De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 19

11-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Een proces van verharding

Je zou het ook zo kunnen stellen: de farao wordt ver­hard door het woord. Mozes komt daar met woorden van God. Als Mozes niet geko­men was, had die verharding ook niet plaatsgevonden. Dan was die fa­rao misschien best nog wel een redelijke figuur ge­weest. Als je hem maar niet tegensprak, was er ook nog wel mee te le­ven. Met Hitler was ook nog wel te leven, als hij elke morgen om 11 uur maar zijn room­soe­zen kreeg. Dat was een gebruikelijke ritueel. Hitler kon best vriendelijk zijn en klei­ne kinderen over hun bolletje aaien. Maar zodra je over de joden begon, stond hij op zijn achterste benen en kwam die verharding over hem. Door het woord wordt de agressie opgewekt. Dat is net als wan­neer je een knuppel in een hondenhok gooit, dan beginnen die bees­ten plotse­ling te blaffen. Het spreekwoord zegt het al: geen slapende hon­den wak­ker maken. Zolang die farao daar op zijn troon zit, en niet wordt tegengesproken, is er niets aan de hand. Maar als Mozes daar komt en zegt: zo zegt de HERE, laat mijn volk gaan, dan zegt de farao opeens: wat moet jij hier, ik ken de HERE niet eens. De rabbijnse traditie zegt: hij laat zijn wijzen roe­pen en die moeten de hele lijst van goden nakijken. De HERE, komt die er in voor? En de geleerden kijken in de boeken en die zeggen: nee hoor, het staat niet in de lijst. Farao had zo zijn Gouden Gids, waar alle goden in stonden. Maar de naam HERE, Adonai, kwam in heel de gids niet voor. Hij kijkt in het hemelse telefoonboek en in het postcodeboek, maar HERE staat er niet in. Dus de farao zegt tegen Mozes: Ik ken de HERE niet, nooit van gehoord! En dan zeggen de rabbijnen: Gelukkig dat Hij niet in de lijst stond. Stel je voor dat Hij één van het rijtje was ge­weest, dan was Hij niet beter geweest dan al die andere goden. Maar deze God staat niet in het register. Hij staat daar niet onder de rubriek ‘goden’. En de farao wordt woest, dat is die verharding. Waarom wordt die man opeens zo kwaad? Omdat hij het woord heeft gehoord. En dat woord maakt alle agressie in hem wakker. En die agressie zat er wel in, alleen die lag te sluimeren. Dus die agressie komt boven. God geeft de farao nog een kans, Hij heeft hem nog laten bestaan. En dan gaat die verharding steeds verder. En dan staat er ook bij daar in vers 16: Doch hierom laat Ik u bestaan, om u mijn kracht te tonen, opdat men mijn naam verkondige op de gehele aarde. – Ex.9:16. In die 10 slagen wordt het overwicht van God over die Egyptische go­den openbaar. Niet alle Egyptenaren waren als de farao; er wordt ook wel gezegd dat er Egyptenaren waren, die God vreesden. Die hadden dus ontzag voor God. Als Mozes zegt: er komt hagel, dan zijn er die hun vee binnen­ha­len. Zie, Ik zal het morgen om deze tijd zeer zwaar laten hagelen, zoals in Egypte nog niet gebeurd is van de dag af, dat het gegrondvest werd, tot nu toe. Ex.9:18.

Wie onder de dienaren van Farao het woord des HEREN vreesde, liet zijn knech­ten en zijn vee in de huizen een toevlucht zoeken. – v.20.

Maar wie geen acht sloeg op het woord des HEREN, liet zijn knechten en zijn kudde op het veld blijven. –  v.21ev.

Dan zie je, dat er ook binnen dat Egyptische volk best wel mensen wa­ren, die ontzag hadden voor de woorden van Mozes, de woorden van God. God gaat zijn naam vestigen ten overstaan van die goden van Egypte. Dan zegt vers 18 als conclusie in Romeinen 9: Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt. Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam ver­breid zou worden over de gehele aarde.  Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. – Rom.9:16-18. Hij ontfermt Zich over wie Hij wil. Hierbij moet je wel aantekenen dat dat niet onbekend is. Dat is geen willekeur, want God openbaart zijn wil. God zegt: Ik maak mijn wil bekend. In dit geval via Mo­zes. Wil je je aansluiten bij die wil van Mij? Als God zegt: laat mijn volk gaan om Mij te dienen, wat doe jij dan? Wil jij wat Ik wil? Dan zit je goed. Farao ging tegen de wilsbesluiten van God in, door te zeggen: dat plan van God om dat volk uit te leiden, daar ga ik mij met hand en tand tegen verzetten, dan zet hij daarmee dus dat proces van verharding in wer­king.

Dat is in feite ook wat er in Romeinen 1 staat:

Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zo­dat bij hen het lichaam onteerd wordt. – Rom.1:24.

Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke lusten, want hun vrou­wen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke. – v.26.

En daar zij het verwerpelijk achtten God te erkennen, heeft God hen overge­ge­ven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt. – v.28.

Dus als de farao zegt: ik gooi mijn kop er tegen in, dan komt er een mo­ment waarop God zegt: als jij dat dan beslist wil, moet je de gevolgen maar ondervinden. Dat is ook weer dat aspect van de vrijheid, God dwingt de mens niet. God gaat hierbij de mens niet forceren. Het is geen zaak van: en nu moet je geloven! Ge­dwon­gen liefde is ook geen liefde. Je kunt iemand niet dwingen om lief te hebben. Buber heeft daar ook het een en ander over gezegd. Dat is net als met de liefde tussen bruidegom en bruid, die kan ook niet afgedwongen wor­den. Buber zegt over dat gebod van de liefde: dat kan alleen werkzaam zijn, als er al een re­la­tie is.

Een bevel maakt de mens onmondig, een gebod bevestigt zijn vrijheid

Je zou je af kunnen vragen: wat is nu een gebod? In het bijbelse denken is dat een misjpat. Een gebod is dus iets anders dan iets afdwingen. Een gebod gaat niet gepaard met dwang, maar een gebod bevestigt juist de vrijheid. Als God een gebod geeft, betekent dat: Ik doe een appèl op je geweten. Ik doe een appèl op wat jij wil. Een gebod is iets anders dan een bevel. Er is een fundamenteel verschil tussen een bevel en een ge­bod. Dat heeft nu juist zo’n grote rol gespeeld in het nationaal-socia­lis­me; waar het in extreme vorm tot uiting kwam in de slogan: Befehl ist Befehl! En iedereen in het Duitsland van Hitler volgde bevelen op. En waarom? Ja, er is ie­mand die boven mij staat en die zegt dat het moet. Dus je kreeg nooit een echt antwoord, Befehl ist Befehl! Een bevel maakt de mens dus on­mondig. Een gebod maakt de mens juist mondig. Een bevel kweekt een soort ka­daverdiscipline, maar een gebod vraagt een intelligente gehoor­zaam­heid. Bij een gebod moet je het hoe en waarom weten. Als Jezus zegt: heb uw vijanden lief, kun je proberen om te begrijpen waarom Hij dat zegt. En de manier waarop jij dat liefhebben van je vijanden in de prak­tijk brengt, mag je zelf bedenken; dat is niet nauwkeurig voorge­schre­ven. Jezus zegt dit ook, om een spiraal van haat te doorbreken. Als jij haat wie jou haten, ontstaat er een spiraal van haat. Een gebod heeft ook al­tijd een zin, een bevel volg je op zonder naar de zin te vragen. Een be­vel volg je klakkeloos op. Bij een bevel wordt je eigen denken helemaal uit­geschakeld. Bij een gebod wordt er een appèl gedaan op je intelligen­tie en op je menszijn. Rachab had de verspieders van Jericho op haar dak ver­stopt. Als dan de soldaten komen en aan Rachab vragen of ze die verspieders ook heeft gezien, is haar antwoord: Nee, ik weet van niets. Dat was voor Rachab op dat moment een gebod om niet de waarheid te spreken. Als zij een mens van bevelen was geweest, dan had zij vol­gens de algemene regels die golden, de waarheid gezegd. Ja hoor, die verspieders zitten hier op het dak. Dat was rechtlijnig geweest. Je zou kunnen zeggen: Als ze de waarheid had gesproken, had ze niet de waar­heid gesproken. Waarheid betekent dat je waarachtig bent in je relaties. Waarheid is een relatiebe­grip. De farao had het bevel gegeven, dat alle kindertjes in de Nijl moesten wor­­­den geworpen. Hij geeft een bevel aan de vroedvrouwen, maar de vroed­vrou­wen gaan tegen het bevel van de koning ìn. Die vroed­vrou­wen stellen het gebod van God boven het bevel van de koning. Die farao kan nog een poosje doorgaan, ‘opdat de naam van God verteld worde over de gehele aarde’. Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde. – Rom.9:17. Dat heeft dus ook te maken met de geschiedenis.

Voor­­­werpen des toorns

In vers 22 wordt gesproken over de voorwerpen van de toorn…..En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voor­­­werpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedig­heid verdragen heeft. – Rom.9:22. Dat is een heel merkwaardige uitdrukking.

Het heeft dus ook te maken met het kwaad dat God in de geschiedenis eruit wil halen. Het kwaad moet op de een of andere manier uitgedre­ven wor­den. Maar, om het kwaad te kunnen uitdrijven, moet je het eerst boven water halen. Zolang het kwaad zich verstopt, heb je er geen vat op. God laat dat kwaad dus eerst te voorschijn komen, met het doel, om het dan uit te kunnen werpen. Dat is in wezen een lijn door heel de bij­bel heen. Het kwaad heeft altijd de neiging om zich ergens schuil te wil­len houden. Zolang dat kwaad ergens verborgen zit, kan het nog voort­woekeren. Dat kun je vergelijken met een operatie, waar soms ’het kwaad’ ook moet worden weggesneden. Je kunt over sommige dingen wel een pleister plakken, maar dat is vaak niet de oplossing.

Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil? – Rom.9:19. Daar zien we dan die onwederstandelijkheid. Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? – Rom.9:20.

Het beeld van de pottenbakker

En dan komt daar een combinatie van citaten:

Zal het geboet­seerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? – Rom.9:20.

Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelf­de klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags ge­bruik? – Rom.9:21

Hierbij te bedenken dat het hier gaat om een verschil in bestemming, de verschillende mogelijkheden wat betreft de bestemming van een mens, wat voor bestemming er in zijn leven gerealiseerd wordt. Dat beeld van de pottenbakker komen we nogal eens tegen, onder andere in Jeremia 18: Het woord, dat van de HERE tot Jeremia kwam.  Maak u op, daal af naar het huis van de pottenbakker, en daar zal Ik u mijn woorden doen horen.  Toen daalde ik af naar het huis van de pottenbakker, en zie, hij was juist bezig een werkstuk te maken op de schijf.  Mislukte de pot die hij bezig was te maken, zoals dat gaat met leem in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het de pottenbakker goed dacht te maken. Toen kwam het woord des HEREN tot mij. –  Jer.18:1-5. Hierbij moet dan wel bedacht worden, dat dat leem in de hand van de pottenbakker naar de woorden van Jeremia 18 collectief moet worden op­­­gevat. Het gaat daar dus niet over individuen, maar over volkeren.

Zal Ik niet met u kunnen doen zoals deze pottenbakker, o huis Israëls? luidt het woord des HEREN. Zie, als leem in de hand van de pottenbakker, zo zijt gij in mijn hand, huis Israëls! Ø Het ene ogenblik doe Ik over een volk en een ko­ninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal uitrukken, afbreken en verdelgen. Jer.18:6,7.

Maar bekeert zich dit volk waarover Ik een uitspraak deed, van zijn boosheid, dan zal Ik berouw hebben over het kwaad dat Ik hun dacht aan te doen.  Jer.18:8. Dus daar gaat het juist over de mogelijkheid van een omkeer.

Het andere ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal bouwen en planten. Maar, doet het wat kwaad is in mijn ogen door niet naar mijn stem te horen, dan zal Ik berouw hebben over het goede waar­mede. Ik had gezegd hun te zullen weldoen. – Jer.18:9,10. Dus dat leem in de hand van de pottenbakker gaat in de eerste plaats over de volkeren. In de tweede plaats duidt dat juist op de veranderlijk­heid van een bestemming. Niet alsof daarmee een bestemming tot in alle eeuwigheid vastligt. Dat is altijd het gevaar als je bepaalde beelden vast­legt. Op een gegeven moment is een bepaald volk gedoodverfd tot iets negatiefs. Zo is van Rusland vaak gezegd: dat is de antichrist of zoiets. En ook de paus is een tijdlang voor de antichrist uitgemaakt. Je moet op­passen om dat niet vast te gaan leggen. Als China dan het volk zou zijn uit Openbaring, dat met miljoenen de Eufraat oversteekt, dan zijn de Chi­­nezen dus voorbeschikt om die rol te vervullen. Maar waar ben je dan mee bezig!? Dan ben je bezig om een bepaald volk weer vast te pin­nen en te stigmatiseren. Profetie is juist nooit bedoeld om dingen vast te leggen, maar juist om zaken los te maken. Profeten maken de geschiedenis niet vast, maar ma­ken de ge­schie­denis juist los. Jeremia deed dat ook. Als een volk om­keert, dan kan dus ook die bestemming omkeren. Dan kan dat alle­daag­se gebruik wor­den tot een eervol gebruik. Dus dan hoef je niet te zeg­gen: ik ben nu een­maal zo’n alledaags voorwerp, ja, ik ben nu eenmaal een bezem of ik ben nu eenmaal een emmer; dus ik kan mijn hele leven niets anders doen dan zitten te emmeren. Daar is niets aan te veran­de­ren, dat is mijn lot. Ik ben een zaag, dus ik zit heel mijn leven maar door te zagen, wat wil je nou van mij verwachten! Ik ben een vaatdoek, ik ben nu eenmaal een slappeling. Die bestemming kan juist nog gewijzigd worden, dat leer je nu uit Je­re­mia 18. In Jesaja 45 staat ook een tekst die op de achtergrond mee­speelt.

Wee hem die met zijn Formeerder twist, een scherf onder aarden scherven.

Zal ook het leem tot zijn vormer zeggen: Wat maakt gij? of uw werk: Hij heeft geen handen? – Jes.45:9. Dat is een typisch Hebreeuwse uitdrukking. Als je van iemand zegt: hij heeft geen handen, dan betekent dat, dat hij vreselijk onhandig bezig is, dan heeft hij twee linkerhanden. Wee hem die tot zijn vader zegt: Wat verwekt gij? En tot de vrouw: Waarom hebt gij barensweeën? – Jes.45:10. Wel, dan zegt de Here: Zo zegt de HERE, de Heilige Israëls, en zijn Formeerder: Vraagt Mij naar de toekomstige dingen, vertrouwt Mij mijn zonen en het werk mijner handen toe. Jes.45:11.

Dit gaat dan over de uittocht van de ballingen. Dus dat wordt gezegd tot de volkeren, tot de gojim. God zegt tegen die gojim: jullie kunnen nu wel zeggen: het wordt niets met die ballingen, die zullen nooit uit Babel komen, maar waar halen jullie het vandaan om te zeggen, dat Ik geen han­den heb! God zegt: Ik weet heus wel wat Ik doe! Dus daar gaat het juist ook weer over het veranderen van een bestemming. Ze zaten in de ballingschap en nu zegt God: Ik ga ze eruit halen. En nu kunnen al die volkeren wel zeggen: dat zal nooit gerealiseerd worden, dat volk Israël komt nooit meer uit de ballingschap, maar Ik ben de Formeerder. En Ik kan dat leem best transformeren, omvormen. Dan kunnen die volkeren wel zeggen: het is een klomp leem en daar is niets meer mee te begin­nen, maar dan zegt God: Ik kan dat leem nog wel transformeren, Ik kan er nog wel een andere vorm aan geven. Dan zie je, dat het in die teksten uit Jesaja en Jeremia telkens gaat over de veranderlijkheid van een bestemming. En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voor­­werpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lank­moedig­heid verdragen heeft. – Rom.9:22.

En als God nu, zijn toorn willende tonen

Dit is natuurlijk een merkwaardig punt, dat God zijn toorn wil tonen. En dan denk je: ja, maar waarom? Dat heeft ook weer te maken met het uit­drijven van het kwaad. Als je je afvraagt, wat nu die toorn is, kom je bij een van die mysteries uit de Schrift. De toorn van God, daar kun je haast niet over spreken. Daar kun je misschien alleen maar van zeggen: God is verbolgen over het kwaad, over datgene wat de schepping af­breekt. Daarbij moet je bedenken dat toorn – en dat hebben we geleerd van de Joodse denker Ernst Bloch – dat toorn altijd is: de toorn der hoop. In de bijbel heeft toorn vaak een heel andere betekenis dan wat wij er door­­gaans aan verbinden. Wij zeggen vaak: als iemand toornig wordt, dan is het gesprek dus ten einde en dan wordt er misschien met allerlei dingen gesmeten. Maar toorn is in de bijbel iets anders. In de bijbel is het altijd de toorn der hoop. Als God toornig wordt, is dat een teken dat Hij nog hoop heeft. Je zou het creatieve woede kunnen noemen. Het He­breeuwse woord voor toorn hangt ook samen met het begrip adem. Dat is die hef­tige ademhaling, als het ware een soort briesen. Door die hef­tige adem van God worden allerlei bolwerken van de tegenstander weg­ge­­blazen. Dus de toorn van God heeft dan ook altijd iets te maken met scheppen. Toorn en scheppen hangen nauw met elkaar samen. Als een kunstenaar echt emotioneel of kwaad wordt, schept hij vaak zijn beste werken. Je krijgt dan als het ware een ontlading van emoties. Zo krijg je dus een vorm van toorn, die niet iets afbreekt, maar die juist iets schept. Wij kennen ook nog wel het gezegde: toen werd hij eens goed kwaad. En als iemand goed kwaad wordt, komt er vaak iets positiefs uit tevoor­schijn. Je­zus werd verbolgen bij dat graf van Lazarus. Jezus zegt als het ware: Ik leg Mij niet neer bij heel die toestand van dood en verderf. Dat is het tegenovergestelde van berusten in de loop van de dingen. Daarom is woede in de bijbel vaak ook juist heel creatief. In Romeinen 9:22 wordt dus gesproken van voorwerpen van toorn. Het Hebreeuwse woord dat hier vertaald is met voorwerp, is het woord kedi. Dat woord kan betekenen: vat; het kan ook nog zoiets betekenen als in­strument. Je zou dus haast geneigd zijn om te zeggen: je zou het kunnen vertalen met dragen. Een vat is een drager van bijvoorbeeld een vloei­stof. Maar als je spreekt van een voorwerp, dan ga je het teveel trekken in de sfeer van een object. Een object, waarop God zijn toorn gaat rich­ten. Maar je moet hier meer denken aan een vat, waar iets inzit. Zo wordt de farao tot een vat, waarin de toorn van God over de aarde gaat. Dat betekent dus niet zozeer dat God zegt: Ik heb een hekel aan die farao, maar meer, dat de toorn van God in die farao gestalte gaat krijgen op aarde. Zo wordt die farao dus tot een instrument.

De werktuigen van zijn gramschap

Er is ook een tekst, en dan kom ik toch ook wel op een heel merk­waar­dig punt, namelijk bij wat Jeremia zegt in verband met Babel. De HERE heeft zijn tuighuis (ook te vertalen: voorraadkamers) geopend en de wapens van zijn gramschap te voor­schijn gehaald, want dit is een werk voor de Here, de HERE der heerscha­ren, in het land der Chaldeeën. – Jer.50:25. Hier staat dan dat woord kene (in het meervoud). Je zou dus beter kunnen vertalen: ‘de instrumenten van zijn gramschap’. Of: ‘de werktuigen van zijn gramschap’. Dat is een wat breder begrip dan ‘wapens’. God gaat de strijd aanbinden met het systeem van Babel. In dat ver­band willen we letten op een tekst uit Micha, met betrekking tot die vaten van toorn. Des HEREN gramschap zal ik dragen – want ik heb tegen Hem gezondigd – totdat Hij mijn zaak verdedigt en mij recht verschaft; Hij zal mij uitleiden in het licht; ik zal aanschouwen, hoe Hij gerechtigheid oefent. – Micha 7:9.

In deze tekst staat een woord dat oneindig diep gaat. In Micha 7:9 staat dus: Hij zal mij uitleiden in het licht; ik zal aanschou­wen, hoe Hij gerechtigheid oefent’. Het valt hier dus op, dat het volk van God het voor­werp wordt, de dra­ger wordt, van de toorn (‘Des HEREN gramschap zal ik dragen’). Wat dat betreft moet je ook weer gaan zien, dat de dingen in de regel niet zo keu­rig in vakjes te verdelen zijn. Want hier in Micha 7 zien we dus, dat het volk van God drager wordt van de gramschap.

Jezus draagt de verwerping, juist als uitverkorene

Als je nu deze lijn gaat doortrekken, komt de vraag naar voren, hoe je dit dan op de Messias kunt betrekken. Jezus is de Uitverkorene, maar Hij draagt de verwerping. Uitgerekend de uitverkorene wordt drager van de toorn. Dat is het wonderlijke in heel het bijbelse denken, dat het zich allemaal gaat concentreren in die ene gestalte van Jezus, de Mes­si­as. Hij draagt de verwerping, juist als Uitverkorene. Hij draagt de gram­schap. En als Hij aan het kruis wordt gebracht, dan wordt daardoor het kwaad uit­­gedreven. Het kwaad werd letterlijk Jeruzalem uitgedreven, toen de Messias buiten de poort ging om te lijden. Daarom moest Hij bui­ten Je­ruzalem het lijden ondergaan. Zo werd het kwaad uitgedreven. Je ziet dus die wonderlijke paradox, dat op Golgotha de verkiezing en de verwerping helemaal zijn samengebald in die ene Messiaanse gestal­te. Want aan de ene kant zie je, dat aan het kruis het kwaad Jeruzalem wordt uitgedreven en uitgebannen. Maar aan de andere kant zie je, dat juist daar ook het kwaad het meest kwaad blijkt te zijn. We zien dus dat dubbele aspect: het kwaad wordt uitgedreven en het kwaad wordt ont­huld. Het toppunt van het kwaad is, dat de zondeloze mens, Jezus, ter dood gebracht wordt. Kwader kan het kwaad niet wor­den. Uit­­gerekend Degene die alleen maar goed gedaan heeft, krijgt het dood­vonnis. Daar blijkt nu het kwaad tot op de bodem kwaad te zijn. Juist daardoor wordt het kwaad op die manier ook totaal ontmaskerd. Je zou haast kunnen zeggen: het kwaad komt nu tot zijn volle rijpheid. Dat is dus ook wat die uitdrukking ‘voorwerpen des toorns’ inhoudt. Het is net alsof de geschiedenis ergens naar toe wordt gedreven, opdat de verborgen­heid van het kwaad totaal geopenbaard zal worden. Jezus zegt ook: laat het onkruid en het tarwe maar samen op­groei­en tot de oogst. Laat wat vuil is, nog maar vuiler worden, tegelijk wordt het zui­vere nog zuiverder. En dan zie je die beide aspecten zich toespitsen op Golgotha. Op Golgotha is het goede het meest goed; daar is het zui­vere op zijn zuiverst en daar is tegelijk het verderf in zijn meest intense kracht aanwezig. We zien daar dus ook het wonderlijke, dat de Messias de verwerping draagt. De verwerping wordt juist niet gedragen door de beulen, en de­genen die Hem aan het kruis brengen. Want Jezus gaat juist voor hen bidden, Vader vergeef het hun. We zien dan, dat aan het kruis de dingen niet meer keurig in vakjes ver­deeld zijn. Degene die het kwaad niet heeft gedaan, draagt de gevol­gen van het kwaad. Daarom is ook die theorie dat de joden Jezus ver­wor­pen hebben en daardoor ook allerlei ellende over zich heen krijgen, zo waan­zinnig. Dan heb je juist van het hele kruis niets begrepen. Waarvoor is Jezus dan aan het kruis gegaan?! Jezus is niet aan het kruis gegaan voor het vrome volk. Dat is een evangelie alleen voor de braven. De braven zeg­gen altijd: dat zou ik nooit gedaan hebben! Als het aan mij gelegen had, was het nooit gebeurd; ik zou Jezus de hand boven het hoofd gehouden hebben. Vanuit dat standpunt gezien wordt uitein­de­lijk alleen de Mes­sias gered.

De frustraties van Luther

Als er gezegd wordt: iedereen krijgt zijn verdiende loon en de Joden moe­­ten maar ondervinden wat de gevolgen zijn van hun verwer­ping van de Messias, heb je van het kruis niets begrepen. Hier en daar wordt toch nog steeds verkondigd: als je Messias verwerpt, krijg je de gas­ka­mer! Dat is wat onder andere het echtpaar Goeree nog steeds verkon­digt. Der­gelijke theorieën hebben in de loop van de geschiedenis vaak hun de­sastreuze gevolgen gehad. Luther was ook vreselijk teleurgesteld in de houding van de joden ten aanzien van zijn overtuiging. Luther dacht: ik heb nu weer het evangelie ontdekt, het evangelie van de vrije genade, en nu zullen de joden wel tot bekering komen. Maar de joden kwamen daardoor niet tot bekering en Luther raakte behoorlijk gefrus­treerd. Hij schreef toen het boek: ‘Von dem Juden und Ihren Lügen’. Luther heeft toen gezegd: dan moeten we hun synagogen maar in brand steken en hun boe­ken verbranden. Luther haalde dan die tekst aan uit 1 Tessa­loni­cen­zen 2: Daar zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud, waar­door zij te allen tijde (de maat) hunner zonden vol maken. De toorn is over hen ge­komen tot het einde. – 1 Tess.2:16.

Luther dacht: geen wonder dat de Joden niet tot geloof kwamen met al die Roomse dwalingen, maar nu we het ware evangelie weer hebben te­ruggevonden, zullen hun ogen wel geopend worden. Het was een grote teleurstelling voor Luther, toen dit niet het geval bleek te zijn. Hitler kon zo aanknopen bij uitspraken van Luther en andere kerkva­ders. Steeds komt in dit verband dus weer de uitspraak naar voren: de Joden hebben Jezus gekruisigd! In de loop van de geschiedenis hebben de Joden altijd de schuld gekregen, niet alleen van de dood van Jezus, maar ook van allerlei andere ellende en rampen die zich voordeden. Als de pest uitbrak, zei men: dat hebben de Joden gedaan! Dat was in de mid­­deleeuwen een gangbare gedachte. Elie Wiesel zegt ergens: als er twee volken oorlogvoeren, is er altijd één het slachtoffer en dat zijn de Joden. Wie er ook oorlog voert, één is er al­tijd die verliest en dat zijn de Joden. De Joden zijn altijd zwartgemaakt en geëtiketteerd.

De Messias draagt de verwerping. Jezus is aan het kruis gegaan, niet om te beschuldigen, maar juist om de schuld op te heffen. Dat gebeurde, toen wij nog vijanden waren, zoals Romeinen 5 zegt. Toen wij nog vijan­den waren, heeft Jezus de vijandschap gedragen. Anders haal je alle kracht uit het evangelie. Dus toorn in de bijbel is altijd de toorn van de hoop. De hoop dat dan in­derdaad het kwaad uitgedreven wordt. Goed en kwaad, rechtvaar­di­gen en onrechtvaardigen, braven en boosdoeners kun je niet keurig in vakjes plaatsen, maar leven en zijn met elkaar verstrengeld. Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe. In het evangelie zie je dat de roede juist op de rechtvaardigen komt, op de Rechtvaardige. De Messias krijgt de roe, Hij krijgt de klappen. ‘De slagen der mensenkinderen’ staat er zo treffend in het boek Samuël. Die slagen komen op Hem.

In de dood van de Messias vindt de slang zijn einde

In het Hebreeuws heeft het woord nachasj, het Hebreeuwse woord voor slang, als getalswaarde 358 (n=50; ch=8; sj=300). De slang is de bron van het kwaad, de slang komen we al in Genesis tegen. Nu is er nog een woord, met een getalswaarde 358, namelijk het woord Mesji­ach. En de Messias is het uiterste symbool van het goede. Je hebt dus de bron van het kwaad, de slang, en het eindpunt van het goede, de Mes­sias. Zo staat in Johannes 3: En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden. – Joh.3:14. Jezus werd verhoogd aan het kruis.

André Neher zegt: In heel de geschiedenis gaat het erom de slang te trans­formeren in de Messias. En dat gebeurt nu aan het kruis. De Zoon des mensen wordt aan het kruis genageld en dan wordt daar het kwaad gevonnist. Dat is het einde van de slang. In de dood van de Messias vindt de slang zijn einde. Aan het kruis sterft de Messias, maar het is ook het einde van het kwaad, het einde van de slang. Dat grijpt daar dus in elkaar. Hetzelfde zien we bij Esau. De getalswaarde van het woord Esau is 376. Het woord sjalom heeft ook als getalswaarde 376. Aan de ene kant is Esau het type van de tegenspeler, hij is de tegenspeler van Jakob. Esau is zelfs de grootvader van Amalek, en over Amalek niets dan kwaad. En toch komen Esau en sjalom op hetzelfde getal uit. Daar zie je hetzelfde principe als bij het kruis. Het kruis is het toppunt van het kwaad; daar wordt de ware Mens, de volmaakte Mens ten dode gebracht. Je zou haast kunnen zeggen: dat is de triomf van Esau. Nu heeft Esau het gewonnen. Want Esau is identiek met Edom. En als de rabbijnen over het Romeinse rijk spraken, zeiden ze: dat is Edom. Het Romeinse Rijk was dus identiek met Edom. Dus bij het kruis heeft Rome het gewonnen, die geleden heeft onder Pontius Pi­latus. En ook koning Herodes speelde hier zijn rol; Herodes was een Edomiet. En toch: het kruis is onze sjalom. Hij is onze vrede. Deze aspecten en deze grootheden kun je dus niet keurig in twee vakjes verdelen. En dan zie je tegelijk, dat God van meetaf aan daarmee bezig is geweest. Als je je dan afvraagt hoe je daarin dan heel de geschiedenis van Israël met al zijn offers, en heel dat gebeuren bij de Sinai moet plaatsen, dan kom je tot de conclusie dat God van meetaf aan bezig is geweest om dat kwaad uit te drijven. Dat werd ook uitgebeeld door al die offers. God heeft van meet­af aan één lijn voor ogen gehad. En die lijn komt telkens weer terug, in Jakob en Esau, in heel dat gebeuren bij de Sinai, als ze de woorden van God, de Torah, ontvangen. En uiteindelijk heeft de Messias heel de To­rah op zich genomen. Het wonderlijke is, dat Hij ook heel die vloek van de Torah op zich neemt. En zo wordt Hij tot een vervloekte. En juist daar­­in brengt Hij de zegen. Al die offers hebben daar­heen gewezen. Bij de offers zie je de totale beschikbaarheid van de dieren, iets waar de men­­sen vaak niet aan toekwamen. En uiteindelijk komt daar het Lam van God, dat totaal beschikbaar is. Dus de Uitverkorene wordt verworpen tot in de dood en draagt op die manier de verwerping van allen. God werd uiteindelijk door het kwaad niet van zijn plan afgebracht, maar God heeft zijn plan doorgezet. In de gestalte van de Messias wordt heel de verwerping en heel de uitverkiezing samengebracht. Hij wordt de Verworpene, maar hij is tegelijk de Uitverkorene. Hij draagt onze ver­werping en Hij is onze vrede. Zo overwint God het kwaad, Hij drijft het uit, buiten Jeruzalem, om juist zo tot zegen te kunnen zijn voor gans Jeruzalem. Zo heeft de Messias heel de zegen en heel de vloek gedragen; om Mens te zijn met de men­sen en om te vervullen wat niemand kon dragen. Zo heeft Hij de maat volgemaakt en alle gerechtigheid vervuld.

Om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken

Juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid? – Rom.9:23. Uit deze tekst blijkt ook weer dat God altijd een doel voor ogen heeft. Het doel van God is de heerlijkheid. Bij heerlijkheid kun je denken aan het Hebreeuwse woord kabod. Het woord kabod kan ook vertaald wor­den met lichtglans en ook met gewicht. Hierbij kun je ook denken aan het woord sjechinah. God wil zich juist in de ballingschap openbaren, juist in de uithoeken van het bestaan. ‘De rijkdom van zijn heerlijkheid’ staat er dan. In de Joodse traditie wordt gezegd: ballingschap is een opdracht. Ballingschap betekent dus niet dat je zomaar geworpen bent in het bestaan, maar ballingschap heeft een zin. Zoals een liedregel ook zegt: ‘Wat Hij bedoelt, dat rijpt tot zin’. Dat is ook die heerlijkheid, want heerlijkheid is vaak heel verborgen. Maar in die verborgenheid wordt het om zo te zeggen geprepareerd, toebereid. Dat is het wonderlijke, dat God incognito bezig is iets klaar te maken. Dat begint bij die rest. Dat is ook één van die lijnen die we in Romeinen 9 gezien hebben: steeds is er sprake van een overblijfsel, een rest. Maar in die rest zit tegelijk de verwachting, dat er nog heel wat te voorschijn zal komen. Wat dat betreft knoopt Paulus ook weer aan bij gedachten van Jesaja, zoals we nog zullen zien. Wie heeft God nu toebereid:

En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. – Rom.9:24.

Dus uit Jood en heiden komt het volk van God te voorschijn. Ze worden geroepen overal vandaan, uit het donker, uit de nacht. En als God roept, gaat er wat gebeuren. Zo was het ook in den beginne, God heeft geroe­pen.

Ik zal niet-mijn-volk noemen mijn-volk

Gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen (in de Hebreeuwse tekst is sprake van ‘roepen’): mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde. – Rom.9:25.

Dan zal Ik haar voor Mij zaaien in het land, en Mij ontfermen over Lo-Ru­cha­­ma, en tot Lo-Ammi zeggen: Gij zijt mijn volk. En hij zal zeggen: Mijn God! Hos.2:22. Lo-Ru­cha­ma betekent eigenlijk: ‘de niet ontfermde’, (Lo = niet) dus dege­ne die geen ontferming heeft gekregen. Deze namen hangen dus samen met de kinderen van Hosea. Hosea krijgt drie kinderen, zoals er in het eerste hoofdstuk staat.

Het eerste kind heet Jizreël, wat betekent ‘God zal zaaien’.

Het tweede kind, een dochter, heet Lo-Ru­cha­ma, wat betekent ’niet ontfermde’; Ik zal mij niet meer ont­fer­men over het huis Israëls.

Het derde kind heet Lo-Ammi, wat be­tekent ‘niet mijn volk’. Daar wordt dan in wezen het ver­bond opgeheven, het volk-zijn wordt opgeheven. Het opheffen van het verbond is een tijdelijke zaak. Want God heeft een eeuwig verbond met de schepping en met de mensen, en dat blijft over­eind. En uiteindelijk zie je, dat God dat verbond ook weer gaat her­stellen. Wat in wezen gebeurt, hier in Hosea 1 en 2, betekent dat wat in Exo­dus 3 wordt gezegd, opgeheven wordt. Want in Exodus 3 zegt God: ‘Mijn volk’ en daar zegt God: ‘Ik ben die Ik ben’. Het is dus heel merkwaardig, dat er in Hosea 1 staat: Toen zeide Hij: Noem hem Lo-Ammi, want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn. – Hos.1:9. En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn’. – SV. Letterlijk staat er dus: ‘Gij zijt Lo-Ammi (niet mijn volk) en Ik zal niet meer zijn ‘Ik ben’. Dus wat God tegen Mozes zei: ‘Ik ben’, wordt in feite ingetrokken. Maar het gaat hier over een tijdelijk zich terugtrekken. Ik denk dat je toch moet vasthouden: toch overwint eens de genade. Want dan zien we aan het eind van Hosea 2 dat er een herstel zal zijn. En dat is waar Paulus ook bij aanknoopt. Aan het eind van vers 21 komt de naam Jizreël weer naar voren.

En de aarde zal het koren, de most en de olie verhoren, en die zullen Jizreël ver­horen. – Hos.2:21.

Het slagveld wordt weer tot zaaiveld

Vers 22 zegt dan: Dan zal Ik haar voor Mij zaaien in het land.

Dat zaaien zinspeelt dan weer op de naam Jizreël, die betekent ‘God zaait’. Dus God gaat weer zaaien. Daar zit dus een heel diepe beeld­spraak in. Het is altijd weer begonnen met zaaien. Zaaien doet denken aan dat onvruchtbare land, die akker waar het allemaal tevergeefs was. Maar God zegt: Ik zal zaaien! Het merkwaardige is, dat Jizreël in de loop van de geschiedenis de vlak­te is geworden, waar zoveel oorlogen zijn gevoerd. Jizreël was van een zaaiveld tot een slagveld geworden. Maar nu wordt het slagveld weer tot zaaiveld. Dat is die prachtige thematiek van Hosea. Waar ze elkaar altijd hadden afgemaakt, komt nu weer iets tot groei en bloei. De vlakte van Jizreël is ook hetzelfde als Megiddo, en dat wordt in het boek Open­baring tot Harmagedon. Uitgerekend daar, waar altijd het bloed ge­vloeid had, daar wordt het zaad gestrooid. Daar zal geen bloed meer vloeien, maar daar zal zaad zijn op de akker.

Toen zeide Hij: Noem hem Lo-Ammi, want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn. – Hos.1:9. Ik denk dat je hier moet zeggen, dat het verbond tijdelijk buiten werking wordt gesteld. Dat eeuwige verbond blijft overeind. Uiteindelijk zie je dus dat God dat verbond ook weer gaat herstellen. Van Gods kant is het herstel gekomen.

1. Na de ballingschap.

2. Met de komst van Jezus.

Jezus zegt bij het avondmaal, waar Hij brood en wijn rond laat gaan: ‘dit is het nieuwe verbond (eigenlijk: het vernieuwde verbond) in mijn bloed’. Dan zal Ik haar voor Mij zaaien in het land, en Mij ontfermen over Lo-Ru­cha­­ma, en tot Lo-Ammi zeggen: Gij zijt mijn volk. En hij zal zeggen: Mijn God! – Hos.2:22.

Dat is dus een mooie woordspeling: ontferming over de niet ontfermde. En tot Lo-Ammi zal ik zeggen: Ammi, mijn volk. Dus daar wordt bij mon­de van Hosea de oude breuk opgeheven. Alleen, daar zitten vele da­­gen tussen. Dat wordt er ook bij gezegd. Maar ik denk, dat zo’n pro­fetie ook meer dan één ver­vulling heeft. ’En hij zal zeggen: Mijn God!’ Het gesprek komt weer op gang. Dit gegeven vind je weer terug bij het avondmaal Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot ver­ge­ving van zonden. – Matt.26:28. Nu moet je dit toch wel enigszins anders vertalen. Uit deze tekst van het NBG krijg je de indruk, dat Jezus een verbond heeft, omdat er staat ‘mijn verbond’. Maar zo‘n uitdrukking moet je als één geheel beschouwen. Letterlijk staat er dus: Dit is mijn verbondsbloed, dat vergoten wordt tot vergeving van zonden voor de velen.

Jezus zegt bij het avondmaal: Dit is het nieuwe verbond (eigenlijk ‘vernieuwde verbond’) in mijn bloed’. Het gaat dus om het verbondsbloed van Jezus. Het bloed van Je­zus be­ze­gelt, ratificeert, het nieuwe verbond. Het is dus het verbonds­bloed van Jezus en het verbond van God. Het verbond van God dat op­nieuw bekrach­tigd wordt door het bloed van Jezus. Dat bloed is inclusief, voor de velen, voor alle volkeren. Hosea geeft in het derde hoofdstuk ook helemaal dat perspectief, als hij zegt:

Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren

Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. – Hos.3:4.

Maar dan zegt vers 5: Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HERE, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de HERE en tot zijn heil – in de da­gen der toekomst. – Hos.3:5. Hier staat een heel frappante uitdrukking, daar staat letterlijk: ‘Ze zullen beven naar de HERE toe en naar zijn goedheid in het achterste (‘laat­ste’ of ‘uiterste’) der dagen’.

In het Hebreeuwse denken wordt de toekomst beschouwd als het ach­terste van de dagen. De toekomst ligt dus niet vooraan maar achteraan. De toekomst ligt helemaal achteraan in de tijd. Het Hebreeuwse denken zegt: de toekomst ligt achter me, het verleden ligt vóór me, want dat zie ik voor ogen, dat zie ik vóór me liggen. Maar de toekomst is achter je, want die volgt jou. Dat is ook wat Jezus zegt: deze tekenen zullen de ge­lovigen volgen, die liggen ook in de toekomst. Het achterste der dagen is dus wat helemaal achteraan komt, dan krijg je dus de wederoprichting van alle dingen. Dankzij het verbondsbloed van de Messias. Gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen (in de Hebreeuwse tekst is sprake van ‘roepen’): mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde. – Rom.9:25.

Daarom rom­melt mijn ingewand over hem

Bij Paulus is de volgorde dus anders dan bij Hosea. Paulus begint met het volk en dan komt Lo-Ru­cha­ma. Dat sluit ook weer aan bij het woord rachamim. Het woord rachamim is ook weer verwant met ruchama. Hierbij moe­ten we niet letten op de klinkers, want die doen niet mee. De stamletters zijn dus: r-ch-m. Rachamim betekent ontferming, en ruchama betekent ontferm­de. Het woord rachamim hangt samen met het woord rechem, moe­der­schoot. Het gaat dus om de innerlijke bewogenheid van God. God is in­tens bewogen met het lot van de mensen. God kan de mensen niet ver­geten. Het He­breeuws heeft daar een merkwaardig uittdrukking voor: mijn ingewand rom­melt. Dat wordt bijvoorbeeld over Efraïm gezegd in Jeremia.

Is Efraïm Mij een lievelingszoon, een troetelkind, dat Ik, zo vaak als Ik van hem spreek, gedurig weder aan hem denken moet? Daarom is mijn binnenste over hem ontroerd, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, luidt het woord des HE­RENJer.31:20.

 Is niet Efraim Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rom­melt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE. SV.

Dus dat is die innerlijke barmhartigheid, waarbij God bewogen is over zijn mensen. Hij kan het niet over zijn hart verkrijgen om de mens aan zijn lot over te laten. Dus Paulus heeft het eerst over de voorwerpen van de ontferming en dan kun je je helemaal voorstellen, dat bij hem vanuit zijn kennis van de profeten dan als vanzelf Hosea te binnen schiet. Hij zegt: zie je nu wel, Hosea zei het ook al. De ene tekst roept de andere op. Zo waren ook de rab­bijnen gewend om met de schrif­ten om te gaan. Zij zeiden: we gaan van de Torah naar de profeten en van de profeten weer naar de Torah. En dan schieten er allerlei vlammetjes over. Net als bij Pinksteren: alle­maal tongen als van vuur. Op een gegeven ogenblik zegt er iemand zelfs: Gaan jullie nu mijn huis in brand steken? Nee, zeggen die rabbijnen, we waren alleen maar bezig om van de ene tekst naar de andere te gaan. En dan springt er wat over. Zo was ook Jezus bezig om de Schriften uit te leggen en de Em­ma­üs­gangers zeggen dan: Was ons hart niet brandende in ons?! Toen be­gon­nen er ook vonkjes over te springen. Dus als Paulus bezig is met die voor­werpen van de ontferming, dan kun je je voorstellen dat hij met­een aan Hosea denkt. Hij noemt hier dan wel de tekst erbij, maar hij had bij wijze van spreken ook kunnen zeggen: een goed verstaander heeft maar een half woord nodig. Hosea, weet je wel! En dan antwoordt ie­dereen: Ja natuurlijk man, Hosea! De medeklinkers maken dus de dienst uit. De meeste Hebreeuwse woor­­­­den hebben drie stamletters. Dus in dit geval: de stam racham. Dat vind je dan weer terug in ruchama. Dan staat er ook zo mooi in Hosea 2:22: rechanti:  Dan zal Ik haar voor Mij zaaien in het land, en Mij ontfermen over Lo-Ru­chama, en tot Lo-Ammi zeggen: Gij zijt mijn volk. En hij zal zeggen: Mijn God! – Hos.2:22. En Ik zal mij ontfer­men. Dus Paulus zegt: ook als het gaat om die farao, ook als het gaat om die diepe ballingschap, dan toch heeft God die ont­ferming voor ogen (het gaat hier om Romeinen 9:25). gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde. – Rom.9:25.

Paulus zegt: zelfs als het door de nacht heen gaat, ge­beurt dat toch om die ontferming eruit te laten ko­men. En als het volk daar dan vele dagen zonder koning en zonder vorst moet zitten, dan heeft ook dat ten doel om die ontferming uiteindelijk ten volle te laten doorwer­ken. Je zou kun­nen zeggen: dat is ook de zegen van de woestijn. Hosea zegt: we gaan gewoon weer terug naar de woestijn, terug naar af. Daar gaat het helemaal opnieuw beginnen.

Zij zullen genoemd worden: zonen van de levende God

En het zal geschieden ter plaatse, waar tot hen gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd (geroepen) worden: zonen van de levende God. Rom.9:26. Ook dit is weer een citaat uit Hosea. Eens echter zullen de kinderen Israëls talrijk wezen als het zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot hen gezegd wordt: Gij zijt mijn volk niet – zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God. Hos.1:10. ter plaatse

Op dezelfde plaats, dus ook in dat dal van Jisreël. Juist op de plaats waar het slagveld was. Juist op de plaats waar de breuk zich voltrok. Juist op die plaats waar het zo donker was. Dat is tegelijk ook een heel diepe belofte. Je zou kunnen zeggen: op dezelfde plaats waar God zijn volk ontslag geeft, zal ook het herstel komen. Dan ontdek je ook weer die lijn, dat juist de ballingschap weer de plaats wordt van het herstel. In dat verband staat ook nog een prachtige tekst in Micha: Krimp ineen en schreeuw het uit, dochter Sions, als een barende; want thans zult gij uittrekken uit de stad en verblijven op het veld, en gij zult naar Babel komen. Daar zult gij bevrijd (ontrukt) worden; daar zal de HERE u verlossen (lossen) uit de macht van uw vijanden. – Micha 4:10. ‘Daar’ staat er, uitgerekend waar je het niet zou verwachten. Vaak wordt gezegd: in Babel kan God niets doen. Maar juist in Babel ko­men de ba­rensweeën. Daar zult gij verlost worden, daar zult gij gelost worden. We zien hier het beeld van de losser. Eerst ‘ontrukt’ aan Babel, dat eerste woord betekent namelijk ontrukken. Het tweede woord betekent los­sen. Ook in de Hebreeuwse tekst staat er twee keer het woord ‘daar’. Dus daar gaat het gebeuren, uitgerekend in Babel zal de bevrijding ge­schie­den. Daar wordt God opnieuw de Losser van zijn volk. Je kunt dus niet zeggen dat er in Babel niets kan gebeuren. Gods hand reikt nog een stuk verder. Het gegeven van de woestijn vinden we ook weer terug in het boek Open­baring. Ook in Hosea wordt de woestijn weer genoemd.

Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn, en spreken tot haar hart. – Hos.2:13.

God begint opnieuw met zijn volk. De begrippen woestijn en balling­schap schuiven als symboliek vaak in elkaar. Je moet daar kennelijk dan wel doorheen. Het is dus geen goedkope op­lossing. Het is dus niet: God haalt je er wel uit. Soms is dat wel eens wat erg oppervlakkig gepredikt. Kom maar tot Jezus en weg zijn alle pro­blemen. In de praktijk blijkt dat echter wel wat anders te liggen. Het evan­gelie betekent niet altijd rozengeur en maneschijn, maar gaat ook vaak gepaard met storm en ontij. De christen kan soms door heel wat diepten heen gaan. Wat dat betreft is de bijbel ook heel realistisch. Tegen­slagen en moeilijkheden worden niet ergens weggemoffeld, maar juist daarin komt de heerlijkheid van God je tegemoet. Daarin gaat Hij met je mee, door woestijn en ballingschap heen. De weg door de woestijn en door de ballingschap is niet zonder doel. Nu moet je hierbij niet van het standpunt uitgaan: God brengt je in de bal­lingschap, omdat dat goed voor je is. Dat is wel een enigszins riskan­te ge­dach­te. Ook niet in de zin van: God gaat je allemaal examens afne­men. Lijden moet je niet trekken in de sfeer van examens. Maar het is wel zo, dat God zegt: als je daar dan in ballingschap bent, dan gaan we er wat van maken. Hij geeft er een zin aan, samen met jou. En op die ma­nier kan Hij zelfs samen met de mensen een zin geven aan het zin­lo­ze. Dat is het wonderlijke, dat God alle dingen doet medewerken ten goe­de, voor degenen die Hem liefhebben.

Balling­schap – verstrooiing en uitzaaiing

Aan de ballingschap zit natuurlijk een dubbel aspect. Aan de ene kant is het een gevolg van ongehoorzaamheid, aan de andere kant is balling­schap ook een opdracht. Je kunt zeggen: juist door de ballingschap komt dat volk van God overal, want ze worden uitgezaaid. Daar zit dus een zegen in. In Handelingen 8 wordt beschreven hoe er voor de gemeen­te een tijd van vervolging aanbreekt, waardoor heel die eerste gemeente wordt uitge­strooid. Alleen de apostelen blijven in Jeruzalem. Op zich was dit na­tuur­lijk dus iets negatiefs en toch blijkt het een positieve uit­werking te hebben. Het was natuurlijk wel fijn om daar allemaal heer­lijk bij elkaar te blijven, maar de gemeente is het zout der aarde. Dat zout moet dus wel de aarde in. Je moet niet heerlijk bij elkaar blijven zit­ten en zeggen: o, wat zijn we toch heerlijk zout. En dan zingen: in het zoutvat is het schoon, waar men zingt op blijde toon. Wat hebben we het toch heerlijk zout bij elkaar. Maar dan wordt het zoutvat gepakt en het zout wordt uit­gestrooid. God zegt dan ook: Ik zal jullie uitzaaien on­der de volkeren. Wel zaai Ik hen onder de volken, maar in verre streken zullen zij aan Mij den­ken; zo zullen zij leven met hun kinderen, en terugkeren. – Zach.10:9.

Op die manier komen ze overal. Het volk van God komt tot de uitersten der aarde. Op die manier komt Gods volk in de diaspora. Diaspora bete­kent niet al­leen verstrooiing, maar ook uitzaaiing. Zo heeft de balling­schap dan toch een zin. Overal waar die ballingen komen, komt God. God gaat im­mers mee, het wonderlijke is juist dat God meegaat. Zo­als een va­der die zijn zoon, die de deur uit is gelopen, achterna gaat. God gaat mee om zijn volk weer terug te vinden. En daar zult gij bevrijd wor­den.

Een rest zal behouden worden

En Jesaja roept over Israël uit: Al was het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, het overschot zal behouden worden; – Rom.9:27.

Zand is hier ook weer beeld van de verstrooiing. Zand heeft in het He­breeuwse denken ook iets van het structuurloze. Het hangt als los zand aan elkaar. ‘Overschot’ klinkt enigszins negatief; we kunnen beter spre­ken van ‘overblijfsel’, zoals ook de Statenvertaling doet. En Jesaja roept over Israel: Al ware het getal der kinderen Israels gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden. – SV. Een rest zal behouden worden. Dat is ook weer de gedachte vanuit de pro­­feten. In de profeten wordt er vaak gesproken over de rest. want wat Hij gesproken heeft, zal de Here doen op de aarde, volledig en snel. Rom.9:28.

Want Hij voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.SV. Dit is een citaat uit Jesaja. Als bijbelschrijvers een bepaalde tekst citeren, dan betrekken ze in ge­dachten het hele verband erbij. Als Jezus aan het kruis Psalm 22 aan­haalt, dan heeft Hij dus die hele psalm in gedachten gehad. Niet alleen: mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten, maar ook de rest van die psalm. Dus tot en met het einde, dat toch ook weer spreekt van een opstanding.

Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn ver­lossing, bij de woorden van mijn jammerklacht? – Ps.22:2.

zij zullen zijn gerechtigheid verkondigen aan het volk dat geboren zal wor­den, omdat Hij het gedaan heeft. – Ps.22:32.

In Romeinen 9:28 wordt dus Jesaja geciteerd. En het zal te dien dage geschieden, dat de rest van Israël en wat van Jakobs huis ontkomen is, niet langer zullen steunen op hem die ze sloeg, maar in waar­heid steunen zullen op de HERE, de Heilige Israëls. – Jes.10:20.

Hier wordt ook gesproken over die rest. Dat is ook een van die kernmo­tie­ven bij Jesaja. Ze zullen dus niet meer steunen op Egypte, op een ti­ran, maar ze zullen steunen op Adonai.

Een rest zal zich bekeren, de rest van Jakob, tot de sterke God. – Jes.10:21.

Het overblijfsel zal wederkeren, het overblijfsel van Jakob, tot den sterken God! – SV.

Want, al ware uw volk, o Israël, als het zand der zee, een rest daaronder zal zich bekeren; verdelging is vast besloten, overvloeiende van gerechtigheid. Jes.10:22. ‘Een rest zal zich bekeren’ – (Sear-Ja­sub). Het wonderlijke is, dat Sear-Ja­sub ook de naam is van een van de zonen van Jesaja. In Jesaja 7 wordt beschreven dat Jesaja zijn zoon die naam moet geven.

Ga Achaz tegemoet, gij en uw zoon Sear-Ja­sub

Toen zeide de HERE tot Jesaja: Ga Achaz tegemoet, gij en uw zoon Sear-Ja­sub, naar het einde van de waterleiding van de bovenste vijver, naar de weg van het Vollersveld, – Jes.7:3.

Jesaja moet hier naar de goddeloze koning Achaz gaan. Jesaja gaat naar de koning toe met dat jochie aan zijn hand. De naam van het kind houdt de hele prediking in: een rest keert om (keert terug, bekeert zich). Wel­licht heeft de koning naar de naam van het jochie gevraagd. Als hij dan de koning zijn naam noemt, is dat tegelijk een prediking. Jesaja hoeft bij wijze van spreken verder niets te zeggen. Tegelijk zit er in de naam van dat jongetje een belofte. Paulus pakt die gedachte over die rest hier weer op. In Jesaja wordt be­schreven dat die rest terugkomt. In Jesaja 10 wordt dat enkele keren ge­zegd. En het zal te dien dage geschieden, dat de rest van Israël en wat van Jakobs huis ontkomen is, niet langer zullen steunen op hem die ze sloeg, maar in waar­heid steunen zullen op de HERE, de Heilige Israëls. Een rest zal zich bekeren, de rest van Jakob, tot de sterke God. – Jes.10:20,21.

Dit gegeven wordt ook op een bijzondere manier beschreven in Jesaja 6. Is daarin nog een tiende deel, dan zal dit weer verwoest worden. Evenals van een terebint en een eik na het vellen een tronk overblijft, zo zal zijn tronk een heilig zaad zijn. – Jes.6:13.

Die tronk is dus een zaad. Letterlijk staat er: ‘zaad der heiliging’. Er komt dus weer nieuw leven uit dat zaad. Die tronk wordt dus de kiem van het nieuwe leven. Als we spreken over een rest is bij ons de algemene ge­dachtegang wat ongunstiger. We denken dan aan een restant, een rest­­je; restanten die in de uitverkoop gaan. Een rest wordt bij ons vaak op­ge­ruimd. Maar bij God is de rest iets heel positiefs. Die rest vormt het zaad van het nieuwe leven. Elke keer als je Jesaja ziet lopen met dat kind aan de hand, kun je zeggen: God is er nog! Dat kind spreekt boek­delen. Of hij nu zo blij met die naam is geweest, is een ander punt. Jesaja zegt: die kinderen zijn mij tot tekenen en zinnebeelden.

want wat Hij gesproken heeft, zal de Here doen op de aarde, volledig en snel. Rom.9:28.

Want Hij voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.SV.

In deze tekst gebruikt Paulus een soort alliteratie. Hij zegt: te pelo, (=vol­tooid) kais te termo. Klankmatig lijken die woorden dus veel op elkaar. Sup pelo betekent voltooien en sup teno betekent letterlijk samensnij­dend. Je zou haast kunnen zeggen: je gaat het samenvatten, conclude­ren, com­pact maken. Als je dat dan in de tijd opvat, betekent dit dus, dat je dat in een compacte tijd gaat doen. Vandaar dat de tekst ook spreekt van volle­dig en snel. Als God dan tot zijn doel komt, dan pakt Hij het samen, dan gaat Hij zijn krachten bundelen. Hij gaat zijn plan concen­tre­ren. Dat is dus wat Paulus hier aangeeft.  En gelijk Jesaja tevoren gezegd had: Indien de Here Sebaot ons geen zaad over­­­­gelaten had, als Sodom zouden wij geworden zijn en aan Gomorra zouden wij gelijk gemaakt zijn. – Rom.9:29.

Dat is dan een aanhaling uit Jesaja 1. Indien de HERE der heerscharen ons niet enige weinige ontkomenen had over­­­gelaten, waren wij als Sodom geworden, aan Gomorra gelijk. – Jes.1:9. We zien hier weer opnieuw, dat er twee woorden zijn waar het om gaat, over­laten en zaad. Indien de Here ons geen sperma had overgelaten, dan zou­den wij geworden zijn als Sodom en Gomorra. Dus God laat nog een kiem over. In het begin van Jesaja wordt het schitterend in nog een an­der beeld onder woorden gebracht. Er staat in vers 10: Hoort het woord des HEREN, bestuurders van Sodom; neigt uw oor tot de on­­derwijzing van onze God, volk van Gomorra. – Jes.1:10.

En dat wordt tegen Jeruzalem gezegd. Maar toch blijft er iets over. Het wordt zo prachtig in Jesaja 1 gezegd: En de dochter van Sion is achtergebleven als een hut in een wijngaard, als een nachthut in een komkommerveld, als een belegerde stad. – Jes.1:8.

Als een nachthut in een komkommerveld

En de dochter van Sion is achtergebleven als een hut in een wijngaard, als een nachthut in een komkommerveld, als een belegerde stad. – Jes.1:8. De dochter van Sion is achtergebleven, of beter: overgebleven. Dus er blijft iets over, een hutje, slechts dat hutje. Er staat ook letterlijk het woord sukkah voor het woord hut. Een sukkah is ook een loofhut. Dus er blijft een loofhut over. De dochter van Sion blijft over als een loof­hut­je. En dan denk je: wat stelt dat nu helemaal voor, een loofhutje! Ja, zegt God, maar let op de kleine dingen. Zo is het vandaag de dag ook vaak nog. In de zichtbare wereld kan het volk van God soms lijken op een loof­hutje, die kleine hutjes op het uitgestrekte veld, op het komkommer­veld. Maar toch, die sukkah en dat mesolah, dat nachtverblijf, zoals er ei­gen­lijk staat, dat is dan wel eens als een belegerde stad. Aan alle kan­ten de vijanden rondom, en toch….. dat loofhutje is een teken dat naar Gods toekomst wijst. Want de gemeente is vaak in de wereld als een klein hut­je, en toch…. in dat kleine hutje begint het heil, daar begint de vic­torie. Veracht de kleine dingen niet. God ziet toch vaak de weg van het zwakke. En in het kleine gaat Hij zijn grootheid openbaren. Nu komt Paulus tot een conclusie in vers 30: Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is; Rom.9:30. Ze hebben er niet naar gejaagd, maar ze kregen het wel. doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. – Rom.9:31. Waarom niet: omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar – en nu ver­taal ik even letterlijk – maar als uit werken.

Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots

Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeen­de werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, – Rom.9:32.

Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet, want zij hebben zich gestoten aan den steen des aanstoots;SV.

Ik denk dat het NBG dan weer een wat te grote sprong maakt, door­dat ze dan vertalen met: vermeende werken. Dat is wel een erg tendentieuze op­merking. Er staat letterlijk: maar als uit werken. Of dat dan vermeende werken waren, is een andere vraag. Het punt is alleen maar, waar je het van verwachten gaat. Je moet het niet van prestaties verwachten. Dat heeft Israël trouwens ook niet altijd gedaan.

Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, – Rom.9:32. gelijk geschreven staat: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.  v.33.

Dat is dat prachtige gedeelte uit Jesaja 28. Voor ergernis staat het woord skandalon, dat valstrik of struikelblok kan be­tekenen. Het probleem is dat het NBG dat vaak weergeeft met ‘er­ger­nis’. Het is echter een wat concreter woord. Het is afkomstig uit Jesa­ja 8: Dan zal Hij tot een heiligdom zijn, en tot een steen, waaraan men zich stoot, en tot een rotsblok, waarover men struikelt, voor de beide huizen van Israël, tot een klapnet en tot een valstrik voor de inwoners van Jeruzalem. Jes.8:14.. Hierbij moeten we er dus ook weer van uitgaan, dat dit een positieve be­te­kenis heeft. Als iemand steeds maar loopt te rennen en hij valt over een struikelblok, dan is hij in ieder geval een keer tot stilstand gekomen. En misschien ook tot bezinning. Het hangt er natuurlijk een beetje van af hoe je terechtkomt. Toch moeten we hierin wel de positieve zin verstaan. Dat struikelen heeft dan toch weer de bedoeling om de mens te berei­ken. Het is God er niet om te doen om die mens te laten vallen, of ten val te brengen, maar wel dat hij tot bezinning zal komen. Hij moet niet eindeloos blijven doorrennen als een hardloper of een doodloper. Het is de bedoeling dat die hardloper op die rots terecht zal komen. Want dat staat er dan ook in vers 33: ‘en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet be­schaamd uitkomen’. Je zou haast zeggen: als je nu op die rots schipbreuk lijdt, bouw dan op die rots je geloof. Als de mens dan op die rots strandt, laat hij dan daarop gaan bouwen. Op die manier wordt het dan toch nog een gezegend struikelen, een gezegend stranden. Als je strandt op een rots, kan dat soms beter zijn dan maar eindeloos door te blijven va­ren.

Het begrip ‘ergernis’ in deze teksten betekent niet zozeer irritatie, dat is wat wij er meestal onder verstaan, maar iets wat je ten val brengt, iets wat een struikelblok voor je wordt. En het is zaak om dat af te kappen, zelfs als het daardoor je hand of je voet kost. Soms moet je iets wat heel positief lijkt, afkappen ter wille van het Koninkrijk van God. Soms is er iets in je leven waarvan je zegt: daar kan ik mooi mee uit de voeten of dat is toch wel erg handig, maar als het een blokkade voor je vormt, als het tot een struikelblok wordt om het Koninkrijk van God in te gaan, dan zegt Jezus: stoppen die handel en die wandel! Alles wat je afremt om je bestemming te bereiken voor God, daar moet je korte metten mee maken. Anders blijf je wel lopen en je blijft wel van alles doen, maar het zijn allemaal dingen, die je in wezen afhouden van datgene waar het ei­gen­lijk om gaat. Afhouden van datgene waar God je in wil plaatsen, de be­stem­ming die Hij voor je heeft. Daar wordt ook in Romeinen 10 over gespro­ken.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

390910 bezoekers sinds 07-06-2010