De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 16

14-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

HOOFDSTUK 8

De gezindheid van het vlees is de dood, de ge­zind­heid van de Geest is leven en vrede

In dit hoofdstuk komen in hoofdzaak twee onderwerpen naar voren. In de eer­ste plaats het aspect van vlees en geest. Daarop aanslui­tend het on­der­werp: de hoop. Van daaruit gaat de lijn meteen ook door naar hoofdstuk 9. Dat hoofd­stuk zou je ook kunnen zien als een nadere uitwerking van de hoop.

Want de gezindheid (letterlijk: ‘het bedenken’) van het vlees is de dood, maar de ge­zind­heid van de Geest is leven en vrede. – Rom.8:6.

We zien hier meteen een heel belangrijk punt, namelijk dat die ont­wik­kelingslijn naar het vlees toe begint in het denken. Hoe moeten we dat begrip vlees nu verstaan? Er wordt wel gezegd: dat heeft te maken met de zintuigen. Maar stel dat iemand maar een beperk­te beschikking heeft over zijn zintuigen, zou hij het dan in dat opzicht makkelijker hebben? Ik denk toch dat door het gebrekkig functioneren of het gemis van zintuigen, het probleem daardoor ook niet opgelost wordt. Dan zou het natuurlijk ook wel tegenstrijdig zijn, dat Jezus voort­­­durend bezig is om zintuigen weer in werking te stellen. Als Hij dan een blinde ziende maakt, zou Hij hem in dat geval alleen maar een portie verzoeking bezorgen. We moeten die werking van het vlees toch meer in het denken zien. Hier spelen natuurlijk wel allerlei factoren mee. Dr. F de Graaff zegt: ‘de moderne mens leeft op prikkels; eigenlijk leeft hij op zijn zenuwen’. Dat is een aspect dat toch wel vaak meespeelt. De prik­kels moeten dan steeds sterker worden.

Eigenlijk betekent ‘vlees’ de mens die zich opsluit in zichzelf, de mens die zich wil handhaven. Dan wordt de mens een eiland in de Stille Oce­aan. Dat is de mens in zijn isolement. Hij is zichzelf genoeg, hij is zelf­ge­noegzaam, gesloten, afgesloten en opgesloten. Dat is de mens die leeft als in een soort gesloten circuit. Ik denk, dus ik ben. Alles draait om mij. Ik begin bij mezelf en ik eindig bij mezelf. Zoals die rijke dwaas die schu­­ren bouwde: ik en mezelf en mijn ziel. Ik bekijk alles vanuit mezelf. Wat zit hier dan ten diepste weer achter? Heel vaak een stuk angst! Angst is vaak een van de basispunten van het bestaan in het vlees. En die angst is vaak angst voor de ander, angst om af te gaan, angst om on­der te gaan. De mens in het vlees ziet de ander als een bedreiging. Wat gebeurt er met me, als ik die ander te veel nader, wat blijft er dan van mij over? Dit hangt ook weer samen met het beeld, dat je hebt van jezelf en ook het beeld dat je hebt van God. Een Joodse schrijver uit Polen, Joseel ben Joseel, zegt van de mens, die kinderlijk of zelfs kinderachtig reageert, dat die mens helemaal denkt vanuit het gegeven van beloning en straf. Dat kom je toch wel heel vaak tegen. Bij een kind is dat inderdaad vaak het geval: wat krijg ik ervoor? Maar dat kan ook heel makkelijk door­wer­ken in het beeld dat je hebt van God. In het Godsbeeld spelen de begrippen van straf en beloning vaak een belangrijke rol. Dan krijg je het beeld van een God, die prijzen uitdeelt en straffen toe­dient, en zo de mensen behandelt als eeuwige kinderen. Altijd wachten op een beloning of bang zijn voor een bestraffing. Daar zit je dan voort­du­rend tussenin. Dat is dus een vleselijk bestaan. Het typische van het vleselijke bestaan is, dat het altijd van buitenaf gestimuleerd moet worden. Er moet altijd een prikkel vanbuiten komen. Als je de mensen iets wilt laten doen, moet je ze belonen, want anders doen ze niets. Of je moet ze bedreigen met straffen. Als je ze nu maar flink beloont of flink dreigt, krijg je best heel wat gedaan. Maar dan kweek je in wezen slaven.

Joseel zegt dan: als de mens nu geestelijk volwassen wordt, dan krijg je het leven uit de geest. Niet meer uit het vlees, door prikkels van buitenaf, maar vanuit de geest. Niet meer voortdurend extern of van buiten opge­pept. Als je naar het vlees leeft, moet je ook altijd weer wat nieuws ver­zinnen. Dan wordt het in wezen een soort modeverschijnsel. Je moet steeds weer iets nieuws hebben en liefst ook iets leuks. Ja broeder, we heb­ben een leuke gemeente. Je moet de mensen toch ergens mee trek­ken! Je krijgt dan een soort reclame-idee en moet de laatste mode vol­gen. Dan ben je ook heel modegevoelig, heel trendgevoelig. Joseel zegt over het volwassen worden – wat Paulus noemt het leven uit de geest – ‘de kinderlijke hemel is dan leeg’. Dan is daar niet meer het beeld van een God die prijzen en straffen uit­deelt. De kinderlijke hemel is leeg; en dan kan die mens eerst ook wel het gevoel hebben dat het inderdaad leeg is. Dan ervaart hij een va­cu­um. Hij heeft dan het gevoel: nu heb ik niets meer. Maar, zegt Joseel dan, juist die weg leidt naar God, naar de ware God. Naar een God, die zich niet openbaart in een religieus sentiment.

Religieus sentiment

Dat religieuze sentiment speelt toch heel vaak een rol. Dan leef je toch op de een of andere manier uitsluitend op je gevoel. En als je dan een fijn gevoel hebt of krijgt, er­vaar je dat als een beloning. Vaak speelt dat gevoelsaspect van een sa­men­komst toch wel een belangrijke rol: oh, we hadden toch zo’n fijne samenkomst! Er werd zo fijn gezongen! En toen kregen we ook nog een fijne preek! En er was zo’n heerlijke lofprijzing. En dan kun je je afvra­gen: was het nu fijn voor jou, of was het nu fijn voor God? En dan kan dat gevoel vaak opgevat worden als een soort be­vestiging, in de zin van: als ik een fijn gevoel heb, dan zit ik dus goed. Dan betekent dat dus, dat ik op de goede weg ben. Ik voelde toch zo’n zalving! Iemand zei eens: ik stond op straat te getuigen, en dat gaf me toch zo’n kick! En dan ga je natuurlijk door, want dan krijg je misschien weer een kick. En ergens ben je dan op het gevoelsvlak ook weer bezig met beloning. Je wordt be­loond met een fijn gevoel. God openbaart zich niet in een religieus sentiment, maar, en dat is juist ook weer het specifieke van het bijbelse, Hebreeuwse denken, dat God Zich open­baart in een woord, in een Torah, in een onderwijzing. Het woord dat u ten leven riep, is niet te hoog, is niet te diep. Het gaat steeds om het woord, dat zie je al in Genesis, dat zie je bij de Sinai, God openbaart zich in zijn spreken. We moeten hierbij wel bedenken, dat we het gevoel niet uit hoeven te scha­kelen. Het gevoel is niet de basis, maar gevoelens kunnen wel opge­wekt worden door het woord. Er staat in psalm 119: Ik verblijd mij over uw woord als iemand die rijke buit vindt. Als je dan op die manier woor­den van God in je gedachten krijgt en die ook door mag geven, dan zal dat je ongetwijfeld vreugde verschaffen. Zo is er een rabbijns verhaal over de rabbijn Souza die een aantal leer­lingen had. Als ze dan met elkaar in een kring zaten, ging die rebbe ver­tellen. De rebbe las dan voor uit de Schrift en zei bijvoorbeeld: ‘Zo spreekt de Here’. Op dat moment werd een van de leerlingen zo laaiend enthousiast dat hij begon te springen en te dansen. Deze leerling riep dan luidt: Hoor je dat, God spreekt!? Tenslotte moesten ze hem dan bui­ten de deur zetten, want de leraar kon niet meer verder gaan met onder­richt geven, omdat die leerling maar zat te springen en te jubelen. Het kan een risico opleveren, als je in een bepaalde situatie of door iets te doen een vorm van vreugde hebt ervaren, waarbij je dan denkt: zo ga ik het de volgende keer weer doen, want dan krijg ik weer die ervaring van vreugde. Zo kan lofprijzing een methode worden om in een be­paal­de sfeer te komen. Dan dreigt dus het gevaar dat lofprijzing een middel wordt, in plaats van dat het spontaan uit het hart opwelt. Dan is het doel niet meer de glorie van God, maar de glorie van jouw gevoelens. In dat verband wordt een tekst uit psalm 50 nogal eens misbruikt.

Wie lof offert en wie een weg maakt

Wie lof offert, eert Mij, en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien. – Ps.50:23

Letterlijk staat hier: Wie lof (een danklied, een todah) offert, eert Mij, en wie een weg maakt, die zal Ik Gods heil (bevrijding) doen zien. In de Hebreeuwse poëzie heb je vaak twee zinnen die parallel lopen. Het gaat in dit vers dus om twee parallelle zaken, namelijk ‘een dank­lied offeren’, want dan eer je Hem. En parallel daarmee ‘een weg maken’. Er wordt ook wel vertaald: en wie zijn hart zet op de weg (namelijk op de weg van God), die zal Ik het heil doen zien. We vervolgen het betoog van Romeinen 8: De gezindheid van het vlees is vijandschap tegen God

Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet (de Torah) Gods; trouwens, het kan dat ook niet. – Rom.8:7

Uit deze tekst zien we weer dat het bedenken van het vlees als gevolg heeft, dat de mens zich afsluit voor God.

Zij, die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. – Rom.8:8

Zo lang de mens ingekapseld zit in zijn eigen denken, in zijn zelfhand­ha­ving, is er geen openheid naar God toe. Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. – Rom.8:9. Het kenmerk van de Geest is openheid. Dat wil zeggen, dat je niet meer bang hoeft te zijn, dan is die angst weg. Angst leidt tot geslotenheid en liefde leidt tot openheid. Het is al heel wat als een mens de moed heeft om zijn hart te openen. Vaak heeft de mens al zoveel meegemaakt, dat hij geneigd is om het hart op slot te doen. Een mens stelt zich pas open als hij zich veilig voelt. Veiligheid is ook de basis om onderwijs te geven. Als een leerling zich on­­veilig voelt, dan zal hij niets leren. Hoor je wat ik zeg? Nee, dat hoort hij niet, want hij voelt zich niet veilig. Een mens die zich bedreigd voelt, kan niet horen. Dan geldt inderdaad wat er in dat lied van Huub Oos­terhuis staat:

Hoor, maar ik kan niet horen,

ik ben nog niet geboren,

ik ben niet ik.

Dan kan je wel tegen iemand zeggen: je moet luisteren, maar dat kan hij nu juist niet. En naar God luisteren is dan helemaal moeilijk. Als je niet kunt horen, als je nog niet geboren bent, dan ben je er eigenlijk nog niet. Angst vormt een blokkade voor het horen; het woord angst heeft ook te maken met engte, dan is er dus geen ruimte genoeg. Waar de Geest komt, is er ruimte. En Geest is in het Hebreeuws ruach, dat is de adem van God. Dat is de adem van God die jou leven inblaast, waardoor je op adem komt. Dat wordt ook gezegd in vers 9. Die behoort Hem niet toe…….

Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe (is niet van Hem). Rom.8:9

Genesis begint met de Geest van God die over de wateren zweeft. Uit deze tekst moet je niet destilleren, dat je christenen in allerlei vakjes in kunt delen. Sommige mensen zijn door deze tekst helemaal in de knoop geraakt, omdat ze dachten: als ik niet vervuld ben met de Geest, dan hoor ik niet bij Jezus, dan ga ik dus verloren. Als je de Geest niet hebt, hoor je Hem dus niet toe, dan ben je dus niet voor de eeuwigheid gered. Op die manier ga je echter verschillende aspecten door elkaar halen. Het gaat hier niet om het al dan niet voor eeuwig gered of verloren zijn, maar om dat basispunt van vlees of geest. Paulus is hier heel fundamenteel bezig. Hij is niet bezig om christenen in allerlei hokjes in te delen. Als je dus echt mens van God bent, dan heeft dat een basis, namelijk dat de Geest van de Messias in jou aanwezig is, oftewel dat je een nieuwe schepping bent. Dezelfde Geest die in Jezus was, dezelfde adem die de Messias heeft doortrokken, woont ook in jou. Het tweede deel van vers 9 zou je haast als volgt kunnen vertalen: Indien iemand echter de Messiaanse Geest (de Messiaanse inspiratie) niet heeft, en die is niet van Hem.

Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. – Rom.8:10

Dan komt daar die openheid. Dat heeft dan ook te maken met die ge­rech­tigheid, waar dat 10e vers mee eindigt. De geest is leven door (van­we­ge) de gerechtigheid. Dan komt de mens open te staan voor de ander en voor de Ander.

Leven begint met het aangezicht van de ander

Dat is ook één van die unieke gedachten, die je vindt bij de Joodse den­ker Levinas. Hij zegt: leven begint met het aangezicht van de ander. Dat is – denk ik – ook die gerechtigheid. Leven begint met de ander, die jou aanziet. En dat aangezicht van de ander maakt jou verantwoordelijk. Dan kom je voor de keuze te staan: ga je daar op in of ga je daar niet op in. Dat is ook iets van het unieke van de Joodse gedachtewereld, van de He­breeuwse manier van denken. Dan begin je dus niet bij jezelf, in de zin van: hier ben ik en misschien is er ook nog een ander, nee, je begint van de andere kant. Eerst is daar het aangezicht van de ander, voordat ik mezelf afvraag: Wie ben ik nu? Je bent niet meer mens op je eentje en dan komt er ook nog iemand anders in je leven. Nee, die ander is er al, voordat jij er bent. En die ander kijkt jou aan en vraagt: wat doe je met me? Het aangezicht van de ander is een vraag. De vraag: mag ik er zijn? Het aangezicht van de ander is tegelijk ook een gebod. Namelijk het ge­bod om verantwoordelijk te zijn. Want dan kun je je niet meer onttrek­ken aan dat aangezicht van de ander. Dan kun je niet meer doen alsof je er alleen bent. Dus alles begint vanuit de verantwoordelijkheid. Het woord gerechtig­heid, dat Paulus hier neemt, is ook zo’n oer-Hebreeuws woord. Het bij­belse denken gaat niet uit van het begrip geluk, terwijl er heel wat ge­dach­tegangen zijn die dat wel doen. Ja, het gaat erom dat de mens ge­lukkig is! Soms hoor je dat ook in bepaalde manier van evangeliseren, als je nu maar gelukkig bent. Ook in bepaalde koortjes komt dat motief wel naar voren: Ik ben zo gelukkig, hoe ben jij zo gelukkig, ik wil het ook graag zijn. Dat klinkt natuurlijk wel heel mooi, maar het woord ge­luk is eigen­lijk geen bijbels woord. In het Hebreeuws heeft men niet eens een woord voor geluk, althans niet in het klassiek Hebreeuws. Het woord mazzel is eigenlijk een ‘na-bijbels’ woord. Dat komt eigenlijk uit het Perzisch, en betekent letterlijk gesternte. Het heeft dus iets te ma­­ken met de sterren. En je gesternte is je ziel. Dus als je zegt mazzeltov, betekent dat: een goed gesternte. Dat betekent dus dat je ziel goed is. Wat dat betreft zit er een heel mooie betekenis in. Als je dus zegt maz­zel­tov, wens je de ander toe, dat het tov met hem mag gaan. In de psalmen zie je wel het woord asjree staan.

Daar begint bijvoor­beeld psalm 1 mee.

Welzalig de man die niet wandelt

in de raad der goddelozen,

die niet staat op de weg der zondaars,

noch zit in de kring der spotters. – Ps.1:1

Dat woord welzalig wordt dan ook wel eens vertaald met ‘gelukkig’. Het betekent eigenlijk zoiets als sterk en rechtgezet. Zo vertaalt de Joodse vertaalster en lerares Hebraïca Maartje van Tijn het dan. ‘Sterk en rechtgezet’ heeft eigenlijk te maken met het woord zalig, dat aan het begin van Psalm 1 staat. Het woord asjree hangt eigenlijk samen met een woord, dat schrede betekent. ‘Sterk en rechtgezet’ betekent hier dan eigenlijk dat je goed uit de voeten kunt. Het heeft dus te maken met je schreden. Het heeft dus veel meer te maken met je wandel, met de weg die je gaat, dan met een soort geluksgevoel. Dat is meer een typisch Grieks begrip. De Grieken hebben het dan over hedonè, het ge­not, het he­donisme. Dat is dan een filosofische stroming die propa­geert dat je je gelukkig moet voelen. Alles draait dan om het geluks­gevoel. Als ik nu maar een gelukkig gevoel heb, dan is het in orde. Dat is dan het ideaal van de hedonisten.

Het harde geluk een Jood te zijn

Maar de Hebreeuwse mens legt de nadruk op iets heel anders. De He­breeuwse mens moet vaak tegen de stroom op roeien. André Neher heeft een boek gepubliceerd in interview-vorm, samen met de joodse journalist Victor Malta. Dat boek kreeg als titel mee: ‘Het harde geluk een Jood te zijn’. Van Heinrich Heine is ook de uitspraak bekend: ‘Het joden­dom is geen godsdienst, maar een ongeluk’. Heinrich Heine was zelf een Jood, dus hij wist wel waar hij het over had. ‘Het harde geluk’; je zou haast zeggen: ‘het is een hard gelag’. Het is niet allemaal rozengeur en maneschijn, maar het is veel meer een weg die je gaat. Het harde geluk, le dur bonheur; ‘het barre geluk’, zou je haast kun­­nen vertalen. Dat zou je in zekere zin ook kunnen overzetten op onze situatie; wij sma­ken het barre geluk dat we christen zijn. Genoemde Joseel zegt in dat­zelfde artikel: ‘Ik ben zo gelukkig te behoren tot het ellendigste volk van alle vol­ken der aarde, het volk van de Torah’. Daar zit ook altijd iets para­do­xaals in. De bijbel heeft ook altijd dat paradoxale in zich van: het is niet gemakkelijk, maar toch dwars door alles heen, is het goed! André Neher zegt dan ook: en in dit alles, en nochtans….. De Joodse componist Arnold Schönberg had zijn laatste compositie ge­maakt: ‘en toch ik bid’. Ondanks alles, en toch: ik bid. Daar zit altijd iets in van dat ‘en toch’, nochtans. Net zoals Habakuk zegt: nochtans zal ik jui­chen in de Here. Het is nooit iets vanzelfsprekends, het is geen auto­ma­tis­me van ja, natuurlijk. Het gaat om de adem van God, die Messiaanse stuwkracht in je, die je voortstuwt om toch tegen de stroom in te roeien. Dat waren een paar gedachten vanuit vers 10: Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. – Rom.8:10

Het gaat er dus niet om: ben je een gelukkig mens, maar ben je een recht­­vaardige. Want geest is leven, en leven is ook iets dat tegen de stroom oproeit. Dat is leven te midden van de dood. Dat is niet een leven, dat zo stilletjes voortkabbelt, maar dat is een leven dat voortdurend opkomt uit en te mid­den van de dood.

Het lichaam dood vanwege de zonde

Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. – Rom.8:10. Het menselijk bestaan ondervindt de werking van de dood. Maar de geest is le­ven, de geest roeit tegen de stroom op, vanwege de gerech­tig­heid. Die ge­rechtigheid gaat tegen het gangbare in. Dat is die andere wet, die te­genkracht. Dat is dat nieuwe leven vanuit de Messias. Met je aardse be­staan ben je nog in ballingschap, met je aardse bestaan zit je nog te mid­den van structuren die dood zijn. Je zit in een maatschappij, waar heel veel aan de dood onderworpen is. Je zit in allerlei structuren, die je niet in leven om kunt zetten. Dat is dus de betekenis van de zin­snede ‘het lichaam is dood’. Dat zijn al die structuren, die je gewoon niet onder­ste­boven krijgt. Deze maatschappij zit op zoveel manieren vast, dat krijg je gewoon niet in beweging. Daar kun je wel heel idealistisch over doen en misschien kan er wel eens een structuur veranderen, maar de meeste struc­turen zitten muurvast. Dat is nu dat lichaam dat dood is, dat is als het ware een soort zwaartekracht. Dat is, je zou haast zeggen, dat dode li­chaam dat je meesleept, dat doodsbestaan van maatschappij en samen­leving. En dan komt daarin toch die volharding van de heiligen tot uiting. Die komt in heel die struc­tuur, die in de tijd van Paulus door dat hele Ro­mein­­se rijk verte­genwoordigd werd, met al zijn wetten, nood­lottighe­den en zwaar­te. Johannes heeft het er in Openbaring ook over, en zegt: dat is Babylon. De geest is leven vanwege de gerechtigheid. De ruach is chajjim van­we­ge de tsedaqah. Af en toe wordt er toch een stukje ge­rechtigheid open­baar te midden van het doodsbestaan van deze eeuw. Zoals Jezus dat ook deed, te midden van dat loodzware systeem, waarin Herodes aan de touwtjes trok en een keizer Augustus en al die andere machten en over­heden. En dan waren er ook nog die overheden in de geeste­lij­ke we­­reld. En te midden van dat alles is daar toch het leven, dat nieuwe leven, die gerechtigheid van God, waardoor een mens an­ders gaat le­ven. Dan leeft die mens niet meer vanuit die wetten van het systeem, maar dan gaat hij leven vanuit het aangezicht van de ander. De pijn van het systeem is juist, dat mensen het aangezicht van de ander niet meer zien. Ze moeten allemaal zo vechten voor hun eigen rechten.

Uw ster­felijke lichamen levend maken

En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw ster­felijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont. – Rom.8:11

Dus dan wordt het leven van de gemeente ook een opstandingsverhaal. Het is altijd weer een Paasverhaal. Dus wat met Pasen begonnen is in de Messias, dat gaat doorwerken in de gemeente, doorwerken in mensen, waardoor hun sterfelijke lichamen levend worden. Het aardse bestaan gaat dus functioneren naar de wetten van God. De dood heeft dus niet het laatste woord. In dat aardse bestaan komt dus iets binnen van de ma­nier waarop Jezus omging met God en mensen! ‘Hier in dit stervend bestaan (dat zijn die sterfelijke lichamen) worden wij mensen van God’. Dat is toch altijd weer de uitdaging, en tegelijk het risico, dat God het er op aan durft te laten komen, om hier, te midden van dat doodsbestaan, zijn mensen neer te zetten en te zeggen: hier gaan we aan het werk. Niet ergens in een ideaal-toestand, niet in een isolement, maar te midden van mensen, te midden van een samenleving, te midden van dode structu­ren, om juist daar iets te laten zien van de gerechtigheid, van dat meer dan het gewone. Om iets te laten zien van dat anders zijn. Niet maar dat blinde doorhollen, maar het zien van het aangezicht van de ander. Dat is gerechtigheid, dat je het aangezicht van de ander ziet en tot zijn recht laat komen. Gerechtigheid betekent dat de ander tot zijn recht komt; dat gaat natuurlijk heel diep. Het begint dus met die openheid. Levinas wijst er in dit verband op: dan kan de ziel van binnen zich­zelf nooit afsluiten. Het is net als bij de ark van Noach, die kon alleen van buitenaf gesloten worden. Noach kon de ark niet dichtdoen. Er staat dat God de ark sloot. Zo is het met de mens dan ook, als daar die openheid is. Wij kunnen nooit vanbinnen de deur dichtdoen. Een aspect is inderdaad, als je zo’n gedeelte als Romeinen 8 gaat be­kij­ken, dat daar ontzettend veel op een compacte manier wordt gezegd. In heel kort bestek worden fundamentele principes neergezet. Dit staat als het ware geschreven met een ongelofelijke dichtheid. In feite zou je haast bij elke tekst een verhaal moeten vertellen, om het dichtbij te bren­gen. Pau­lus vertelt zo geconcentreerd, dat je haast het gevoel hebt: dit is extract. Dit is iets wat je moet verdunnen en moet uitgieten. Een derge­lij­ke con­cen­tratie is boven het gebruikelijke niveau. Als je het 11e vers bekijkt, is dat inderdaad intens geladen. Je moet inderdaad uitgaan van die sleutelwoorden: geest, leven, en ge­rech­­tigheid. Hierbij moeten we wel bedenken, dat dit voor Paulus heel con­crete punten waren. Dat waren voor hem geen abstracte begrippen. Dat was voor hem ook geen theorie, maar het was voor hem heel tast­baar en heel ervaarbaar. Geest heeft altijd te maken met een weg die gegaan wordt; dan heb je als het ware de adem van God in je rug. Wij leven op de adem van zijn Geest, voortgestuwd door de adem van God, zoals die adem ook in Jezus, de Messias, aanwezig was.

Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. – Rom.8:12.

Het aangezicht van de ander is een vraag

Het is merkwaardig dat je deze gedachte ook weer vindt bij de Joodse denker Levinas. Een van zijn uitgangspunten is, dat de ander jou aan­kijkt. Dat is dan niet iets waar je zo gauw mogelijk onderuit moet pro­be­ren te komen, maar dat is iets dat je moet aanvaarden. Je moet aanvaar­den dat die ander er is en dat je daar dus ook nooit van afkomt. Want juist als je daar vanaf zou komen, zou je weer op een eiland komen te zitten. Dat is een manier van denken, waarbij je wel even moet om­scha­kelen. Dat aangezicht van de ander is dus een vraag: wat doe je met mij? En dat is dus ‘dat schuldenaar zijn‘. Een beschuldiging niet in de zin van: jij deugt niet, maar in de zin van: doe iets met me! Hierbij moet je dus be­denken dat dat woord accuseren eigenlijk weer vertaald moet worden vanuit zijn oorspronkelijke betekenis. Dat woord accuseren is eigenlijk opgebouwd vanuit het Latijn accousan, tot de zaak. Die ander brengt jou tot de zaak. Accousan kan ook betekenen: tot het gericht, de rechts­zaak. Die ander brengt jou tot het gericht, die brengt jou tot de zaak en daar­mee brengt hij jou tegelijk tot je bestemming. Zonder die ander kun je je bestemming niet bereiken, dan ben je mens op je eentje. Dus het is een ze­gen dat die ander er is en dat hij een beroep op je doet. De aan­we­zig­heid van de ander is een appèl. Je ziet telkens in al die verhalen in de Schrift het motief van broe­ders on­der elkander, zoals ook bij Jozef en zijn broeders. Die broers kunnen Jo­zef wel in de put stoppen, maar daarmee raken ze het aangezicht van Jo­zef nog niet kwijt. Het aangezicht van Jozef blijft hen aankijken. Dat aan­ge­zicht wil zeggen: wat doe je met mij? Als ze dan jaren later naar Egyp­te gaan om brood te halen, dan is daar weer het aangezicht van Jozef, dat hen aankijkt. Dat is dat accuseren; wat doe je met me, wat heb je met me gedaan? Het aangezicht is ook het meest kwetsbare. Datzelfde zien we bij Kaïn en Abel. Wat heb je met je broeder gedaan? Waar is dat aangezicht van Abel? Het aangezicht van Abel is die vraag, dat is dat gebod. Hetzelfde zie je ook weer bij Jakob en Esau. Jakob, wat doe je met Esau? En dan zijn daar de tranen van Esau. Telkens kom je dat motief weer tegen: wat doe je met het aangezicht van de ander.

De werkingen van het lichaam doden

Daarom in vers 12: Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. – Rom.8:12.

‘Zijn wij schuldenaars’.

We zijn in staat van beschuldiging gesteld.

‘Maar niet van het vlees’.

Anders kom je weer in een houding van: er moet van alles. Ik heb heel wat plichten; zodra je in de sfeer van plichten komt, zit je ook weer in de sfeer van straf, prestatie en dwang.

‘Om naar het vlees te leven’

Eventueel het vrome vlees. Als het vlees vroom wordt, gaat het ook een heleboel presteren. Altijd maar je best doen, maar je doet toch nooit ge­noeg. Dan wordt het een eindeloze martelgang.

Ik heb gejaagd wel jarenlang

om goed en vroom te leven,

maar ’t werd mijn ziele toch te bang,

Dat kun je dan jaren zingen. Dat vlees gaat dan ook weer proberen om er iets van te maken. Een eindeloos frustrerende inspanning. Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven. – Rom.8:13. Het leven in het vlees draagt de dood in zich. de werkingen des lichaams doden’. Letterlijk: ‘de praktijken van het lichaam’. Dat is die aardse manier van bestaan. De praktijken van hoe het alzo toe­gaat in deze eeuw, in deze maatschappij, in de structuren en het den­ken van deze eeuw, want hier zit een hele denkwereld achter. Als je die werkingen doodt, dan zul je leven. Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. Rom.8:13.

‘Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods’. – SV. Daar zien we dus iets van die gehoorzaamheid. In bepaalde teksten wordt er onderscheid gemaakt tussen kinderen en zonen. Bij ‘kind’ gaat het dan meer om de afstamming (kind van God) en bij ‘zonen’ gaat het meer om de volwassenheid. Bij een kind is het zo, dat de vader in de wereld van het kind komt. Maar een zoon komt in de wereld van de vader. Als je nog een kind bent, wordt er tegen je gepraat over onderwerpen die bij jou, als kind, leven. De vader vraagt aan het kind waar het mee bezig is. Maar een zoon vraagt aan de vader: waar bent u mee bezig? Een chirurg zal aan zijn zoontje niet uitgebreid een ope­ratie beschrijven. Dat zal hij eventueel wel doen, als die zoon vol­was­­sen is geworden. Een zoon kan compagnon worden; hij kan met de vader mee­denken over de gang van zaken. Zonen zijn geëngageerd, be­trokken bij wat de vader bezighoudt. Nu is de vader niet meer constant be­zig om binnen te stappen in de wereld van het kind, maar dan komt de zoon binnen in de wereld van de vader. ‘allen, die door de Geest Gods geleid worden’ Ook te vertalen als: ‘Zij die zich laten leiden’.

Gij hebt de Geest van het zoonschap ontvangen

Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. – Rom.8:15.

In vers 15 zie je weer duidelijk dat fundamentele verschil: een geest van slavernij tegen­over de Geest van het zoonschap. De geest van slavernij is een geest van vrees en angst. Dan zit je weer helemaal in de sfeer van angst en dreiging. Sommige mensen zijn ge­van­­gen in angst, waarbij die angst tot een kerker wordt, waar de mens dus ook niet kwetsbaar durft te zijn. Levinas zegt: die openheid is juist de kwetsbaarheid. Dat is in wezen ook het Messiaanse bestaan, wat dan bij Jezus heel sterk naar voren komt. Bij Jezus zie je dat Hij ook heel kwets­baar was. Kwetsbaar voor misverstanden, kwetsbaar voor veroor­de­ling en beoordeling, juist omdat Hij zich zo intensief inliet met de ander. Die barmhartige Samaritaan was in wezen ook heel kwetsbaar. Als je je inlaat met die ander, die daar langs de kant van de weg ligt, dan geeft dat nogal wat risico. Stel je voor dat die rovers daar nog rond­han­gen. De priester en de Leviet gaan dan ook voorbij. In wezen is dat een stuk on­macht. Ze durven niet meer; ze durven de kwetsbaarheid niet meer aan. Ze hebben alles keurig ingekaderd, ze hebben hun dienst­roos­ter, ze heb­ben hun vaste route, ze doen geen stap meer naar links of naar rechts, het ligt allemaal vast. Ze bewegen zich als het ware op rails voort en kun­nen niet uitwijken. In wezen zijn ze net zo goed slacht­of­fer als de man die daar langs de kant van de weg ligt. Zij zijn ook slacht­offers van het geweld. Een geest van slavernij om opnieuw te vre­zen. Ze dur­ven niet meer uit hun omlijsting te stappen. Hun vaste kader is ge­wor­den tot een soort lijst van een schilderij en daar kunnen ze niet meer uit­stap­pen. Onmacht! En dan is het wachten op een Samaritaan. Gelukkig heeft God af en toe nog een Samaritaan achter de hand. De Samaritanen hadden maar een heel klein bijbeltje, alleen de vijf boeken van Mozes. Maar die Samaritaan had uit de vijf boeken van Mozes de ontferming geleerd en de kwetsbaarheid. Ook Mozes was uiterst kwets­baar. Martin Buber zegt: in wezen was Mozes zijn hele leven zeer een­zaam. Mozes stierf ook heel eenzaam. Ze hebben Mozes heel vaak niet begrepen. En toch is Mozes ge­gaan ten behoeve van zijn volk. Steeds maar: ik zal wel weer voor ze bidden, ik ga wel weer voor ze de berg op. Mozes ging steeds maar door, ondanks alle onbegrip. Dat is dan die andere Geest. ‘De Geest van het zoonschap’, om zoon te zijn, om kind aan huis te zijn bij God. ‘Benee Elohim’, zonen van God. Een zoon is ook iemand die zijn verant­woordelijkheid leert te aanvaarden. Een zoon is iemand die er niet meer tussenuit knijpt. Zonen kennen hun verantwoordelijkheid. In het Engels is dat ‘responsabilety’. Als je dat woord nu opsplitst, dan krijg je respons en abilety. Dan is het de bekwaamheid om te antwoorden, om respons te geven. Zonen geven antwoord. Er zijn er ook een heleboel die nog geen antwoord geven, die nog geen antwoord kùnnen geven. Die zijn met stomheid geslagen, lamgeslagen.

Door welke wij roepen: Abba, Vader

‘Door (in) welke wij roepen: Abba, Vader’. De aanspraak Abba duidt een uiting van vertrouwen aan, van aan­han­ke­lijkheid. Het is een Aramees woord, dat een kind gebruikt om zijn vader aan te spreken. Dat woord kon ook een zoon gebruiken in de relatie met zijn vader. Het is een uiting van intimiteit. Een mens is vaak iets kwijt­geraakt, waardoor hij niet meer intiem kan zijn. Er zijn een paar punten, die vaak met elkaar samenhangen. Dat is het spontaan zijn en het intiem zijn. Dan krijg je die afstandelijkheid, een houding van het eigenlijk niet aandurven. Vaak zie je, dat bij een mens de spontaniteit sterk is af­ge­remd. Door allerlei oorzaken waarbij iets niet mocht of iets niet kon, waar­bij een mens werd uitgelachen of bespot, niet begre­pen werd of aan de kant werd gezet, is hij in zijn schulp gekropen. Soms wordt een mens zo afgeknot, dat hij alle spontaniteit verliest. Het is dan ook een teken van herstel, als de mens gaat roepen: Abba, Va­der. Dan wordt hij weer spontaan en intiem ten opzichte van God. Het woord Abba is afkomstig uit de Aramese spreektaal. Dat was ook de taal die men dagelijks in Israël sprak. Het Hebreeuws werd ge­bruikt in de ere­dienst en bij de schriftlezing, maar het Aramees was de volkstaal, de omgangstaal. In de derde plaats werd dan het Grieks gebruikt als taal voor de handel en internationale betrekkingen. Het Grieks was een we­reld­taal, ongeveer vanaf Alexander de Grote tot in de Romeinse tijd. Ara­mees was in Israël echt de moedertaal, de taal waarmee een kind begon te spreken. Dat is dus ook de taal waarin je je uitdrukt, als je automa­tisch, spontaan begint te spreken. Als iemand in zijn slaap praat, doet hij dat ook in zijn moedertaal. Als iemand begint te tellen, dan doet hij dat ook automatisch in zijn moedertaal. Door dat woord Vader als Abba uit te spreken, krijgt de taal weer zijn oorspronkelijke waarde, dan wordt dat woord weer echt.

De vroegere dichter en hoogleraar Klaas Heroma zei dan: ik geloof met de taal. Hij heeft nogal wat liederen gemaakt onder de naam Muus Ja­cob­se. Als je echt gelooft, gaat dat ook ‘taal krijgen’. Hoe meer je ge­loof zich ontwikkelt, hoe meer je ook met de taal gaat geloven. God gaat de mens de taal teruggeven. Door die Geest gaat hij ook roepen en komt hij ook ter tale. Een mens wordt geboren in de natuurlijke wereld en bij de wedergeboorte wordt hij geboren in de geestelijke we­reld, in het Ko­nink­rijk Gods. Maar dan moet je ook ter tale komen. Zoals ook een kind leert praten, zo moet je ook geestelijk de taal terug­krij­gen. De taal is de mens vaak zo ontroofd. Er is in deze tijd een enorme vervlakking in het hele taalgebeuren. Tegenwoordig spreekt bijna nie­mand meer goed Ne­der­lands. Bij de KLM kunnen ze nauwelijks stewar­des­sen krijgen, die de Neder­landse taal voldoende beheersen. Het taal­ni­veau van de studen­ten op de P.A. is ook abominabel. In het boek ‘1984‘ van George Orwell, zeggen de hoofdpersonen tegen elkaar: er komt een tijd dat de mensen geen ge­sprek meer zullen kunnen voeren, zoals wij dat nu nog doen. Zo verarmt de taal steeds meer. De moderne mens zit bij de televisie of hij doet computerspelletjes. Veel mensen lezen nauwe­lijks nog een boek. Schrijven wordt al helemaal niet meer gedaan. Vroe­ger konden de men­sen nog brieven schrijven. Er zijn uitgaven van de ver­zamelde brie­ven van bekende personen, zoals bijvoorbeeld van Mis­kot­te, van Buber en Rosenzweig (‘die Arbeitspapiere’ omvatten de on­der­linge correspon­den­­tie tussen Buber en Rosenzweig). Maar tegen­woor­dig zegt men: ik bel wel effe, ik mail het je nog wel. Brieven schrij­ven is vaak een verge­ten kunst. Wie kan er nog met de taal omgaan?! Het is ook een stuk ge­nezing, als de mens de taal weer terugkrijgt. De mens is trouwens ook een ‘taal­wezen’. Geest en taal horen ook bij el­kaar, daar ligt een heel diep verband tussen. Als een mens arm aan geest is, wordt hij ook arm aan taal. ‘Door (in) welke wij roepen: Abba, Vader’. Hier zie je dan ook, dat de taal weer tot ontwikkeling komt. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. – Rom.8:16. Letterlijk: ‘getuigt samen met onze geest’. Dat is het getuigenis vanbinnen; Gods Geest met onze geest. Dan heb je dus twee getuigen. En met twee getuigen zal een zaak vaststaan. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en me­deërfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking. – Rom.8:17.

Heel de schepping is doortrokken van hoop

Nu komt Paulus eigenlijk al bij zijn volgende thema. Dat thema loopt er trouwens steeds al als een rode draad doorheen. In dit verband noemt hij hier twee punten: het lijden en de verheerlijking. Dat verbindt Paulus dan ook meteen met het thema van de hoop. Je kunt het volhouden vanwege die hoop.

Het is een blijven verwachten dat er een oogst zal zijn. Ernst Bloch heeft hierover een boek geschreven: ’Het principe de Hoop’. (Das Prinzip Hoff­­nung). Die hoop betekent dat de mens het vol kan houden door de tijd heen. Dat is de hoop te midden van de brokstukken van de schipbreuk. De hoop, waardoor Jeremia wel de ballingschap ziet komen, de ver­woes­ting van Jeruza­lem, maar dan toch een akker gaat kopen. Dat wordt be­schreven in Jeremia 32; hij gaat daar te midden van de puin­hopen van Jeruzalem een akker kopen. Je zou zeggen: hij gaat inves­te­ren in de puin­hopen. Wat heeft het voor zin een akker te kopen terwijl Nebukad­nessar voor de deur staat? Het hele land komt straks in de handen van de koning van Babel; daar gà je dan met je akkertje. Je koopt een akker, maar je hebt in feite niets, behalve een koopcontract. Zo zingt Jeremia de psalm van de hoop. Dat is het ‘ja’ van de hoop. De hoop komt als het wa­re uit een onuitputtelijk reservoir. Het is de mens die blijft dromen, de droom van het nieuwe dat komt.

Hoop is het koord, gespannen tussen lijden en heerlijkheid

Daarom gaat Paulus daar ook over spreken en hij spant als het ware de hoop tussen het lijden en de heerlijkheid. Het koord (tiqwah) van de hoop (tiqwah) is gespannen tussen het lijden en de heerlijkheid. Hierbij zij opgemerkt dat het woord tiqwah zowel hoop als koord kan betekenen. Hetzelfde woord werd ook gebruikt bij het scharlaken koord dat Rachab uit het venster moest laten hangen. zie, wanneer wij het land binnenkomen, moet gij dit koord van schar­laken­draad binden aan het venster waardoor gij ons hebt neergelaten, en uw vader en uw moeder, uw broeders en de gehele familie bij u in huis bijeenbrengen.  Joz.2:18.

Het woord kabah, dat de grondvorm van het woord tiqwah is, betekent eigenlijk: gespannen zijn, zoals ook een koord gespannen kan worden. Die hoop is ook als het koord dat gespannen wordt over de afgrond. Daardoor worden die twee uitersten verbonden. Je kunt dan wel zeg­gen: ja, maar er is geen brug. Maar toch, de hoop verbindt dat lijden en de heer­lijkheid. Te midden van het echec, de nederlaag, de teleurstelling wordt dat koord van de hoop gespannen. Daardoor kunnen mensen het dan toch volhouden. Dat is ook het koord dat gespannen is over de woestijn naar het land van belofte. Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet op­weegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. – Rom.8:18.

‘Het lijden’ is hier een meervoudsvorm; dat is in het Nederlands moeilijk weer te geven. Je zou het kunnen omschrijven als: ‘de vormen van lij­den’. ‘Over ons’.  Letterlijk: ‘naar ons toe’. Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. – Rom.8:19.

‘Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kin­deren Gods’. – SV.

De hele schepping ziet ergens naar uit. Je zou kunnen zeggen: in heel de schepping zit ‘Das Prinzip Hoff­nung’. Heel de schepping is doortrokken van hoop. De mens heeft toch nog altijd iets in zich van blijven hopen. Soms gaat die hoop tegen alle realiteit in. Die hoop is iets wat ook van God uitgaat. God heeft die hoop in de mens en in de schepping gelegd. Aan het begin van het boek Jozua staat de tekst: Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet ver­­laten. – Joz.1:5.

‘Ik zal u niet begeven, en zal u niet ver­laten’.

Dat wordt vaak naar één kant opgevat in de zin van: Ik laat je niet ten onder gaan. In de grondtekst staat voor begeven het woord rafah en dat betekent letterlijk zoiets als verslappen. Je zou dus kunnen zeggen: Ik laat je niet verslappen, of ook: Ik laat je niet los. Daar zit ook de beteke­nis­nuance in: Ik houd je aan je roeping. Meestal wordt deze tekst in de zin opgevat als: nou, dat is fijn, de Heer is er altijd. Maar daar zit dus ook de nuance in: je komt van God niet af. Als je zegt: ik zie het niet meer zitten, ik geef het op, dan zegt God: ja, maar zo makkelijk kom je niet van Mij af. God laat je niet wegsudderen. God blijft je aan je roeping herinneren. Dat is dat koord dat gespannen is, God blijft ook hopen. Hij is de ‘God der hope’, zegt Romeinen 15. Hij is de God die blijft hopen op de thuis­komst van zijn mensen. Hij blijft hopen op het herstel van de schep­ping. De hoop van God is een van de meest fundamentele punten in de bijbel. En die hoop moet al ons leed verzachten. Wij hopen met God mee. Dat is ook onze opdracht, om met God mee te blijven hopen. Wij moeten ook hoop blijven houden voor de ander. Soms moeten we plaats­ver­van­gend ho­pen, dat doet God ook. Wij hopen voor degenen die geen hoop meer heb­ben. Daarom:

Met reikhalzend verlangen

Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar (ont­huld worden) worden der zonen Gods. – Rom.8:19. Je zou ook kunnen zeggen: op het onthuld worden van de ware mens. De adama, de akker, wacht op het onthuld worden van de adam, op de mens zoals God hem bedoeld heeft. Heel de geschiedenis en heel de schepping blijft wachten. De schepping wacht dus niet op de onder­gang, maar op het herstel. Romeinen 8 is toch altijd weer een van die ijzer­sterke gedeelten, waarin je er altijd weer op gewezen wordt, dat de aarde niet zal ondergaan. Wat allerlei theorieën en boeken ook mogen beweren, zoals ‘Wijlen de planeet aarde’ van Hal Lindsay, Romeinen 8 zegt dat de planeet aarde hersteld zal worden. De schep­ping wacht niet op het barsten van de bom, die wacht niet op het einde. Na de laatste dag komt er altijd nog een morgen. André Neher zegt dan: het leven is altijd weer een reis, zoals er staat in psalm 84: zij gaan voort van kracht tot kracht. Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion. – Ps.84:7. Je kunt ook vertalen: ‘zij gaan voort van werk tot werk’. Tot de volgende morgen, na het einde der tijden. Na het einde der tijden komt de volgende morgen. Daarom ook dat verhaal van Rabbi Jochanan. Als ik bezig ben een olijf­boom te planten, en ze komen zeggen dat de Messias in aantocht is, dan plant ik eerst die olijfboom en dan ga ik de Messias tegemoet. Dat bete­kent dat die olijfboom zijn waarde houdt. Als de Messias komt, kun je niet zeggen: die olijfboom doet er niet meer toe. Die gedachte leeft nog wel eens hier en daar: bij de wederkomst vallen alle natuurlijke din­gen in­eens weg, die verliezen hun waarde. Er is een tijd geweest dat men zei: waarom zou ik nog studeren, Jezus komt toch spoedig. Er waren zelfs mensen die zeiden: waarom zou ik mijn huis nog schoonmaken! Dan krijg je toch een heel vreemd idee van de wederkomst. Plant eerst die boom maar! Dat was ook de eerste opdracht die ze kregen toen ze het land der belofte binnengingen. Tuinman is het oudste beroep. De eer­­ste mens was ook een bewaarder van de hof. Als de Messias komt, plant gerust die boom, want het leven op aarde gaat door, en die bomen moeten er dan wel zijn. De komst van de Messias doet niet de deur dicht, maar doet de deur juist open. Zijn komst maakt niet een eind aan de tijd, maar brengt juist de tijd op orde. Zijn komst is niet het einde van de ge­schiedenis, maar dat is een nieuw begin van de geschiedenis.

De nacht ligt ingeklemd tus­sen avond en morgen

Dan krijg je de volgende morgen. Het was avond geweest en het was mor­gen geweest, een nieuwe dag breekt aan. Je telt altijd door tot de vol­gende morgen. De dag begint met de avond, dan komt de nacht, en dan komt de volgende morgen. Het eindigt dus altijd met een morgen, het eindigt niet met de nacht. De dag begint met de avond; zo begint de sabbat ook op vrijdagavond. Als je drie sterren aan de hemel kunt zien, begint de sabbat. Heel wat feesten beginnen ook met de avond. Grote Verzoendag begint ook op de avond. André Neher zegt zo mooi in zijn laatste boek: je begint in de avond sabbat te vieren, je viert Grote Verzoendag in de avond, dan komt de nacht en de volgende morgen ga je gewoon door met waar je geble­ven was. Als je ‘s morgens wakker wordt, hoef je niet ergens te be­gin­nen, maar ga je gewoon door met waar je de vorige dag was geble­ven. ‘s Avonds heb je al de toon gezet; daar zit een heel belangrijk geestelijk principe in. In de avond valt de beslissing en de volgende morgen ga je door waar je ‘s avonds gebleven was. De nacht ligt dus ingeklemd tus­sen avond en morgen, de nacht kan geen kant op. De Hebreeuwse mens is de nacht gewoon een stapje voor. Hij begint ‘s avonds al met zijn ere­dienst. Want op de avond wordt de eredienst gehouden, wordt de toon aangegeven. Dan wordt er ook gebeden: Gij zijt het die door uw woord de avond doet aanbreken. Bidden betekent ook: het ordenen van de tijd.

Vader dank U, dat U door uw woord de avond doet aanbreken.

Dat Gij orde schept in de tijd.

De tijden zijn van U.

Er komt altijd weer een morgen na de nacht.

De nacht heeft nooit het laatste woord.

Maar de nacht staat ingeklemd tussen avond en morgen.

En daarom is er toch altijd weer de hoop, de hoop die wint.

Zo zijn we op weg, samen met U.

Zo mogen wij het leren van U.

Gij gaat ons voor, Gij zult ons niet ont­breken.

Gij onderhoudt de vlam van ons bestaan.

Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen

Het laatste deel van Romeinen 8 omvat de verzen 18 tot en met 39, dat we als één geheel zullen opvatten. Want de schepping is aan de vruchteloosheid (ijdelheid) onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft. Rom.8:20.

Het woord ijdelheid, zoals ook Prediker het gebruikt, betekent damp (hè­bel). Prediker begint ook zijn boek met: alles is hèbel. De naam Abel bete­kent ook damp. André Neher zegt dan ook: je zou het begin van Pre­diker ook kunnen lezen als: alles is Abel. Alles wat er op aarde ge­beurt, is Abel. Abel is het symbool van al die mensen die hun verhaal niet af kun­nen maken. Paulus pakt hier dus eigenlijk dat hele thema van Pre­diker op en zegt: heel de schepping is onderworpen aan dat ‘Abel­be­staan’. Heel de geschiedenis is doortrokken van dat Abelbestaan, waar het onschuldige bloed wordt vergoten, waar de mens vaak geen kans krijgt om vrucht te dragen. Daar zie je hoe Paulus ook heel realis­tisch is en tegelijk oer-joods, zoals hij dat onder ogen ziet. Hij zegt: dat is niet vrijwillig, ‘maar om (de wil van) hem, die haar daaraan onderwor­pen heeft’. Dat ‘hem’ moeten we wel met een kleine letter lezen. Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft. – Rom.8:20. – SV. Het is niet God die de vruchteloosheid erin gebracht heeft, maar dat woord ‘hem’ zou je dan ook nog in tweeërlei zin kunnen opvatten. Het kan slaan op Adam, die de deur heeft opengezet voor de vruchte­loos­heid. Het kan ook slaan op de duivel die de doem en de ondergang heeft binnengebracht. Je kunt het dus als twee kanten van één zaak opvatten.

En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daar­van eten al de dagen uws levens. Ook zal het u doornen en distelen voort­brengen, en gij zult het kruid des velds eten. In het zweet uws aan­schijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren. – Gen.3:17-19.

In deze teksten zien we dus het begin van die vruchteloosheid. Dat wordt al gezegd tot de adam, tot de mens. Dat zou dus pleiten voor de op­vat­ting dat hier in Romeinen 8 de mens bedoeld is, omdat er in Genesis 3 staat: ‘om uwentwil’. Je kunt hierin ook een bepaalde lijn zien, want via de mens is het kwaad de wereld binnengekomen. Via de mens moet ook weer het herstel komen. Vandaar dat Romeinen 8 ook zegt: ‘met reik­hal­zend verlangen ziet de schepping uit naar het openbaar worden van de zonen Gods’. Dan wordt de nieuwe mens dus openbaar. De vruchteloosheid begon bij de mens en het herstel begint ook weer vanuit het mensdom. De eerste mens werd de mens van de afbraak en via die tweede mens, Jezus, en dan tevens via al degenen die met Hem verbonden zijn, gaat de weder­op­richting beginnen. Het NBG verwijst inderdaad naar Genesis 3. Maar toch wordt dan h(H)em door het NBG met een hoofdletter geschreven. Misschien van­we­ge het punt dat vers 17 in Genesis 3 door Gód wordt uitgespro­ken. De vertalers zullen dan geconcludeerd hebben: hier spreekt God, dus Hij is dan Degene die de aarde onderwerpt aan de vruchteloosheid. Maar je zult toch moeten bedenken, dat wat God daar uitspreekt in Ge­nesis 3, niet wil zeggen, dat God daar een vloek legt op de schepping, maar dat God daar een feit constateert. De aarde lijdt onder die vloek. God legt geen vloek op, maar Hij stelt het feit vast dat die vloek daar is als een gevolg van de zonde. De mens heeft, doordat hij de deur heeft opengezet, de vruchteloosheid binnengelaten. Het is dus niet vrijwillig, maar een gedwongen toestand. De schepping heeft ook nooit iets kwaads gedaan, die kon er dus ook niets aan doen. De mens was stadhouder van God op aarde. Als dus de mens faalt, on­dervindt heel de schepping daarvan de gevolgen. Juist omdat de mens daarin een sleutelpositie had en heeft, werkt dat dan door in heel de schepping. Er staat letterlijk ook in Genesis 3: En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daar­van eten al de dagen uws levens. – Gen.3:17

De adama, de akker is vervloekt. Er staat niet wordt vervloekt. ‘Om de wil van u’. Je krijgt dus een soort noodlottige situatie, waarbij je bovendien dan ook moet bedenken, dat dit voor de mensheid als geheel ook geldt. Het op­mer­­kelijke is, dat Paulus dan in vers 21 eraan toevoegt:

De schepping vrijgemaakt van de dienstbaar­heid

In hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid (slavernij) aan de ver­gankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. – Rom.8:20.

Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaar­heid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods’. – SV.

Heel de schepping heeft hoop. De schepping is doortrokken van ver­wach­­­ting. Dat zit niet alleen in de mens, maar dat zit ook in heel de schepping. ‘omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid (slavernij) aan de ver­gan­kelijkheid zal bevrijd worden’. Dat is een oer-joodse gedachte en ook een onopgeefbaar aspect in ver­band met eindtijdvisies. Je kunt je eindtijdvi­sie maar het beste uit Ro­meinen 8 halen of uit Genesis. Dan heb je in ieder geval een oer-bijbels en een oer-Hebreeuws denken, dat als een brok graniet niet omver te krijgen is. De schepping zal bevrijd worden. Daarmee vervallen dus allerlei theo­rieën die zeggen dat de schepping zal vergaan, dat het ‘wijlen de pla­neet aarde’ zal worden. De theorie van Hal Lindsay beweert dus, dat God uiteindelijk zijn eigen werk zal vernietigen. Dat is on-Hebreeuws, on-joods en on-christelijk. God is veel meer verknocht aan het werk van zijn handen dan doorgaans wordt gedacht. Het woord nieuw in verband met ‘een nieuwe aarde’, betekent in de bij­bel vrijwel altijd vernieuwd. Dus als er staat: ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, dan is dat een vernieuwde hemel en een vernieuwde aarde. Deze hemel en deze aarde worden vernieuwd. Ze worden tot de oorspronkelijke heerlijkheid te­rug­gebracht. Dat staat ook in Openbaring 21: Ik maak alle dingen nieuw. Er staat niet: Ik maak allemaal nieuwe dingen. Deze tekst uit Openbaring 21 is weer gebaseerd op Jesaja 65. In Jesaja 65 staat letterlijk: Ik schep de hemel nieuw en de aarde nieuw. “Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden, het zal niemand in de zin komen”.Jes.65:17.

Het is dus een herschepping. Datzelfde zie je in allerlei verbanden, waar gesproken wordt over nieuw, zoals bijvoorbeeld: ‘Wie in Christus is, is een nieuwe schepping’. Maar er is toch continuïteit tussen wat je wás en hoe je wórdt. In een bepaalde zin blijf je toch altijd dezelfde mens, ook al word je dan vernieuwd. Je wordt ook niet eerst naar lichaam, geest en ziel vernietigd om dan vervolgens opnieuw tot aanzijn te worden geroe­pen. Maar, je maakt je eigen bekering en verandering mee. Anders zou het be­­tekenen, dat je op een gegeven ogenblik – bij wijze van spreken – door de bliksem wordt getrof­fen en er niet meer bent, maar er daarna opeens iemand anders is. Zo wordt het soms ook voorgesteld: de aarde wordt vernietigd en dan maakt God een nieuwe. In 2 Petrus wordt gezegd:

De aarde en de werken daarop zullen gevonden worden

Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. – 2 Petr.3:10.

‘Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de he­melen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden’. – SV.

‘Als een dief zal komen de dag des Heeren, waarop de hemelen met gedruis zul­len verdwijnen, de elementen door brand ontbonden worden, de aarde en alwat op haar gemaakt is niet meer worden gevonden. – Leidse.V.

 De NBV, de nieuwe bijbelvertaling heeft hier: ‘De dag van de Heer zal komen als een dief. De hemelsferen zullen die dag met luid gedreun vergaan, de elementen gaan in vlammen op, de aarde wordt bloot­gelegd en alles wat daarop gedaan is komt aan het licht’. – NBV. Het woord elementen komt ongeveer zeven keer voor in het zogenaam­de nieuwe testament. Het woord stocheia, dat we dan met ‘elementen’ vertaald hebben, komt onder andere ook voor in Kolossenzen 2 en Gala­ten 4.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410336 bezoekers sinds 07-06-2010