De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 18

12-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

HOOFDSTUK 9

Ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer

Het begin van Romeinen 9 zegt: Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de heilige Geest. – Rom.9:1. ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. – v.2. Het is in de eerste plaats al heel belangrijk om even de toon te horen waar­­mee Romeinen 9 begint. Ik heb het gevoel dat dat vaak over het hoofd wordt gezien. Romeinen 9 is niet een stuk leerstelligheid, Pau­lus geeft daar niet een systematische theologie over Israël en over de uit­ver­­kiezing, maar het is eigenlijk een klaaglied. Ook psalm 44 is zo’n klaag­­­lied en klinkt ook nog helemaal door in Romeinen 9. Paulus spreekt hier over een voortdurende pijn in het hart. Het is niet zomaar een theorie die Paulus hier gaat opzetten. Paulus zegt: ik spreek de waarheid (emet – betrouwbaarheid) in de Mes­sias. Emet is een relatiebegrip; het heeft meer de nuance van waar­ach­tigheid. Dat betekent dat je waarachtig bent ten opzichte van jezelf en ten opzichte van je naaste.

Ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. – v.2. Letterlijk: ‘Ik heb een onophoudelijk verdriet in mijn hart’. Dat is iets wat ik zo vaak mis in allerlei theorieën. Mensen kunnen soms een staalharde theorie ontwikkelen over de uitverkiezing, maar waar is dan dat voortdurende hartzeer waar Paulus het over heeft! Als je werke­lijk gelooft dat mensen van eeuwigheid af verworpen zouden zijn, zou je vol tranen moeten schieten. Dan zou je inderdaad een ongelofelijk groot verdriet moeten meedragen in je hart. Dat kun je niet zomaar met een zakelijk gezicht gaan verkondigen. Dat moet dan ook een stempel gaan zetten op je hart en op je gedachten. Ook over de toekomst van Israël kun je niet gewoon een zakelijke theo­rie gaan verkondigen, maar daar komen we later nog op terug. Dat is ook mijn grootste bezwaar tegen heel veel eindtijdvisies, ze zijn mij veel te za­kelijk. Romeinen 9 is een heel emotioneel gedeelte. Als je de emotie uit de bijbel haalt, kun je hem wel sluiten. Dan wordt het een stalen the­o­rie, dan wordt het louter informatie. Maar de bijbel is geen infor­ma­tie­boek, het is geen informatie, maar formatie. Het gaat er niet om dat je geïnformeerd wordt, maar dat je geformeerd wordt. Je wordt gevormd in je denken. Dus bij de uitleg van Romeinen 9 moet de emotie van Paulus er wel helemaal in meeklinken. Paulus spreekt over die smart, over die pijn, want hij zegt: Mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees

Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees. – Rom.9:3.

Paulus spreekt hier van mijn broeders. Dat is niet zomaar een aan­spraak, maar het is een sleutel tot het volgende; dit gedeelte wordt een broeder­verhaal. Als je dat woord broeder hoort, begint er in de bijbel en in het bijbelse denken altijd iets te vonken, dan springen er vonken over. Als je zegt mijn broeder, dan ben je al niet meer alleen zakelijk bezig. Dan spreek je over Jakob en Esau, Kaïn en Abel, dan komen al die broe­der­ver­halen in beeld. Dus: ‘mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees’. Dan gaat Paulus een aantal dingen opnoemen: Immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijk­heid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften. – Rom.9:4.

1. ‘Zij zijn Israëlieten’, bene Jisraël, zonen van Israël.

In de Tenach wordt nooit van Israëlieten gesproken. Dat woord komt in de Tenach maar één keer voor, namelijk in het boek Leviticus. Verder wordt er nooit gespro­ken over Israëlieten, wel over andere ‘ie­ten’ in al­ler­lei maten en soorten. Er wordt dus altijd gesproken van bene Jisraël, daarmee wordt ook het verband aangegeven met waar ze thuishoren.

2. ’Hunner is de aanneming tot zonen’.

Dus het zoonschap, de positie van zoon. De Hebreeuwse vertaling van het zogenaamde nieuwe testament spreekt hier dus ook van misjpad banim, het recht van zonen.

3. ‘En de heerlijk­heid’.

Dat is de sjechina, de aanwezigheid van God, de heerlijkheid van God die meegaat de gevangenschap door, de woestijn door.

4. ‘En de verbonden’.

Er zijn nogal wat verbonden.

a. Het verbond met Abraham; dat is een onvoorwaardelijk verbond. Genesis 12ev.

Hij gedenkt voor eeuwig aan zijn verbond, – het woord, dat Hij gebood aan duizend geslachten – Ps.105:8.

b. Het Sinai-verbond.

c. Het verbond met David en Sion (Psalm 132).

d. Het vernieuwde verbond.

Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Is­raël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. – Jer.31:31.

Dat zijn de vier verbonden, die Paulus hier bedoelt.

 5. ‘En de wetgeving’.

De wetgeving wordt altijd genoemd: de matan Torah, het geschenk van de Torah.

6. ‘En de eredienst’.

Dat is de abodah, de liturgie. Bidden leer je van Israël. Die abodah is iets heel kostbaars, dat is een diep geheim.

7. ‘En de beloften’.

Oftewel: de goede woorden, de debarim tovim. Het Hebreeuws heeft eigenlijk geen woord voor belofte, dan wordt er gezegd: het goede woord.

Hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen. – Rom.9:4.

8. ‘Hunner zijn de vaderen’.

Abraham, Isaak en Jakob; de vaderen.

9. ‘En uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus’.

‘de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen’. Dit laatste is dus een kwestie van hoe je de leestekens zet.

De volgende interpunctie lijkt mij beter:

‘de Christus, die is boven alles. God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen’.

‘de Christus, die is boven alles. Gezegend is God, tot in de eeuwen, Amen’.

Dit laatste is ook de versie van de joodse vertaling van het nieuwe testa­ment. Uit hen is de Messias. En dan eindigt Paulus – zoals dat ook gebruikelijk is in de joodse eredienst – met een zegenspreuk, een berachah. Als je zo­als Paulus die negen punten hebt opgenoemd, kun je alleen maar ein­digen met een lofprijzing, een berachah. Baruch ha Sjem, gezegend is de Naam. Want niet allen, die uit Israël zijn, die zijn Israël

Tot zover denk je dat alles prachtig is, maar dan krijg je dus vers 6: Maar (en) het is niet mogelijk, dat het woord Gods zou vervallen zijn. Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël. – Rom.9:6. ‘Doch ik zeg dit niet, alsof het woord Gods ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn’ – SV. Maar’. Uit het verband zal nog moeten blijken of je hier ‘maar’ of ‘en’ moet ver­talen. Dat woord van God kan niet vervallen; dus ook die negen punten kunnen niet zomaar vervallen. Als God dat avontuur begint van de ge­rechtigheid, kan Hij niet de volgende dag zeggen: nu stop Ik ermee! Dan wordt het iets in de zin van: vandaag doet God dit, morgen doet Hij dat, daarna wordt het weer wat anders. Dan wordt Hij – met eerbied gespro­ken – een God van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Dat is nu juist ook het hopeloze van heel die bedelingenleer. Dus het is onmoge­lijk ‘dat het woord Gods zou vervallen zijn’. Zo staat er ook in 1 Samuël: Samuël nu groeide op, en de HERE was met hem en liet geen van zijn woor­den ter aarde vallen. – 1 Sam.3:19. De woorden van God vallen niet, die vervallen niet, die vallen niet uit, zo­­als er in de Statenvertaling wordt gezegd. Dat woord kan niet uitval­len, dat is een eeuwig licht. Nu komt er een belangrijke zinsnede: Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël. – Rom.9:6. ‘want die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn’. – SV.

Nu is het merkwaardige – iemand heeft daar een heel interessant arti­kel over geschreven – dat Paulus hier een heel sterke Hebreeuwse zinsbouw hanteert. Letterlijk staat er: Want niet allen, die uit Israël zijn, die zijn Israël. – Rom.9:6.

En dat woordje ‘die’ is een typisch Hebreeuwse constructie. Iets derge­lijks doet Pau­lus later nog een keer. Er blijkt dus nu, dat er een onder­scheid is. en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht (zaad) van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. – Rom.9:7. Letterlijk: ‘maar in Isaak zal zaad voor u geroepen worden’. ‘Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden’. – SV. Letterlijk: ‘maar in Isaak zal zaad geroepen worden voor u’. Dat wordt gezegd tot Abraham. Hierbij moeten we bedenken, dat hier een onderscheid in zit – en dan komen we op de kwestie of dit nu uitverkiezing betekent – dat er in we­zen altijd al geweest is. Want dat zit ook al helemaal in de Tenach. Daar­in is van meet af aan onderstreept, dat het geen automatisme is. Dat zie je op een gegeven ogenblik ook bij Jeremia. Men beroept zich daar op de tempel en zegt:

Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des HEREN tempel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is dit! – Jer.7:4.

Maar dan zegt God: je kunt je daar niet op beroepen op beroemen als een soort statussymbool. En dat is steeds weer het kritische aspect van de Te­nach. Een mens en een volk worden telkens weer in de crisis gezet. Dat zie je ook in de kerkgeschiede­nis; zodra een groepering gaat zeggen ‘wij zijn uitverkoren’, dan gaat God al een deurtje verder.

Uit­ver­­­kiezing kan verschuiven

Uitverkiezing ligt trouwens niet vast, zeker niet van eeuwigheid. Dat is juist een fundamenteel punt, namelijk dat bij God de toekomst open ligt. Je ziet ook steeds dat het principe van de uitver­kiezing verschuift; uit­ver­­­kiezing kan verschuiven. Bijvoorbeeld in de geschiedenis van Rachel en Lea. Toen de HERE zag, dat Lea niet bemind was, opende Hij haar schoot, maar Rachel bleef onvruchtbaar. – Gen.29:31.

Dus wie wordt er uitverkoren: de niet-beminde. Dat is ook weer een principe: God kiest de niet-beminde. Je zou het heel in het kort kunnen zeggen: God kiest het verworpene. God zet het uitge­rangeerde op zijn spoor. Omdat Rachel de beminde is, gaat God naar Lea. Blijft dat dan zo tot in alle eeuwigheid? Neen! Want: Toen gedacht God Rachel, en God verhoorde haar; Hij opende haar schoot. Gen.30:22.

Zo zie je dat de uitverkiezing verschuift. Als Lea op een gegeven ogen­blik zich de meerdere van Rachel gaat voelen, gaat God weer naar Ra­chel. Dus zodra een mens of een groepering het gevoel krijgt: wij zijn het! dan gaat de uitverkiezing verschuiven. Karel Deurloo vertelt dit dan voor kinderen en geeft als voorbeeld: twee man­nen zijn op het dak aan het werk met een schoorsteen. Op een ge­geven ogen­blik vallen ze alletwee door de schoorsteen. De een is hele­maal zwart ge­wor­den, maar de an­dere is nog helemaal blank. Wie van de twee denk je, gaat zich wassen? Dat is de­ge­ne die nog helemaal schoon is. Want die kijkt naar die ander en ziet dat hij hele­maal zwart is. Hij denkt: ik ben waar­schijn­lijk ook he­lemaal zwart, ik ga me was­sen. Die zwarte gaat zich niet wassen, want die kijkt naar die ander en ziet dat hij helemaal schoon is. Hij denkt: ik zal dus ook wel helemaal schoon zijn. De volgende dag zijn ze weer aan het werk en ze vallen weer alletwee door de schoor­­steen. Wie denk je nu wie zich gaat was­sen? Nou, natuurlijk degene die zwart is. Hij is er naderhand ach­ter ge­komen dat hij toch zwart was. Want toen hij thuiskwam, zei zijn vrouw: wat is er met jou gebeurd! Nu gaat dus degene die zwart is zich wassen, dat ver­schuift dus ook. De derde dag zijn ze weer alletwee op het dak aan het werk en ze vallen weer al­letwee door de schoorsteen. Wie denk je, gaat zich nu wassen? Nu gaan ze zich alle­­bei wassen. Je gelooft toch niet dat dat kan, dat die ene elke dag door de schoor­steen valt en nog helemaal schoon is! Je ziet dat deze zaken ook niet vastliggen. En hetzelfde was het geval in de ge­schie­denis van Lea en Rachel. En dan is het zo mooi, dat je ze allebei nodig hebt. Want er staat zo prachtig aan het eind van het boek Ruth:

En al het volk dat in de poort was, en de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen. De HERE make de vrouw die in uw huis komt, als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben! Handel dan kloek in Efrata en maak u een naam in Betlehem. – Ruth 4:11.

Lea en Rachel hebben samen het huis van Israël gebouwd. En dat wordt ook al gezegd in de zegenbede voor de dochters op sabbat, op vrij­dag­avond. ‘Dat ze mogen worden als Lea en Rachel die het huis van Israël ge­bouwd hebben’. Niet Lea heeft het huis van Israël op haar eentje ge­bouwd, ook Rachel niet op haar eentje, maar samen. Ze zijn dus alle­twee no­dig.

Lea’s ogen waren flets, maar Rachel was schoon van gestalte en schoon van ui­terlijk. – Gen.29:17.

Doch Lea had tedere ogen; maar Rachel was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht. – SV.

De Statenvertaling heeft het hier juist vertaald. Het NBG heeft gedacht: Jakob zag niets in een Lea, een flets mens; dus ze zal ook wel fletse ogen hebben gehad. De ogen van Lea waren teder; de ogen van Rachel stonden vaak vol tra­nen; Rachel heeft veel verdriet gehad. Samen met die tedere ogen en die betraande ogen hebben ze het huis van Israël gebouwd. God verkiest dus de niet-beminde; God verkiest het verworpene.

Het staat dus niet bij voorbaat vast; dat is geen statische toestand. Niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht. En zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht (zaad) van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. – Rom.9:7. Letterlijk: ‘maar in Isaak zal zaad voor u geroepen worden’.

Het sleutelwoord in deze tekst is zaad.

Dit zegt Paulus dus met een citaat uit Genesis 21. Maar God zeide tot Abraham: Laat dit niet kwaad zijn in uw ogen, om de jon­­gen en om uw slavin; in alles wat Sara tot u zegt, moet gij naar haar luis­teren, want door Isaak zal men van uw nageslacht spreken. – Gen.21:12. Hier wordt dus een bepaald principe van selectie gehanteerd. Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht (worden gerekend tot zaad). Want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben. – Rom.9:8,9. Abraham had ook nog Ismaël als zoon. Maar ‘niet de kinderen van het vlees, maar in Isaak zal zaad voor u geroepen worden’. Vlees wil hier zeggen: dat hele complex van afstamming en status en automatisme. Maar het gaat dus op grond van de belofte. Het principe is dus belofte oftewel het woord. Dat zie je als een basispunt in heel Genesis. Het gaat om dat woord! Het woord dat indaalt in mensen. Daarom zijn ook al die aarts- moeders onvruchtbaar: Sara, Rebecca, Rachel. Het gaat hier nooit om een natuurlijke potentie; er is altijd sprake van een onmogelijkheid. Het begint vanuit een nulpunt. De rabbijnen zeggen: in de Tenach is sprake van zeven onvruchtbare vrouwen. Dat begint bij Sara en die lijn kun je doortrekken tot in Sion.  Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt; breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeën gekend hebt, want de kinderen der eenzame zijn talrijker dan de kin­deren der gehuwde, zegt de HERE. – Jes.54:1.

Hoe gaat God nu kiezen? En dan zien we meteen een heel fundamenteel punt. In de bijbel is geen sprake van uitverkiezing tot behouden worden of verloren gaan. Maar het is altijd een uitverkoren worden tot een be­paalde dienst. Je wordt niet uitverkoren om gered te worden, maar je wordt uitverkoren om een bepaalde taak te vervullen. Het gaat er dus om, dat de uitverkorene een specifieke roeping heeft te vervullen. Er is nie­mand op de hele wereld en in de hele geschiedenis door God be­stemd om verloren te gaan. Dat zou ook in strijd zijn met wat de bijbel zegt: God wil dat alle mensen behouden worden. Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, Ø die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen. – 1 Tim.2:3,4. God wil dus niemand verwerpen, maar God kiest uit voor een bepaalde taak. God heeft niemand van tevoren bestemd tot de eeuwige verdoe­me­­nis.

God kiest er één met het oog op allen

Een tweede basispunt in dit verband is: als God er één uitkiest, in dit ge­val dan Isaak, dan doet God dat met het oog op allen. Dus God kiest er één met het oog op de rest. Steeds zien we in Genesis die ene, die dan het volk van God vertegenwoordigt en die andere, die de heidenen ver­tegenwoordigt. Dus de figuur van Isaak is in dit geval het type van het volk van God. Ismaël is dan type van de heidenen, van de volkeren. Straks zullen wij hetzelfde zien in de figuren van Jakob en Esau. Isaak is dus de uitverkorene, wat betekent dat de genade via hém loopt. Degene die dus niet wordt uitgekozen voor een bepaalde taak, zal zich bij de uit­­­­verkorene moeten aansluiten om de zegen te ontvangen. De gedachte is vaak geweest: God kiest de één en dan wordt dus de an­der gepasseerd. In het normale, gebruikelijke gedachtepatroon is dat ook vaak zo. Dan geldt: als er één wordt uitgekozen, valt de rest automatisch buiten die keuze. Zo kan er bijvoorbeeld maar één de ware Jakob zijn. Bij God ligt dat om het met een oud dogmatisch woord te zeggen: totali­ter aliter, totaal anders. Hoe meer God zijn aandacht richt op één, des te meer delen allen in het heil. Dus God kiest er een uit met het oog op al­len. Dat begint al bij Abraham. God kiest Abraham uit, maar in hem zul­len alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. Dus al die ge­slachten moeten zich bij Abraham aansluiten. Dit principe zien we dus ook bij Abra­ham en Lot. Het heil voor Lot ligt daarin, dat hij bij Abra­ham blijft. Dus zolang Lot in de buurt van Abraham is, deelt hij in de ze­gen. Hij moet om zo te zeggen, onder die paraplu blijven. Dus uitver­kie­zing is een paraplu. Abraham krijgt een paraplu, maar daar kan heel wat on­der. Dat is nu uitverkiezing. In die beeldspraak moet je het gaan zien. Onder moeders paraplu. Als moeder een paraplu heeft, betekent dat niet dat de kinderen nat worden, maar dat moeder zegt: kom er ook maar onder! Wie het breed heeft, laat het breed hangen. Tegen Abram zegt God: jouw naam wordt Abraham, jij wordt vader van een menigte volkeren. Dus Abra­ham wordt niet uitgekozen ten koste van, zoals vaak wordt gedacht. Eén wordt er uitgekozen en dat gaat ten koste van de rest. Nee, die ene wordt uitgekozen met het oog op al die anderen.

Uitverkiezing, een gave en een op­ga­ve!

Daarbij moet je dan tegelijk nog iets bedenken: uitverkiezing is een op­ga­ve! En dan zou je heel vaak wensen om niet uitverkoren te zijn. Die heidenen leven nog lang en gelukkig. Maar het uitverkoren volk… Van de hand van André Neher is onlangs een boek verschenen, dat nog niet vertaald is, maar in een interview-stijl is geschreven samen met Vic­tor xxxxxaaa, een joodse journalist. Hij heeft dat boek als titel mee­ge­geven: ‘Le dur bonheur être Juif – Het harde geluk een Jood te zijn’. Het is een bitter geluk. Heinrich Heine, een Joods dichter uit de vorige eeuw, zei: Jood zijn is niet een religie, maar het is een ongeluk. Dus uitverkiezing gaat vaak samen met een stuk lijden. Dat is ook de ondertoon van Romeinen 8, waar eveneens over dat lijden wordt ge­spro­ken. Daarom gaat Romeinen 8 vooraf aan Romeinen 9. Paulus wil hier zeg­gen: uitverkoren zijn is natuurlijk prachtig, maar dat betekent niet: nu zit ik heerlijk op de eerste rang. Het is een gave en het is een opga­ve. Soms meer een opgave dan een gave. Het probleem is vaak, dat wij geneigd zijn heel de bijbel op te hangen aan één thema; dat is vaak nog een uitvloeisel van de calvinistische tra­ditie. Dat thema is dan bijvoorbeeld: ga je naar de hemel of niet. Toege­spitst: ga jij naar de hemel of ga jij naar de hel. Dan wordt elk verhaal ook gelezen met de vraag: gaan de hoofdpersonen in het verhaal naar de hemel ja of nee. Gaat Kaïn naar de hemel – nee! Dat weet men dan ook blijkbaar. Letterlijk stond in de kinderbijbel van Evert Kuit: Kaïn heeft nooit van de Here gehouden. Maar dat staat nergens in de bijbel. Wat er met Kaïn gebeurt, blijft in het verhaal open. Hoe loopt het met Ismaël af: niet best. Zijn al die Kanaänieten verloren gegaan? Volgens sommigen wel. De bijbel wordt dan vaak toegespitst op dat ene punt: wat gaat er gebeuren met jouw ziel in de eeuwigheid? In de bijbel is dat natuurlijk wel een belangrijk thema, maar je kunt niet alles daaraan ophangen. Er staat: wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen, wie zal iets inbrengen tegen uitverkorenen?! Dat heeft ook te ma­ken met dat volk, dat een spe­ci­ale bestemming krijgt en daarbij moet je toch de grondgedachte vast­houden, dat een mens wordt uitverkoren tot een bepaalde dienst.

Dat zie je bijvoorbeeld heel duidelijk bij Abraham.

gij nakroost (zaad) van Abraham, zijn knecht, gij kinderen (zonen) van Jakob, zijn uitverkorenen. – Ps.105:6.

Hij, de HERE, is onze God, zijn oordelen gaan over de ganse aarde; – v.7.

Hij gedenkt voor eeuwig aan zijn verbond, –  het woord, dat Hij gebood aan duizend geslachten – v.8.

dat Hij met Abraham sloot, en aan zijn eed aan Isaak; – v.9.

ook stelde Hij het voor Jakob tot een inzetting, voor Israël tot een eeuwig verbond, – v.10.

toen Hij zeide: U zal Ik het land Kanaän geven als het u toegemeten erfdeel. – v.11.

Toen zij weinige mensen in getal waren, een kleine schare en vreemdelingen daarin, – v.12.

en van volk tot volk trokken, van het ene koninkrijk tot de andere natie, – v.13.

gedoogde Hij niet, dat enig mens hen verdrukte, en bestrafte Hij koningen om hunnentwil: – v.14.

Raakt mijn gezalfden (mesjiach) niet aan, en doet mijn profeten geen kwaad. – Ps.105:6-15.

Je zult die uitverkorenen dus niet beschuldigen, je zult ze niet aantasten. God waakt over dat volk waaraan hij een roeping geeft. Dat volk wordt onder speciale bescherming gesteld. Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; Rom.8:33. God is het die rechtvaardigt, wie zal veroordelen! Dit is weer een citaat uit Jesaja 50. Hij is nabij, die mij recht verschaft; wie wil met mij een rechtsgeding voeren? Laten wij samen naar voren treden. Wie zal mijn tegenpartij in het gericht zijn? Hij nadere tot mij. – Jes.50:8. Dat wordt dan in Jesaja 50 gezegd door de knecht des Heren, dat is dus ook weer een uitverkorene. Het probleem is denk ik ook, dat die teksten over de uitverkiezing, zoals in Romeinen 8, vaak veel te sterk individu­a­lis­tisch worden verstaan. In een boek over de psalmen wordt door de schrijver gezegd – en dat is iets wat mij sterk fascineert – steeds wordt er in de psalmen gesproken over ‘ik’. Maar dat ik is veel gro­ter dan alleen maar ‘ik op mijn eentje’. Wij huldigen vaak het stand­punt: òf het is een individu, òf het is een collectivum. Maar dat kun je in het He­breeuwse denken niet uit elkaar halen. Als er iemand in de psal­men zegt: ik zit in de benauwdheid, of ik werd omringd door vijanden, geldt dat niet zozeer alleen voor de enkeling, maar dat geldt dan voor een heel volk. Het is dan Israël dat in de benauwdheid zit en dat door vij­anden wordt omringd. Zo staat er ook: wie zal U loven in het dodenrijk!

Individualistische geloofsbeleving

Dat betekent dan: God, U kunt uw volk toch niet in het dodenrijk laten vallen! Het gaat dus steeds om het geheel. Miskotte heeft ook gezegd: als er staat: wij geloven, ga je vandaaruit zeggen: ik geloof. De mens is deel van dat geheel. Maar wij zijn in de 21e eeuw vaak sterk indi­vi­du­a­listisch bezig. Dat is in de evangelische wereld dan vaak nog vele malen ver­sterkt. Dat was ook weer een reactie en een correctie op een te sterk col­lectief geloof. Op zich is dat natuurlijk ook weer een heel heil­zaam as­pect, een correctie in de zin dat jij moet kiezen; ‘God heeft geen klein­kin­deren’ is dan een slogan. Maar dat is op een gegeven ogenblik zo tot in het extre­me door­getrokken, dat het helemaal werd en alleen gold: jij! De Heer en ik; ik en de Heer! Net alsof er maar twee op de hele wereld be­staan. In we­zen is dit dezelfde ontwikkeling die je ziet in allerlei stro­mingen uit de 19e eeuw. De allerindividueelste expressie van de allerin­di­vidueelste emo­­tie. Dat zeiden de tachtigers dan, zoals Willem Kloos en anderen. Ja, jij! Je kunt je niet verschuilen achter anderen. Ja maar ik hoor bij de kerk. Nee, jij! Jij moet kiezen! Maar in wezen staat de mens veel meer in een verband. Dus wie zal uit­verkorenen beschuldigen, dan gaat het over dat volk. Dat is net als in Da­niël 7, waar gesproken wordt van de Zoon des mensen. Dan denk je in eerste instantie: dat is dus een individu, maar even later staat er dan dat dit het volk is van de heiligen des Allerhoogsten.

Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leid­de hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeu­­wige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat on­verderfelijk is. – Dan.7:13,14.

 Daarna zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden. – Dan.7:18.

Is die Zoon des mensen er nu maar één, of is het een groep? Allebei! Je kunt dat dus niet van elkaar scheiden. Die zoon des mensen is Jezus, maar dat is ook dat hele volk. Dat is inclusief, dat ‘hij’ is niet of, of. Dus dat uitverkoren zijn is ook inclusief. Dat is niet allemaal keurig in vakjes ge­rangschikt. Je hebt het dus over een eenling en over een geheel en dat grijpt dan in elkaar. Dat heeft toch ook allemaal te maken met je roeping, met je bestemming. Het principe is dus steeds: uitverkiezing betekent: één met het oog op al­len. Abra­ham met het oog op al die geslachten. En Lot gaat met Abraham mee. Daar wordt in sommige preken nogal zuur over gedaan, ja, Abra­ham had Lot niet mee moeten nemen, daar heeft hij alleen maar ellende van beleefd. Vanuit de hele lijn van Genesis kun je zeggen: Lot moet wel meegaan met Abraham, want naast Abraham moet er één zijn, die de gojim vertegenwoordigt. Het heil van Lot ligt in Abraham. Het heil van Ismaël ligt in Isaak. Jakob wordt uitverkoren en Esau had zich bij Jakob aan moeten sluiten. Dan zou hij gezegend worden. Het volk Israël wordt uitverkoren. Wat moeten de volkeren doen: zich bij Israël aan­slui­ten!

En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen (letterlijk: ‘opstro­men’).Jes.2:2.

Al die volkeren stromen als een rivier de berg Sion op. Al die gojim gaan opstromen naar Sion. En vanuit Sion zal de Torah uitgaan. Al die volkeren moeten er dus voor zorgen zich aan te sluiten bij dat ene volk. Dan delen ze in de belofte. Het is dus niet exclusief maar inclusief. Het be­grip taak is mij eigenlijk een beetje te beperkt. Je kunt zeggen dat je uitverkoren bent tot een taak, maar het gaat in feite dieper, het is een meer omvattend begrip. Dat zie je ook inderdaad in de teksten:

Romeinen 8: 29,30

Je wordt uitverkoren tot een bestemming

Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijk­vormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen;

en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij ge­roe­pen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. – Rom.8:29,30

Want die Hij tevoren gekend heeft

Hier gaat het over het kennen, het jadah, over het kennen en gekend worden. Ik zou dus liever zeggen in plaats van: je wordt uit­ver­koren tot een taak, je wordt uitverkoren tot een bestemming. Je bestemming als mens. Je bestemming als mens is, dat je het beeld mag dragen van de Eerstgeborene. Het gaat dus om de wezensbestemming van je menszijn. Maar daarbij dan dus wel te bedenken, dat je van God uit gezien moet zeggen: ieder mens is daartoe bestemd. Of het er uit­komt is ook nog een kwestie van de speelruimte van de vrije wil. Maar God ziet ieder mens aan in de Messias, zodanig dat hij bestemd is om dat beeld te dragen. Zo mag je dus zonder onderscheid kijken naar elk mens, want God wijst van tevoren niemand af. Dus je kijkt elk mens erop aan als bestemd zijn­de tot dat doel. In de Schrift wordt gezegd dat je je roeping vast moet maken, moet be­ves­tigen. Je zou kunnen zeggen: in de hemel ligt het vast. Als jij het dan op aarde vastmaakt, dan ligt het aan twee kanten vast. Of anders ge­zegd: dan maak jij je roeping vast in de bestemming die God voor je heeft. Jij gooit je anker in die vaste grond die God al heeft. Want God ziet het wel zitten met jou, dus je hoeft het alleen maar – nou ja, alleen maar – te beamen, je anker uit te gooien in die ankergrond van God zelf. Er is geschreven: alzo lief heeft God de wereld gehad, niet: alzo lief heeft God de gemeente gehad. Die bestemming is dus niet de hemel; dat is dan wel christelijk, maar niet joods en niet Hebreeuws. Dat is er wel altijd van gemaakt: wij varen af van hier en laten de aarde de aarde, want wij gaan naar de hemel. Bijbels gezien moet je zeggen: je bestemming hier en nu is om mens te worden zoals God het bedoeld heeft. Dat wordt dan vaak al­lemaal weg­geschoven naar ‘na dit leven’. Maar wat je bestemming betreft, gaat het niet om het hiernamaals, maar om het hiernumaals. Het is heel griezelig als dat allemaal wordt weggeschoven naar postuum. Want juist het He­breeuwse-joodse denken is heel sterk georiënteerd op het standpunt, dat het hier op aarde moet gebeuren. André Neher spreekt in dit verband van ‘het hier beneden’. Het gaat om het hier en nu. Hoe meer je iets van de bijbel gaat verstaan, hoe meer je je ook gaat hechten aan de aarde. Een christen houdt van de aarde. Hoe christelijker je wordt, hoe meer je de aarde gaat liefhebben. Heb de we­reld niet lief, maar heb de aarde lief. Aarde en mens horen bij elkaar. Het moet niet ergens gaan zweven. Je komt ook uiteindelijk weer op de aarde te­recht. Een mens is niet bestemd om uiteindelijk van de aarde weg te gaan. In dit verband kun je niet zeggen: het is of – of, het is meer en – en; want het gaat door en je roeping gaat ook door na dit leven. Die houdt ook niet op, dat is een voortgaande lijn. Dat is ook wat in Open­­baring 14 staat: hun werken volgen hen na.

En ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: Schrijf, zalig de doden, die in de Here sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na. – Op.14:13.

Dus als je sterft, houd je niet op met werken. Je gaat wel rusten van je moeiten, maar je gaat niet rusten van je werken. Je werken volgen, dan kun je dus moeiteloos werken. Heerlijk, dan kun je eindelijk eens wat doen! Dan kun je heerlijk ontspannen werken. Ontspanning en werk kun je dan niet van elkaar scheiden. Werken hoort bij het menszijn. Dat heeft dus allemaal te maken met je bestemming als mens.

De offers van Kaïn en Abel

In de geschiedenis van Kaïn en Abel, gaat het niet zozeer om het punt dat Kaïn een verkeerd offer brengt, al wordt dat wel vaak zo voorge­steld. Je ziet dan op plaatjes in kinderbijbels dat de rook van Kaïns offer omlaag gaat en de rook van Abels offer omhoog. Kaïn wordt echter ook niet verworpen, God geeft hem zelfs een teken. Het probleem van Kaïn is, dat hij boos wordt. Daar begint eigenlijk het probleem pas. Als Kaïn ziet, dat God aandacht heeft voor Abel, dan wordt hij kwaad. Kaïn had in wezen op moeten komen voor zijn broeder, het is immers een broe­derverhaal. Er staat ook niet dat God het offer van Kaïn niet aannam, al wordt dat er altijd wel van gemaakt. Er staat alleen: God keek naar Abel en zijn gave. Er staat ook niet dat ze een offer brachten. Ze hebben ge­woon een geschenk ge­bracht. Ze brengen dus allebei een geschenk aan God. Abel legt daar het vet neer van de eerstelingen en Kaïn komt met de vrucht van de aarde, van de akker. Er staat dus dat God aandacht geeft aan Abel. En Kaïn had zich daarin moeten verheugen; fijn, God heeft aandacht voor mijn broer! Dan was er ook niets aan de hand ge­weest. In de Hebreeënbrief staat dat Abel door het geloof een beter offer heeft gebracht. Bij Abel is er dus een houding van geloof, van emunah en bij Kaïn is er on­vrede en dat komt openbaar op het moment dat hij kwaad wordt. Hij heeft het gevoel, dat hij geen aandacht van God krijgt. Dan denk je: waarom heb je dat offer dan gebracht?! Als jij dan meteen het gevoel hebt dat je geen aandacht krijgt, wat was dan je motief? Wat was dan je houding toen je dat geschenk bracht. En als dan de aandacht van God naar de ander gaat, wat doet Kaïn dan? Hij voelt zich kennelijk ge­pas­seerd en dan begint daar dus het probleem. Het probleem zat dus nog niet in dat offer oftewel dat geschenk. De problemen beginnen dus pas een fase later. Kaïn was bestemd om hoeder te zijn van zijn broeder. Op dat punt heeft hij het dus af laten weten. Hierbij kun je niet zeggen dat hij daardoor ver­worpen wordt. Bijbelverhalen zijn vaak veel meer open dan op het eer­ste gezicht lijkt.

Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren

God kiest dus het volk Israël uit. En via Israël komen alle volken in beeld. Dan kun je de lijn doortrekken en dan zien we dat Jezus uit­ein­delijk de uitverkorene wordt. En wij moeten ons bij die Ene aanslui­ten. Dus als je je aansluit bij de uitverkorene, dan ben jij ook uitverkoren. In wezen kun je zeggen: er is er maar Eén uitverkoren, dat is de Messias. Hoeveel uitverkorenen heeft God: Eén, maar dat is wel één voor allen. Dat is ook wat we lezen in Efeze 1: Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. – Ef.1:4. Vroeger werd er in de zwaardere kringen gezegd in verband met de uit­verkiezing: één in een stad en twee in een dorp.

Dan zullen er twee in het veld zijn, één zal aangenomen worden en één ach­ter­­gelaten worden;  twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, één zal aangenomen worden, en één achtergelaten worden. – Matt.24:40,41.

‘Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aan­­­genomen, en de andere zal verlaten worden. – SV.

Hier zit nog iets meer aan vast. Je moet wel heel voorzichtig zijn en deze tekst in zijn verband verstaan. Er staat dus niet: de een wordt opgeno­men, want anders ga je er een hele opname-theorie aan koppelen. Er staat dus paralassio, dat betekent ‘opnemen in een huis’. Wat daar wordt aangeduid is, dat er een scheidslijn gaat dwars door een bepaalde groep mensen. Uiterlijk is alles hetzelfde. Deze tekst kun je dus niet zien als een soort uitverkiezing. Het heeft wel te maken met waar die mens mee bezig is, waar hij zijn hart op instelt. Ik denk dat je dit los moet koppelen van allerlei gedachten over de zogenaamde ‘opname’, waar dan mensen zouden zijn die dan achterblijven. Daar zijn indertijd nog wel eens films over in omloop geweest. Ik heb mensen ontmoet die daar compleet nacht­­merries van hebben gekregen. Dan zag je dus allerlei situaties waar­­­in mensen plotseling vermist werden. Treinen zonder conducteur; fabrieken die stil kwamen te liggen. We willen de lijn doortrekken naar Romeinen 9, waar in vers 10 staat

Maar dit niet alleen; daar is ook Rebekka, bevrucht van één man, onze vader Isaak. Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan – opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep, –  werd tot haar ge­zegd: De oudste zal de jongste dienstbaar zijn, – Rom.9:10-12.

Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads ge­daan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast ble­ve, niet uit de werken, maar uit den Roepende; – Rom.9:11 – SV.

De oudste zal de jongste dus dienen. Dat is dus weer een kwestie van be­­stemming, of eventueel taakverdeling. Daar wordt dus niet gezegd: Esau gaat verloren, maar wel dat Esau een ondergeschikte positie krijgt. Dus de posities worden verdeeld. We kunnen als een rode draad door de bijbel heen opmerken, dat als er twee zijn, God de tweede kiest. Dat zien we bijvoorbeeld bij Ismaël en Isaak, bij Jakob en Esau. Jakob was in de natuurlijke wereld nummer twee en God kiest de achterste. De ach­terste wordt de voorste.

De laatsten worden de eersten,

wie knielde krijgt een troon,

de knechten mogen heersen,

de dienaar heet een zoon.

De laatsten worden de eersten,

wie knielde krijgt een troon,

wie slaaf was mag nu heersen,

de vreemdeling wordt zoon.  (Liedb.70)

De onderste komt boven. God kiest altijd wat niets is. God werkt dus al­tijd achterstevoren. Dat is nu uitverkiezing. Het achterste komt naar vo­ren. De minste wordt de meeste. Psalm 113 zegt: Wie nederlag in stof en slijk, hij wordt aan edelen gelijk. Die de geringe opricht uit het stof,  de arme omhoog heft uit het slijk, om hem te doen zitten bij de edelen,  bij de edelen van zijn volk; die de onvruchtbare huisvrouw doet wonen als een blijde moeder van kinderen. Halleluja. – Ps.113:7-9.

Hij heft de arme omhoog vanuit het stof en het slijk; dat is ook weer col­lectief. Dat is dat arme volk, je zou zeggen: dat stelletje armoed­zaaiers.

Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat

Hoe moeten we dat nu verstaan bij Esau en Jakob, want dan wordt erbij gezegd: gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.  Rom.9:13. Hierbij moeten we bedenken dat het woord haten betekent: op de twee­de plaats stellen. Dat zien we ook in de tekst: je moet je vader en moeder haten. Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. – Luc.14:26.

Dat betekent dus niet dat je een hekel aan je vader en moeder moet heb­ben, dat zou een mooi evangelie worden! ‘Sinds ik tot geloof ben geko­men, haat ik jullie toch zo!’ Dus: Jakob heb ik liefgehad en Esau komt op de tweede plaats. Ze hadden noch goed noch kwaad gedaan. Dat is weer een van die kroon­­­teksten, waarvan gezegd wordt: zie je wel, het ligt al voor de ge­boor­te vast. Maar dat moet je wel goed lezen. Dat is nu juist het punt waar het om draait: je hebt dus een Jakob en een Esau. En dan kiest God de tweede. Bovendien moet je hierbij bedenken, dat Esau model staat voor een principe. Esau staat synoniem met het latere Edom. En Edom is het volk dat de kop er tegenin gooit. Willem Barnard zegt het zo: dat is het twistgeding dat door heel de bijbel heen gaat. Namelijk Jakob con­tra Esau.

Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan – opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep, – Rom.9:11.

Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads ge­daan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende; – SV.

De kinderen waren nog niet geboren, ze hadden goed noch kwaad ge­daan en dan komt het….. opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijken, niet op grond van werken, maar op grond daarvan dat Hij riep. Dat ga ik dan even letterlijk vertalen: ‘opdat het voornemen naar de verkie­zing (naar de keuze) van God zou blijken’. Nou, wat kiest God! Dat is dus de vraag. Kiest God bepaalde mensen? Nee, daar gaat het hier niet om! God kiest een bepaalde werkwijze. Welke werkwijze kiest God nu? Wel­nu, er zijn twee mogelijkheden: God kan zeggen: Ik ga Mij baseren op werken, dan moet je er dus iets voor doen. God kan ook zeggen: Ik ga werken volgens het principe: Ik roep! ‘Op grond daarvan dat Hij roept’, staat er in vers 11.

Het principe van het werken of het principe van Ik roep

Het principe van het werken of het principe van Ik roep. Welnu, God gaat een keuze maken. God zegt: Ik kies voor ‘Ik roep’ en ik kies niet voor het principe van de werken. Dus God heeft gekozen tussen twee principes en Hij kiest dat ene. Wat moet nu de mens doen? Zich aan­sluiten bij dat principe van God. En als jij kiest wat God kiest, dan is God daarover verheugd. Als jij kiest wat God kiest, dan kiest God jou. Als jij dus zegt: Ik kies dat principe van ‘ik laat mij roepen’, dan zegt God: nu zit je op mijn lijn. Dan kies Ik jou! Dan kunnen we uit de voe­ten, dan zitten we op dezelfde golflengte. Maar als ik zeg: ik wil het ver­dienen, ik ga werken, keihard, dan zegt God: die inspanning van jou is mijn princi­pe niet. Dan zitten we niet op dezelfde lijn. Ja, maar ik kom met mijn prestaties! Ik heb dit, ik heb dat, ik heb een hele staat van dienst. Ik ben al 20 jaar prediker, God, dat moet U toch wel aanspre­ken! Ja, ik sta me ook niet voor niets hier uit te sloven. God kiest dat principe van: Ik roep! Ik roep, en jij laat je roepen. Dus God kiest niet voor bepaalde mensen, van jij wel en jij niet, maar God kiest een bepaald principe. Dus wie in dat principe gaat staan, zit dan in dat uitverkoren principe. En als je dan op die uitverkoren weg zit, dan ben je uitverkoren. Er is dus een uitverkoren weg. En wie op die uit­ver­koren weg wandelt, hoort dan bij het uitverkoren volk. En dan kun je ein­de­loos gaan zitten knokken en zeggen: God moet zien dat Hij op mijn weg komt, nee, zegt God, zie jij maar dat je op mijn weg komt.

Het principe van Jakob en het principe van Esau

Jakob heb Ik liefgehad en Esau heb Ik op de tweede plaats gezet. Hierbij moeten we ook nog bedenken, dat dit een citaat is uit Maleachi. Dus dit is pas eeuwen later onder woorden gebracht. Het gaat hier ook niet in de eerste plaats over Jakob en Esau als individuen, maar over twee grond­principes. Het principe van Jakob en het principe van Esau. Het principe van Jakob is het vasthouden, want de naam Jakob betekent Vast­houder.

Dat is het geslacht van wie naar Hem vragen; die uw aanschijn zoeken; dat is Jakob. selaPs.24:6.

Esau vertegenwoordigt het principe van de eigen wijsheid, van de zelf­hand­having, de religie buiten God om. Zo wordt het ook in Maleachi na­­der uitgewerkt. Daar staat het als een soort mottotekst aan het begin van het boek. Toch heb Ik Jakob liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat (op de tweede plaats ge­steld); Ik heb zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel aan de jak­halzen der woestijn prijsgege­ven. – Mal.1:3.

Ook uit de andere profeten, met name Obadja, blijkt dat Esau, oftewel Edom, het principe is van eigengerechtigheid en van een pretentieuze godsdienst. Een eigengemaakte godsdienst, waardoor de mens zichzelf probeert te verheffen en op te klimmen. Hierbij ook te bedenken dat de naam Esau, oftewel Edom, in de tijd van Paulus synoniem was met het Romeinse Rijk. Herodes was bijvoorbeeld ook een Edomiet. Daar kom je ook dat principe weer tegen, waar in wezen dat hele Romeinse rijk van doortrokken was. Ze waren op en top religieus, godsdienst was er bij de vleet, alleen het raakte niet de kern. Het was allemaal godsdienst van beneden en niet van boven. Iemand heeft eens gezegd: het wezen van al die godsdienstigheid is om God op een afstand te houden. Dat blijkt in­derdaad in de praktijk vaak zo te zijn. Een mens omgeeft zich vaak met een heel waas van vroomheid om op die manier de echte ontmoe­ting met God te ontlopen. Een hele muur, een heel kordon van gods­dien­stige bezigheden, moet God op een afstand houden. Op die manier hoeft men niet het werkelijke contact met God onder ogen te zien.

Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ont­­­fer­men

Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Vol­strekt niet! Want Hij zegt tot Mozes: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ont­­­fer­men, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn. Rom.9:14,15.

Dat is ook weer een van die beroemde uitverkiezingsteksten. Deze tekst wordt dan vaak opgevat in de zin van een willekeur. Over wie ontfermt God zich: nou ja, over wie Hij zich ontfermt. Over wie is zijn genade: over degenen die Hij genadig wil zijn. Waar genade valt, daar valt die vrij. Je kunt God niet narekenen. Calvijn placht dan te zeggen: God neemt redenen uit zichzelf. Wat voor redenen heeft God er dan voor? Ja, die neemt Hij uit zichzelf. Dan valt er niets meer te zeggen, dan kun je alleen maar zwijgen over dat mysterie. Dat is dan de ondoorgrondelijk­heid van God. Dat is de afgrondelijkheid van zijn eeuwige decreten, dat zijn zijn eeuwige wilsbesluiten. Op een gegeven moment grijpt God er een in zijn kraag en zegt: jij bent er! Dan ben je dus uitverkoren. Waar­om, dat moet je niet vragen. Je moet niet proberen te peilen wat onpeil­baar is. Dan krijg je inderdaad de afgrondelijkheid van Gods eeu­wige raad, zijn eeuwige decreet. Dat is dan ook een van die typerende uit­druk­kingen. Over wie ontfermt God zich? Nou ja, dat bepaalt Hijzelf. Maar als je dat 15e vers eens nader bekijkt, wordt het misschien toch nog wat duidelijker. Deze tekst is een citaat uit Exodus 33: Hij nu zeide: Ik zal mijn luister aan u doen voorbijgaan en de naam des HE­REN voor u uitroepen: Ik zal genadig zijn, wie Ik genadig ben, en Mij ontfer­men, over wie Ik Mij ontferm. – Ex.33:19.

Deze tekst staat ook in een speciale context. Een van de grondregels die we altijd gesteld hebben, is dat je iedere tekst in zijn verband moet le­zen. Je kunt niet leven van losse teksten. Losse teksten kunnen ook een eigen leven gaan leiden. Het verband waarin deze tekst (Ex.33:19) staat, heeft betrekking op de ge­schiedenis van het gouden kalf. Die geschiedenis begint bij Exodus 32. Het is het ver­haal van een dieptepunt, van een crisis. Mozes gaat de berg op en gaat weer verzoening vragen voor het volk. De hele voort­gang van het heils­plan hangt aan een zijden draadje. Het gaat erop of eronder. Zal God nog doorgaan met het volk? Mozes zegt dan in vers 18: Maar hij zeide: Doe mij toch uw heerlijkheid zien. – Ex.33:18. En dan komt het antwoord : Hij nu zeide: Ik zal mijn luister (letterlijk: al mijn goedheid) aan u doen voor­bijgaan en de naam des HE­REN voor u uitroepen: Ik zal genadig zijn, wie Ik ge­nadig ben, en Mij ontfer­men, over wie Ik Mij ontferm. – Ex.33:19.

God zegt: Ik zal mijn naam voor jou uitroepen, en die naam luidt: ‘Ik zal genadig zijn, wie Ik ge­nadig ben, en Mij ontfer­men, over wie Ik Mij ont­ferm’. Deze uitspraak van God staat dus in het kader van al zijn grootheid. Dat geeft meteen al een speciale belichting over deze tekst. Mozes vraagt om de heerlijkheid van God te mogen zien. Dus in dat verband, waar ge­spro­­ken wordt over heerlijkheid en goedheid, moet je deze tekst plaat­sen. In dat kader wordt dan gezegd: Ik zal genadig zijn over wie Ik ge­na­dig ben. Nu komt dus het kernpunt: in de gebruikelijke uitleg gaat men ervan uit, dat het niet bekend is over wie God zich ontfermt, in de zin van: dat moet je dan maar afwachten. Je weet niet van tevoren waar de bliksem inslaat. In de prediking van de nadere Reformatie wordt dan gezegd: je moet maar zorgen dat je elke zondag onder de prediking zit, want dan kan het zijn, dat God op een keer naar je toekomt. Daartoe moet je wel de ‘mid­delen gebruiken’, zoals in die kringen een vaste uit­drukking luidt. En die middelen bestaan uit de prediking en de sacra­men­ten. Verder is het dus aan God of Hij jou bekeren wil of niet. Dus je weet nooit over wie God zijn genade gaat betonen, misschien over jou, misschien valt het net naast jou. Als je nu deze tekst leest in het verband van Exodus 33, dan blijkt het wel degelijk bekend te zijn over wie God zich ontfermt, namelijk over het volk dat Hij uit Egypte heeft geleid. Namelijk, het volk dat het juist op het moment daarvóór, helemaal verknoeid heeft. Ze hebben door dat gouden kalf te maken God in feite zijn congé gegeven. Het duurde hen veel te lang en ze vonden dat met een onzichtbare God niet viel te leven. Aan Mozes heb je ook al niets, die is ook al meestal onzichtbaar. Wat heb je nu aan een voorganger die je nooit ziet! Mozes zit maar eindeloos op de berg stille tijd te houden. Het minste wat Mozes toch kan doen, is één keer in de maand een preek houden voor de gemeente. Het mag dan hon­derd keer de berg Sinai zijn, maar voor het volk was dat niet meer te prui­men. Tenslotte kwamen ze kersvers uit Egypte en hadden ze geeste­lijk nog weinig ervaring. En dan moeten ze meteen al het incasserings­ver­mo­gen opbrengen om op een onzichtbare God en een onzichtbare Mo­­­­zes te vertrouwen. Maar dan zegt God: over wie Ik genadig ben (het volk Israël) zal ik genadig zijn. En dat is in wezen een uitwerking van Exodus 3: Ik ben, die Ik ben. Dat is dus dezelfde constructie. ‘Ik ben die ik ben’. En identiek daarmee: ‘Ik ben genadig over wie Ik genadig ben’. Het is de nadere uitwerking van Exodus 3:14. Uit deze tekst blijkt dus geen willekeur, maar juist een consequent door­gaan op de weg die God met dit volk begonnen is. God zegt: als Ik er­gens aan een volk genade betoon, ga Ik daarmee door. Dan is het niet: vandaag genade en morgen verwerping. Dan is het niet: het kan verke­ren. God zegt: Ik ga daar dan ook tot het uiterste mee door. Ik laat mij niet afbrengen van mijn eenmaal voorgenomen plan. Ik zal genadig zijn over wie Ik genadig ben. En Mij ontfer­men, over wie Ik Mij ontferm’. Daar spreekt de vasthoudendheid uit die God aan de dag legt, wanneer het gaat om zijn eenmaal begonnen relatie. Dus dat ‘over wie’ is niet een grote onbekende. Dat is nu juist het pro­bleem bij de gangbare exegese. We moeten bij de uitleg van deze tekst dus uitgaan van één zinvolle structuur. Wat Paulus daar zegt in vers 15 houdt dus in, dat wanneer God ergens aan begint, zoals met die ontferming en die barmhartigheid, Hij die ont­ferming en barmhartigheid dan ook ten einde toe zal doorzetten. Waar hangt het dus vanaf: van Hem! Waar hangt het dus niet van af: Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt. – Rom.9:16.

Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt. – Rom.9:16.

Deze tekst is ook vaak weer tot het uiterste gehanteerd, om die uitver­kie­­zingsexegese te onderbouwen. Het is dus zinloos – volgens deze ge­dachtegang – om te lopen of te willen; je bent een stok en een blok. De mens is totaal onmachtig om zich te bekeren. Dus willen en lopen is er niet bij. Dat is in feite al die hele oude kwestie die reeds in de tijd van Luther speelde. Dat was de vraag of de mens nu een vrije wil heeft of niet. Kan de mens überhaupt nog willen? Vaak werd dat dan heel con­se­quent doorgedacht en werd er gezegd: als die mens nu dood is in zon­den en misdaden, kan die mens ook niet willen. Dan kan hij zich ook niet bekeren. Dan is hij gedoemd tot totale passiviteit. Een mens kan dus niets aan zijn zaligheid toebrengen. Hij kan alleen maar wachten op die onwederstandelijke genade, op een God die hem te machtig wordt. Dan wordt die mens ‘ingewonnen’, zoals er dan vanouds wordt gezegd in de refor­matorische kringen. Die onwederstandelijke genade is de genade die over de mens komt als iets overweldigends. Daar kun je dan geen weer­stand meer aan bieden. Dan zeg je: God is mij te sterk geworden. Op zich zitten er wel enkele waardevolle elementen in deze redenatie. Dat is juist het punt, dat er veel van die gedachten zijn, waarvan je niet kunt zeggen, dat ze kant noch wal raken. Dan zou natuurlijk ook nie­mand het geloven. Er is natuurlijk wel een onwederstandelijke genade, zoals ook Paulus heeft ervaren op weg naar Damascus, waar hij als het ware letterlijk werd neergeveld. Terwijl hij van plan was dwars tegen al­les in te gaan, dreiging en moord blazende, wordt hij ineens tegen al zijn po­gin­gen in, gearresteerd. Hij zegt dan ook: ik ben door de Messias ge­gre­­pen. Dat was inderdaad iets onwederstandelijks; hij kon er als het wa­re helemaal niet tegenin gaan. Het komt over hem, het overkomt hem. Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus ge­gre­pen ben. – Filipp.3:12. Aan de andere kant kom je ook heel sterk in het bijbelse denken de ge­dach­te tegen dat de mens, hoe ook beperkt en aangevochten en verduis­terd soms, toch een vrije wil heeft. De mens kan kiezen, hoezeer hij ook begrensd is en hoezeer hij ook met allerlei remmingen en blokkades be­hept is.

Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt. – Rom.9:16.

‘Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfer­menden Gods’. – SV.

Dat lopen is hier een beeld van de atleet in de renbaan. Maar waar hangt het dan wel vanaf: van God die zich ontfermt. Waar het in het verband van deze tekst om gaat is: een mens kan willen wat hij wil en een mens kan lopen en zich inspannen en proberen, maar je heil hangt niet van je inspanning af, maar van de ontfermende God. Stel je voor dat je heil zou afhangen van hoe hard je kunt lopen en van hoe­­veel je kunt presteren, dan zou je toch wel een heel wankel geheel krij­gen. Juist vanuit die ontfermende God is daar de vrije wil. Die vrije wil ligt juist verankerd in de ontfermende God. Juist omdat God zich ontfermt en zich wil ontfermen over allen, juist daarom is er binnen die ontfer­ming de ruimte om te kiezen. Hierbij moeten we ook bedenken, dat de vrij­heid een van de oergegevens in de bijbel is van het menszijn. In de joodse gedachtewereld is men daar in de middeleeuwen al heel in­tens mee bezig geweest om dat te formuleren, namelijk dat de vrijheid een van de wezenskenmerken is van het menszijn. De mens heeft als wet ‘vrij te zijn’. De mens vormt in het oneindige land­­schap van de schepping, je zou kunnen zeggen: een reservoir van vrijheid. God geeft de mens de speelruimte om mens te zijn en om mens te worden. God neemt dat risico op zich. Dat is nu juist ook die ontfer­ming, dat God de mens die speelruimte geeft om te kiezen. Dat is het gro­te risico – zegt André Neher – dat God aan de mens toevertrouwt en aan hem alleen. Alleen aan de mens vertrouwt God de sleutel toe van de keuze. Al die andere schepselen hebben dat niet. Een wolf kan niet kie­zen of hij een wolf kan worden en of hij zich als wolf zal gedragen. Al­leen tot een mens kan gezegd worden: wordt een mens, wees een mens! Dat kan tot geen enkel ander schepsel gezegd worden.

In Genesis 1 wordt gezegd dat al die schepselen functioneren naar hun aard. Alleen van de mens wordt gezegd dat hij geschapen is naar Gods beeld. Het enige schepsel tot wie je kunt zeggen: ‘word wat je in wezen bent’, is de mens. Alleen de mens is in die zin niet ‘af’. Je zou kunnen zeggen: de mens is ook het enige ‘onaffe’ schepsel. De mens is om zo te zeggen dra­ger van die vrijheid. Dat is de vrijheid voor de mens, waar­van God ge­droomd heeft. Dat is de vrijheid die de mens zou gaan be­kle­den als een reëel, werkelijk concreet kleed. Dat is de vrijheid die hem da­­ge­­lijks zou omhullen en hem zou vergezellen in zijn denken, in zijn gevoe­lens en in zijn geschie­denis. En daarbij zou de mens nog slechts door één enkele ‘dwang’ be­paald wor­den, namelijk de dwang om vrij te zijn. Dat is ook wat Jakobus 1 zegt: de vol­maak­te wet is de wet van de vrijheid. Zo staan mensen steeds weer op de tweesprong. Binnen die ontferming kunnen ze kiezen. Gaat de mens in het spoor van God of gaat hij ontspo­ren. Is hij ‘geschiedenismaker’ of gaat hij in de platgetreden paden van altijd. De mensheid als partner van God. Dat risico neemt God op Zich. Dus God plaatst die ontferming als een kader, waarin dat risico te dra­gen valt. Als die mens weet heeft van die ontferming, dan weet hij dus ook, dat er een last van hem afgenomen is. Hij komt dan tot de overtui­ging: het hangt ten diepste niet van mij af. Het is niet een noodlottig zwa­re last van prestatie en de angst om te zullen falen. Het is niet: stel je voor dat het nu mislukt, maar God zet je in de vrijheid, die binnen die ontfer­ming tot uiting komt. Binnen die ontferming mag jij kiezen. Binnen die ontferming mag jij le­ren leven. Het is dus niet afhankelijk van degene die wil of van degene die loopt, maar van de ontfermende God. Want, en dan komen we bij vers 17: Het Schriftwoord zegt tot de farao…  ja, nu komt de farao in beeld. Hij ontfermt Zich over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil

Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde. – Rom.9:17.

Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. – v.18.

Nu gaat het zich helemaal toespitsen, want nu komt er dus nog een twee­­­­de element bij. Tot nog toe dacht je: dat gaat dan nog, maar nu wordt het naar twee kanten gezegd: Hij ontfermt zich over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. Wat is er met die farao aan de hand? Dat lijkt dan inderdaad een soort noodlot. Hiertoe heb Ik u doen opstaan. We moeten nu eerst teruggaan naar de tekst waar dat vandaan komt. Dit is weer een citaat, in dit geval uit Exodus 9:16. Wat wordt daar nu eigenlijk gezegd?

doch hierom laat Ik u bestaan, om u mijn kracht te tonen, opdat men mijn naam verkondige op de gehele aarde. – Ex.9:16.

‘Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de ganse aarde. – SV.

Ik heb u laten bestaan, Ik heb u overeind laten staan. Namelijk om mijn kracht te laten zien en opdat men mijn naam vertelle in heel de aarde of: het hele land. Dus hiertoe heb Ik u laten bestaan. Dus dat legt even een ander accent. Het gaat er dus niet zozeer om dat God die farao heeft ge­schapen – dat is vaak de gedachte die daaraan verbonden wordt, name­lijk dat God die farao heeft geschapen om voorwerp te zijn van zijn toorn – om verworpen te worden. Het gaat hier dus niet om de vraag: waarom heeft God die farao geboren laten worden. Het gaat er ook niet om waarom God de farao aangesteld heeft. Niet in de zin van: God stelt ko­nin­gen aan, waarbij God ook een farao aanstelt, die dan het lot krijgt, dat hij verhard wordt. Het betekent dus niet, dat God de farao van meet­­af aan heeft uitgekozen om zijn kop er tegenin te gooien, of om dwars­ligger te zijn. En om dan uiteindelijk de farao te worden, die dan ten onder gaat in de zee. Het gaat hier om iets anders. God zegt: Ik heb die farao laten bestaan. Dus God heeft hem steeds weer krachten gege­ven. Bij wijze van spreken had God ook direct die eerste keer – in Exodus 5, toen Mozes naar de farao kwam en zei ‘laat mijn volk gaan om Mij te dienen’ – gezegd kunnen hebben: als die farao dan wei­gert, dan stoppen we ermee. Dit is het einde; farao, als jij mijn woord weerstaat, dan betekent dit voor jou het einde. Nee, zegt God, Ik laat jou nog bestaan. Dus na elke slag van die 10 slagen, laat God hem nog weer be­staan. Dat is dus een blijk van geduld en lankmoedigheid. God had met­een in kunnen grijpen en kunnen zeggen: We praten niet verder, dis­cussie gesloten! Maar nee, die farao krijgt elke keer nog weer een her­kan­sing. En wat gebeurt er bij elke herkansing? En dan komen we dus ook meteen weer op een heel probleemveld, dan gaat hij zich verharden. Uiteindelijk staat er dan dat God hem verhardt. Ik denk dat je dat ver­staan kunt in die zin, dat God hem prijsgeeft aan zijn eigen hardheid.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384917 bezoekers sinds 07-06-2010