De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 14

16-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

HOOFDSTUK 7

De zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid

Romeinen 7 is een heel beroemd hoofdstuk.

Daarin komen nogal wat onderwerpen aan de orde, die in de loop van de tijd vaak een grote rol hebben gespeeld. Het gaat daar over de ont­moe­­ting tussen de wet en de mens. De vraag doet zich dan voor of je het begrip ‘wet’ moet opvatten als de Torah of als het wettische denken. Als je nu gaat beweren, dat de wet de zonde op gang brengt, dan ga je in feite de wet zelf verklaren tot een zondige factor. Dat is dus het pro­bleem. We nemen in dit verband bijvoorbeeld vers 11.”Want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daar­van ge­dood”. – Rom.7:11.

Dus als de wet nu de zonde propageert, of eigenlijk stimuleert, dan maakt dat de wet tot een handlanger van het kwaad. Dan is het niet meer Gods woord. Dan zouden de gedachten van Paulus, consequent doorgedacht, leiden tot een anti-nomisme, in die zin dat we de wet maar moeten afschaffen. Dat wordt dan ook nog wel eens gedacht. De con­sequentie die bijvoorbeeld ook Marcion (tweede eeuw) trok, was dat je de wet dan maar aan de kant moest schuiven. Marcion zei dat het oude tes­tament maar moest worden afgeschaft. Op dat bezwaar gaat Paulus in, met name in vers 7. “Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zon­de niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeer­lijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet bege­ren”. – Rom.7:7.

  …..want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, in­dien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren”. – Rom.7:7 – SV.

Is de wet zonde? En Paulus’ antwoord is: volstrekt niet! Maar hoe dan? En zijn verklaring is dan: de schuld ligt niet bij de wet, maar de oorzaak waardoor een mens zondigt, ligt bij de zonde. Dus de wet, oftewel de To­rah is goed. In Romeinen 6 heeft Paulus de verlossing van de zonde behandeld. Met Chris­tus zijn wij gestor­ven en daardoor vrij van het kwaad. Daar wordt de vrij­heid geconcretiseerd. Vrijheid betekent niet: doen wat je wilt, doe maar waar je zin in hebt, maar vrijheid is een nieuwe manier van dienen. We staan niet meer onder de wet, maar onder de genade. ‘Wet’ wil hier zeg­gen: niet meer onder de wettische manier van leven. De zonde is de ver­vreem­dende macht. Zonde is de macht waardoor een mens vervreemd raakt, ontvreemd wordt van zichzelf. De nieuwe mogelijkheid is dat de mens kan dienen en dat hij zichzelf blijft, zodat hij weer één wordt met zich­zelf. In de eerste zes verzen van Romeinen 7 wordt dit onder­bouwd.

Volgens de Wet of wettisch

“Of weet gij niet, broeders, – ik spreek immers tot wie de wet (Torah) kennen – dat de wet (Torah) heer­schappij voert over de mens, zolang hij leeft? Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond. Zo zal zij dan, indien zij bij het leven van haar man een ander tot man neemt, echtbreekster heten; wanneer echter de man sterft, is zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, indien zij zich aan een andere man geeft”. Rom.7:1-3.

En dan komt de conclusie: “Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet (de wettische manier van denken) door het lichaam (het aardse bestaan) van Christus om het eigen­dom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen. Want toen wij in het vlees waren, werkten de zon­dige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen; maar thans zijn wij van de wet (die wettische ma­nier van leven) ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij die­nen in de nieuwe staat (de nieuwe kwaliteit) des Geestes en niet in de oude staat der letter”. – Rom.7:4-6.

Hier wordt dus de vrijheid, door het loskomen van de wettische manier van bestaan, be­schre­­ven. Dit kan natuurlijk nooit betekenen dat Paulus de Torah gaat afschaffen of min­derwaardig gaat verklaren. Het gaat al­leen om een be­paalde manier van zijn, een leefwijze. Uit welk principe ga je als mens leven? En daarbij speelt dan ook een rol – want we gaan deze gedeelten eerst maar eens met elkaar verbinden – wat er dan komt in de volgende verzen: “Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zon­de niet hebben leren kennen, tenzij door de wet (door de Torah); immers, ook van de begeer­lijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren”. – Rom.7:7.

Uitgaande van het gebod,  wekte de zonde in mij allerlei begeer­lijk­heid op

Een mens weet wat kwaad is, doordat hij een spiegel voorgehouden krijgt, de spiegel van de woorden Gods. Dan heb je dus een maatstaf en een herken­ningspunt. Dat heeft men vanouds ook genoemd: de ontdek­kende functie van de Torah. Door die onderwijzing, door de woorden van God, gaat de mens ontdekken wat er aan de hand is. Waarin ben ik onder de maat?

“immers, ook van de begeer­lijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet (Torah) niet zeide: gij zult niet begeren”. – Rom.7:7b

Het sleutelwoord is hier begeerte. Dat zal ook in het vervolg een beslis­sen­de rol spelen. Paulus neemt hier als voorbeeld de laatste van de 10 woorden. Dat neemt hij dan als uitgangspunt om vandaaruit te laten zien wat er gebeurt, als de mens dat woord hoort. : Maar uitgaande (letterlijk: ‘een voorwendsel nemende’ – of ‘een aanknopings­punt’- of: ‘start­punt nemende’) van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeer­lijk­heid op; (alle be­geer­te bewerkt) want zonder wet is de zonde dood. Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zon­de te leven, maar ik begon te sterven”. – Rom.7:8,9.

Nu krijgen we er meteen nog een probleem bij: wie is die ‘ik‘?  Dat is dan een van de kernproblemen. ‘Ik leefde eertijds zonder wet’- Wie is dat dan?

De tweede vraag is: Waar spreekt Paulus hierover? Spreekt hij over de tijd vóór zijn bekering of spreekt hij over de tijd na zijn bekering? Dat zijn vanouds de hete hangijzers in Romeinen 7. Want dan krijg je dus dat hele vraagstuk van: het goede dat ik wens, dat doe ik niet en het kwade dat ik niet wens, dat doe ik. Waar moet je dit plaat­sen? Is dat de onbekeerde mens? Is dat de mens die wel bekeerd is, maar nog niet in Romeinen 8 is aangekomen, in het leven door de Geest? Dat zijn allemaal vragen die rondom hoofdstuk 7 van belang zijn. Gaat het daar dan over vleselijke christenen? Vervolgens komt dan natuur­lijk van­uit vers 9 ook de vraag: wanneer was Paulus dan zonder wet? Heeft hij dat ooit meegemaakt? Er zijn dan ook uitleggers die zeggen: daar gaat het dan over het kind, over de eerste levensjaren. Dan ben je nog zonder wet. En na een poosje dan verandert dat. Want, inderdaad, een baby heeft nog geen wet. Die mag nog heerlijk doen waar het zin in heeft. En dat neemt niemand hem ook kwalijk. En dan na verloop van tijd krijg je dus dat de mens geconfronteerd wordt met allerlei geboden. Dan kun je niet meer doen waar je zin in hebt. Zo zie je dan, dat dit nogal een be­langrijk punt is met veel vragen en aspecten.

Wat of wie kan dat ik zijn ?

Er zijn vier mogelijkheden.

1. Dat ik kan individueel zijn. Dan is het dus inderdaad een enkeling, ik.

2. Dat ik kan ook algemeen zijn. Zoals je dat ook bijvoorbeeld in de psal­men vaak tegenkomt. Als daar staat ik, is dat tegelijk het hele volk. De rabbijnen zeggen in dit verband: elke zoon van Israël draagt gans Israël in zich. Dus je bent nooit alleen maar een individu, maar je bent mens in een veel groter verband. Daarnaast zijn er nog twee varianten mogelijk.

3. In Romeinen 7 kan dat ik slaan op de tijd voordat de mens tot geloof komt of gelovig kan zijn.

4. De tijd dat hij al tot geloof gekomen is.

Van daaruit heb je dus vier mogelijkheden van uitleg.

Het kan dus het individu zijn, of algemeen. Het kan slaan op de tijd voor­dat je tot geloof gekomen was. Het kan ook slaan op de gelovige. Je kunt ook nog die verschillende aspecten combineren.

1. Het kan bijvoorbeeld slaan op het individuele geval van de onbekeer­de.

2. Je kunt het ook verstaan individueel betrekking hebbende op de gelo­vige.

3. Je kunt het algemeen verstaan en laten slaan op de onbekeerden.

4. Je kunt het betrekking doen hebben op de gelovigen in het algemeen.

Op die manier kun je dus vier mogelijkheden van uitleg onder­schei­den. De reformatoren Luther en Calvijn hebben juist gezegd: het gaat hier om het conflict in de gelo­vige mens. De gelovige mens komt tot de ontdek­king, ik wil wel, maar ik kan niet. Dus er speelt zich in mij een conflict af. Er is een botsing tussen de oude en nieuwe mens. De ene helft wil wel, maar de andere helft wil niet. Dat wordt beschreven in Romeinen 7; dat is dat spanningsveld in de gelovige. Ik wil het goede wel, maar het lukt niet. De reformatoren zeggen dan: alleen van een gelovige kan ge­zegd wor­den, dat hij het goede wil. Aan het eind van dit hoofd­stuk dankt Paulus voor de verlossing uit dit conflict. Alleen, de vraag blijft of die uitleg wel juist is, want dan krijg je dus het beeld van een gelovige die voortdurend in tweespalt verkeert. Nog even iets over de structuur van Romeinen 7. In die eerste zes verzen wordt dus de bevrijding getekend. Vers 5  wordt verder uitgewerkt in de verzen 7 – 25. Dat gaat over toen. Dan krijg je 7:6, dat gaat over nu. En dat wordt uitgewerkt in hoofdstuk 8:1-39. Dus Romeinen 7:5 is hoe het was, namelijk in het vlees. Zo begint vers 5 ook: ‘toen wij in het vlees waren’.

Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet

Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen”. Rom.7:5.

Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen’. – SV. Let erop, dat dit in de verleden tijd staat. Dat wordt dan in heel de rest van hoofdstuk 7 verder uitgewerkt. Hoofdstuk 7:6 vertelt wat er nù is. “Maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zo­dat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter”. – Rom.7:6.

‘Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, on­­der wel­ken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des gees­tes, en niet in de oud­heid der letter’. –  SV. ‘Maar thans‘. Dat wordt in de grondtekst ook met sterke nadruk gezegd. Dat nu wordt uitgewerkt in hoofdstuk 8. Op die manier heb je dus twee basisteksten, namelijk 7:5 en 7:6. Die twee basisteksten worden elk in een heel verhaal, in een heel uitvoerig be­­toog nader gespecificeerd. Hoofdstuk 7 is het verhaal van de onverloste mens, althans als je dat er­uit wilt concluderen. Hoofdstuk 8 is dan het verhaal van de verloste mens. Dus vanuit die structuur komen we dan toch voorlopig alvast tot de conclusie – dat zullen we dan nog nader moeten uitwerken – dat hoofd­stuk 7 gaat over de mens, die nog niet verlost is en dat hoofd­­stuk 8 dan gaat over de mens die wèl verlost is. Dat zie je bijvoorbeeld ook, en dat kun je ook nog nader onderbouwen, in vers 14. Wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk

Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zon­de”. – Rom.7:14.

‘Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde’ – SV.

Deze uitspraak kan een verlost mens toch moeilijk voor zijn rekening nemen. Je kunt je toch moeilijk voorstellen, dat Paulus als bevrijd en ver­lost mens gaat zeggen: ik ben vlees en ik ben verkocht onder de zon­de. Het zou toch wel heel vreemd zijn, na alles wat Paulus dan ervaren heeft, dat hij een dergelijke uitspraak zou doen. Het staat trouwens ook uitdrukkelijk in de tegenwoordige tijd. Er staat niet: ‘ik was vlees’. ‘Vleselijk’ is trouwens een betere vertaling. Hetzelfde aspect zien we ook in vers 18: “Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet”. – Rom.7:18.

Van de gelovige zegt Paulus, dat hij weliswaar nog in het vlees leeft, maar niet meer naar het vlees, maar in de geest en in de vrijheid. Hij is dus niet meer ‘verkocht onder de zonde’. Maar, dat ik het goede wil en dit dan echter niet voor elkaar krijg, is juist de ellende van de on­ver­los­ten. Voor de verlosten geldt wat Paulus in Romeinen 8 zal be­schrij­­­ven: “Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven”. – Rom.8:12. Dus beslissend voor het oordeel over het ik in Romeinen 7 is Romeinen 8. Dus je kunt hoofdstuk 8 hanteren als sleutel om hoofdstuk 7 te ver­staan. Want in hoofdstuk 8 gaat het over het leven in de geest, het leven van de verlosten. Van daaruit valt licht op wat er in hoofdstuk 7 be­schre­ven wordt, namelijk het leven van de onverlosten.

De verlorenheid kan pas ontdekt worden na de verlossing

Daarbij moeten wij wel bedenken, dat Paulus in Romeinen 7 niet een er­varing beschrijft van vóór zijn bekering. Het is belangrijk om dat in aan­merking te nemen. Paulus gaat hier niet beschrijven: zo was het toen ik nog niet bekeerd was. Dat klopt namelijk niet, want Paulus heeft dit als zo­danig nooit er­va­ren. Hij zegt bijvoorbeeld in Filippenzen 3: ik was naar de gerechtigheid van de wet onberispelijk. Een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervol­ger van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk”. Filipp.3:6.

Dus Paulus’ ervaring voor zijn bekering was helemaal niet: ik probeer het goede, maar het lukt niet. Hij had vóór zijn bekering het gevoel, dat het heel goed ging. Zijn ervaring voor zijn bekering was helemaal niet Romeinen 7. Hij was ervan overtuigd, dat hij naar de gerechtigheid van de Torah onberispelijk, gaaf, tamim was. Paulus liep voor zijn bekering helemaal niet met frustraties of schuldgevoelens rond. Totdat hij op weg naar Damascus ineens in zijn kraag gegrepen werd. Paulus zat voor die tijd helemaal niet te jammeren: oh, wie zal mij toch verlossen! Romeinen 7 is dus niet een verslag van Paulus in de zin van: zo voelde ik mij, toen ik Jezus nog niet kende. Daaruit volgt ook: dit is niet een subjectief ervaren in de zin van: zo heb ik het beleefd. Paulus geeft hier niet zijn getuigenis over zijn ellende vóór zijn beke­ring. Daaruit volgt dan weer dat het ik, dat in Romeinen 7 gebruikt wordt, niet individueel is. Paulus spreekt daar niet over ik persoonlijk. Paulus zong niet:

Ik heb gejaagd wel jarenlang

om goed en vroom te leven.

Maar ’t werd mijn ziele toch te bang,

mijn werken kon niets geven.

Dat lied past dus niet bij Romeinen 7. Het ik heeft dus een algemene, collectieve zin. Paulus beschrijft hier, niet sub­jectief als ervaring, maar objectief de staat van het ongeloof. Na­melijk, hoe het ongeloof eruit komt te zien vanuit het gezichtspunt van het geloof. Paulus kon daarom Romeinen 7 pas schrijven na zijn be­ke­ring. Dat kan hij pas beschrijven vanuit het geloof, dat hij heeft ont­van­gen. En als hij daarop dan terugkijkt, denkt hij: dan zat ik er toen – of liever gezegd zat de mens zonder geloof – wel behoorlijk naast. Dus van­uit het geloof dat Paulus nu heeft, geeft hij een blik op de mens die zon­der geloof door het leven moet gaan. Dus die mens, bekeken vanuit het perspectief van het geloof, daarvan wordt gezegd dat hij het goede wil, maar dat er in hem geen goed woont.

De ongelovige denkt vaak: ik mìs toch niets!

Daarbij moet je bedenken dat het hier niet om de onbekeerde mens gaat, die klaagt over zijn situatie. Het is niet het beeld van de ongelovige die zit te klagen in de geest van: wat heb ik het toch slecht en wat gaat het toch slecht met me. Maar dit is de klacht, die vanuit het geloof kan wor­den uitgesproken over het ongeloof. Dat is dus niet een biografisch ge­ge­ven, Paulus geeft hier dus geen levensbeschrijving van zichzelf. Maar, vanuit de verlossing gaan zijn ogen open voor de verlorenheid, die hij achter zich heeft. Dit is dus een terugblik in de zin van: als je verlost bent, zie je waaruit je verlost bent. Want de onverloste mens ziet ook niet waar hij in zit. Pas de verloste mens weet: daar ben ik uitgekomen. Daarom kan de verlorenheid ook pas ontdekt worden na de verlossing. Je kunt niet eerst je ellende peilen – wellicht wel enigszins kennen – en daarna verlost worden. Je kunt pas ontdekken waar je uitkomt als je er­uit bént. Pas dan zie je het contrast met wat je nu ontvangen hebt. Van­uit je verlossing kun je zeggen: wat is die mens zonder God, zonder Mes­sias, er toch ellendig aan toe!

De ongelovige denkt vaak: ik mis toch niets! Het gaat toch prima zo met me! En vaak gaat het ook uiterlijk redelijk goed. De ongelovige mens kan nog best tot een redelijke mate van menselijkheid en humaniteit we­ten te komen. Je hebt ongelovigen, die voorbeeldige mensen zijn. Daar hoef je niet zuur en krenterig over te doen. Je kunt natuurlijk verschillende manieren of aspecten van tot geloof ko­men on­der­scheiden. Dat gaat beslist niet altijd op dezelfde manier. Je hebt als het ware geruisloze bekeringen en spectaculaire bekeringen. In die zin kan het natuurlijk wel plaatsvinden vanuit een situatie van on­vol­daanheid, ellende of hopeloos­heid. Vaak zie je toch ook wel een weg van geleidelijkheid. Niet iedereen heeft exact aanwijsbaar een Damas­cus-ervaring. Van Timoteüs wordt gezegd: je hebt het geloof dat eerst al in je grootmoeder woonde en toen in je moeder. En nu woont dat geloof in jou. Van Timoteüs wordt helemaal niet gezegd dat hij zo’n choque­rende ervaring had. Die verscheidenheid is toch wel belangrijk om in het oog te houden, anders wordt er zo gauw iets ‘gemeten’. Heb jij het wel zo en zo beleefd? Als het niet op die manier gegaan is, dan deugt het dus kennelijk niet. God heeft respect voor ieders persoonlijkheid. Je kunt niet de een meten aan de bekeringservaring van de ander. God is geen methodist, Hij werkt niet met een bepaalde methode.

Iemand die van jongsaf aan met God geleefd heeft, die zou dan haast min­der zijn dan iemand die eerst eens flink in de diepte gezeten heeft en er dan uitgehaald is. Iemand die een spectaculaire bekeringsgeschiede­nis kan vertellen, wordt soms eerder naar voren gehaald om zijn getui­ge­­nis te ge­ven, dan iemand bij wie dat heel rustig is verlopen. Ik denk dat God noch de een noch de ander diskwalificeert. De bekering van Paulus verliep heel wat heftiger dan die van Timoteüs. Het is trouwens ook de vraag of je het leven van Paulus vóór zijn bekering zo sterk moet dis­kwa­lificeren, als vaak gedaan wordt. Het enige wat voor zijn beke­ring als je het zo wilt noemen, niet deugde, dat was dat hij de gemeente ver­volgde. Alles wat hij verder gedaan heeft in zijn leven vóór zijn beke­ring, was in overeenstemming met de Torah. Alleen de conse­quenties die hij daaruit getrokken heeft, namelijk dat hij de volgelingen van de Messias ging vervolgen, veroorzaakte een stuk fanatisme, dat van ver­blin­ding tot verblinding leidde. Na zijn bekering kon God zeer zeker aanknopen bij het karakter van Paulus. Hij had heel wat kwaliteiten die God gebruiken kon. Paulus was radicaal voor zijn bekering, maar ook daarna. Zo neemt God de mensen in dienst met een nieuwe richting, bevrijd van wettisisme en fanatisme. Paulus was heel intensief bezig geweest met de Torah. Na zijn bekering kon dat omgebogen worden en weer he­le­maal nieuw en vruchtbaar worden. Het krijgt dan zijn concentratiepunt in de Messias.

Dus de gelovige of het geloof komt tot het verstaan. Want het geloof be­grijpt waaruit wij geroepen zijn. Het geloof doorziet dan ook het verle­den.

Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zon­­­de niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeer­lijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet be­ge­ren. Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei be­geer­lijk­heid op; want zonder wet is de zonde dood”. – Rom.7:7,8.

Vers 7 en 8 laten zien hoe de mens de zonde heeft leren kennen: door het gebod. Zonder de wet is de zonde dood. Dat betekent niet dat er geen zonde is, maar dat betekent dat ze niet werkzaam is. Pas bij het optreden van de wet wordt de zonde actief. Dus je zou kunnen zeggen: de zonde is latent aanwezig, slapend. De begeerte is aanwezig, alleen die wordt wakker gemaakt juist door de con­frontatie met het gebod.

De jeser tov en jeser ra’ah

Begeerte is op zich neutraal, dat kan twee kanten opgaan. Het woord be­geerte heeft bij ons vaak een wat negatieve klank. Je kunt positieve en ne­gatieve ver­langens hebben. De rabbijnen gaan uit van het principe, dat de mens twee soorten neigingen heeft. Het woord ‘neiging’ is in het He­breeuws jeser. Dat woord betekent zoiets als neigen. Letterlijk hangt het samen met het woord vor­men. Je zou van vorming of vormsel kunnen spre­­ken. Alleen dat woord vormsel geeft weer wat verwarrende asso­cia­ties. Maar het betekent datgene wat zich in de mens vormt. Dat kan dus twee richtingen opgaan. Niet dat de rabbijnen nu zeggen: je bestaat uit twee helften, zo dualistisch denken ze niet. Maar wel om aan te geven dat de mens een jeser tov heeft en een jeser ra’ah. Dat zijn de twee soor­ten neigingen die in een mens kunnen opkomen. Alleen, je hebt ze alle­twee nodig. De rabbijnen zeggen bijvoorbeeld: uit die kwade neiging komt ambitie voort, je streeft ergens naar. We denken in dit verband aan ondernemerschap, kunst, cultuur. Een mens pakt iets aan en wil iets be­reiken. Dat omvat in feite heel de beschaving, heel de maatschappij. Dat komt allemaal voort uit die jeser ra’ah. Als de mens alleen maar die jeser tov had, zou hij nooit iets ondernemen. Dan zou de mens bij wijze van spreken als een pudding terneer zitten. De verzen 7 en 8 kunnen niet gezien worden als de uitbeelding van een per­­soon­lijke ervaring, die de enkeling heeft met de zonde. Het individu beleeft immers het komen van de zonde niet bewust. Als je aan iemand vraagt: weet je nu wanneer je een zondaar geworden bent, dan zullen de meesten daar geen antwoord op weten te geven. De meesten kunnen niet zeggen: op dat moment kwam het kwaad in mijn leven. Dat zou volgens de verzen 7 en 8 dan wel het geval moeten zijn, in de zin van: toen begon dat. Maar dat begin is meestal niet aanwijsbaar. Dus Paulus beschrijft daar geen ervaringen. Dat blijkt ook helemaal uit vers 9, waar staat: “De zon­de begon te le­ven, maar ik begon te sterven”.

Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zon­de te le­ven, maar ik begon te sterven”. – Rom.7:9. Wat wil dat ‘eertijds’ nu zeggen, wanneer dan en hoe? Want daar is dan wel de psychologische verklaring, die zegt: dat slaat op de tijd van de kinderlijke on­schuld. In die zin zijn voor het joodse kind de geboden pas op een bepaalde leeftijd verplichtend. Maar het gaat hier niet zozeer om het individu, maar over die Torah als grootheid in de geschiedenis. Als je vers 9 psychologisch zou willen verstaan, dan zou je dus moeten zeg­gen: toen het gebod kwam, leefde de zonde op en ‘het ik’ verstierf, dan wordt het sterven tot een geestelijke dood. Maar Paulus bedoelt het niet psychologisch, maar theologisch. Ik bezat het leven, maar de zonde heeft mij omgebracht en mijn lichaam is tot een lichaam des doods ge­wor­den.

“Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder wet is de zonde dood. Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen ech­ter het gebod kwam, begon de zon­de te leven, maar ik begon te sterven, en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn; want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daar­­van gedood. Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en recht­vaardig en goed”. Rom.7:8-12.

De verzen 8 tot en met 12 beschrijven enerzijds de reactie op het gebod en anderzijds de houding ten opzichte van de zonde. Daaruit volgt het noodlot van het ik, dat zich in de dood bevindt en in de illusie. Het is bedrogen. Dus die mens die wordt bedrogen door de zonde. Er zit een misleiding in het aspect van het proberen, proberen het goede te doen. En hoe meer je dat probeert, des te meer loopt dat streven stuk. De houding ten aanzien van de zonde wordt dus een noodlot van dood en illu­sie, een bedrogen zijn. Dat onderstreept Paulus dan ook, zoals er staat in vers 11: “want de zonde heeft uitgaande (voorwendsel of aanleiding nemende) van (in) het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood”. – Rom.11. Het woord ‘misleid’ is dus een sleutelwoord. Dus de mens wordt ge­dood door middel van het gebod, maar de zonde die veroorzaakt dat. De zonde zegt: je hebt het gebod overtreden, nu ga je er aan. Dus op die manier wordt de mens dan tot het doodvonnis geleid.

We krijgen dus het conflict dat ook in vers 14 naar voren komt. “Wij weten immers, dat de wet (Torah) geestelijk is; ik echter ben vlees, ver­kocht onder de zonde”. – v.14.

Er zit geest in de wet, een roeach, die is doorademd. Ik echter ben vlees, ver­kocht onder de zonde. Vlees in de zin van: het zwakke, be­perk­­te, be­grens­de bestaan. Dat is het menszijn in zijn onbekwaamheid, ‘in zijn ge­han­dicapt zijn’, zou je haast kunnen zeggen. Dat is de mens die eigenlijk niet uit de voeten kan. Ook niet in heel de historische situatie waar­in hij zich bevindt. Maar hierbij moet je dan wel bedenken, dat dit ook weer veel meer dan alleen het individuele is. Het betekent ook dat dit op heel de maatschappij slaat.

De macht van het struc­tu­rele kwaad

Er zijn natuurlijk allerlei ‘soorten’ van kwaad. Je hebt in de eerste plaats het kwaad dat iemand per­soonlijk doet. Het kwaad manifesteert zich ook als macht. Zo is er ook het struc­tu­rele kwaad. Dat is de wereld die in het boze ligt. En dan kan een mens, en ook een maatschappij, gecon­fronteerd worden met Romeinen 7. Denk maar aan een heleboel ontwik­kelingen vandaag de dag, zoals die op het gebied van milieu en vrede tussen volkeren. Maar dat heeft ook alles te maken met Ro­meinen 7. Want de volkeren willen allemaal vrede! En toch: waar­om ge­beurt het dan niet!? Volkerenbond, Verenigde Naties. Dat is ook iets van de pijn van Romeinen 7. Denk bijvoorbeeld aan de atoombewapening, dat is ook iets van Romei­nen 7. Iedereen schijnt het er wel over eens te zijn, dat wapens zoals op Hi­­ro­shima en Nagasaki geworpen zijn, nooit meer gebruikt mogen wor­den. En toch worden ze in massa’s gemaakt. Ze liggen in het Oosten en in het Westen hoog opge­stapeld. Zozeer zijn wij gewend, zei Terscheg­get dan, aan de gelegitimeerde, ‘statelijke’ misdadigheid, de misdadig­heid van een staat. Dat is ook een aspect van Romeinen 7. Een overheid mag wat een individu niet mag.

Een over­heid mag wapens maken. Als ìk wapens ga maken, kom ik in aan­raking met de politie. Als de overheid wapens maakt, dan is dat le­gi­tiem. Wat in het klein níet mag, mag in het groot wél. En iedereen vindt het nor­maal dat bijna iedere overheid wapens heeft. En dan levert die overheid ze ook vaak nog door aan anderen. Dan zijn wij het niet meer, maar dat is ‘ons verkocht zijn onder de zonde’, ons uitgeleverd zijn aan wan­trou­wen en angst. Röwi, hoogleraar in de polymologie, de we­ten­schap van de oor­log, zegt: Hitler is nu wel dood, maar zijn geest is niet dood. Eén van de kwalijkste erfenissen van het nationaal-socialisme is, dat het de vol­keren ontvankelijk maakt voor het beeld van de door en door mis­da­di­ge staat. Door­dat we nu Hitler gehad hebben, zijn we er al een beetje aan gewend, dat een overheid ook misdadig kan zijn. Daar kijkt nie­mand nog van op. Je hebt Hitler gehad, je hebt Stalin gehad, je hebt Khomeiny gehad, Saddam Hoessein, wie volgt. Een overheid heeft meest­al wel de ruimte om misdadig te zijn. Ook dat is een aspect van Romeinen 7. De geest van het structurele kwaad kan vaak onge­merkt doorgaan. Dat zie je op heel wat terreinen zich voltrekken. Het gaat ook vaak om zaken, die maar heel moeilijk terug te draaien zijn.

Als we onder andere kijken naar de economische belangen, de belangen van de wapenhandel, het verlangen naar macht, dan blijkt dat structu­re­le kwaad zijn wortels en vertakkingen in heel de maatschappij te heb­ben. Je kunt toch niet al die chemische fabrieken stopzetten. Je kunt moeilijk alle auto’s stilzetten om de CO2 uitstoot en de klimaat­veran­de­ring tegen te gaan. Dat structurele kwaad is ook in de medische wereld doorgedrongen, denk alleen maar aan de problemen rondom euthanasie en abortus. Vroe­­ger bestonden die problemen vaak niet, je kon sowieso mensen niet zo lang in leven houden. Door de techniek en de wetenschap is dat mo­gelijk geworden. Met apparatuur kun je mensen in leven houden, maar nu zitten we met de vraag: mag je de stekker uit het stopcontact trek­ken? Vroegere generaties hadden die vraag helemaal niet. Die appa­ra­tuur en medicijnen waren niet beschikbaar. De zegen van de techniek stelt ons voor bijna onoplosbare vragen. Je kunt het ook moeilijk terug­draaien; je kunt moeilijk doen alsof die apparatuur er niet is. Het vol­gende probleem is, dat je op een gegeven moment niet genoeg appara­tuur hebt voor het aantal patiënten. Dan krijg je het probleem van de selectie van degenen die voor een eventuele behandeling in aanmerking komen. Om bij dit alles maar van de financiële consequenties te zwijgen. Wat het ethische aspect betreft, speelt Romeinen 7 op vele terreinen een grote rol. We zien hier ook een stuk machteloosheid; de mens kan het goede wel willen, maar kan hij het ook uitwerken?! Kun je het structu­reel uitwerken? Romeinen 7 heeft dus op allerlei terreinen van het leven verregaande consequenties. In hoeverre kun je de klok nog terugdraaien? Vandaar dat motief dat in vers 15 naar voren komt.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410820 bezoekers sinds 07-06-2010