De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 13

17-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Zondigen is tegennatuurlijk

Het woord natuur is natuurlijk ook een heel problematisch woord, als het ge­bruikt wordt voor ‘een zondige natuur’. Het Hebreeuws heeft niet eens een woord voor ‘natuur’. Het is typisch een Grieks woord (physis). Het woord ‘natuur’ is ook nogal statisch, wanneer er bijvoorbeeld ge­zegd wordt: ja, dat is mijn natuur, dat is mijn aard. Dat is de aard van het beestje. Het is merkwaardig dat er ook in de Schrift staat: ‘ze zijn ontaard’. Zonde is een proces van ontaar­ding. Zondigen betekent dus, dat je tegen je aard ingaat. Zonde is in feite tegen­natuurlijk. Als iemand ontaardt, dan was hij dus eerst goed, en later is hij ontspoord. Van een leeuw kun je niet zeggen, dat hij ontaard is, als hij een prooi te grazen neemt. Dat beest in nu eenmaal zo. Misschien niet als je teruggaat naar Genesis 1, maar dat is een ander verhaal. Daarover is ook een hele dis­cussie geweest tussen C.S.Lewis en Everley Underhill. C.S.Lewis had zo’n moeite met roofdieren; toen zei Everley Underhill: ja, maar roof­dieren moeten er ook wezen, want God is af en toe ook wel eens wild en onstuimig (‘in God is also a touch of wildness’).

Wij weten dat onze oude mens medegekruisigd is

dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; – Rom.6:6.

‘Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen’. – SV.

Dit weten wij immers, dat die oude mens, dat is de verouderde mens, me­de is gekruisigd. Die uitdrukking ‘de oude mens’ is dus een collec­tief. Die oude mens wordt dus geëlimineerd. Dat moet je je ook heel con­­creet voorstellen.

Letterlijk staat er: ‘dat onze oude mens medegekruisigd werd’.

Er staat in het Grieks een aroriste-vorm. Als er in het Grieks een aroriste staat – dat is dus een bepaalde werkwoordsvorm – wordt daarmee een eenmalige hande­ling aangeduid. Het gaat dan om een handeling op een be­paald moment in de tijd. Het is een momentopname. Dat betekent dat je niet voortdurend die oude mens hoeft te kruisigen, anders zou je gaan proberen om dat steeds weer te herhalen. Het is dus eigenlijk iets onher­haalbaars. Op het moment dat de Messi­as gekruisigd werd, werd ook die oude mens gekruisigd. Dat wil zeggen dat die oude bestaans­wijze afgedaan had. Dat oude menszijn, die manier van leven, was toen ach­ter­haald. Dat heeft dan zijn zin verloren; je kunt niet meer door­gaan op dat oude spoor. Dan is het alsof je iets wilt betalen met geld, dat niet meer in omloop is. Dat oude geld wordt niet meer aangenomen. Met die oude mens kun je ook geen zaken meer doen. Die oude bestaanswijze functioneert niet meer. Het kruis van de Messias is symbool van zijn toewijding tot het uiterste. Het is het symbool van het broederzijn tot het einde. Het kruis is het sym­­bool van zijn bestaan voor de ander. Jezus had het kruis wel kunnen ontlopen, als Hij alleen voor zichzelf had geleefd. Maar dan was Hij wel een eenling geworden, dan had Hij niemand mee kunnen nemen naar God. Dan was Hij solitair geworden. Maar Hij wilde niet solitair zijn, maar Hij wilde solidair zijn. Dat kostte Hem het kruis, dat kostte Hem zijn leven. Waar die nieuwe manier van leven zijn intrede doet, daar wordt die oude bestaanswijze ontkracht en ontmaskerd. Die oude mens kan nog wel denken dat hij heel wat is, hierbij in aanmerking genomen dat die oude mens een collectief is. Dat oude menszijn heeft daarmee zijn tijd gehad. Dat oude beginsel is over zijn tijd heen. opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; – Rom.6:6b. Het woord lichaam duidt in de bijbel altijd een heel concreet gegeven aan. Hierbij moet je niet denken aan een romp met ledematen, maar aan het hele menselijke bestaan. Het lichaam als body is trouwens nu niet met­een het terrein van het kwaad. Het lichaam is de manier waarop iets zich manifesteert. Iets moet een lichaam hebben om gestalte te krijgen. Daarom wordt er ook ge­sproken over het lichaam van Christus. Een li­chaam is iets wat manifest wordt, een gestalte. Het woord lichaam staat ook in een tekst in Kolossenzen, alleen heeft men het daar weer heel an­ders vertaald. “dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de wer­kelijk­heid van Christus is”. – Kol.2:17.

De SV heeft het juister vertaald, daar wordt ook het woord lichaam ge­bruikt. Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Chris­tus. In deze tekst staat dan schaduw tegenover lichaam. Het lichaam is dus ook hier weer de gestalte, wat door het NBG vertaald is met ‘de werkelijkheid’. Dus de werkelijkheid, de gestalte is van de Mes­­sias.

Dit is mijn lichaam voor u

Als Jezus bij het avondmaal zegt: dit is mijn lichaam, betekent dat: dit is mijn existentie, mijn hele bestaan. Dat brood is dus teken van heel het bestaan van Jezus, dat zichzelf geeft, dat zich uitgiet in de dood. Dus dat brood is symbool, maar dan symbool in de diepere zin van het woord; symbool van de manier waarop Jezus zichzelf tot in het uiterste voor de men­sen heeft ge­geven. Wij moeten ook weer leren denken in symbolen. Het woord symbool betekent letterlijk: datgene wat samenvalt met…. .Dit is mijn lichaam voor u; dit is mijn hele bestaan. Als iemand zijn li­chaam geeft, dan geeft hij zijn hele existentie, zijn hele wezen, zijn hele bestaan. Dat is de totale beschikbaarheid. Het Hebreeuws heeft eigenlijk geen woord voor lichaam. Wat daarvoor bijvoorbeeld wel gebruikt wordt, is de uitdrukking: been en vlees. Dat is ook een omschrijving van je hele bestaan, van alles wat je bent. De uit­drukking vlees en bloed betekent weer heel iets anders.  Het lichaam der zonde is dus het bestaan, waarin de zonde gestalte krijgt. En dat bestaan wordt nu ontkracht. Je zou ook kunnen zeggen: dat wordt buiten werking gezet. …en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; – Rom.6:6b.

De mens wordt dus opgeheven uit de slavernij. Het wordt dus eigenlijk een uittocht uit de slavernij.  …want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. – Rom.6:7. Letterlijk: ‘is gerechtvaardigd van de zonde’. Je bent ontheven aan de zonde. Er is ontheffing verleend. Je bent eervol ontsla­gen uit de dienst van het kwaad. Als Jezus gestorven is, dan heeft Hij zichzelf gegeven tot het einde. De Romeinen zeiden dan: …mortum si bone….. over de doden niets dan goed. Maar dat gaat dan wel even dieper. Dit betekent niet: als iemand gestorven is, moet je geen kwaad meer van hem spreken, maar dat houdt dan toch veel meer in: wie zichzelf gegeven heeft tot het uiterste, tot het einde, die heeft dan ook heel de Torah vervuld. Dus als Jezus zich gegeven heeft tot in de nederdaling ter helle, dan kan de boze ook niets meer over Hem aanklagen. Dan is de boze uitgepraat, tegen zo­veel toewijding kan hij niet op. Daar heeft hij niet van terug. Dat gaat te ver, zoals ook staat in een lied van Huub Oosterhuis: Gij zijt te ver gegaan. De kracht van Jezus is inderdaad dat Hij te ver is gegaan. De populaire wijs­­­heid zegt: alles met mate, je kunt de dingen ook overdrijven. Maar Jezus deed het niet met mate; Hij ging te ver! Dat doet God ook. Als Jezus dan gaat tot het uiterste, heeft de zonde, heeft de aanklager niets meer over Hem te vertellen. Daar moet alle aanklacht zwijgen. Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, – Rom.6:8. Hij is de bondgenoot (lotgenoot) geworden tot het einde en zo mogen wij dan lotgenoten en bondgenoten worden van Hem. Hij heeft onze dood doorge­maakt, opdat wij zijn manier van leven kunnen doormaken en meemaken.

Een vuur zal voortdurend brandende gehouden worden

daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. – Rom.6:9. Dat leven is onverwoestbaar, omdat het leven is met kwaliteit. Dat Mes­siaanse leven laat zich eenvoudig niet meer knevelen. Dat kunnen ze dan nog wel op velerlei manieren trachten uit te roeien, maar dat leven zal nooit een einde nemen. Ze kunnen dat Messiaanse leven wel van de aardbodem trach­ten weg te vagen, maar het is niet meer kapot te krij­gen. Want deze manier van leven wint het. Dat is het vuur dat niet meer gedoofd kan worden. Zoals het vuur op het altaar, dat altijd dag en nacht moest blijven branden. Het vuur van de toe­wijding van de Mes­sias, dat vuur is niet te doven. Een vuur zal voortdurend brandende gehouden worden op het altaar, het mag niet uit­gaan. – Lev.6:13. Die fakkel blijft eeuwig branden in de nacht. daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. – Rom.6:9.

De solidariteit met de broeders is onvernietigbaar.

Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God. – Rom.6:10.

Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. – SV.

Je kunt dit ook vertalen: ‘Wat Hij gestorven is, is Hij aan de zonde eens voor altijd ontstorven’. Je kunt ergens aan ‘ontsterven’, zoals je ook ergens aan onttrokken kunt wor­den. Jezus is onttrokken (ontheven) aan de zonde. De zonde heeft geen moge­lijk­heid om nog iets uit te richten. In de zinsnede ‘eens voor altijd’ hoor je het definitieve, het onherhaal­ba­re. Jezus, de mens waarop het hele domein van het kwaad geen vat meer heeft. Jezus, het begin van het nieuwe Rijk. De kerkvader Origines zei: Jezus ìs het Koninkrijk. Hij is het Koninkrijk zelf. Sommigen noemen Origines geen kerkva­der, maar een kerkoom. Men zegt: vader is hij niet helemaal. Maar in ieder ge­val heeft hij dus die uitdrukking gebruikt: ‘Jezus is het Koninkrijk zelf’. Hij is dat rijk van God in persoon. Dus waar Hij dan die weg gaat, die Messiaanse weg, is daar een mens aan wie de zonde niets meer heeft. Heel dat zon­dedomein, dat domein van het kwaad, kan met Hem niets beginnen.

Dood voor de zonde maar le­vend voor God

Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar le­vend voor God in Christus Jezus. – Rom.6:11.

Dood voor de zonde. Deze uitdrukking heeft veel overeenkomsten met wat er in vers 10 werd gezegd: ‘is Hij aan de zonde eens voor altijd ont­stor­ven’. Het loopt dus ongeveer parallel. We zullen straks zien, hoe vers 11 daar­in past. Als we de lijn doortrekken, dan staat er in vers 10b: ‘Wat zijn leven betreft (letterlijk), maar wat Hij leeft, leeft Hij voor God’.  Dus zijn hele bestaan is pro existent, is voor God beschikbaar. Dan komt dus in vers 11 de conclusie: ‘zo ook gij’. Letterlijk vertaald: ‘Zo ook gij houdt het ervoor (of: neem het in je berekening op) dat gij dood zijt voor de zonde’.

Hier staat letterlijk het woord ‘doden’ (als zelfstandig naamwoord). Dus: ‘gij zijt doden’ (dode mensen). Dus: ‘Neem het in uw berekening op, dat gij dode mensen zijt (doden zijt) voor de zonde’. Mensen, die tot een ander Rijk behoren, tot een ander gebied. In vers 3 zagen we dat dus ook. Je bent gedoopt in zijn dood. Ja, onder­ge­­dompeld in dat doodsbestaan van de Messias. De Messias, die dood­ging aan zijn toewijding, die toegewijd was ten dode toe. Zelfs toen het Hem zijn leven kostte. Maar, zegt vers 11 dan…….. Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus. – Rom.6:11. In Hem zijn we dus levend geworden, zoals Hij. Daarom ook de conclusie: Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zo­dat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen, – Rom.6:12.

 In uw sterfelijk lichaam’. Dus in dat sterfelijk bestaan. Je zit nog in dat ster­felijk bestaan, in dat bestaan dat nog op allerlei manieren wordt be­dreigd en aangetast. In de uitdrukking sterfelijk bestaan zit ook heel sterk het begrip van tijdelijkheid. Dat sterfelijk bestaan is ook een kwetsbaar bestaan. Omdat een mens ster­felijk is, is zijn hele leven beperkt, aange­vochten. En om dan toch hier in dit stervend bestaan mens te zijn! ‘Hier in dit stervend bestaan wordt Hij voor ons geloofwaardig’.

Niet in het graf van voorbij

niet in een tempel van dromen

hier in ons midden is Hij

hier in de schaduw der Hoop.

Hier in dit stervend bestaan

wordt Hij voor ons geloofwaardig

worden wij mensen van God,

liefde op leven en dood. (Huub Oosterhuis – Liedb.325)

Mensen, die dood zijn geweest, maar thans le­ven

en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zon­de, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans le­ven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God.Rom.6:13.

‘Stelt uw leden’; dat is ook weer een typisch Hebreeuwse manier van zeg­gen, want het woord leden wordt gebruikt, juist ook omdat het He­breeuws geen woord voor lichaam heeft. Daarom worden vaak de af­zon­derlijke leden genoemd: oog, mond, hart, enzovoort. Dat zijn alle­maal concrete manieren, waardoor je bestaan gestalte wordt gegeven. Ook van God wordt gezegd, dat Hij een hand heeft, een oog, een oor, en­zovoort. Dat zijn ook manieren om tot uitdrukking te brengen dat God concreet han­delt en actief is. Hij oefent al die werkzaamheden uit. Dus je leden ver­te­genwoordigen al die concrete uitingen van je leven. Je leden zijn de expressiemogelijkheden van je lichaam en leven. Je leden zijn nu niet langer wapenen der ongerechtigheid, maar wapenen der ge­rechtigheid. Wapenen om de Torah toe te passen. Om te wandelen in de wegen van de Messias, als mensen uit de doden levend. Dood geweest en thans levend.

Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. – Rom.6:14.

Gij zijt niet onder de wet

Dat betekent: niet onder de wettische manier van leven. Hier heeft het woord wet dus een andere betekenis dan Torah. Je kunt hier natuurlijk niet zeggen: ‘Gij zijt niet onder de Torah’. Door die twee verschillende be­te­kenissen van het woord wet, wordt deze tekst nog wel eens misbruikt. ‘Je bent niet meer onder de wet’ zegt men dan, dus doe dat oude testa­ment maar dicht. Want dat oude testa­ment heeft zijn tijd gehad. Bedoeld is dus, dat je niet meer onder die wettische manier van leven bent. Het gaat hier dus om twee principes. Het gaat hier over het wettische als aan­klacht. Dat wettische principe waardoor je voortdurend wordt aan­ge­klaagd, je hebt het niet goed gedaan, je hebt niet genoeg gepres­teerd. Dan gaat het over heel dat principe van beoordeling en prestatie. Je moet er wat voor doen, je moet het waar maken. Dat is het principe van prestatie­dwang, dat hier geëlimineerd wordt. Wij zijn niet meer onder de wettische manier van leven, maar je bent nu onder de genade. Dat is het heilzaam bewind van de Messias. Jezus kwam niet om aan te klagen, maar om mensen weer op hun voeten te zetten. Dat is het oordeel dat vrijspreekt. Komt tot het oordeel, dat bevrijdt.

W. G. Overbosch zegt dat zo mooi: de achtergrond van het oordeel is in de Schriften altijd het aangevochten bestaan van de kleine zielen, die niet tot hun recht zouden komen, als ze aan hun lot zouden worden over­gelaten en aan de geweldenarij bleven uitgeleverd. Gods vijanden vergaan; iets troostrij­kers kan nauwelijks gezegd worden. Het leven, zo­als wij er deel aan hebben, wordt niet bepaald door de wijsheid van de cirkelgang, of het streven naar een evenwicht, wij belijden niet het even­wicht, maar het overwicht van zijn goed­gun­stigheid en gerechtigheid.

Niet het recht van de sterkste, dat is het wettische principe. Bij het wet­tische prin­cipe wordt je gemeten en gewogen en wordt gekeken of je wel voldoende ge­daan hebt. Maar dan zegt God: Ik ben er juist voor de mensen die niet zoveel presteren, die niet geslaagd zijn. God is er voor de kleine zielen. En dan is het niet een kwestie van keurig evenwicht, maar dan komt Romeinen 6 met het overwicht van zijn genade. ‘Toch overwint eens de genade, en maakt een einde aan het kwaad’. Dat is het oordeel; het oordeel is dat God het kwaad de wacht aanzegt. Het oor­deel is in de bijbel nooit neutraal. Niet het onpartijdige oordeel, dat vaak als ideaal wordt gezien. God is niet onpartijdig, God is par­tijdig, Hij kiest partij voor de kleine mensen. Hij kiest partij tegen het kwaad en tegen de tirannie. God zingt nog altijd uit overtuiging het Wilhelmus: de tirannie verdrij­ven, die mij mijn hart doorwondt. God gaat de tiran­nie verdrijven; het Wilhelmus wordt, denk ik, daarboven ook gezongen. Dat was ook het lijf­lied van Jezus: dat Ik toch vroom mag blijven, uw dienaar ‘t allen stond. Grote gedeelten van het Wilhelmus bestaan uit stukken van de psal­men. Het hangt van psalmverzen aan elkaar. Het Wil­helmus is tege­lijkertijd in het Nederlands gemaakt en in het Jiddisch. Willem van Oran­­je had ook twee bondgenoten, de Calvinisten en de Jo­den. Wel een merkwaardige combinatie, maar dat is een ander punt. In het Wilhel­mus gaat het namelijk om de vrijheid van godsdienst en zo­wel calvinis­ten als joden wilden niet onder dat Spaanse juk leven. Die kleine zielen gaan verstaan dat het oordeel niet betekent, dat alles keu­rig in evenwicht is. God is niet zozeer een keurige God, maar een God die er dwars doorheen banjert als het nodig is. God wil dat de on­derste steen boven komt. Dat kwaad moet eruit, dat moet uitgezwaveld wor­den. God is dus heel partijdig; in het oordeel neemt Hij het op voor dat­gene wat zichzelf niet in leven kan houden. W.G. Overbosch zet bo­ven dat artikel: ‘Een leven als een oordeel’. Want dan ga je echt leven; onder het oordeel van God gaat de mens echt leven, dan komt hij einde­lijk in zijn naam tot leven. W.G. Overbosch zegt dan: dit is een onge­hoor­de zegen, dat wij een leven als een oordeel leiden, want van meet af aan maakt de bijbel ons duidelijk, dat alles maar niet op hetzelfde neer­komt. Want Hij, de Here God, maakt scheiding tussen de duisternis en het licht. Tussen het woedende water en het bewoonbare land. En dat doet Hij met het oog op zijn mensenkinderen in de verdrukking, die an­ders nergens heen zouden kunnen. We moeten dus in gedachten houden, dat het in Romeinen 6 gaat om het partijdig oordeel van God, God die partij kiest voor de mensen. Je­zus is de partijganger van de armen, van de kleinen en de vertrapten. Daarom, gij zijt niet meer onder die wettische manier van leven, waarbij je altijd tussen hoop en vrees leeft, waarbij je altijd in die angst leeft dat het niet goed is, maar dan zijt gij onder de genade.

Slaven der zonde en nu van harte gehoorzaam geworden

Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet (het wettische principe), maar onder de genade zijn? Volstrekt niet! – Rom.6:15. 

Hier gaat Paulus in op argumenten van tegenstanders. Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoor­zaam­heid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? – Rom.6:16.

‘Weet gij niet’. Paulus doet weer een beroep op wat de hoorders ge­acht wor­den te weten. Als je kiest voor een bepaalde meester, dan zit je daar om zo te zeggen aan vast. Het is de keuze voor de zonde tot de dood of voor de ge­hoorzaamheid tot gerechtigheid. Dus zonde heeft als uitwer­king de dood en de gehoorzaamheid (gehoor geven) heeft als uit­wer­king gerechtigheid (tseda­qah). Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte ge­hoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is. Rom.6:17.

Jullie zijn dus gehoorzaam geworden aan die traditie van onderricht. Leve de traditie! Aan dat type van lering dat u getradeerd is. Een mens leeft nu eenmaal van wat hem wordt overgeleverd. Hier gaat het dus ook om de verantwoorde­lijkheid. Het verantwoordelijk zijn, het ant­woord geven op het spreken van God. Wat heeft de mens daarmee gedaan, gaat hij daarop in, geeft hij antwoord? God heeft al die volkeren voor de keus gesteld, maar hoe hebben ze er op gereageerd?

 De rabbijnen geven hiervan een paar voorbeelden.

Ik heb tot Edom gezegd: gij zult niet doden en hij heeft geantwoord: als Gij dan niet wilt dat ik dood, neem dan eerst dat zwaard terug, waar­door mijn leven in geweld wordt voltrokken.

Ik heb tot Ismaël gezegd: gij zult niet roven en hij heeft Mij geantwoord: als Gij niet wilt dat ik roof, neem dan eerst dat instinct weg, waardoor mijn bestaan zich voltrekt in jaloezie.

Ik heb tot de Soemeriërs gezegd: gij zult geen valse goden aanbidden en Soemer heeft Mij geantwoord: als Gij niet wilt dat ik valse goden aan­bid, neem dan eerst die redenering weg, waardoor mijn denken vervuld wordt met allerlei idolen.

En ze hebben Mij de rug toegekeerd en hun schouders opgehaald en ze hebben gezwegen. Als Gij wilt dat wij antwoord geven op uw woord, als Gij wilt dat wij verantwoordelijk zijn, neem dan eerst dat geweten weg, waardoor wij altijd weer een alibi zoeken. En dan zegt God: Ik ben de Here, uw God en Ik vraag uw toewijding. De mens kan allerlei verontschuldigingen zoeken, maar dan komt dus dat punt dat hij van harte gehoor heeft gegeven, zonder allerlei excuses. Dan zegt God: neem dan dat zwaard en vorm het om, transformeer het tot een ploegschaar. Grijp dan dat instinct en geef er richting aan, zodat het helder wordt. Neem dan die redenering en buig die naar de waar­heid en naar de waarachtige verdraagzaamheid. Spreek dan tot uw ge­weten en zeg het in die dialoog om uw opdracht te verstaan, want dat is mijn Torah, Ik ben de Here, uw God en Ik geef u mijn verbond. Wat ga je doen met dat instinct, met je rede, met je verstand? Vroeger werd er wel eens gezegd: je moet je verstand inleveren, maar dat is wel een heel riskante zaak. Dan moet je als het ware ophouden met denken. ‘Je moet niet denken, er wordt voor je gedacht’. Zoals iemand eens zei: als er in de bijbel had gestaan: Jona slokte de vis op, dan had ik het ook geloofd. In alle systemen, van oost tot west, zie je ook dat principe: niet denken, want er wordt voor u gedacht. Het 11e gebod is: gij zult niet denken! Het principe van alle systemen is, dat de mens onmondig wordt gemaakt. In de bijbel zien we het tegengestelde principe. God wil dat de mens weer leert denken, dat ook zijn verstand en verlangens worden bevrijd. Anders zou je immers ophouden mens te zijn; een geestelijk afgeknepen mens. Een mens die leeft in de sfeer van een soort kadaverdiscipline.

Geloof is een stap in het licht

Maar God wil, dat de mens van harte gehoorzaamt. Het hart is dus het centrum van waaruit je leeft. Geen blindelings gehoorzamen, maar van­uit je hart, van harte. Men zegt weleens: geloof is een sprong in het duis­ter, maar je kunt beter zeggen: geloof is een stap in het licht. Uw woord is een lamp voor mijn voet om het duister op te klaren. Dat be­tekent dat de mens met heel zijn denken, met al zijn gevoelens en ver­langens in dienst van God komt. Met al uw leden; al die leden worden wapenen van de tsedaqah. De dienst van God is niet een me­chanisch gebeuren, waarbij de mens een voorwerp wordt. Je wordt medewer­ker, partner en bondgenoot. De band met God is niet een ik-het relatie, maar een ik-gij relatie. Bij God ben je niet een stuk huisraad, een stuk meubi­lair, maar bij God word je medewerker, mededenker.

De mens mag met God meedenken, dat is ook de oorspronkelijke be­tekenis van het begrip geweten. Je geweten is je mede-weten (sun …..). Dat is het mede-weten met de God der hoop. Het hart is ook het be­wustzijn, je bewuste persoonlijkheid. Het hart is het roer van het schip. ‘Aan het roer die avond stond het hart’ zegt Gerrit Achterberg. Het hart hanteert en bepaalt de koers. Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte ge­hoor­zaam geworden aan die vorm (dat type, dat model) van onderricht (Torah), die u overgeleverd is. – Rom.6:17. Voor het woord gehoorzamen staat er in het Hebreeuws sjama, dat ge­hoor ge­ven of horen betekent; vergelijk ‘hoor Israël’. Het Hebreeuws heeft niet eens een apart woord voor gehoorzamen. Daar gebruiken ze ge­woon het woord horen voor. In deze tekst staat dus het Griekse woord huma­kuo, dat een dubbele nuance heeft. Aan de ene kant betekent het gehoor geven en aan de andere kant ook gehoorzaam zijn. In onze taal ligt het ook heel dicht bij elkaar. Je kunt horen, gehoor geven en als je dan een beetje doorslaat kun je onderhorig worden. Zo had je in de middel­eeu­wen hori­gen en lijfeigenen, die in feite een soort slaven­bestaan leid­den. Het kardinale punt in dit opzicht is, in hoeverre die gehoor­zaam­heid vrij­­willig is. Ten aanzien van de gehoorzaamheid aan het kwaad is het be­­gin wel min of meer vrijwillig, alleen de rest niet meer. Als je in dienst bent van het kwaad, is de vrijwil­lig­heid weg. Je zit dan bij wijze van spre­­ken in het schuitje en je moet meevaren. Als je je eenmaal ver­bon­den hebt aan de tegen­stander, dan wordt je vrijheid gaandeweg steeds verder ingeperkt. Dan zit je dus aan de ketting. Als je aan God ge­hoor geeft, en in zijn dienst wilt staan, dan is dat vrijwillig. En dan doet zich de vraag voor: wat is vrijwillig?

Jezus ging vrij­wil­lig, omdat Hij niet anders kon

Een groep joodse kinderen werd in de Tweede Wereldoorlog wegge­voerd naar het concentratiekamp. Grootvader ging ook mee. Een van die kinderen zegt: Grootvader, waarom ben jij hier? Jij hoefde toch niet mee? Nee, zegt Opa, ik hoefde niet, maar ik ben vrijwillig meegegaan. En dan zegt dat kind: Opa, wat betekent dat, vrijwillig? Dat betekent, zegt Opa, dat je niet hoeft, maar dat je toch gaat. Ja maar, zegt dat kind, u kon ons toch niet alleen laten! Nee, zegt Opa, juist daarom, omdat ik jullie niet alleen wilde laten, daarom ben ik vrijwil­lig gegaan. Kon Opa ook anders? Nee! En juist omdat hij niet anders kon, ging hij vrijwillig mee. Dat heeft Jezus ook gedaan. Hij is vrijwillig gegaan. En Hij ging vrij­wil­lig, omdat Hij niet anders kon. Hij kon zijn mensen toch niet alleen la­ten! Dat is nu met recht gehoor geven. Daarom staat er dan ook in Filip­penzen 2: En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is ge­hoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. – Filipp.2:8.

Je kunt ook vertalen: ‘Hij heeft gehoor gegeven tot de dood’. Want bij Jezus was het geen dwang. Hij zegt ook: niemand ontneemt Mij het leven, maar Ik leg het Zelf af. Kon Hij dan anders? Nee, Hij kon zijn mensen toch niet in de steek laten! Daarom ging Hij vrijwillig. Vrijwillig, omdat je niet anders kunt. Dat is dan de wet van de liefde. Dat is dat gehoor geven aan die stem die je roept. Je gaat vrijwillig, omdat je niet anders kunt. Althans, zo was het voor de Messias. Daar zitten dus die twee kanten aan, gehoorzamen en gehoor geven. Wat de negatieve kant betreft, zit je er dan onder en word je onderhorig. Wat de positieve kant betreft, word je één en al oor. Dan komt die oor­spronkelijke betekenis van horen weer terug. Hoor Israël…. Dan krijg je dus het punt dat het volk niet anders kon dan antwoord geven en in­gaan op het ver­bond. Het model van onderricht, zoals er in vers 17 staat, is in feite de Messias zelf, Hij is dat model. Hij is het model van de Torah, want in zijn leven zal dat hele model zich ontwikkelen. Je zou haast zeggen: het prototype van onderwij­zing. Hij is die hele manier van leven ten voeten uit. In zijn gang, in die Messi­aanse gang, zie je dat hele model exemplarisch uitge­beeld.

In dienst gekomen van de gerechtigheid

en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid (waar­achtigheid) Rom.6:18. Dat is dat nieuwe principe, waarin jij en de ander tot zijn recht komen. Want dat is nu juist gerechtigheid, dat mensen eindelijk tot hun recht ko­men, om dan te worden wat ze naar hun oorsprong zijn. Je krijgt de indruk dat Paulus hier een beetje gaat werken, je zou haast zeggen een beetje gaat spelen, met dat begrip ‘in dienst komen’. Dat woord speelde er aldoor al doorheen. Het grondwoord in dit verband is het woord doulos, dat is het basisbegrip. Het werkwoord douloal is daar­­van afgeleid. Dat woord doulos kun je vertalen met slaaf of knecht. In het Hebreeuws kent men ook het woord ebed, wat vooral in Je­saja 42 naar vo­ren komt. Dat woord ebed of doulos wordt hier dan steeds weer ge­han­teerd, zoals dat ook al naar voren komt in vers 16. Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoor­zaam­­heid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? – Rom.6:16. We zien het ook weer terug in vers 17: Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte ge­hoor­zaam geworden aan die vorm (dat type, dat model) van onderricht (Torah), die u overgeleverd is; – Rom.6:17. Opnieuw komt dat begrip terug in vers 18: en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtig­heid (waar­achtigheid)Rom.6:18.

Steeds dus weer datzelfde motiefwoord. Daarbij zitten dus in het woord doulos oftewel het Hebreeuwse ebed, verschillende nuances. Aan de ene kant kan het dus heel concreet betekenen: je bent slaaf, zoals bij ‘slaaf van de zonde’. Maar het kan ook gebruikt worden in positieve zin, ‘je bent knecht geworden van de gerechtigheid’. Dan is er dus een heel an­dere kleur in dat woord gekomen. Het is opmerkelijk dat dat woord ebed en abad in het Hebreeuws nooit met Gód als subject wordt gebruikt. God maakt geen slaven. De mens kan wel zichzelf stellen als dienstknecht, maar God maakt hem niet tot een slaaf. Dat is dus ook weer vrijwillig. Want van Adam, de eerste mens, wordt ook gezegd: hij zal de hof dienen. Het NBG vertaalt dan be­werken, maar er staat letterlijk die­nen. Adam was dus een dienaar, hij was ook een ebed. Menszijn is dus van meet af aan dienen, maar dan wel vrijwillig. In een artikel werd gezegd: die eerste mens was dus in feite knecht zonder baas. Hij was een knecht, maar hij had geen baas, want hij was vrijwillig knecht. Hij had niet iemand, die als een stok achter de deur fungeerde.

In die zin moet je dus ook verstaan wat er in vers 18 staat: en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerech­tig­heid (waar­achtigheid) Rom.6:18. Je zou haast letterlijk kunnen vertalen: gij zijt slaaf (ebed) geworden van de ge­rechtigheid, met de restrictie, dat daar dat vrijwillige element in zit. Jezus zegt: Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt. – Joh.15:15.

Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet’. – SV.

Hier staat ook het woord doulos. In dit vers wordt de negatieve kant be­licht. Hier gaat het dan om die vorm van slavernij, waarin je geen be­schik­king meer hebt over wat je bent. Dan heb je niets meer in te bren­gen. Dan wordt ook je waarde en je waardigheid aangetast. Dan word je inderdaad alleen maar object. Dan heb je alleen maar bevelen op te vol­gen.

Een bevel of een gebod

Er is een groot verschil tussen een bevel en een gebod. Een bevel is zon­der meer een commando. Dan is het niet aan te bevelen om te den­ken, want dan wórdt er voor je gedacht. In extreme vorm zie je dat bij het na­tionaal-socialisme. Befehl ist Befehl; niemand is dan ook nog aan­spra­kelijk. Iedereen had iemand boven zich die hij verant­woordelijk acht­­te voor zijn gedrag. Een gebod is echter iets heel anders; een gebod zet de mens ook aan tot denken. Een gebod zet de mens in verantwoordelijkheid. Dan moet de mens antwoord geven. Hij moet dan met dat gebod iets doen. Een bevel maakt een mens onvrij, maar een gebod maakt de mens juist vrij. Als je een bevel krijgt, heb je geen speelruimte meer, maar als je een gebod krijgt wel. Dat gebod is ten leven, wat zo mooi staat in Deuteronomium 30. Want dit gebod, dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg. Het is niet in de hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal op­stijgen ten hemel, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het vo­l­brengen? En het is niet aan de overkant der zee, zodat gij zoudt moeten zeg­gen: Wie zal oversteken naar de overkant der zee, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen? Maar dit woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart om het te volbrengen. – Deut.30:11-14.

Het woord dat u ten leven riep

is niet te hoog, is niet te diep

voor mensen die ’t zo graag beamen.

Het is een teken in uw hand,

een licht dat in uw ogen brandt.

Het roept u dag aan dag bij name.  (liedb.7-Jan Wit)

Op die manier wordt de mens niet tot een slaaf, maar tot een dienst­knecht. Dat maakt Jezus dan ook duidelijk in Johannes 15: we zitten niet in de sfeer van slavernij, maar in de sfeer van bondgenoten en partner­schap. In Romeinen 8 komt dat motief ook weer terug. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. – Rom.8:15. Heil­zaam overleg tussen vrienden. Ik heb u vrienden genoemd, vrienden die mee mogen spreken en mee mogen denken. Vrienden worden betrokken in dat heilzame overleg. Ja, hij zal de tempel des HEREN bouwen en hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon; en hij zal priester zijn op zijn troon; heil­zaam overleg zal er tussen hen beiden zijn. – Zach.6:13.

Vrienden hebben hun inbreng in dat heilzame overleg. De mens heeft God nodig, maar God heeft ook de mens nodig. Dat hebben de rabbij­nen ook heel duidelijk onderstreept: God heeft de mens nodig als part­ner, om samen met die mens zijn plan uit te voeren.

Ik zeg dit van menselijk standpunt om de zwakheid van uw vlees. Want gelijk gij uw leden gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloos­heid (onwettigheid, dus wat zonder Torah is), zo stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging. – Rom.6:19.

‘Want gelijk gij uw leden gesteld hebt ten dienste van’.

Uw leden gesteld hebt als knechten (doula; abadim). In het boek Exodus is dat ook een van de hoofdthema’s. In heel het boek Exodus gaat het om vrij te komen van de dienst (abodah) aan Egypte en te komen in de dienst (abodah) van God. Hier zien we weer dat dat woord knechten (abadim) weer een dubbele betekenis heeft. In Egypte waren die knechten inderdaad sla­ven; maar als je dan bij God komt, krijg je een heel andere situatie. Dan is dat niet een nieuwe vorm van sla­vernij, maar je krijgt een totaal andere kwaliteit van dienen. Uitein­delijk heb je eigenlijk ook niet zoveel aan slaven. Egypte maakt mensen tot slaven, maar slaven werken tegen hun zin. Slaven hebben ook geen hart voor de zaak. Die werken alleen maar, omdat anders de zweep er­over gaat. En dat is dan werken totdat je er bij neervalt. Slavernij werkt zichzelf in wezen dood. De slavendrijvers bewerken de dood op lange termijn, en soms ook op korte termijn.

Een staat waarin slavernij heerst, graaft in feite zijn eigen graf. Die sla­vendrijvers eisen zoveel van hun sla­ven, dat ze het op de duur ook niet meer volhouden. Goedkope ar­beids­krachten, alleen die kracht wordt met de dag minder. Tirannie is een aflopende zaak. Een tiran is in we­zen bezig om de tak door te zagen, waar hij zelf op zit. Als een tiran ver­standig zou zijn, zou hij goed zijn voor zijn mensen, dan gaan ze veel lan­ger mee. Tirannie is in wezen een gebrek aan inzicht. Hoe harder je ti­ranniseert, hoe sneller je onderdanen het loodje leggen. Hoe groter dan ook de kans dat zij in opstand komen. Tirannie draagt dus in wezen het zaad van de ondergang in zich. Zoals ook een spreekwoord zegt: stren­ge heren regeren niet lang. Het kwaad bewerkt dus zijn eigen onder­gang. Het kwaad veroorzaakt in wezen op de duur dat het geen onder­danen meer heeft.

Want toen gij slaven waart der zonde, waart gij vrij van de gerechtigheid. Rom.6:20.

Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zo waart gij vrij van de gerech­tigheid’. – SV.

‘Vrij van de gerechtigheid’.

Je had geen gerechtigheid.

Het kan ook betekenen: vrij ten opzichte van de gerechtigheid; je had er geen band mee. Die gerechtigheid was voor jou toen een heel onbekend terrein.

Het ein­de daarvan is de dood

Wat voor vrucht hadt gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt; immers, het ein­de daarvan is de dood. – Rom.6:21. De situatie van zonde loopt letterlijk en geestelijk ten dode. Zonde brengt de mens in een isolement. Zonde breekt verbanden. Door de zonde wordt de mens steeds meer op zichzelf teruggeworpen; op de duur wordt hij een eiland. Ieder mens een eiland. Dat is ook de tragiek van een mens, als hij op een eiland leeft. Dan leeft hij afgesloten en in een­zaamheid. ‘Dood’ is in de bijbel een veel breder begrip dan wat wij er meestal onder verstaan. Tegen Adam en Eva werd ge­zegd: ten dage dat gij daarvan eet, zult gij sterven. Toch werd Adam 930 jaar. Maar toch: op de dag dat hij eet, gaat er iets in hem dood. Ook al kan hij dan zijn fysieke bestaan nog wel een hele poos voortslepen. Maar van binnen sterft er wat. Het einde, het einddoel, telos, is de dood. Met als einddoel het eeu­wige leven

Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst (abadim geworden) van God geko­men, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde (einddoel) het eeu­­wige leven. – Rom.6:22.

Eeuwig leven is kwaliteitsleven. Dat heeft niet zozeer de betekenis van de lange duur, maar dat is het leven dat vereeuwigd wordt. W.G. Over­bosch schrijft: in de middeleeuwen was men nogal sterk in het af­schil­deren van de eeuwige kwelling. Maar dat kan de bedoeling niet zijn. Het gaat erom: wat wil je vereeuwigd zien. Stel je voor dat het le­ven zoals het nu op aarde is, vereeuwigd zou worden. Dat is nu niet iets om naar te verlangen. Alles wat er nu op aarde gebeurt, aan honger en ellende en oorlog, moet niet vereeuwigd worden. Maar wat de moeite waard is, moet wel vereeuwigd worden. Het eeuwige leven is dus het kwa­liteits­le­ven, het leven van de toekomende eeuw. En dan is de vrucht de heili­ging. Eigenlijk is het heel mooi, dat die heiliging een vrucht is. Heiliging be­te­kent niet zozeer een heel aantal dingen die al dan niet mo­gen, maar de heiliging is een vrucht. Een vrucht in die zin, dat een mens anders wordt, anders zoals God anders is. Zoals er staat in Leviticus 19: Spreek tot de ganse vergadering der Israëlieten en zeg tot hen: Heilig zult gij zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig. – Lev.19:2.

God zegt: jij bent heilig, want Ik ben het ook. Dit is geen onrealiseerbaar bevel, het is geen knuppel, zweepslag of drei­­­gement, maar een heerlijke belofte. Zoals er ook in de Bergrede staat: jij zult volmaakt zijn, want je Vader in de hemel is het ook. Als dat heilig worden als een bevel wordt opgevat, wordt het weer dat ein­­deloze juk waaronder de mens bezwijkt. Probeer maar eens heilig te worden, dan kom je weer in dat oude stramien terecht. Nee, hei­li­ging is een vrucht, het is een gevolg, een gevolg van waar je mee om­gaat. Waar je mee om­gaat, word je mee besmet. Meestal wordt dat ge­zeg­de negatief bedoeld, maar ook in positieve zin is het waar. Je gaat lijken op waar je mee omgaat. Waar je mee omgaat, word je mee ver­want.

Het loon van de zonde en de genadegave die God schenkt

Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade (genadegave-charisma), die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here. Rom.6:23.

Het woord loon betekent eigenlijk soldij. De soldij die de zonde geeft, is de dood. Als je dus in dat leger bent, krijg je je soldij uitbetaald. De zon­de betaalt ook soldij uit, dat is de dood. De genadegave die God schenkt is het eeuwige leven. Je zou haast kunnen vertalen: de gratificatie. Voor soldij heb je gewerkt, maar als je een gratificatie krijgt, heb je daarvoor niet gewerkt. God is met recht koninklijk, royaal. De gratificatie van God is het kwaliteitsleven dat je krijgt, het leven van de toekomende eeuw. Als je dat kwaliteitsleven hebt ontvangen, ben je bondgenoot van God. Je komt bij wijze van spreken bij God in de zaak. Je wordt aandeel­hou­der in het Koninkrijk van God. Dat is het contrast waar Romeinen 6 dan mee eindigt. Het contrast tus­sen soldij en het charisma, de genadegave, waarin God zijn manier van leven geeft als een geschenk.

Dat waren zo een paar gedachten over Romeinen 6 benevens een paar gedachten over het oordeel, over het komen onder dat gezegende oor­deel van God. Hiervan geldt dat God de mensen en dingen rechtzet en op orde zet. Daardoor wordt een mens dan eindelijk tot zijn recht ge­bracht. Dan gaan de boeken open. Dan wordt de mens eindelijk ge­kend in wat hij van oorsprong van God uit gezien was en is. De boeken gaan open, mensen gaan open. Want die boeken zijn in wezen mensen en die mensen zijn in wezen boeken. Boeken, mensen die geopend wor­den en die dan eindelijk worden gelezen. We blijven altijd hoop hebben voor mensen, net zoals God hoop heeft voor ons. God schrijft niemand af en wij doen dat ook niet. Als mensen wettisch zijn, zit daar wel een zekere doodsheid in. Dat is een soort kli­maat, dat daaraan gekoppeld is. Dat betekent natuurlijk niet, dat ze zo ten eeuwige dage moeten blijven. Het kan altijd nog eens een keer gaan waaien. En als het goed gaat waaien, wil er nog wel eens iets omver­ge­bla­zen worden. Er is altijd nog hoop dat die wettische systemen omver gaan.

Here God, wij danken U dat we bij U dienstknecht worden,

niet als slaaf, maar als vriend van U.

U roept ons om vrienden te zijn.

Gij geeft ons een bestemming,

om mens te worden voor uw aangezicht.

We mogen er zijn, we worden welkom geheten.

Bij U mogen wij onszelf worden.

Zo hebt Gij ons geroepen,

zo hebt Gij ons te voorschijn gebracht tot bevrijding.

Zoals wij het mogen zien bij Jezus,

die onze broeder werd tot het einde.

Zo neemt Gij ons mee op uw weg.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391574 bezoekers sinds 07-06-2010