De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 15

15-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik

Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. – Rom.7:15.

Dat gegeven komt dan weer terug in de vers 18: Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. En dan ook nog in vers 19: Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik.

Dus daar zie je de oprechte gebrokenheid van hart. We zien hier hoe de mens, het collectief, de gemeente, de onmacht ervaart. Hier kun je niet oppervlakkig even overheen huppelen, al wordt dat nog wel eens gedaan. We leven nu eenmaal in een gebroken wereld, zegt men dan, en daar kun je nu eenmaal weinig aan doen, dat heb je maar te accepteren. En dan wordt er ook nog gezegd: God maakt wel een nieu­we aarde, waar al die problemen dan geen rol meer spelen. Dat wordt vaak wel erg vlot gezegd. De aarde zal wel door allerlei rampen worden getroffen, maar gelukkig gaan wij toch naar de hemel. Maar dat is een goedkope ontsnappingstheorie. Dat heeft de He­breeuwse mens, waar­on­der in de eerste plaats Paulus, toch zeker niet zo be­doeld. Je mag Romeinen 7 niet verstaan in de zin van een psychologisch con­flict. Niet in de zin van: ondanks mijn goede wil, mislukt er een hele­boel. En ook niet: ondanks mijn goede bedoelingen mislukte alles. Dan verzeil je in een soort pessimisme, dat nog in kwantitatieve catego­rie­ën denkt. Hoeveel lukt er nu en hoeveel mislukt er nog? Het gaat hier veel meer om een principiële kwestie. Een probleem is, dat het goede in deze wereld bij de handen afbreekt. Dat is iets dat je als prin­cipe heel sterk tegenkomt. De gemeente doet daarom niet mee aan geestdrijverige we­reldverbeteringprogramma’s, maar nog minder aan me­­thodieken in de trant van: verbeter de wereld en begin bij jezelf. Het één is net zozeer een illusie als het ander. Want de wereld, noch wijzelf zijn op die manier voor verbetering vatbaar. De gemeente weet, dat daar veel méér voor nodig is. Niet omdat zij een dieper inzicht heeft, maar zij weet van Godswege dat de wereld ziek is. Met minder kon het kennelijk niet toe. Genade is niet een verbetering, maar een zaak van leven of dood. Daar was de dood van de Messias voor nodig. Jezus kwam niet om de wereld te verbeteren, maar Hij kwam om de weg van de Torah te gaan in zijn ui­­terste consequentie, de weg ten dode toe. Vanwege wat ìn en mèt de Messias gebeurd is, kijk je er nu anders tegenaan. Dan weet je: het is niet een kwestie van de wereld verbeteren, maar het gaat door dat sterven van de Messias heen. Daarom doet de gemeente mee – juist van­uit haar ‘er zijn’ voor anderen, vanuit de volmacht in onmacht – aan het taaie ge­bed tegen onvrijheid en onrecht. Dat is ook waar Paulus in Romeinen 7 mee eindigt: Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!Rom.7:24,25.

Terschegget zegt dan zo mooi: de gemeente gelooft niet in de verbeter­lijk­heid van mens en wereld, maar ook niet in de onverbeterlijkheid. Ge­lo­ven doet zij alleen in Jezus, de Messias. Het is niet een kwestie van: geloof je nu dat we de wereld kunnen verbeteren, nee, dat gelooft de ge­meente niet. Geloof je dat we de wereld niet kunnen verbeteren? Nee, dat geloven we ook niet. Ons geloof ligt heel ergens anders. Het gaat er niet om of je het verbeteren of niet verbete­ren kunt. Het gaat om een totaal ander basispunt. Je geloof ligt in de Messias. En omdat het bij Hem be­gonnen is, daarom zet het door. En daarom kan de zonde en de verwar­ring en het kwaad ook niet bestreden worden met machtsmid­de­len. De staat is er ook niet om de zonde te weerstaan; dat is ook een misver­stand. De overheid is er niet om de zonde tegen te houden. De overheid is er om zoveel mogelijk aan de zwakken recht te doen. De mens mag onverbeterlijk lijken, hij is toch bestemd tot verandering en vernieu­wing, of hij dat gelooft of niet.

We mogen niet in de structuren van het kwaad berusten 

De nieuwe schepping is al begonnen in de Messias en die begint dus ook al in degenen die bij Hem horen. Dus die recreatie is al begonnen. Het verbeteren van de wereld is in zoverre een taak van de gemeente, omdat de gemeente tegen het kwaad strijdt. Die strijd kan natuurlijk wel invloed hebben op de wereld. De gemeente mag en moet tegen het on­recht strijden; wat dat betreft mag zij daarin niet berusten. We moeten natuurlijk niet in die structuren van het kwaad berusten. Anders krijg je weer het idee van: stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw. Dat is ook het griezelige van de manier waarop men hier en daar spreekt over de we­der­komst; bij de wederkomst wordt alle ellende opgelost. Wij bren­gen er met zijn allen allemaal niets van terecht, maar bij de weder­komst zal Hij alle problemen oplossen, die wij veroorzaakt hebben. Dan wordt het naar mijn idee een beetje teveel een afschuifsysteem. Alsof wij dan bij de wederkomst al onze problemen neerleggen en zeggen: hier is de puin­hoop, maak er maar wat van! Dat zou dan naar mijn gevoel in feite be­tekenen, dat de opdracht van Jezus mislukt is, namelijk om zonen tot heer­­lijkheid te brengen.

Het heil moet komen ìn de geschiedenis en niet daarnà

We moeten toch wel vasthouden, om het oer-joods en oer-Hebreeuws te zeggen, dat het heil moet komen in de geschiedenis en niet daarna. Als het heil na de geschiedenis komt, dan komt het te laat. Als er eerst het ein­de van de tijden en de opheffing van de geschiedenis zou komen, dan zou de mens ook op­hou­den partner van God te zijn. Dat zou funda­menteel totaal in strijd zijn en met Genesis en met de Torah en met heel de Tenach en met heel het bijbelse denken. Dat zou met recht een ramp­zalige ontwikkeling zijn. De wederkomst betekent niet: het doek valt, maar het doek gaat open! De geschiedenis gaat door en God gaat zijn part­ner niet buitenspel zetten. Want Zichzelf verloo­che­nen kan Hij niet. Daarmee zijn natuurlijk niet alle vragen beantwoord, want hoe dat dan allemaal gaat gebeuren, is nog steeds toch wel een groot raad­sel. Je hebt de neiging om te denken: hoe moet dat ooit allemaal terecht­ko­men! In dit verband kunnen we met recht denken aan de ‘spade regen’. Dat moet dan wel gebeuren, anders weet ik niet waar het vandaan moet ko­men. Dan denk je inderdaad: er moet toch nog heel wat gebeuren! In elk geval ga ik uit van een paar basispunten. In de eerste plaats dat God zijn partner niet laat vallen. In de tweede plaats dat in de Messias de nieuwe schepping begonnen is en dat­gene wat Jezus als Messias heeft volbracht, ook impliceert dat de mens in Hem, in Jezus, bestemd is tot verandering en vernieuwing. An­ders zou Jezus voor niets zijn gekomen. In de Messias zit de verande­ring en de vernieuwing voor de hele schepping. En dat moet er dus ook uit­komen, als loon op zijn arbeid. Hierbij moeten we in aanmerking nemen, dat we nog met de verborgen­heid van dat geheimenis zitten. Want het is toch door de eeuwen heen als een verborgenheid, als een zaad de geschiedenis ingegaan. En dat zaad moet inder­daad een keer opkomen. Al die mensen door de eeuwen heen zijn zaad geweest, zoals de Hugenoten, zoals de Waldenzen, zoals al die martelaren, die ver­trapten en gefolterden. Al die verdrukten in Chi­na, Korea en Afrika zijn inbegrepen in het zaad van al die eeuwen. Om over Zeeland en Middelburg maar te zwijgen, waar Smijtegeld 145 pre­ken hield over ‘het gekrookte riet’. Misschien komt dat gekrookte riet ein­de­lijk nog een keer overeind. In de Messias is de mens bestemd tot verandering en vernieuwing. En zo kijkt de gemeente ook met verwachting en hoop naar de wereld. Want de gemeente leeft vanuit ge­loof, hoop en liefde. Het geloof, dat de vermoorde Messias leeft. Hoop, dat dit kosmisch onthuld zal worden. Want Jezus zal het hoofd zijn van heel de kos­mos. Dat is het loon dat Hij zal ontvangen op zijn werk. Want anders zou wat Hij gedaan heeft alle­maal tevergeefs zijn geweest. De gemeente realiseert geen idee of principe, maar zij volgt haar Heer na in zijn afdaling. De gemeente is echter nooit zonder wereld, want zij is bewust ant­woor­dend deel voor het geheel van de wereld. Wij zijn het deel van de wereld dat het gelooft; maar het is bedoeld voor de hele we­reld. Heel de kosmos zal dat weten, alleen, wij als gemeente zijn alvast de eerstelingen. Zij gelooft wat voor de wereld geldt, in naam van en ook in plaats van de wereld.

God haalt het zout niet van de aarde weg

De gemeente wordt met de wereld gered, of zij wordt niet gered. Zij wordt in ieder geval niet uit de wereld gered of uit de geschiedenis. Dat zou betekenen dat God het niet redt. Letterlijk redt Hij dan niet. Let­ter­lijk redt Hij dan de wereld niet. Als God ons uit de wereld haalt, dan heeft God met de gemeen­te dus zijn doel niet bereikt. Dan haalt God het zout maar van de aarde weg; dan haalt God het licht van de aarde weg. Dan zou de gemeente als een amechtige oude man naar het bejaar­den­huis worden gebracht. Voor jullie wordt het veel te moeilijk in deze bo­ze wereld, kom maar lekker boven. Dan heeft God er tenminste nog een paar gered. Maar God is niet bezig met een soort evacuatieplan, maar Hij is bezig met een reddingsplan.

In een rabbijnse traditie wordt gezegd: er zullen altijd 36 rechtvaardigen zijn op aarde. Dus die geloven al in iets meer dan één. Volgens de rab­bijnen zijn die 36 wel verborgen, dus je weet meestal niet wie het dan zijn. In hun verborgenheid gaan ze hun weg.

De schrijver André Schwartz-Bart heeft daar een schitterend boek over geschreven, ‘De laatste der Rechtvaardigen’. Hij beschrijft hoe er steeds dan nog rechtvaardigen zijn, tot er tenslotte nog maar één over is. Die ene gaat dan vrijwillig het concentratiekamp in, als zijn verloofde daar ook heen moet. Er zullen altijd rechtvaardigen zijn; dat zie je ook in het boek Open­ba­ring. Johannes zit eenzaam op het eiland Patmos als bal­ling, maar dan zijn daar toch die zeven kandelaren. In een andere ver­taling wordt ge­sproken van zeven fakkels. Fakkels, die branden in de nacht. Dat moet voor Johannes een hele bemoediging geweest zijn. Ik zit hier op dat een­zame eiland, maar er zijn nog zeven fakkels, die bran­den nog. En er zijn ook nog zeven sterren. Dat is het begin van het boek Openbaring: zeven fakkels en zeven sterren. Zolang die zeven fakkels en die zeven sterren er nog zijn, dan brandt het licht nog in de nacht. Want God laat het werk van zijn handen niet varen. Dat is dus de we­reld en de geschiedenis, dat is het werk van zijn handen. Dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont

Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.  Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig. – Rom.7:19,20.

Paulus zegt niet dat die mens uit twee helften bestaat, een goed en een slecht deel. Maar het willen van het goede veroorzaakt op zichzelf een conflict en het is een aanwijzing dat ik verbannen ben aan een vreemde macht. Mijn daden zijn mij vreemd. Ik ben niet ik. En dat ik is dan niet een antropo­lo­gisch gegeven, het bewustzijn of het verstand. Want dan ga je het weer opsplitsen in de zin van: met je verstand wil je het wel, maar…. Het ik wordt (hier in Romeinen 7) pas concreet, als het al gespleten is. Ik ben tegen mijzelf. Wanneer ik aan die vreemde macht onderworpen ben, en niet in staat ben mijzelf te bevrijden, dan is toch de zetel van mijn daden ik. Je krijgt hier dat dwangmatige aspect. Daarbij onder­scheidt Paulus dan wat we lezen in vers 21: “Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwe­zig”; – Rom.7:21.

Voor het woord regel gebruikt Paulus hier het woord wet. Dus eigenlijk: ‘Ik vind deze wet, (een bepaalde wetmatigheid), als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig’. Want: “Want naar de inwendige mens verlustig ik mij (heb ik een welbehagen) in de wet (Torah) Gods”, – v.22. maar in mijn leden zie ik een andere wet (een andere wetmatigheid), die strijd voert tegen de wet van mijn verstand (denken) en mij tot krijgsgevangene maakt van (onder) de wet der zonde, die in mijn leden is. – v.23.

Paulus noemt die twee soorten wetmatigheid. De wetmatigheid van de Torah en de wetmatigheid van het kwaad. Dus dat kwaad gaat als een soort onont­koombare wetmatigheid zijn gang. Dat is iets wat je dus ook bij het structureel kwaad ziet. Dat gaat als het ware ook door als een on­omkeerbare wetmatig­heid, die niet meer te stoppen is. Waar heeft de mens in deze maatschappij nog keuzemogelijkheid! Waar ligt de grens tussen macht en onmacht? Juist daar waar macht is, blijkt dat de mens in deze maatschappij onmachtig is, niet in staat om te heersen. Er is steeds weer die discrepantie, die kloof tussen ideaal en werkelijkheid. Vandaar dat er staat in vers 24: Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? – v.24. ‘Wie zal mij uitrukken uit dit doodslichaam, uit dit doodsbestaan’.

En dan zie je ook inderdaad dat Paulus niet terechtkomt bij pogingen tot ver­betering, maar hij spreekt van dat nieuwe dat begonnen is in de Mes­sias.

Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here! – Rom.7:25.

Dus wijzend op de Gekruisigde, zegt de gemeente: zie de mens! Want zijn kruis, een ogenschijnlijke nederlaag, is een overwinning van de lief­de. Een overwinning over moord en dood, over geweld en onrecht, over haat en ver­raad, over verloochening en verlating, over knechting en verachting, waarvan God het bewijs heeft gele­verd: deze vermoorde mens leeft en regeert. Hem is alle macht gegeven. Het punt is dus, dat deze Jezus, die de Messiaanse weg is gegaan tot het uiterste, Heer ge­wor­den is. God zegt: Hij mag regeren! Waarom: op basis van de weg die Hij gegaan is tot in de dood. En juist zo heeft Hij, onmachtig, de mach­ten overwonnen. De kruisiging was zeer zeker een teken van onmacht. Ter dood veroordeeld, en toch, juist aan dat kruis zijn de overheden en de machten ont­kracht. Juist deze Messiaanse mens zal regeren. Maar dan ook regeren op een totaal andere wijze dan wat meestal onder rege­ren wordt verstaan. Hij wordt niet machthebber nummer zoveel. Want dan schiet je er ook niet veel mee op. Als de onderdrukten van vandaag morgen de lakens gaan uitdelen, dan wor­den zij heel gauw de nieuwe verdrukkers. Wat schiet je ermee op, als je een paar tirannen hebt geëlimineerd! Daar zit natuurlijk ook het gedachtepatroon achter van de revolutie, zoals de Franse revolutie, de studentenrevolutie, enzovoort. We zullen die groot­grondbezit­ters eruit gooien. Nu komt het proletariaat aan de macht. Dan kunnen die kleintjes eindelijk gaan heersen. Ja, maar als ze dat dan gaan doen op dezelfde manier als de heersers van voorheen, dan schiet je er niet veel mee op! Dan krijg je weer de volgende tirannie. Maar de Messi­as regeert vanuit zijn onmacht, op de wijze van een dienstknecht. Dus volmacht in onmacht. Ergens is dat juist misschien steeds weer het probleem van de gemeente, dat het altijd een volmacht in onmacht blijft. Want dan stuit je op het gegeven, dat het nooit een positie van heersen wordt in de zin van: nu buigt iedereen voor ons. De nieuwe mens moet leven in zichzelf hebben, dat betekent: authentiek wor­den. Je zou haast zeggen automobiel worden, zelf bewegend. Niet voort­­durend gesleept en getrokken en aangezwengeld. Dat is in feite ook het hele thema van Romeinen 8, namelijk dat de mens ein­delijk weer zichzelf mag worden. Maar blijkbaar heeft men dat toch vaak niet aangedurfd. Ergens is dat toch een soort wantrouwen ten op­zichte van de Geest.

‘Doorgezakt’ en prestatiedwang

Calvijn krijgt vaak van een heleboel dingen de schuld. Wat dat betreft zal de waar­heid wel ergens in het midden liggen. Het merkwaardige is, dat als je naar de extreem calvinistische richtingen kijkt, men dan zegt: je fundament ligt niet in wat je allemaal presteert. Dat heeft men dus wel heel duidelijk gezien. Daar krijg je ook de pre­diking, dat je eerst door al je gronden heen moet zakken en dat je dan eindelijk bij God kunt ko­men. Dat noemt men dan ‘doorgezakt’, omdat je eerst door al die gron­den heen moet zakken. Je kunt je op geen enkele kwaliteit beroepen, an­ders worden het allemaal weer valse gronden. Ik denk dat er juist een hele problematiek ligt in de evangelische wereld, waar dan vaak heel sterk het punt naar voren komt, dat je iets terug moet doen. Zo is daar dat lied: oh, heb ik wel mijn best gedaan voor Jezus! Dat is dan wel heel mooi gezongen, maar er klopt niets van. Zo is er een schilderij van Jezus aan het kruis, waar Jezus zegt: dat deed Ik voor u, wat doet gij voor Mij? Je moet toch een tegenprestatie leveren! Dat prestatie­denken zit natuurlijk ook in heel de maatschappij. Dat productiedenken had je ook al bij de farao van Egypte. De kinderen Israëls moesten ook pro­­duceren, terwijl de opzichters, de mannen met de zweep, helemaal niets produceerden. Die man met de zweep kom je in de maat­schap­pij maar al te vaak tegen. Die kom je ook wel tegen in de gemeen­te: je moet toch iets voor Jezus doen! Maar dan zit je binnen de kortste keren weer on­der het oordeel. Ik denk dat het een combinatie is van aan de ene kant het wettische den­ken en aan de andere kant het prestatiedenken van de wes­terse maat­schap­pij. Zo wordt iemand die niet productief meer is, een probleem. Zo ont­staat ook het bejaardenprobleem. Waarom zijn de bejaarden een pro­bleem? Zodra iemand niet meer produceert, wordt hij bij het een of an­der probleem ingedeeld. Zo is er ook het vraag­stuk van de werkeloos­heid. Als je boven de 50 komt, word je veel te duur. De economie is de god van deze eeuw. De economie bepaalt wat er kan.

De akker van het vlees

Dat is in feite ook weer het vlees. Het vlees is zwak en dat is niet in staat om de zaak te runnen. Het vlees denkt economisch. Dat vlees is niet een stukje van mij, maar dat vlees is een sfeer waarin ik bezig ben. Dat vlees is een bepaald domein, een gebied. En als je op dat gebied opereert, dan zit je in dat circuit. Dat is dus geen kwestie van: ik moet dat vlees in mij onder de duim zien te houden, of ik moet elke dag mijn vlees gaan krui­sigen, want dan ga je jezelf weer opsplitsen. Dan moet mijn geestelijke deel de baas gaan spelen over mijn vleselijke deel. Dan krijg je weer een conflict van twee ikken. Het vlees is een bepaalde sfeer waarin de mens bezig kan zijn. Galaten spreekt van de akker van het vlees.

Want wie op (de akker van) zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op (de akker van) de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oog­sten. – Gal.6:8.

De akker van je vlees. Maar bij dat vlees hoort ook de veroordeling. Want dan zit je weer op het terrein, dat je iets moet presteren. Dan krijg je weer heel dat probleem van liefde op voorwaarden. Liefde op grond van prestaties en uiterlijk gedrag.

Allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen, trachten u te dwingen tot de be­­snijdenis, alleen om niet vervolgd te worden ter wille van het kruis van Chris­tus Jezus. – Gal.6:12.

Als je een goede dag hebt, dan houdt God van je. Maar als je een slechte dag hebt, dan ligt daar de veroordeling alweer klaar. Vandaag was het niets met je hè, dat moet toch anders! Dan zit je weer op het terrein van de zweepslag. Dat is vaak een heel diep gewortelde instelling. ‘Moet ik soms met lege handen, gaan mijn Heiland tegemoet?’ Met liederen kun je soms de grootste dwalingen in huis halen. Je hebt er heel wat bijbel­studies voor nodig om die er weer uit te krijgen. Zo is er een lied dat zegt: ‘het heilig kleed wordt nu geweven’. Dat is dan dat kleed van de recht­vaardigen. Dus elke keer als ik een goede daad doe, heb ik weer een stukje aan dat kleed geweven. Elke dag een draadje is een hemds­mouw in een jaar. Op die manier krijg ik dan uiteindelijk een mantel. Daar zit dan ook de gedachte achter: als ik momenten van falen heb, worden er weer stukjes van dat kleed uitgetrokken. Daar zit toch ook weer dat prestatiedenken achter. Hoeveel daden moet je nu doen om uiteindelijk dat kleed te krijgen. In Openbaring 19 staat echter dat dat kleed ge­geven wordt. “en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen”. – Op.19:8.

God zit niet op je offers te wachten.

Indien Ik honger had, zou Ik het u niet zeggen,

want Mij behoort de wereld en haar volheid.

Eet Ik soms stierevlees,

of drink Ik bokkebloed?Ps.50:12,13.

God heeft geen offers nodig, maar God heeft wel de mens nodig. Gehoorzaamheid is in wezen het beschikbaar zijn, het er zijn als bond­ge­noot van God. Zoals er van Jezus staat: Hij is gehoorzaam geweest tot de dood, waar je ook kunt vertalen: Hij heeft gehoor gegeven tot in de dood. Daar zien we dan het ‘een en al oor zijn’. Gehoorzaamheid kun je dus niet meten naar prestaties.

Gehoorzaamheid kun je niet meten in prestaties

Je kunt het ook niet herleiden tot gezindheid. Dat is weer een andere valkuil. Er wordt wel eens gezegd: het gaat om de gezindheid, maar dat is ook weer een enigszins on-Hebreeuwse gedachte. Dan krijg je het idee: het komt niet zozeer op de daad aan, maar op de gezindheid. Zoals een broeder in zijn gebed zei: reken alstublieft onze gezindheid als de daad en de bedoeling voor de volbrenging. Dat is natuurlijk wel aardig gezegd in de zin van: we bedoelen het toch zo goed. We brengen er wel niets van terecht, maar God moet maar naar onze goede bedoelingen kij­ken. Gehoorzaamheid betekent dat je op weg gaat. Dat kun je dus niet kwan­ti­tatief meten. Dat betekent, dat de mens met God op weg gaat en al gaande, al horende naar Gods stem, ga je die weg van God bewandelen. Op die manier wordt het je leven. Zoals er gezegd wordt: hij die deze dingen doet, zal daarin (‘daarin’ vertaal ik bij voorkeur) leven. Zoals een musicus leeft in zijn muziek. Een pianist zal praktisch elke dag achter de piano zitten. Een mens gaat dan meer en meer leven in die mens van God. Daarbij kan hij wel voor zichzelf min of meer nagaan of hij gehoor­zaam is. Voor een ander is dat dan moeilijker na te gaan. In ieder geval kan die gehoorzaamheid niet gemeten worden aan het al dan niet nako­men van een aantal uitwen­di­ge bepalingen. Want anders komen we weer in de sfeer van prestaties te­recht. En vooral ook in de sfeer van de vergelijking. In de zin van: wat die ander doet, moet jij dus ook doen. Misschien is dat juist het moeilij­ke, dat die gehoorzaamheid in die zin niet meetbaar is. Het is een onder­weg zijn. Het is een herkenbaar worden. Het is een voornaam aspect, dat iemand herken­baar wordt als authentiek mens.

Vanuit die bases van de Torah gaat de mens zijn weg vinden. Dat is te­ge­lijk de weg van Jezus. En dan ga je in de verbondenheid met Hem ont­­dek­ken wat gehoorzaamheid is. Van Jezus wordt gezegd dat hij ge­hoorzaamheid geleerd heeft. Uit hetgeen Hij heeft geleden, is die ge­hoor­zaamheid dan ook tot een weg geworden. In die weg van de gehoorzaamheid kun je geen richtlijn opstellen voor allemaal. Gij zult mijn getuigen zijn. Er staat niet: gij zult over Mij ge­tui­gen. Dat hangt ook weer samen met wat je bent. Niet in die zin: die an­der gaat de straat op, dus dat moet Ik ook doen. Als iemand dat in zich heeft en het past helemaal bij zijn persoonlijkheid, dan zal hij zich als een vis in het water voelen. Een ander heeft misschien meer aan per­soon­­lijke contacten en voelt zich daarin op zijn plaats. God gaat je niet allerlei dingen voorschrijven. Dat is het grote verschil tussen een bevel en een gebod. Een bevel berooft de mens van zijn eigen keu­zemogelijkheid. ‘Befehl ist Befehl’. Dan volg je alleen maar comman­do’s op. Een gebod zegt: ga jij nu eens binnen de mogelijkheden die je hebt, mens worden. Door een bevel wordt de mens afgeknot en door een ge­bod komt de mens juist tot zijn recht, komt hij uit de verf. Dan wordt jouw potentieel tevoorschijn geroepen. Dat heeft dus ook te maken met je talenten. Dat is wat ook in Romeinen 12 naar voren komt: wat voor gaven heb je, wat voor begaafdheden. Wat dat betreft is er een grote verscheidenheid en veelkleurigheid. Het eigene van een mens mag tot zijn recht komen, met alle originaliteit die daarin zit. Een gebod is in het Hebreeuws een mitswah. In het woord gebod zit het werkwoord sawah, gebieden. Als een jongen 13 jaar wordt, wordt hij bar mitswah, zoon van het gebod. Dan kan hij horen, dan kan hij uit dat woord gaan leven. Een gebod zet een mens juist in de vrijheid, om zijn mogelijkheden te ontwikkelen.

 Vader, wij danken U dat Gij ons een gebod geeft dat ten leven is.

Gij biedt ons uw woord aan.

Dat woord roept ons tevoorschijn.

U wilt het authentieke van een mens weer tevoorschijn brengen.

Dan kan de mens eindelijk worden wat hij van huis uit is.

Zo bent U bezig in ons en met ons.

Zo gaat Gij op weg en Gij neemt mensen mee op die weg van U.

Wij danken U Jezus, dat Gij heel die Torah hebt gedragen

en dat U juist daardoor het kwaad een halt hebt toegeroepen.

Zo werd uw weg het einde van het kwaad.

En daar kon geen macht van duisternis tegenop.

Tegen U, die broeder was tot het einde.

Zo danken wij U voor deze woorden.

En daar gaan wij verder mee op weg.

En zo zegenen we elkaar op de weg.

Zo danken wij u, dat uw weg doorgaat

en dat die Messiaanse weg het zal winnen

in de hemel en op de aarde.

Want de neergebogenen zullen de bevrijding zien,

die U bewerkt.

Gezegend is uw naam.

 

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391573 bezoekers sinds 07-06-2010