De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 17

13-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Zwakke en armelijke wereldgeesten

Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus. – Kol.2:8.

En ook:

Indien gij met Christus afgestorven zijt aan de wereldgeesten, waartoe laat gij u, alsof gij in de wereld leefdet, geboden opleggen. – Kol.2:20.

Nu gij echter God hebt leren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke wereldgeesten, waaraan gij u weder van meet aan dienstbaar wilt maken? – Gal.4:9.

In deze teksten wordt het dus vertaald met ‘wereldgeesten’, de stocheia van de kosmos. Hetzelfde woord stocheia wordt dan in 2 Petrus 3 ver­taald met elementen. De vertalingen lopen in dit opzicht dus nogal uit­een. Dat woord betekent inderdaad elementen of bestanddelen. Dat moet je dus niet zien als de chemische elementen van de kosmos. Het zijn de struc­­turele bestanddelen van deze kosmos, in politieke en maatschap­pe­lijke, eventueel religieuze zin, dat wil zeggen, zoals ze hun functie ver­vul­len in dit we­reld­bestel. Je zou kunnen zeggen: het zijn de basisstruc­turen van de maatschappij. In 2 Petrus 3 staat dus dat die basisstruc­turen brandend zullen worden losgemaakt. Dat duidt op iets wat je in wezen in deze tijd ook al ziet ge­beuren. Allerlei structuren raken in ont­binding. Eeuwenoude instellin­gen en gezagsstructuren, die vroeger on­aan­tast­baar waren – we denken hierbij bijvoorbeeld aan het politieap­pa­raat, aan kerke­lijke in­stel­lingen – verliezen hun gezag. Je ziet dus dat het gezag afbrokkelt. Vroeger had iemand autoriteit, gewoon op grond van een bepaald ambt, maar dat blijkt in deze tijd niet meer te werken. Gezags­dragers hebben vaak niet veel meer in te brengen. In wezen zie je dat gebeuren door allerlei revoluties, je zou kunnen zeggen dat het al met de Franse revo­lutie begonnen is. Vervolgens vindt dan de industri­ele revo­lutie en de Russische revolutie plaats. Dat zijn allemaal gebeur­tenissen, waar­in het gezag afbrokkelt en wordt aangetast door het vuur. Die structuren hòuden het dus niet. Die blijken niet vuurbestendig te zijn. Paulus spreekt in Kolossenzen 2 van: raak niet, smaak niet, roer niet aan; dat alles zijn dingen, die door het ge­bruik teloorgaan, zoals het gaat met voorschriften en leringen van mensen. Kol.2:21,22.

Paulus spreekt hier van het in acht nemen van allerlei voorschriften en regels, het in acht nemen van allerlei vaste tijden en bepaalde vormen van wetticisme. Hier en daar zie je dat nog. Maar dat is dan vaak heel streek­gebonden. Dan kunnen die oude structuren de zaak nog wat bij elkaar hou­den. Maar toch zie je dat langzamerhand al die elementen tot ont­bin­ding overgaan. Er zijn heel wat mensen die geloven in de theorieën van figuren als bij­voorbeeld Hal Lindsay. Dat is dus eigenlijk een theorie die ontstaan is in de vorige eeuw, het zo­genaamde dis….ona……lisme.

De bedelingenleer

In de vorige eeuw is heel die gedachtegang ontstaan van de bedelin­gen­leer. Dat was met name het geval bij de …..anen. ……… was dan een van de vaders van de apostolische beweging. Daaruit is dan voortgekomen de apostolische kerk, de nieuw apostolische kerk, en nog andere stro­min­gen. Die ……anen zijn dus tot hun overtuiging gekomen, onder andere op grond van een visioen, dat dan een meisje in hun kringen gekregen zou hebben. Hierbij was dan sprake van allerlei bedelingen en tijdperken. Van daar­uit krijg je die gedachtegang, dat de gemeente wordt op­ge­no­men vóór de grote verdrukking. Vervolgens zou God daarna de draad weer op­pakken bij Israël. Bij de Darbisten wordt heel die bede­lingenleer uitgewerkt tot een systeem. Daarbij wordt dan ook ge­zegd: elke bede­ling heeft een aantal vaste kenmerken. Het begint met een opdracht en een eis van God, een voorwaarde. Zo is de eerste bede­ling de bedeling van de onschuld, de bedeling van Adam. God stelt een eis aan Adam: je mag niet eten van die ene boom. Die bedeling eindigt dus, zoals alle bedelingen, met het falen van de mens. Dus elke bedeling eindigt met een mislukking. Zo eindigt dus de eerste bedeling met de zondeval. Daarna krijg je dus de bedeling van na de zondeval, die dan eindigt met de zondvloed, die dus ook weer het gevolg is van het falen van de mens­­heid. Vervolgens krijgen we dan ook nog de bedeling in verband met de torenbouw van Babel en daarna de bedeling in verband met Abra­­ham. Daarna krijg je dus de bedeling van de wet, zoals men dan zegt. Die bedeling gaat dus over Israël en eindigt dan met het falen van Israël, omdat ze de wet niet konden houden. De zesde bedeling is dan de bede­ling van de ge­meente. Het is ook belangrijk om in dit verband bepaalde gedachtepatronen te onderkennen. Het is goed om je af te vragen, hoe men aan die gedachten gekomen is. Hoe komt bijvoorbeeld Hal Lindsay aan zijn theorie? Want wat Hal Lind­say gedaan heeft, is in feite niets anders, dan die oude be­delingenleer van Darby weer op te poetsen en daarvan een populair verhaal maken. De boeken van Hal Lind­say zijn vervolgens als warme brood­jes over de toonbank gegaan. John Darby is er dus mee begonnen om heel die leer te ontwikkelen. Sco­field was meester in de rechten en was een leerling van Darby, alleen was deze nogal wettisch. Darby heeft die leer in zijn boeken weerge­ge­ven, alleen waren er niet zoveel mensen die zijn boeken kochten. Toen heeft Scofield een bijbel het licht doen zien, waarbij hij de leer van Darby in de voetnoten verwerkte. Dat was dus wel slim bekeken, want er zijn veel meer mensen die de bij­bel van Scofield lezen dan de boeken van Dar­by. Dus er is een uitgave van de King James met overal de kant­te­keningen van Scofield. Dus al bijbel lezend krijg je ongemerkt die hele bedelingenleer binnen. Elke tekst wordt na­me­lijk uitgelegd volgens die gedachtegang. En elke keer als je even onderaan de bladzij kijkt, dan zie je: zo past het in de voorzeide leer. Dus al bijbel lezend en al stille tijd houdend, wordt ongemerkt die hele gedachtegang doorgeslikt. En onge­merkt zijn er natuurlijk een heleboel mensen die zeggen: oh, het staat in de bijbel. Dat het nu toevallig net in de kant­te­keningen staat en niet in de tekst, heeft lang niet iedereen in de gaten. Je hebt trouwens nog meer bijbels die in de Engels sprekende wereld po­pu­lair zijn, en die de ge­dach­tewereld van Scofield ook in de tekst ver­werkt hebben. Zo bestaat er de Engelse bijbel …… , (de Engelse …..bijbel) waarbij men ver­schillende zaken kant en klaar naar onderwerp gerangschikt heeft. Hij wordt wel de bijbel voor de luie man genoemd, omdat als je bij­bel­studie wilt houden, de onder­wer­pen al voor je klaarliggen. Zo worden er bij­voor­beeld 80 verschillen genoemd tussen het oude en het nieuwe ver­bond. Dus je kunt jaren vooruit met bijbelstudie geven. Scofield heeft de gedachten van Darby dus in de bijbel met kanttekeningen gebracht. Zo zijn er hele generaties die met deze gedachtewereld zijn opgevoed en die voetstoots hebben aangenomen. In Dallis (?) bevindt zich een theolo­gisch seminarie, waar men van­ouds die bedelingenleer heeft aangehan­gen. Daar heeft men toen tegen Hal Lindsay gezegd: schrijf jij er eens iets over. Hal Lindsay heeft dat dus in een populair boek gegoten, zodat ie­dereen ervan kon smullen of griezelen. Zo spannend, dat iedereen dacht: maar dit is het! Compleet met de helikopters van Vietnam enzo­voort; dat waren dan die sprinkhanen uit Openbaring 9. Op die manier werd die sluimerende be­de­lingenleer weer in een actueel jasje gegoten. Bepaalde eindtijdvisies zijn duidelijk ook maatschappij- en cultuurge­bonden.

Het pacifistisch West-Europese denken en het Ame­rikaanse pros­parity-geloof

Ik heb soms wel eens het idee dat die eindtijdvisies helemaal sporen met een bepaald soort welvaarts­denken in de trant van: we worden wegge­no­men vóór de grote ver­druk­king komt, we worden weggeno­men vóór de proble­men beginnen. Dat is dat pacifistisch West-Europese denken en het Ame­rikaanse pros­parity-geloof, dat propageert: als je Jezus volgt, krijg je voorspoed. Een bekend bijbelleraar uit deze kringen zei: als een chris­ten verdrukking ervaart, moet er voor hem een rood lampje gaan bran­­den. Dat is dan een teken dat hij op de verkeerde weg is. Dan moe­ten er achter het ijzeren gordijn heel wat rode lampjes branden. Paulus zegt echter: allen die godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden. Het volk van God heeft door de eeuwen heen altijd verdruk­king ge­kend. De ideeën van de bedelingenleer liggen dus ook helemaal in de lijn van het wel­vaarts­denken, waarbij de gedach­te overheerst, dat als het moeilijk wordt, God je wel uit de moeilijkheden zal wegnemen. Als de strijd gaat be­ginnen, zegt de generaal niet tegen zijn soldaten: kom maar fijn in de kantine, ga maar lekker TV kijken, dan blijf je ook nog op de hoogte hoe het zich al­le­maal ontwikkelt. Sommige mensen zeggen zelfs: daarom heeft God ons nu de televisie gegeven, dan kan heel de wereld het zien. Maar wat moeten dan al die mensen die geen televisie heb­ben?! Zo zijn er allerlei vreemde theorieën, die hun wortels zo in het begin van de 19e eeuw heb­ben. Dat was ook een tijd, waarin de mens wat losgeslagen raakte en niet meer goed wist hoe het verder moest. Al die eeuwen daarvoor heeft men die bedelingenleer in feite nooit ge­kend. Het is dus een betrekkelijk jong verschijnsel. Als we het dus bekijken vanuit de geschiedenis van de kerk der eeuwen, dan is het wel een laatkomer. Aan die bedelingenleer zitten toch ook heel wat punten vast, die in strijd zijn met de leer van de Torah. Als je het gaat bezien vanuit de Torah, dan rammelt er heel wat aan die bedelingenleer. Ik geloof niet dat God werkt in allerlei bede­lin­gen en tijdperken. Die bedelingenleer houdt dan ook in, dat God in ie­de­re bedeling op een andere manier gaat werken. Dan krijg je dus het idee, dat God heel wispelturig is en dat Hij elke keer weer iets anders pro­beert. Hierin zit ook de onderliggende gedachte, dat al die bedelin­gen mislukken. Dan zou het enige doel van God zijn met al die bedelin­gen om de mens te laten zien, dat hij het niet kan redden. Dan krijg je uiteindelijk de laatste bedeling, het Duizendjarig Rijk. Het Dui­zend­jarig Rijk loopt dan ook weer uit op een mislukking. De duivel wordt weer losgelaten en heel de mensheid loopt er weer achteraan. Als er dan eindelijk duizend jaar vrede is, breekt de ellende weer los. De achter­liggende gedachte van de bedelingenleer is dan, dat de mens in feite onverbeterlijk is. En dat moet de mens nu ook eens goed weten! Daar moet hij nu maar eens een keer achter komen. De mens moet maar eens in de gaten hebben, dat hij met al zijn goede voornemens niets be­reikt. En dat gaat God hem dan zevenvoudig laten zien.

Geen God van experimenten

De vroegere redac­teur van het Zoeklicht, de heer Monsma, placht dan te zeggen: als ik achter mijn bureau ga zitten, maak ik er zo zeven bede­lingen bij. Wat dat betreft zou je er dus net zo goed veertien kunnen ma­ken in plaats van zeven. Het probleem in die bedelingenleer is dus, dat het plan van God helemaal opgesplitst wordt, terwijl ik ervan overtuigd ben dat het plan van God één is, want God is ook één. God is van eeu­wig­heid tot eeuwigheid, van oertijd tot eindtijd dezelfde. Hij is niet een God die zegt: nu ga Ik eens dit proberen, en dan eens dat proberen. God laat die mens niet op zeven manieren vastlopen. God is van meetaf aan de God die erop uit is zijn verlossingsplan uit te werken en door te voe­ren. God zegt niet: nu ga Ik het eens proberen met de wet, maar dat lukt helaas niet. Dan gaan we het eens proberen zonder wet, maar dat lukt ook al niet. God doet niet aan allerlei experimenten en proeven. Daar­door zou de mens in feite ook een soort proefkonijn worden.

Die bedelin­genleer betekent ook, dat heel de geschiedenis in mootjes wordt gehakt. Ook de lijn tussen Israël en de gemeente wordt doorge­hakt. Er wordt dan ook gezegd: de profeten in het Oude Verbond wisten niet van de gemeente. Die wisten niet dat er een volk zou komen uit de heidenen, dat hebben ze nooit geweten. God was van plan via Israël het Konink­rijk te brengen op aarde. Dan komt Jezus met zijn prediking en brengt het Koninkrijk, alleen ze pakken het niet. God zegt: daarom ga Ik nu naar de heidenen. Op die manier wordt dus de gemeente ingevoerd; de gemeente wordt als het ware een intermezzo. De gemeente wordt ingevoegd, omdat Israël het evangelie van het Ko­nink­rijk afwees. En dan gaat God naar de heidenen; dat is het evangelie van de genade. Er wordt dan ook nog onderscheid gemaakt tussen vier soorten evangelie. Israël hoort het evangelie van het Koninkrijk, maar dat pakken ze niet. Dan komt het evangelie van de genade, dat brengt Paulus en dan ontstaat de gemeente uit de heidenen. Dus de gemeente uit de heidenen had er oorspronkelijk helemaal niet moeten zijn. Dat was alleen omdat Israël had afgehaakt. Vandaar dat er ook hele theo­rieën worden verkondigd op grond van het boek Daniël. Dan wordt er dus gezegd: we gaan uit van 69 we­ken en na de 69e week wordt de tijd stopgezet. En dat is dus de tijd van de heidenen, daar zitten wij nu al 2000 jaar in. Als dan die hei­denen worden ‘opgenomen’, dan gaat God door met de 70e jaar­week. Dus wij zitten tussen die 69e en die 70e jaar­week. Gedu­ren­de die periode staat de tijd stil. Maar dat is pure ellende! God verzamelt dus een volk uit de heidenen, de gemeente. En als de ge­meen­te dan wordt opge­no­men, gaat God weer verder met Israël. Ver­vol­gens gaat Israël door de grote verdrukking, opdat ze de Messias zul­len aan­nemen. De gemeente gaat dan inmiddels het bruiloftsmaal vie­ren. Intus­sen gaat Israël door de ver­drukking heen en komen ze tot be­kering. De jo­den gaan dan zeven jaar lang de hele wereld beëvange­li­seren. Israël en de ge­meente worden op die manier dus helemaal opge­splitst. Er zijn er ook die zeggen: wij moeten Israël tot jaloersheid verwekken en dat doen we door opgenomen te worden. Als de gemeente dan weg is, zegt Israël: hé, ze hebben toch gelijk gehad! Dus Israël wordt jaloers om­dat wij verdwijnen. Onze verdwijning moet Israël tot jaloersheid wek­ken. De eerste gemeente bestond inderdaad uit allemaal joden. Het waren dus Messiasbelijdende joden. Alleen, daar zit dus ook het punt achter, dat een groot deel van de bijbel dan niet voor ons is. Die lijn wordt door de aanhangers van de bedelingenleer vaak heel consequent doorgetrok­ken door te zeggen: bij elke tekst die je leest, moet je je afvragen voor wie die tekst is. Er zijn dan drie mogelijkheden: of de tekst is voor Israël, of de tekst is voor de gemeente of het is voor de heidenen. Het oude tes­ta­ment is volgens die visie niet voor de gemeente. De evangeliën zijn trouwens óók niet voor ons. Als Jezus zegt: bid maar om de heilige Geest, dan zegt de bedelin­gen­leer consequent doorredenerend: nee, dat is niet voor ons, dat is voor de jo­den. Nu gaat het er hierbij niet om iemand te veroordelen, maar als je een kind van God bent, dan heb je de heilige Geest. Dus al die teksten die daarover gaan in de vier evangeliën, zijn volgens de bedelin­genleer niet voor ons. Er zijn er zelfs die zover gaan, dat ze zeggen: het boek Han­delingen is ook niet voor ons. Want dat boek ging over de eerste gemeente en dat waren jo­den. Je krijgt dus als conclusie: alleen be­paalde brieven van Paulus zijn voor ons. Niet alle brieven van Paulus zijn vol­gens de bedelin­gen­leer voor ons, de katholieke brieven namelijk ook niet. Het boek Openbaring is trouwens ook niet voor de gemeente, want na hoofdstuk 3 wordt de gemeente opgenomen.

De zogenaamde opname

Na deze dingen zag ik, en zie, er was een deur geopend in de hemel; en de eer­ste stem, die ik gehoord had, alsof een bazuin met mij sprak, zeide: Klim hier­heen op en ik zal u tonen, wat na dezen geschieden moet. – Op.4:1.

 ‘Klim hierheen op’, wordt er tot Johannes gezegd. Dan wordt de ge­meen­te opgenomen en daarna is er op aarde dus geen gemeente meer. Men ba­seert dat ook op de zinsnede ‘wat na dezen geschieden moet’, na de­zen, dus nadat de gemeente is opgenomen. Er zijn mensen die conse­quent in die gedachtewereld zijn opgevoed. Ik heb eens iemand ont­moet, die voorganger werd van een groep die altijd op die manier ge­dacht had. Deze mensen hadden 24 jaar lang niets anders gehoord, dan dat elk mo­ment de wederkomst er kon zijn. Dus zie daar maar naar uit! Evan­ge­li­seren deed men niet, dat zouden immers de joden gaan doen, na de opname. En als die dan in zeven jaar de hele wereld gaan bekeren, waar­om zou je dan nog gaan evangeliseren! Daar kunnen wij nooit te­gen­op! Hun bezigheid was dus: alleen maar leven van toogdag tot toogdag en letten op de tekenen der tijden. Het is vijf voor twaalf. Een jaar later weer een toogdag; nog steeds is het vijf voor twaalf. En dat gaat zo door jaar in jaar uit, en steeds is het vijf voor twaalf. En dan wordt er vooral gezegd: zie je wel hoe het allemaal op een eind loopt! Het kan elk mo­ment afgelopen zijn. Nee, evangeliseren is onze taak niet. Hier komt bo­vendien nog bij, dat de Darbisten dan nog de volgende consequentie trok­ken: de gemeente is er niet meer. Er is alleen nog een vergadering van gelovi­gen, want de gemeente heeft ook gefaald. Dus de gaven en de bedie­nin­gen zijn er ook niet meer. Profetieën, genezingen, spreken in tongen, dat is allemaal al lang uitgeblust. Dus we hebben alleen nog de vergadering van gelovigen. Daarom hebben ze die naam ook aangeno­men: Vergade­ring van Gelovigen. We kunnen dus alleen nog maar wach­ten op het ein­de, het einde van deze bedeling. De gemeente heeft ge­faald, daar valt dus niets meer aan te herstellen. Je kunt wel zeggen: we gaan een ge­meente stichten, maar dat heeft eigenlijk weinig zin. Op die manier zie je hoe zo’n bedelingenleer in de praktijk verlammend werkt. De mensen worden met totale passiviteit geslagen. Bovendien, en dat is toch wel het gevaarlijkste, Israël en de gemeente worden helemaal uit elkaar gehaald. De gemeente wordt opgenomen, of althans wat er nog van over is, en dan gaat God met Israël verder.

Maar, ik haal mijn eindtijdvisie uit de Torah, uit de boeken van Mozes. In de eerste plaats geldt dan deze fundamentele wet: je kunt alleen thuis­komen samen met je broeder. Dus het is onmogelijk dat de gemeente feest gaat vieren, terwijl Israël door de verdrukking gaat. Óf allebei feest, óf allebei ellende, maar niet de een wel en de ander niet. Als je iets begre­pen hebt van het hart van de Torah, dan zou je moeten bidden: God, wilt U het feest nog even uitstellen, tot mijn broeder er ook bij is. God wil ook zijn mensen terug hebben en Hij gaat zonder zijn mensen ook niet feestvieren. De vader van de verloren zoon gaat naar buiten, om die oudste jongen bij het feest te halen. Die vader zegt niet: we gaan nu feest­vieren, die oudste moet het zelf maar weten, hij weet de weg. De vader stopt bij wijze van spreken heel het feest om die oudste erbij te kunnen krijgen. Het is toch onmogelijk dat we heerlijk feest gaan vieren in de hemel en onze broeder intussen door de grootste misère heengaat. Tenslotte staat er ook nog in Spreuken, dat je je oor niet mag toesluiten voor het roepen van de ellen­di­ge. Maar dat doe je dan in feite wèl. Je komt thuis samen met je broeder. Niet de een door de ellende en de an­der al feestend. Een basispunt is ook, dat een christen van de aarde houdt. Mens en aarde horen bij elkaar, adam en adamah. Ik hoorde iemand in de zangdienst zeggen: het gaat allemaal achteruit, milieu, oorlog, menta­li­teit; maar gelukkig, straks komt de Heer ons halen. Dat is toch een heel griezelig denken. Daar zit toch die gedachte achter: laat die aarde dan maar ten onder gaan, want wij gaan toch naar de hemel. Maar een chris­ten hóudt van de aarde. Want hoe je het ook wendt of keert, de mens moet toch weer op de aarde terechtkomen; een mens zonder aarde kan niet. God houdt ook van de aarde. Wat dat betreft wor­den dingen soms verwis­seld, er wordt dan gezegd: je moet niet aards­gezind zijn; maar dat is heel iets anders. ‘Wijkt o wereld uit mijn ogen’ staat er dan in een lied. Ja, maar dat is een ander begrip van het woord ‘wereld’. Het woord wereld kan ook betekenen: systeem. In dat verband kun je zeg­gen: de duivel is de overste van deze wereld. De duivel is niet de over­ste van de aarde. Uit dat systeem moet je inderdaad weg zien te komen. Het woord wereld wordt ook gebruikt in de zin van deze kos­mos.

Het begrip wereld

Het woord wereld wordt ook gebruikt in de zin van deze kosmos. Jezus bidt daarom ook: Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze. – Joh.17:15.

Maar ook bidt Hij in het hogepriesterlijk gebed: Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U, – Joh.17:9. Ik heb hun uw woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben. – Joh.17:14.

Hier gaat het weer om dat systeem. Vergelijk de onderstaande teksten:

Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. – 1 Joh.2:15.

 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon ge­ge­ven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. – Joh.3:16.

Je bent wel mens in de hemel èn op de aarde, dat zegt de rabbijnse tra­ditie ook. De joodse mens is iemand die zijn wortels heeft in de he­mel. Maar tegelijk ben je ook mens op de aarde. Hemel en aarde horen ook bij elkaar. Zo is het toch wel zinvol, om een beetje van de kerkgeschiedenis te we­ten. Dan weet je ook hoe mensen aan bepaalde gedachtegangen komen. In wezen zit hier toch dat hele dualistische denken achter. Dat heeft als hoofdkenmerk het opsplitsen van ziel en lichaam. En van daaruit ook het opsplitsen van hemel en aarde, het opsplitsen van Israël en de ge­meente. En dan in het bovenstaande vooral: het opsplitsen in tijden en tijdperken. Alles wordt opgesplitst, dat is in wezen een sterk dualistisch principe. Er wordt dan gezegd: dat de aarde vergaat is niet zo erg, want de ziel gaat toch naar de hemel. En dan wordt er in een oud lied gezon­gen: ‘alles hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan’. Zulke gedachten worden vaak dan toch heel onna­den­­­kend overgenomen. Net alsof God wel even een nieuwe aarde zou scheppen. Stel je voor dat je tegen een moeder, die een kind verloren heeft, zegt: maar je kunt toch wel weer een nieuw kind krijgen! Zo kun je ook niet tegen God zeggen: als deze aarde mis­lukt, dan maakt U toch een andere! Dit allemaal naar aanleiding van die hoop uit Romeinen 8. Daar is dus een hoop over te zeggen. Want de schepping zal bevrijd worden. Als er op de nieuwe aarde een merel fluit, is dat een afstammeling van de merel die nu op deze aarde fluit. Het is een doorgaande schepping, een creatio continua. Er staat ook zo mooi in Jesaja 40, dat al wat leeft de heerlijkheid Gods zal zien.

De heerlijkheid des HEREN zal zich openbaren

En de heerlijkheid des HEREN zal zich openbaren, en al het levende tezamen zal dit zien, want de mond des HEREN heeft het gesproken. – Jes.40:5.

Dus een christen heeft hoop voor de aarde. Hoe christelijker je wordt, hoe meer je van de aarde gaat houden. in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de ver­gankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kin­deren Gods. – Rom.8:21.

Het begint dus bij de kinderen Gods, dat zij weer die heerlijkheid ont­vangen. Die heerlijkheid is die sjechina, die lichtglans, die inwoning van God. Sje­chi­na hangt dus samen met het woord sjachan, wonen. Dus als die heer­lijkheid van God komt over mensen, betekent dat ook, dat men­sen weer hersteld worden tot beelddrager van God. Zo komt de mens in de vrijheid. Die vrijheid gaat dan doorwerken tot in de ganse schepping. Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. – Rom.8:22.

Het ganse schepsel zucht. Voor de oorlog was er een man in Andijk, die dat op een groot bord boven zijn kippenhok had gehangen ‘Het ganse schep­sel zucht’. Ik denk dat dit inderdaad toch ook heel diep gaat. Heel de schepping verkeerd in pijn, in weeën. De schepping gaat vaak door tranen en diepten heen. De mensheid ondergaat al dat leed van honger, oorlog, overstromingen, klimaatverandering…. De aarde lijdt vaak on­der het wanbeheer van de mens. En de mens lijdt weer onder de ge­vol­gen daarvan. Lafontaine zei: het in net als met de kip die de gouden eie­ren legt; elke dag een gouden ei. Maar op een gegeven moment wilde iemand al die eieren tegelijk hebben en toen heeft hij die kip geslacht. Dat is in wezen de tragiek van wat wij als mensen gedaan hebben met de schepping. We waren niet tevreden met elke dag een ei, maar we wil­den alles tegelijk hebben. Zo is de schepping uitgebuit. Romeinen 8 heeft toch ook te maken met al de consequenties van de milieuproblematiek. Een Amerikaanse presidentskandidaat heeft in de race om het presidentschap ge­zegd: wat mij betreft mogen er weer bo­men worden gekapt, want de industrie is belangrijker dan het milieu. Op die manier proberen ze dan weer de houthakkers achter zich te krij­gen. In dit verband werd de uitspraak gedaan: mensen zijn belangrijker dan uilen. Of die uil nu een boom kan vinden om in te wonen is niet het belangrijkste. De industrie moet doorgaan; de economie is vaak de god van deze eeuw. De economie wordt als een soort heilige behandeld.

De ganse schepping zucht en is in barensnood

Het wonderlijke is, dat er aan het eind van vers 22 toch nog staat: ‘En in barensnood is’. Die barensnood duidt toch op het begin van iets nieuws. Er gaat iets ge­boren worden. De schepping is niet in stervensnood, maar in barens­nood. Er gaat iets tot aanzijn komen. Dat ene woordje barensnood weer­legt in feite al heel de theorie van de bedelingenleer. Jezus zegt ook: Doch dat alles is het begin der weeën. – Matt.24:8. Dit is het einde niet, maar het begin der weeën. Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet. Matt.24:8.

Heel vaak wordt gezegd: tekenen der tijden zijn oorlogen, rampen, aard­­­bevingen… Dan wordt dat ook nog vaak bij elkaar opgeteld, hoe­veel en hoe erg het wel niet is tegenwoordig; men pluist dan uit, of de fre­quen­tie soms ook toeneemt. Dat zouden dan allemaal tekenen zijn dat het een aflopende zaak is. ‘Rampen en slagen en dreigend geweld, heeft God reeds voorzegd in zijn woord’, wordt er in een lied gezongen. Maar Jezus zegt: het einde is het nog niet. Het is niet het einde, maar het begin van de wee­ën. En dan staat er: En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn. Matt.24:14. Het woord einde betekent hier voleinding. Dan zal de volle vrucht komen. Jezus zegt: En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld. Matt.28:20. Ik ben met u tot aan de voleinding van de eeuw. Jezus zegt niet: het einde van de wereld.   is dit bandje 12? Letterlijk staat er:  ‘tot aan de voleinding van de eeuw (aeoon – ‘olam)’. Ik ben met u tot aan de voleinding van het tijdperk. Hoe vaak is al niet het einde van de wereld voorspeld! In dat verband zijn er al heel wat jaartallen genoemd. Darby had hier een aardige ge­dach­te over. Indertijd heeft hij gezegd: het einde komt in 1977. Hij zei: nie­mand weet de dag of het uur, maar het jaar weet je wel. Indertijd zei­den de Jehovah-getuigen: het einde komt in 1914. Toen brak de Eerste Wereldoorlog uit en zeiden ze: zie je nu wel, de duivel is uit de hemel ge­worpen. En dat was dan de onzichtbare wederkomst. Er is altijd wel weer iets bedacht om de theorie aan te passen aan de praktijk.

En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld. Matt.28:20.

Letterlijk: ‘tot aan de voleinding (sunteleia = voltooiing) van de eeuw (aeoon – ‘olam)’. Er komt ook niet een einde aan de tijd. De tijd houdt niet op, de tijd gaat door. André Neher zegt zo mooi: er komt na het laatste der dagen altijd nog een morgen. Jochanan ben Zakai zegt: als de Messias komt en je bent bezig een boom te planten, plant dan eerst die boom. Er wordt al­tijd gezegd dat dit een uitspraak van Luther is, maar hij werd dus al veel eerder gedaan. Als de Messias komt, betekent dat niet dat de deur van de tijd dichtgaat, maar juist dat de deur opengaat. Dat is niet het einde van de tijd, maar dat is de overgang naar het volgende tijdperk. Het is dus een voleinding van een tijdperk.

Wij hebben deel aan het zuchten van de schepping

En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste gave ont­van­gen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlos­sing van ons lichaam. – Rom.8:23.

 Je krijgt hier dus een drievoudig zuchten.

1. De schepping zucht.

2. Ook wij zuchten.

3. De Geest zucht. (zie vers 26)                

Wij hebben deel aan het zuchten van de schepping. De gemeente valt daar niet buiten. Wij zitten niet op een eiland, dat zuchten van de schep­ping gaat ook dwars door de gemeente heen. Dat is ook een oer-joodse en bijbelse gedachte. Het is niet zo dat de gemeente gevrijwaard wordt voor alle nood. De gemeente wordt niet in de watten gelegd. Het volk van God ervaart ook dat lijden van de schepping. Daarom is het volk van God ook tegelijk stem van de zuchtende schepping. Wij zuch­ten in onszelf en de Geest pleit in ons met onuitsprekelijke verzuch­tin­gen. Dus de gemeente is geroepen om dat zuchten van de schepping voor God te brengen. De gemeente is geroepen om stem te zijn van de stemmelozen. Daarom heeft de gemeente ook vanouds dat Kyrie gehad in de eredienst. Dat is de roep om ontferming. Heer, ontferm U, Kyrie elei­son. Dat komt ook in de psalmen naar voren. Dat is de roep om ontferming, niet alleen voor jezelf, maar ook voor heel de mensheid, voor heel de wereld om je heen. We roepen Gods naam uit voor de nood van de wereld; we doen voorbede voor de schepping. Dat is ook een heel belangrijk element in het functioneren van de gemeente; het is jammer dat dat soms wat op de achtergrond is geraakt. Als je een samenkomst opbouwt, en je doet dat met alleen maar lofprijzing en juichliederen, dan raak je toch dat ele­ment van Romeinen 8 kwijt. De gemeente moet immers ook stem zijn van de zuchtende schepping. De tendens in veel gemeenten, uitgaande van de opvatting dat je geen enkel klaaggeluid moet laten horen, heeft ertoe geleid, om het klagen van de schepping dan ook maar niet voor Gods troon te brengen. We moeten niet klagen en we moeten niet zuchten en we moeten altijd blij zijn. ‘Al­tijd vrolijk, altijd vrolijk, alle dagen zonne­schijn’. Àls er dan al eens in een gemeente geklaagd werd, was de reac­tie vaak dat je je nega­tief op­stelde. Helaas raak je op die manier toch een heel belangrijk ele­ment kwijt. Dan sluit je in wezen de zuchtende schep­ping buiten de deur. Wij hebben het goed, en we gaan fijn zingen en we hebben fijne liederen en straks horen we een fijne preek. We komen heerlijk in de lof­prijzing. Het fijne gevoel dat op die manier al dan niet wordt opge­roe­pen, wordt dan haast een waar­merk voor de aanwezig­heid van God. Om­dat we ons fijn voelen, omdat we een fijne dienst heb­ben, voelt God zich bij ons thuis. We merken toch zo, dat er een zalving is van de heilige Geest. Maar dat is toch eigenlijk een riskante ontwik­keling. In een artikel van een joodse schrijver werd gezegd: in feite ga je dan weer denken in termen van be­lo­ning. Dat heer­lijke gevoel is dan je beloning. Als je dan fijn zingt, krijg je als be­loning een fijn gevoel. En als je dan fijn bidt, krijg je ook als belo­ning een fijn gevoel. Dat woord fijn wordt in dit verband als het ware een stopwoord. En als er dan ook nog een fijne spreker komt, is de zaak helemaal compleet.

Paulus zegt echter: wij zuchten in onszelf; hij houdt de deur open naar de zuchtende schepping. De gemeente is niet een soort getto, is geen be­slo­ten samenkomst. Het is niet een heerlijk plekje waar je kunt zeg­gen: nu is de boze wereld buiten. Nee, we moeten die wereld meenemen, in on­ze gebeden, in ons zuchten. De Oud-Gereformeerden hadden dat wel be­­grepen. Daar hadden ze vroeger en misschien nu nog wel een type­rende uitdrukking. Als er bijvoorbeeld een kandidaat was die erg tegen het preken opzag, waren er soms van die oudere broeders die zei­den: jongen, wij zullen wel voor je zuchten. Dan zeiden ze niet: we zul­len wel voor je bidden, maar ze zeiden: we zullen voor je zuchten. Toch zit daar iets heel moois in. Je kunt soms nog wel eens wat leren, als je over de muurtjes heen kijkt. Als er dan bijvoorbeeld ie­mand overle­den was, werd er gezegd: nu is er weer een zuchter minder op aarde. Die ver­zuchtingen die de gemeente dan uit, zijn in feite een heel diep ge­heim. Het Hebreeuwse woord hagah betekent ook zoiets als verzuchten, over­peinzen. Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins (hagah – ver­zucht het) het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt overeenkomstig alles wat daar­in geschre­ven is, want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn. – Joz.1:8.

We zien dat ook in Psalm 1: maar aan des HEREN wet zijn welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht. – Ps.1:2. Het mooie van het woord verzuchten is, dat er een dieptedimensie in zit. Het gaat dieper dan alleen maar iets zeggen, maar het komt vanuit de bo­dem van je bestaan. En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste gave ontvan­gen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlos­sing van ons lichaam. – Rom.8:23.

Er is geen andere opvoe­ding dan de opvoeding van de hoop

Daar komt ook weer dat punt van het verwachten naar voren. We zuch­ten dus ergens naar toe. Ik vond een prachtige uitspraak van Lea Das­berg, hoogleraar in de pedagogiek: ‘Er bestaat geen andere opvoe­ding dan de opvoeding van de hoop’. Een positieve uitspraak te midden van doemdenken en de gedachten in de trant van: ‘het zal onze tijd wel uit­duren en na ons de zondvloed’. Je kunt alleen kinderen opvoeden als je denkt vanuit de hoop. Dat is ook vaak het probleem bij de volgende generatie, dat ze geen hoop hebben. De vorige generatie heeft dan geleefd om carrière te maken en zij ken­nen dan de verworvenheden van de welvaartseconomie. Maar de nieu­we ge­­neratie prikt daar doorheen en zegt: waarvoor doe je dat nu al­lemaal? Straks krijgen we misschien een wereld, die niet meer leefbaar is. Het is dus fundamenteel, dat mensen worden opgevoed tot verwach­ting. Lea Das­berg zegt ook: een geslacht dat het heden ontvlucht, uit angst dat er geen toekomst zal zijn, kan onmogelijk een volgend ge­slacht opvoeden. Opvoeding vereist een perspectief. En dan moet dat perspectief wel iets meer zijn dan alleen een vlucht uit het heden. De Tal­moed zegt: de we­reld wordt in stand gehouden door de school­kinde­ren. Die verwachting moet ook wel een concrete verwachting zijn, want anders dan ga je er on­gemerkt toch iets inbrengen van de zinloosheid der dingen.

Is er nog leven na Auschwitz?

Een paar citaten in dit verband….. Die vruchteloosheid, het zuchten van de schepping is dan in de 20e eeuw toch wel heel doordringend geworden. De vraag kan gesteld wor­den: kunnen wij nog leven na Auschwitz! Door Auschwitz is aan de dag ge­bracht: elk mens is vervangbaar en dus overbodig. In de kampen stier­ven de mensen als exemplaren, naamloos, zinloos en roemloos. Hun exem­plarisch sterven gaat ons allen aan. Toevallig waren zij het. Het hadden ook anderen kunnen zijn. Met hen is de naam van ieder van ons mee ten onder gegaan. En wij zijn dan de toevallig overlevenden. Net zoals een mens soms alleen maar getypeerd wordt als arbeidskracht. Exemplaren zijn inwisselbaar. Sinds de massamoord in de kampen weet ieder die ont­slagen wordt, dat zijn overbodigheid in laatste ernst zijn dood bete­kent. Dat is een doorgaande lijn: overbodig zijn – dood zijn. Ten dode op­­geschreven, want die miljoenen waren onbruikbaar. En om­dat ze geen Übermensch waren, waren ze Untermensch. De joden, wer­den te­zamen met zigeuners en met homoseksuelen exemplarisch ausra­diert. Zij zijn ons voorgegaan.

Pluk de boze dag!

Is er dan nog leven op aarde? Zijn wij dan nog meer dan gewillige exem­plaren? Het is belangrijk om over deze za­ken te denken en niet te zeg­gen: ja, maar dat gaat ons niet aan. Ausch­witz is een voorteken, het aan­lichten van Harmagedon. En wie zich dan nog beroemt op ervaringen, herinneringen, weet hij dan nog wel wat hij zegt! Dat is dan niet een kwestie van geloof, maar dat is veel meer: ik wil nog genieten. Ik wil de boze dag nog plukken; pluk de boze dag. En ik stel mij er boven, ik trek mij er niets van aan. En dan denk je: wat is die mens toch een volhouder, een doorzetter.

Wat is dan de hoop?

De hoop is in wezen het gevecht tegen de dood. Zo heeft bijvoorbeeld de joodse denker Ernst Bloch gevochten tegen de dood, tegen de collec­tieve dood, tegen de ondergang. Met die gedachte: er moet een land zijn waar het leven goed wordt. De hoop komt uit het woord vandaan. In den beginne was het woord. Je kunt ook zeggen: in principe was het woord. Want principe betekent het begin. Zo staat het ook in de Vulgaat, de Latijnse vertaling: in princi­pio erat Verbum et Verbum erat apud Deum et Deus erat Verbum. – in prin­cipe was het woord. ‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God’. En dat principe van het woord is wat Ernst Bloch genoemd heeft: ‘Das Princip Hoffnung’. Dat is het principe waar­uit je leeft. Elk antwoord is voorlopig. En het enige wat je kunt doen, is solidair zijn met degenen die lijden. Uit de diepten leren ze roepen.

Nood leert denken

Ernst Bloch heeft de vraag opgeworpen: waar komt denken uit voort? Denken komt voort uit de nood. De mens die alles heeft wat zijn hartje begeert, denkt meestal ook niet zo intensief na. Die zit heerlijk op een ter­rasje en denkt: het zal mijn tijd wel uitduren. De meeste denkers zijn inderdaad geboren vanuit een crisis. Dat zie je ook in de bijbel; een man als Paulus is gaan denken vanuit zijn crisis. In feite zaten al die profeten zoals Jesaja, Jeremia, Ezechiël, enzovoort, in een crisis. Vanuit de nood heb­ben ze leren denken. Nood leert denken. Ernst Bloch zegt: uit de nood komt het denken voort. Niet dat je dan meteen allerlei antwoorden klaar hebt, maar het betekent vóór alles luisteren, leren om te ho­ren. Dat is ook wat speelt in vers 23: de verwachting van het zoonschap. En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste gave ontvan­gen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlos­sing van ons lichaam. – Rom.8:23.

Zo zijn ze er geweest: al die mensen, ook in de loop van de eeuwen, die toch door alles heen de hoop hebben vastgehouden. Die schare die nie­mand tellen kan, die naamloze massa, mensen die niet meetellen maar waaraan de toekomst behoort. X…… X…. zegt dan op een gegeven ogen­blik ook – hij ziet daar zo’n grote kathedraal, een Romaanse basiliek die gebouwd is in opdracht van Lodewijk VII – kijk, daar zijn ze, al die naam­­loze arbeiders. Ze hebben gebouwd aan die kerk, en jarenlang, mis­­schien generaties lang, hebben ze aan die grote kathedraal gebouwd, die naam­lo­ze massa. De vorst is er niet meer, maar zij, de werkers, leven voort, ze hebben hun leven daar ingelegd. Zo zijn er altijd mensen geweest, die hun leven hebben ingezet in de ver­wachting van het zoonschap. Dat zegt het woord utopia zo mooi, let­ter­lijk: de aanstelling tot zoon; het in de positie van zoon gesteld wor­den. Al die vertrapten, al die verschovenen, al die arme Lazarussen, al die tim­­merlieden, metselaars, steenhouwers, schrijnwerkers, dakdekkers, ze hebben met elkaar dat monument geschapen. Al die kleinen der aarde, al die randfiguren, zij komen in het midden. Onlangs werd in een preek gezegd: wij bepalen vaak wie er bij mogen ho­ren. Wij denken vaak: vreemdelingen, asielzoekers, vluchtelingen, zij horen er niet bij. Wij zit­ten immers in het midden, en wij bepalen wie er bij mogen horen. Maar als je dat in de bijbel bekijkt, is het juist anders­om. Daar staan al­tijd de wees, de weduwe en de vreemdeling in het mid­den. Ik zal mijn hand tot de kleinen wenden, staat er in Zacharias. Je­zus stelde een kind in het midden. Hij zegt: zij horen er in ieder geval bij. Of jullie er ook bij horen dat is punt twee, maar de kinderen in ieder geval wel. En ook de arme Lazarus hoorde er in ieder geval bij. Of die rijke man er ook nog bij komt, valt nog te bezien. Die man zit nog met een kloof en die kloof heeft hij zelf gemaakt. Dat heeft hij toen niet in de gaten gehad. Maar de arme Lazarus hoort erbij, hij staat in het midden, in de schoot van Abraham. De hoop is er voor de hopelozen. Hoop hebben mag en kan alleen in so­lidariteit met de hopelozen. ‘Hoop hebben’ kan alleen vanuit de diepte. Dat is die Messiaanse liefde. En die was dodelijk verwond. En die wordt van meetaf aan ook weersproken door de verschrikkingen van de ge­schie­­denis. En zo is ons hoop gegeven in de vertwijfeling.

De verlos­sing van ons lichaam

Waar het om gaat, is juist dat die verwachting van het zoonschap ook con­creet moet zijn. En dan spreekt Paulus van de verlos­sing van ons li­chaam. Dat betekent het hele aardse bestaan. Dat betekent dus niet ver­lost worden uit je li­chaam of van je lichaam, maar dat betekent dat ook je lichaam, je aardse bestaan, verlost wordt. Dat lichaam is juist dat zuch­ten­de be­staan. Dat is het bestaan, dat aan de vergankelijkheid onder­wor­pen is en dat die vruchteloosheid ervaart. Het lichaam is in de bijbel en zeker in de brie­ven van Paulus, dat hele aardse bestaan, met alle kwetsbaarheid, alle pijn en alle lijden. Daarin kun je aangetast worden en de afbraak erva­ren. Dus als dat lichaam verlost wordt – en dat is ook een oer-joodse ge­dachte – dan wordt de verlossing concreet. Dat bete­kent dus niet dat God je uit de wereld haalt of van de aarde weghaalt, maar dat je aardse bestaan genezen wordt. ‘De verlos­sing van ons lichaam’ betekent zeker dus niet, dat je lichaam weg wordt genomen en dat dan alleen je ziel overblijft. Dat is een oude Griek­­­se gedachte, namelijk dat je lichaam een kerker is waaruit de ziel moet worden verlost. Dat was ook de gedachte van Plato. Het lichaam, het aardse bestaan in al zijn zwakheid, broosheid en ver­gankelijk­heid wordt weer hersteld, wordt weer in glans gezet.

Vader, wij willen u danken dat wij mogen leren

de hoop te ontwikkelen,

omdat u de God bent van de hoop.

U wilt ons leren denken, juist ook vaak vanuit de crisis,

de benauwdheid soms.

Van daaruit wordt dat denken geboren.

Van daaruit leren mensen, profeten en apostelen nadenken.

U bent een God die altijd weer met de mensen op weg gaat.

U laat niet varen datgene wat uw hand begon.

U bent een God die de schepping niet prijsgeeft.

Daarom mogen wij door alles heen hopen

te midden van datgene wat niet bij ons hoort.

Hopen te midden van datgene wat weer­spreekt

en weerstand oproept. Want in den beginne was het woord.

U hebt ook het laatste woord.

De verbinding tussen Romeinen 8 naar Romeinen 9

We willen onze aandacht richten op de verbinding tussen hoofdstuk 8 en 9. Ook wat dat betreft is het belangrijk om de verbanden te zien. Daar zijn we langzamerhand op gespitst. Soms heb ik het gevoel dat we niets anders doen dan verbanden leggen. Dat hebben we dus met de ver­ple­ging gemeen. We moeten hier denken aan een tekst uit psalm 119: Aan alles, hoe volkomen ook, heb ik een einde gezien, maar uw gebod is onbegrensd. – Ps.119:96.

Uw gebod is zeer wijd

Uw gebod is zeer wijd; dat is een mooie tekst om mee te beginnen, als we over Romeinen 9 gaan nadenken. Uw gebod is zeer wijd, zeer ruim. Daar is ook ruimte voor zeer velen. Daar gaan we dan ook vanuit, om op die manier met elkaar iets te mogen ontdekken. Dat is juist zo be­lang­rijk, ook als we Romeinen 9 gaan bekijken, want Romeinen 9-11 is een heel fascinerend verhaal. In de loop van de eeuwen is dat gedeelte juist opgevat als iets wat enorm beklemmend is. Dat gedeelte gaat na­me­lijk over de uitverkiezing.

De leer van de uitverkiezing

Het gegeven van de uitverkiezing speelde bij Calvijn al een grote rol. Cal­vijn leerde de dubbele predestinatie. Dan is er dus een getal van uit­ver­ko­renen en van verworpenen; dat wordt dan de dubbele predestina­tie genoemd. En die aantallen liggen van tevoren vast. Het uitverkoren zijn of het ver­wor­pen zijn ligt al bij je geboorte vast. Vooral in be­paalde streken van Nederland speelt deze leer nog een grote rol. Deze leer heeft als gevolg dat mensen soms diep gedeprimeerd kunnen raken, omdat je nooit ze­ker weet of je uitverkoren of verworpen bent. Je moet maar af­wachten of je bij het getal van de electie hoort, de uitverkorenen, of bij het getal van de repronie, de verworpenen. Die groepen en die aantallen liggen dus vast, wat toch wel een heel fatalistische gedachte is. Deze leer maakt vooral opgang in bepaalde streken van Nederland, zo­als de Alblasserwaard en de Velu­we, Goeree, enzovoort. Je vindt die ge­dachtegang dus in de Gereformeerde Bond van de Hervormde Kerk, het Gekrookte Riet (dat is een stroming in de Hervormde Kerk). Dat is aan de ene kant een boeiende wereld, maar tegelijk een tragische wereld. Er zijn mensen die een eind aan hun leven hebben gemaakt, vanuit de ge­dachte: ik ben toch niet uitverkoren. Als ik er nu toch niet bij hoor, waar­om zou ik me dan nog druk maken. Als je niet uitverkoren bent, dan kun je hele leven bidden en doen wat je wilt, maar je ‘komt’ er niet. Je moet maar afwachten of God je nog een keer bekeert. Dat vind je dus ook bij de Oud Gereformeerden, de Gerefor­meerde gemeente, de Gere­for­meerde Gemeente in Nederland en aan­verwante richtingen. Die leer van de dubbele predestinatie is dus heel diep geworteld. Dat wordt dan met name uit Romeinen 9 afgeleid. Daarnaast speelt dan vanuit Romeinen 9-11 het hele complex van vra­gen rondom de positie en de toekomst van Israël. Daardoor zijn dit toch wel heel fundamentele hoofdstukken. Deze gedeelten kun je nau­we­­lijks in kort bestek de revue laten passeren. Dan moet je haast dat den­­ken van al die eeuwen kunnen omvatten. Dit gedeelte, Romeinen 9-11 heeft iets heel indrukwekkends, iets heel mas­siefs; het is als het ware een blok graniet. Het Godsbeeld wat er dan in bepaalde kringen uit afgeleid wordt, kun je typeren als: de mens is in feite een stok en een blok; jij bent tot niets in staat; waar de genade valt, daar valt hij vrij! Dat zijn zo de uitdrukkingen die gebruikt worden, zoals ook ‘de onwe­der­standelijke genade’. Als God je een keer in de kraag grijpt, heb je niets meer in te brengen. Dan ga je voor de bijl. En als dat niet gebeurt, kun je het zelf ook niet maken. In dit verband zei men wel: een mens kan wel pro­beren te geloven, maar daar red je het niet mee. Het gaat erom of het door Godzelf in het harte verklaard wordt. Als het niet van Gods kant komt, van jouw kant kan het nooit iets worden.

Psalm 44 als verbinding tussen Romeinen 8 en Romeinen 9

Nu is het natuurlijk de vraag of Romeinen 9 daarover spreekt. We wil­len om te beginnen de verbinding leggen tussen hoofdstuk 8 en hoofd­stuk 9. Het is merkwaardig om te zien hoe dat hoofdstuk 8 eindigt in die verzen 31 tot 39.

Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal te­gen ons zijn? v.31. Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen over­gegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? v.32. Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; v.33. wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opge­wek­te, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. v.34. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwd­heid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? v.35. Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. v.36. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft lief­gehad. v.37. Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch mach­ten, noch heden noch toekomst, noch krachten, v.38. noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here. v.39.

Eigenlijk moet je al veel eerder beginnen met die hoop, daar hebben we reeds over gesproken. Dit hele laatste stuk gaat over die hoop, de tiq­wah, de verwachting. Dan is het wonderlijke dat die hoop steeds meer, naarmate Romeinen 8 vordert, wordt toegespitst als een onmogelijke hoop. Je zou haast zeggen als een utopie. Het is eigenlijk de hoop op een Utopia. Een land dat ner­gens is, want dat betekent het woord Uto­pia. Een land dat ner­gens is en dat je toch blijft verwachten. Paulus eindigt dan in Romeinen 8 met een citaat uit de Psalmen. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwd­heid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn ge­re­kend als slachtschapen. – Rom.8:35,36.

Paulus noemt dan al die dingen die kunnen gebeuren. En dat neemt Pau­lus dan uit Psalm 44. Dus dat laatste stuk van Romeinen 8 over de hoop, wordt he­lemaal gezet in het teken van Psalm 44. Psalm 44 geeft dus de kleur aan van het slot van Romeinen 8. Die psalm geeft tegelijk de kleur aan het be­gin van Romeinen 9. Als ik dan zou moeten zeggen wat de litur­gische kleur is, zou ik zeggen: paars. Paars, de kleur van lij­den, van boete, van ver­driet en tranen. Psalm 44 is mèt Psalm 88 een van de donkerste psal­men van het hele psalmboek. Een psalm die gaat over slachtschapen, een van die rauwe psalmen, een van die donker gekleurde liederen. In die psalm komt heel sterk het lij­den naar voren. Het is eigenlijk helemaal een ‘Auschwitzpsalm’. In deze psalm wordt gezegd: God, U heeft uw volk verkocht voor een spotprijs. Gij hebt uw volk verkocht voor een spotprijs, en zijt niet rijk geworden door hun koopsom. – Ps.44:13. God, hoe kunt U dat nou maken! U hebt ons in de uitverkoop gedaan. En U heeft er ook niet veel voor gekregen. Waak op! Waarom slaapt Gij, Here?  Ontwaak! Verstoot niet voor eeuwig. – Ps.44:24.

Het volk van God, die rechtvaardigen, wordt prijsgegeven als slacht­scha­pen. Ondanks het feit – zoals ze ook zelf zeggen – dat ze God trouw zijn gebleven en Hem niet hebben verloochend. Dit alles is ons overkomen, maar wij vergaten U niet, noch verloochenden wij uw verbond; ons hart werd niet afvallig (is niet achterwaarts geweken), noch weken onze voetstappen van uw pad. – Ps.44:18,19.

Wij zijn gerekend als schapen van de slachting. Dat is de toon waarmee Romeinen 8 eindigt. Maar dan wordt er toch bij gezegd: Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft lief­gehad. – Rom.8:37.

Dat is de stem van de mens die daar bovenuit komt. Hetzelfde zien we trouwens in die psalm 44, wat dat betreft blijft Paulus in de lijn van deze psalm. Sta op, ons ter hulpe, verlos ons om uwer goedertierenheid wil. – Ps.44:27. Vergelijk ook de motieven: Dit alles is ons overkomen, maar wij vergaten U niet, noch verloochenden wij uw verbond; – Ps.44:18.

 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft lief­­gehad. – Rom.8:37. Het slot van Romeinen 8 zou je helemaal tegen die gedachtegang van psalm 44 aan kunnen leg­gen. ‘Meer dan overwinnaars’; het won­der­lijke is, dat er dan toch mensen zijn die trouw blijven aan de Messias. Ook in Auschwitz zijn ze er geweest, ook in de donkere Middeleeuwen en door heel de geschiedenis heen, die toch ‘in dat alles’ zijn blijven volharden. Dat is eigenlijk van een bovenmenselijke allure. Maar ze waren er en ze zijn er.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410336 bezoekers sinds 07-06-2010