeerten: letterlijk ‘de begeerten hunner harten’) overgegeven aan onrein­heid, zodat bij hen het li­chaam onteerd wordt. – Rom.1:22-24

Overgegeven

Daar krijg je dus het beeld van het prijsgeven. De mens die zich met het godendom inlaat, op wat voor manier dan ook, en dan daarvan de be­smet­ting ondervindt, ervaart de wet van oorzaak en gevolg. Geen straf, maar de consequenties. Als je je op dat terrein begeeft, dan loop je als ge­­volg daarvan, bepaalde risico’s. Dat is net als wanneer je in be­paalde landen ongekookt water drinkt, je als gevolg daarvan bepaalde ziektes oploopt. Dan kun je moeilijk God de schuld van die gevolgen ge­ven.

Overgegeven aan onrein­heid

Dan komt die mens in het mijnenveld, in het gebied waar de nacht re­geert, terwijl God juist bedoelt om hem daarvan vrij te kopen en te be­waren. Zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. Onreinheid wordt hier dus gekoppeld aan het onteren. Zo zie je dat het in het hart begint en het in het lichaam eindigt. Dat is de consequentie van binnen naar buiten. Dat woord onteren heeft hier een kardinale func­tie: de mens raakt zijn waardigheid kwijt. Ook op dat punt wordt de mens dan omlaag gehaald. Daar ligt bij God ook het accent op; het gaat er niet zozeer om wat je precies dóet, maar veel meer: wat gebeurt er met jou? Wat gebeurt er met jou en wat gebeurt er met die ander? Het gaat God in wezen aan het hart, om te zien hoe de mens zijn waardig­heid verliest. We kunnen in dat verband denken aan de verloren zoon die bij de varkens terechtkomt. Daar heb je ook zo’n beeld van die ver­ontrei­ni­ging, maar ook van het onder je niveau leven. Bij die varkens zit je dui­delijk in een gezelschap, waarbij je als mens niet uit de verf komt. Daar kun je niet leven en functioneren volgens jouw niveau. Daar kun je geen mens zijn en komen je creativiteit en mogelijkheden niet uit de verf. Je komt niet tot je bestemming.

Dat is dus het eerste punt. Vers 22 tot en met 24.

Dan krijgen we het tweede punt. Vers 25 tot en met 27.

Daarom heeft God hen overgegeven

Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schep­sel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid.  Amen.

Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke lusten, want hun vrou­wen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke.

Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgege­ven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schan­delijkheid bedrijvende en daardoor het welverdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangende. – Rom.1:25-27.

Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen

Hier zien we weer dat aspect van dat inruilen. Ook dit gedeelte gaat nog steeds door op Jeremia 2. Jeremia 2 is de grondtoon en we zijn nog steeds bezig met de variaties daarop. Ze hebben de waarheid ingeleverd en hebben de leugen daarvoor terug­gekregen. Ze geven de waarheid op en krijgen de leugen ervoor terug.

En het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper

Hier zien we weer die trap omlaag. In plaats van de Creator te vereren, zijn zij het creatuur gaan vereren. Hier zien we ook dat het godsbeeld gaat krimpen. Het godsbeeld gaat ook degraderen. Het schepsel wordt vereerd, maar dan ook met alle falen en gebreken die daaraan gekop­peld zijn. Dat schepsel heeft zijn beperkingen en zijn bekrompenheden. Dat wordt dan ook overgenomen in de gedachtewereld. Terwijl het ver­eren van de Schepper de mens op een hoger plan brengt. Doordat je de Schepper vereert, worden je gedachten ook omhooggetrokken. Als je allerlei lichtdeeltjes hebt, die niet worden gericht zoals ijzerdeel­tjes door een magneet, dan gaan die allemaal aan het zwerven en rond­dolen. Zo is het ook met de mens die de Schepper kwijt is. Er is geen mag­neet meer die hem trekt naar het licht. Er is geen oriëntatiepunt meer. Die mens gaat met zijn geest aan het zwerven en aan het dolen. Hier wat, daar wat, kan ik hier wat oppak­ken, kan ik daar wat oppak­ken?! Ergens zoekt een mens altijd iemand die groter is dan het tij­delij­ke, het beperkte, het begrensde. Een mens zoekt altijd iemand die hem kan uittillen boven de begrenzingen van zijn den­ken en die hem kan meenemen uit de cirkelgang van zijn gedachten.

Ge­worteld in de waarheid, ont­worteld door de leugen

Als een mens de waar­heid kwijtraakt en in de leugen terechtkomt, is het gevolg dat hij een zwerver wordt. De mens wordt dan een ontheemde. Dus als je in de leugen terecht­komt, word je ont­worteld. Juist als je in de waarheid bent, word je ge­worteld. In de Talmoed wordt gezegd: de wa­re mens heeft zijn wortels in de hemel. Het is een boom die zijn wortels naar bo­ven uitstrekt. Als die boom zijn wortels niet meer in de hemel heeft, niet meer in de waar­heid, dan wordt het een ontwortelde boom. Een boom die bij wijze van spreken ergens zo maar wat moet rond­zwab­­­beren. Als de mens zijn Schepper niet meer gaat eren, zegt Paulus, dan: Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schep­sel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid.  Amen. – Rom.1:25. Hier pakt Paulus zo’n typische Hebreeuwse zegenspreuk, zo’n bera­chah. De rabbijnen zeggen nooit zomaar ‘God’. Ze spreken dan bijvoor­beeld van ‘de Schepper, gezegend is Hij’. Dat doet Paulus hier ook. Hij zegt: ‘de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid’. Tot in eeuwigheid, tot in heel de eeuw. Paulus werpt er hier een stukje Joodse lofprijzing tus­­­sen­door, een oer-Hebreeuwse berachah. Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke lusten, want hun vrou­wen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke.  Rom.1:26. We zien hier dat tweede ‘daarom’.

Schandelijke lusten

Letterlijk: ‘hartstochten van oneer’. Daar heb je weer het woord oneer, dat we ook in het vorige stuk tegen­kwa­men, waar sprake was van: ‘het lichaam wordt onteerd’. Hartstochten van oneer, dat is het motief dat telkens terugkomt. Dan wordt de mens damp, dan heeft hij geen gewicht meer. En inderdaad, damp heeft ook geen wortels, damp kan alle kanten opgaan. De natuurlijke omgang vervangen. Letterlijk: ‘ingeruild’. Daar zien we hetzelfde motiefwoord weer. Door de tegennatuurlijke. Hier staat het woord paraphysis. Dat woord para kennen wij bijvoor­beeld uit parapsychologie. Dat is datgene wat naast de psychologie ligt. Die omgang van die vrouwen ligt dus naast de natuurlijke omgang. Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgege­ven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schan­de­lijkheid bedrijvende en daardoor het welverdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangende. – Rom.1:27.

Hier zie je dan ook, dat de daad het loon met zich meebrengt. Het loon wordt in zichzelf uitgekeerd. Dat is ook weer een kwestie van oorzaak en gevolg. Het loon komt in de daad, niet als iets aparts. De daad be­loont zichzelf, zou je haast kunnen zeggen. Omdat ze de eer kwijt wa­ren, krijg je als gevolg daarvan, dat ze in de oneer terechtkomen. Hier zie je dus het punt, dat de mens op die manier zijn waardigheid verliest.

Overge­geven aan een verwerpelijk denken

Dan krijgen we de derde cyclus: vers 28-32. En daar zij het verwerpelijk achtten God te erkennen, heeft God hen overge­geven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt. – Rom.1:28

Letterlijk: ‘zij hebben niet gewaardeerd (goedgekeurd) God te kennen. ‘Heeft God hen overge­geven’. Daar staat voor de derde keer dat God hen heeft overgegeven, prijsgege­ven.

Aan een verwerpelijk denken. Letterlijk: ‘aan een afkeurenswaardig denken’. Omdat ze niet goedgekeurd hadden God te kennen, heeft God hen prijs­gegeven aan een afgekeurd denken. Je kunt ook zeggen: ‘Ze hebben het niet gewaardeerd God te kennen en daar­om heeft God hen overgegeven aan een waardeloos denken’. Of ook: ‘Ze hebben er geen waarde aan gehecht God te kennen en daarom heeft God hen overgegeven aan een denken zonder waarde’. Vervuld van….. en nu krijg je een hele opsomming; Paulus doet dat ook heel geladen, als het ware staccato. Er komt een hele lijst van woorden zonder enig tussenvoegsel, er staat niet eens het woordje en tussen. Het is haast een soort hijgende opsomming, zoals die mens dan rent van het ene naar het ander, maar het nergens kan vinden.

Vervuld van allerlei onrechtvaardigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid, vol nijd, moord, twist, list en kwaadaardigheid; oorblazers, lasteraars, haters van God, verwatenen, overmoedigen, grootsprekers, vindingrijk in het kwaad, hun ou­ders ongehoorzaam;  onverstandig, onbestendig, zonder hart of barmhar­tig­heid. – Rom.1:29-31.

Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaad­­­­­­­heid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; Oor­blazers, achterklap­pers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdun­ken­den, vin­­ders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam;  Onver­standi­gen, ver­bondbrekers, zonder natuurlijke lief­de, onverzoenlijken, onbarmharti­gen. Rom.1:29-31. – SV.

Boosheid het woord boosheid betekent oorspronkelijk datgene wat lij­den veroor­zaakt.

Slechtheid – het woord slechtheid betekent oorspronkelijk datgene wat klein is, of ondervoed, achtergebleven. Die mens is dan ook inderdaad in­nerlijk on­der­voed.

Vol nijd letterlijk: verzadigd van nijd.

Kwaadaardigheid – letterlijk: een slecht karakter, een slechte gewoonte.

Oorblazers oorspronkelijk betekent dat woord: iemand iets in het oor fluisteren. Als er allerlei dingen in het oor worden gefluisterd, is dat meestal niet zo veel goeds. Het feit dat een ander het niet mag horen, is al ver­dacht.

Achterklappers – lasteraars; letterlijk: naar beneden spreken. Als je ie­mand naar beneden spreekt, spreek je niet de goede kant op.

Haters Gods – het woord haten betekent oorspronkelijk stijf worden van koude of angst, ook: bevriezen. Verwatenen (de overmoedigen)  daar spreekt overmoed uit. Dat is iets wat je de Griekse wereld ook heel veel tegenkomt, de mens die op de een of andere manier buiten zijn boekje gaat. We denken bijvoorbeeld aan de torenbouw van Babel. De mens die iets wil, wat hem niet toe­komt. De mens die niet tevreden is met zijn menszijn. Dat is in wezen de hubristes. Hij wil iets meer zijn dan mens, maar het gevolg is juist dat hij iets minder wordt dan dat. Hij heeft niet begrepen dat het menszijn in wezen een adeldom is. Daarom denkt hij: ik ben maar een mens, daar­om wil ik ook hogerop. Hij wil als de goden worden, of als de engelen of iets dergelijks. Dan gaat hij die lad­der opklimmen, maar hij tuimelt naar beneden; dat wordt juist zijn neer­gang.

Grootsprekers – de hoogmoedigen, de trotsen.

Vindingrijk in het kwaad letterlijk: uitvinders van het kwaad.

Hun ou­ders ongehoorzaam de Torah zegt juist: eert uw afkomst, want dan is er toekomst.

Onverstandig zonder inzicht.

Onbestendig onbetrouwbaar; niet stabiel.

Zonder hart of barmhar­tig­heid de Torah bestaat juist uit de vijf boe­ken van de barmhartigheid. Dat is barmhartigheid vanaf Genesis 1 tot en met Deuteronomium 34. Dat is één brok erbarming. Als je een serie hoofdstukken in het boek Jeremia bekijkt, en je komt dan aan het eind van zo’n cyclus, dan staat als laatste woord in Jeremia 33: ontfermen. Dan zal Ik ook het nakroost van Jakob en mijn knecht David verwerpen, dat Ik uit zijn nazaten geen heersers neem over het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob, want Ik zal een keer brengen in hun lot en Mij over hen ontfermen. Jer.33:26.

Het laatste woord van deze cyclus is erbarming. Gods laatste woord is er­barming. De culminatie van het kwaad geschiedt daar, waar geen barm­har­tig­heid meer is.

Zonder hart of barmhar­tig­heid

Dat is ook het laatste aspect, dat Paulus in deze serie opnoemt aan het eind van vers 31. Als er geen barmhartigheid meer is, heeft men ook het hart van God niet meer verstaan. Dat is ook de laatste maatstaf: ben je barmhartig geweest?!

Dan staat er in vers 32 na die hele opsomming:

Immers, hoewel zij de rechtseis (rechtsorde) van God kenden, namelijk, dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen, doen zij ze niet alleen zelf, maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijven. – Rom.1:32. De rechtsorde van God heeft gestalte gevonden in de Torah. Vanouds wordt er ook gezegd: vanaf de Sinai werd de Torah aangeboden aan alle volken. Alleen Israël heeft toen gezegd: wij zullen doen en wij zullen horen. De Torah is het woord, de levende stem. Deze is uitdruk­king van het wezen van Gods bedoelingen. Daarom was de Torah er in feite al­tijd al. De Torah was al van eeuwigheid af bij God aanwezig. Door de To­rah wordt ieder mens verlicht. Dus die universele rechtsorde – zegt Pau­lus – die kenden ze, die is in elk mens geschreven, die levende stem laat zich aan niemand onbetuigd. Er is een eenheid tussen de schepping, de To­rah en het evangelie. In schepping, Torah en evangelie komen telkens de­zelfde grondbeginselen weer terug. God heeft die beginselen van meet af aan in de schepping gelegd. De schep­ping is uit Hem en door Hem en tot Hem. Dus in de schepping zit die rechtsorde, in de Torah zit die rechtsorde en ook in het evangelie. Torah en evangelie onthullen in wezen de grondstructuren van de schep­ping. Dat is die universele rechtsorde, namelijk dat de mens geroepen is om me­de-arbeider Gods te zijn. Immers, hoewel zij de rechtseis (rechtsorde) van God kenden, namelijk, dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen, doen zij ze niet alleen zelf, maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijven. – Rom.1:32

Letterlijk staat er dus dat zij, die zulke dingen doen, de dood waardig zijn. Een zoon sterft niet om de ongerechtigheid van de vader

Ezechiël zegt: een zoon zal niet sterven om de ongerechtigheid van de va­der. Ik geloof daarom dat een kind nooit verloren kan gaan. Een kind kan in feite niet verdoemd worden. Waar je dan de grens moet trekken tussen kindzijn en volwassenheid is een vraag apart. Een kind kan natuurlijk wel met de gevolgen zitten. In die zin kan een kind kansarm zijn leven beginnen. Dat is dan natuurlijk een stuk tra­giek. Ik geloof dat God daar ook rekening mee zal houden. Wat dat be­treft is God rechtvaardig en barmhartig. Barmhartigheid en recht­vaar­digheid gaan bij God samen, die vormen geen tegenstelling. Dat staat zo mooi in psalm 116. Genadig is de HERE en rechtvaardig, onze God is een ontfermer.

Dus God zal zeker rekening houden met wat die mens geweten heeft en ook met het veld van mogelijkheden waarin die mens geboren wordt. Als een mens gewoon geen kans heeft om van de grond te komen, en in feite alles tegen heeft, soms al vanaf de geboorte, dan zal zeker dat­gene gel­den wat Abraham al zei: Het zij verre van U, aldus te handelen, de rechtvaardige te doden met de god­deloze, zodat de rechtvaardige zou zijn gelijk de goddeloze; verre zij het van U; zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen? – Gen.18:25

Zou dan de Rechter van de ganse aarde geen recht doen, geen recht ver­schaffen?! God is er niet op uit om de mens op de een of andere manier klem te zetten. Wie vuur wil vinden, moet in de as zoeken. God kijkt of er er­gens nog een vonkje vuur te vinden is. God zal de kwijnende vlas­pit niet uitdoven en het geknakte riet zal Hij niet verbreken. Dat is de grond­regel van heel de Tenach en dus ook van heel het evangelie. Als de mens diep in zijn hart, door al zijn verbrokenheid heen, gehunkerd heeft naar God, dan zal God dat ook zeker honoreren. Al zou hij bij wij­ze van spreken alleen maar een pink opheffen als teken dat hij naar God toe wil, dan is dat voor God genoeg. Amy Carmichael zegt ergens: zelfs het kleinste bewijs van liefde dat van een mens naar God uitgaat, wordt door Hem opgemerkt. Zij noemt dan als voorbeeld dat gebeuren waarbij Jezus bij de Farizeeërs op bezoek is, en Jezus zegt: Toen Ik bin­nenkwam, hebt gij Mij geen kus gegeven. Zelfs dat kleine detail, het ontbreken van een begroetingskus bij het binnenkomen, merkt Hij op. Dus als die kus wel gegeven wordt, merkt Hij het ook op. Dat penninkje van de we­du­we ziet Jezus ook. Dat verdwijnt niet in de grote hoop. Zelfs het klein­ste teken van leven, een vonkje, is voor God genoeg. Dat kleine vonkje wordt meegeteld en meegewogen.

Verloren gaan of behouden worden

Een kind zal dus ook nooit verloren gaan om wat zijn ouders al of niet gedaan hebben. Dat zal nooit een reden zijn waarom God dat kind zou verwerpen. Het is natuurlijk wel tragisch dat men dat hier en daar als een probleem heeft gezien. Dan deed zich de vraag voor: wat gebeurt er nu met zo’n klein kindje. Maar natuurlijk komt dat kind thuis. Want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen. In de Tenach kom je wel voorbeelden tegen waarbij mensen met heel hun huis gestenigd werden, maar dan nog zegt dat niets over het eeu­wig wel of wee. De vergissing die soms gemaakt wordt is, dat wij de nei­­­­­ging hebben af en toe alle bijbelverhalen te lezen in het perspectief van: wordt de desbetreffende persoon nu behouden of gaat hij verloren? En dan denken we meteen aan de eeuwigheid en aan hemel of hel. Maar dit is vaak helemaal niet het oogmerk van het verhaal. Zo wordt er wel gezegd: Kaïn gaat verloren, maar dat staat er helemaal niet. Het gaat in dit verhaal trou­wens om heel iets anders. Gaat Saul verloren, gaat Esau ver­loren en zo kun je doorgaan. Maar de bijbelverhalen zijn niet ge­schre­­ven om ons te vertellen of die en die al dan niet in de hemel komt. Dat is in de meeste gevallen helemaal niet in beeld. Het gaat vaak veel meer om hun be­stemming als mens. Verloren zijn of verloren gaan is in heel veel verha­len niet zozeer een kwestie van wat gebeurt er als je dood­gaat, maar wat gebeurt er nu! Je kunt nu verloren zijn, als je leeft als een ver­loren mens! Hoeveel is er in ons soms nog verloren en kwijt­geraakt! De Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoe­ken; dat is ook al datgene in ons, wat kwijtgeraakt is, wat op allerlei manie­ren onder de ta­­fel is ver­dwenen. Wat dat betreft is God een expert in het zoeken. Hij zoekt vuur in de as, Hij zoekt goud tussen de scher­ven. Voor Hem bren­gen scher­ven geluk. Bij God werken een heleboel spreek­woorden net an­­ders als bij ons. Wij verzamelen schatten in de he­mel, maar God ver­zamelt schat­ten op aarde.

De laatsten worden de eersten

Onlangs las ik iets van de Joodse denker, Jacov Gordain. Men heeft na­der­hand het een en ander van zijn lessen op papier gezet. Gordain zegt: Als God de mens uitkiest, zal Hij juist degene hoogachten, die voor het oog gediskwalificeerd lijkt. Hij noemt dan het voorbeeld van Lea en Ra­chel. Jakob had een vrouw voor de dag, dat was Rachel, en hij had een vrouw voor de nacht, dat was Lea. En dan zegt Gordain: met Rachel heeft hij geleefd, met Lea is hij begraven. Ze hebben toch alle­twee hun unieke plaats gehad in de geschiedenis. Je kunt ze geen van tweeën mis­sen. Zo heeft elk mens zijn unieke plaats, of het nu Lea is of Rachel. Van Lea wordt in ieder geval gezegd dat haar ogen teder waren. Daarom is het ook zo ontzettend jammer dat de NBG-vertaling er dan van gemaakt heeft: ‘en de ogen van Lea waren flets’. Lea’s ogen waren flets, maar Rachel was schoon van gestalte en schoon van ui­terlijk. – Gen.29:17.

De Statenvertaling heeft het wèl juist weergegeven: ‘Doch Lea had tedere ogen; maar Rachel was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht’. – SV. Hieruit spreekt toch wel een groot vooroordeel. Zij was de niet-bemin­de, dus haar ogen zullen wel flets gestaan hebben. Het mens was inder­daad niet om aan te zien. Maar goed, Jakob zat er dan maar mooi mee opgescheept. Maar als je tedere ogen hebt, zul je ook wel een teder hart heb­ben. Aan de ene kant zien we de tedere ogen van Lea, aan de andere kant de tranen in de ogen van Rachel. Rachel heeft heel wat afgehuild. Zelfs over de grenzen van bijbelboeken heen. Zelfs tot in Jeremia en Matteüs kom je haar tranen weer tegen. Vanouds wordt er in de sabbatszegen op vrijdagavond van de dochters gezegd: ze worden gezegend, dat ze mo­gen zijn als Lea en Rachel, die het huis van Israël gebouwd hebben. Sa­men hebben ze het huis van Israël gebouwd; Rachel kan niet zeggen dat ze het huis van Israël heeft gebouwd en Lea ook niet; samen hebben ze het gebouwd. Bij God wordt niet de een uitgespeeld tegen de ander, maar de verworpene wordt verkoren. Dat is nu uitverkiezing; God kiest voor de verworpene. Hij verheft de vertrapten.

De laatsten worden de eersten,

wie knielde krijgt een troon,

de knechten mogen heersen,

de dienaar heet een zoon.

De laatsten worden de eersten,

wie knielde krijgt een troon,

Wie slaaf was mag nu heersen,

de vreemdeling wordt zoon.  W. Barnard (lied 70)

‘Wie knielde krijgt een troon’ en liederen hebben meestal gelijk. Als je een discussie niet kunt winnen, kun je het beste een lied citeren. Daarom kan ik deze cursus ook het beste zingend geven. Het feit dat ik niet zing op een cursus, betekent juist dat ik het zingen hoogacht. Ik wil het zin­gen niet laten verworden, zoals ik vroeger wel eens op bijbelscholen mee­­maak­te, in de zin van: laten we maar beginnen met een koortje. Dan pak je maar een koortje dat iedereen uit zijn hoofd kent en dan zit er toch een begin aan. Op die manier ga je in wezen het zingen devalueren, je moet toch èrgens mee beginnen. Als je wilt zingen, moet je het goed doen. Het volgende probleem is dan dat je liederenboekjes moet hebben. Die zijn er in allerlei soorten en maten.

Zo blijven dan het ver­haal en het lied

Onlangs werd er gezegd: ik denk dat er uiteindelijk maar twee dingen over­­blijven – al kun je misschien zeggen dat het niet helemaal in over­eenstemming met Paulus is, die zegt ‘zo blijven dan geloof, hoop en liefde’ – dat is het ver­haal en het lied. Het verhaal en het lied hebben dan ook hun plaats in het leer­huis. Verhalen doen wat en God doet in verha­len. In een verhaal ontdek je steeds weer iets nieuws. Een verhaal is een parel, een parel waarin weer iets gaat lichten van het karakter van God. Daarom hebben de apostelen altijd verhalen verteld, Jezus heeft verha­len verteld, Jezus preekte niet. Vanaf Genesis zijn het allemaal verhalen. De Torah hangt van verhalen aan elkaar; ook de rabbijnen en de chas­sidim hebben altijd ver­halen verteld. Zo gaan wij van verhaal tot ver­haal steeds voort.

De Farao en de talja

Een verhaal dat staat in de Targoem op Exodus. Een Targoem (meervoud Targoemim) is een Aramese parafrase van de bij­belverhalen. Dat is ont­staan in de tijd toen het Hebreeuws niet meer zo gangbaar was. Eerst werd er dan voorgelezen uit de Hebreeuwse bij­bel en daarnaast kwam dan de Aramese omschrijving daarvan. Dan kwam de imam, de vertaler of eigenlijk vertolker, en ging in de Ara­mese taal dat verhaal navertellen. Dan krijgt het haast een beetje het karakter van een Arame­se kinderbijbel voor volwassenen. In de Targoem van Jeruzalem, de Tar­goem Jerusjalajim, staat een prach­tig verhaal over Exodus 1.

De farao die de kinderen Israëls verdrukte en tiranniseerde, krijgt op een nacht een droom. In die droom ziet hij een weegschaal. Aan de ene kant ligt op de weeg­schaal het hele Rijk van Egypte, met al zijn macht en pracht en praal. Daar ligt de heerschappij van de farao met zijn piramides en zijn legers. Op de andere schaal bevindt zich een talja. Dit Aramese woord talja kan twee bete­kenissen hebben. Het kan betekenen: een lammetje, in de tweede plaats kan het betekenen: knecht of kind. In het oude Nederlands is dat on­geveer hetzelfde. Als ie­mand een zoontje had gekregen, werd er wel gezegd: hij heeft een knecht­­je gekregen. Als het een meisje was, werd gesproken van een wicht­je. De farao ziet dan in zijn droom dat de weegschaal doorslaat naar de kant van de talja. Als hij ‘s morgens wakker wordt, roept hij al zijn wijzen, geleerden en to­ve­naars bij elkaar. Hij vraagt hen de betekenis van zijn droom. Dan zeggen de wijzen tot de farao: er komt een dag dat er uit het volk Israël een talja zal op­staan. Die zal heel het koninkrijk van Egypte overwinnen.

Die talja is in de eerste plaats Mo­zes. Die droom gaat over Mozes die ge­boren zal worden, want Mo­zes zal het hele Rijk van Egypte over­win­nen. Je kunt die lijn dan ook doortrekken en bij die talja denken aan het Paas­lam. Dat Paaslam zal sterker blijken te zijn dan heel de macht van de fa­rao. En als je de lijn dan nog verder doortrekt, dan is de talja de Messias, het Lam van God, de knecht van God. Dat is dus een profetisch beeld. Dan zie je weer dat één zo’n verhaal zo veelzeggend kan zijn. Als je heel de wereldgeschie­de­nis overziet, dan kun je aan de ene kant van die weeg­schaal al de koninkrijken van deze wereld, al die machthebbers leg­gen. Al die Nebukadnessars en al die tirannen, alle Hitlers en al­le Sta­lins en al die Sad­dammekens. Aan de andere kant ligt het Lam. En het Lam heeft over­wicht. Het Lam blijkt zwaarder te wegen dan al die machthebbers. Daar zit alles in, meer hoef je niet te weten. Dat is ook het thema van het boek Openbaring. En ik zag het Lam staan, ik zag het talja staan, op de berg Sion. En dan slaat de weegschaal door naar het lammetje. Dat is ook het thema van Openbaring 13, het beest uit de aarde en het beest uit de zee. Het Lam blijkt zwaar­der te we­gen dan die twee beesten bij elkaar. Het Lam geeft de doorslag. Het Lam is zwaarder van gewicht, van kabot, van heerlijkheid dan al die beesten met hun macht en pracht en praal. En dan staat er notabene in het boek Openbaring ook nog een verklein­woord, namelijk het lammetje, arnion. Maar dat lammetje heeft over­wicht. Dat is het thema van wat de farao heeft gedroomd. Dat is het ge­heim van heel de wereldgeschiedenis, het geheim van heel dat gees­telijk gebeuren. Dat is de voorgrond en dat is de achtergrond. Dit zijn niet zo­maar woorden, maar dat zijn woorden waar muziek in zit. Daarom zeg ik wel eens: als ik bijbelstudies geef, is dat een vorm van lofprijzing. Je moet de muziek horen in de woorden. Zo’n verhaal is een lofzang. Dat moet je nooit zo sterk uit elkaar houden van: nu zijn we met de preek be­zig en nu zijn we met de zangdienst be­zig. In Romeinen 1 heeft Paulus dan gesproken over de gojim, over de hei­de­­nen, waarin hij zegt dat iedereen die rechtsorde van huis uit heeft meegekregen, vanuit de schepping.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391574 bezoekers sinds 07-06-2010