De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 12

18-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

HOOFDSTUK 6

De symboliek van de doop

“Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toe­ne­me? Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?  Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn?” – Rom.6:1-3.

In deze verzen gaat Paulus dan heel de symboliek van de doop uiteen­zet­ten. Wat gebeurt er als een mens gedoopt wordt? Wat houdt dat al­lemaal in? Vanouds heeft men het verhaal van Noach en het ver­haal van de doortocht door de zee en de doortocht door de Jordaan met elkaar ver­bonden. Dat zijn vanouds de drie symbolieken van de doop. Noach, Mozes en Jozua. Telkens zie je dan dat het volk door het water heen gaat. De symboliek van Pasen is hierin ook aanwezig. Het volk Israël trok uit Egypte en dan zeggen de rabbijnen: op de zevende dag gingen ze door de zee. Eerst krijg je dus de uittocht en op de zevende dag de doortocht door het water. Vanuit de doodswateren komt de nieuwe schep­ping te voorschijn. En dan zegt Paulus zo mooi: we werden ge­doopt in Messias Jezus. En dat houdt dan in: wij werden gedoopt in zijn dood, ondergedompeld in zijn dood. Dat moet je dan ook heel concreet opvatten, want dat woord ‘in’ in vers 3 duidt ook eigenlijk een richting aan. Zoals je bij de doop in water wordt ondergedompeld, zo word je ook in de Messias ondergedompeld. In het En­gels: in to, dat geeft een richting aan. Je wordt als het ware ge­doopt naar de Messias toe. Je wordt in Hem ingedompeld; dat betekent in zijn bestaan, in zijn hele manier van bestaan. Daar zie ook weer dat het He­breeuwse denken, ook van Paulus, altijd weer heel concreet is. De uitspraak ‘achter het water ligt het land’ geeft ook een bijbels principe weer. Je kunt alleen aan land komen via het water, vanuit het onderge­dom­peld-zijn in het Messiaanse bestaan. Vanouds wordt er ook in het zondvloed-gebed gesproken over de zalige zondvloed, waar dan Noach met zijn familie door­heen kwam. Noach als beeld van de mens die door het water heen gered wordt. Acht zielen in de ark, acht als beeld van de nieuwe schepping, de nieuwe adam, die dan uit het water tevoorschijn komt. Door de diepte heen krijgt hij gestalte. Geboren uit het water, of eigenlijk uit de wateren (ma­jim), want het woord water be­staat in het He­­breeuws alleen maar in het meer­voud. Uit het water van de grote vloed wordt de wereld verlost. Dat ondergedompeld worden in de Messias houdt ook in, dat je hele­maal één wordt met zijn manier van leven.

“Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Chris­tus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuw­heid des levens zouden wandelen”. – Rom.6:4.

‘opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders’ – SV.

Je bent met Hem begraven in de dood, in dat doodsbestaan. Het gaat hier om een nieuwe kwaliteit van leven.

“Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zul­len wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding”; – Rom.6:5.

‘Want indien wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding’ – SV.

De oude mens en de nieuwe mens

Als je een beetje thuisraakt in het bijbelse denken, kom je tot de ontdek­king dat er in wezen maar één oude mens is. Dat wordt vaak dan ook weer heel individualistisch opgevat. Als het over de oude mens gaat, is er vaak de gedachte: ik heb mijn oude mens, jij hebt een oude mens en zo heeft iedereen zijn oude mens. Dan kun je ook nog te horen krijgen: de oude Adam stak bij mij zijn kop weer op. Dan krijg je dus wat vreem­de gedach­ten in de zin van: je oude mens moet begraven worden. Maar als je het gaat zien in het licht en de argumenten van de Schriften, dan is er eigen­lijk maar één oude mens, doordat dit namelijk ook altijd in het enkelvoud wordt gezegd. Er zijn niet een heleboel oude mensen die alle­maal begraven moe­ten worden. Dat roept op zich al heel vreemde asso­ciaties op. Dat zou je dan haast nog gaan koppelen aan het bejaarden­pro­­bleem. Dus er is in wezen maar één oude mens. Paulus heeft het daar ook altijd over, over die paleios antropos. Waarom wordt die mens oud genoemd: omdat hij zijn tijd gehad heeft. Dat woord ‘oud’, paleios, dat Paulus hier gebruikt, is oud in de zin van verouderd. Dat is de mens die in wezen is uitgespeeld, de mens die behoort tot het oude bestand van de dingen. Je kunt wel zeggen dat die oude mens heeft te maken met zonden, in de zin van je bestemming (gatah) missen, maar het begrip ligt veel breder. Het Hebreeuwse woord gatah wordt dan meestal vertaald met zonde. Je zou kunnen zeggen: die oude mens vertegenwoordigt een heel systeem, een hele denkwereld. De oude mens is dus een collectief. Het is om zo te zeggen wereldomvattend. Zo is er ook in wezen één nieuwe mens. Daarom zegt Paulus ook in Efeze 4: die oude mens leg je af. “dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God ge­scha­pen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid”. – Ef.4:22-24.

Je trekt dat oude kleed uit. Het kleed van dat oude denken, van dat ou­de patroon en dat oude systeem. De oude mens is die oude manier van le­ven. ‘Ontwaakt gij die slaapt en sta op uit de dood’. Dat ontwaken en dat opstaan wordt ook met elkaar verbonden. De opstanding betekent het wakker worden. Als de mens geestelijk wakker wordt, gaat hij ook geestelijk overeind komen. Dat is het begin van zijn opstanding, van zijn geboorte. Dan bekleed je je met die nieuwe mens, die nieuwe adam. In wezen is er dus ook maar één nieuwe mens, dat is ook een collectief. Die nieuwe mens heeft volkomen gestalte gekregen in het leven van Je­zus. Je wordt dus met die nieuwe mens bekleed.

Een natuurlijk lichaam en een geestelijk lichaam

Ik heb weleens het idee – en dat vind ik ook het moeilijke bij uitdruk­kin­gen als ‘een geestelijk lichaam’ – dat je de indruk krijgt: maar is het nog wel een lichaam? Want ik denk wel, dat wij tot in alle eeuwigheid ‘mens’ blijven. Wij worden geen geesten, wij worden geen engelen. Dat zou al­leen maar een stap terug zijn. Want een mens is hoger dan de engelen. Wij blijven mensen en blijven ook bestemd voor de aarde. De mens is uit­eindelijk niet bestemd om naar de hemel te gaan, maar om weer op aarde te leven, en nog wel op déze aarde ook. Paulus zegt nogal het een en ander over het geestelijk lichaam.

“Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam”. 1 Kor.15:44. 

Een geestelijk lichaam is een lichaam waar roeach in zit, waar geest in zit. Je zou haast zeggen: dat is een lichaam waar spirit in zit. Omdat in dat lichaam dus de adem van God zit, daarom kan het ook niet onder­gaan. Op een joods kerkhof wordt wel gezet: Beth Chajjim, ‘Huis van de Levenden’, niet: Huis van de doden. De spreuk die onder joden vaak wordt uitgesproken is: le chajjim, ‘op het leven’. Dat is qua klank wel eens ver­keerd uitge­legd en men dacht dan te verstaan: daar ga je.

In dit verband moeten we oppassen, dat we de mens niet gaan op­split­sen. Dat is maar al te vaak in allerlei theorieën gebeurd. Dan werd er ge­zegd: je hebt een oude mens in je en een nieuwe mens. Maar dat lijkt me veel te dualistisch. Het bijbelse denken is niet zo dualistisch. Dan werd er wel gezegd: die oude mens in je, moet je laten verkommeren en die nieuwe mens moet je te eten geven. Dan gaat de een krimpen en de an­der gaat groeien. Bovendien zijn die oude mens en die nieuwe mens voort­­­durend met elkaar in gevecht. Vanbinnen speelt zich een hele knok­­partij af. Dan werd er ook nog een oude ik en een nieuwe ik onderscheiden. Maar door derge­lijke theorieën krijgt de mens haast iets schizofreens. Dan kan hij ook altijd de andere helft de schuld geven en zeggen: ja, dat was mijn oude mens. Dan wordt over de oude mens gesproken op een manier of dat een verste­keling is, die nog steeds aan boord is. Maar uit hoeveel mensen bestaat dan één persoon!

De nieuwe mens krijgt gestalte door de weg die hij gaat 

Het is juist Gods bedoeling om de mens weer één te maken. God wil dat je één wordt vanbinnen, zo­als ook God één is. Dat is ook de oerbe­lijde­nis van Israël: de Here is één. Niet een innerlijk conflict, maar de een­heid vanbinnen. Die nieuwe mens krijgt gestalte door de weg die hij gaat. Dat wordt in de joodse traditie ook vanouds gezegd. God spreekt van ‘mensen naar ons beeld’. Maar waarin is de mens dan een beeld van God? In een lied staat de regel: ‘Maak mij een beeld van U’. Hoe ontstaat dan dat beeld? Dat beeld ontstaat door de weg die de mens gaat. Je wordt gevormd door de weg die je gaat. Daardoor wòrd je iemand. Dat kun je niet abstract beredeneren. Al gaande begint die nieuwe mens in je te groeien. Dat gebeurt letterlijk gaandeweg; gaande op de weg van de Mes­sias. Op die manier word je steeds meer één met zijn dood en één met zijn leven. Dat moet je dus ook weer heel concreet zien; je wordt dus onder­gedom­peld in zijn dood. Dat is dus de weg die Hij ging. De dood van Jezus was een gevolg van zijn solidair zijn met de mensen. Als je wilt weten wat het ondergedompeld zijn in zijn dood betekent, dan moet je zien hoe dat bij Jezus zelf in zijn werk ging. Terschegget zegt: als je gaat bid­den, dan vraag je niet om uitredding uit het lijden, of verlos­sing uit de verdrukkingen, want dat zou de solida­ri­teit opheffen. Stel je voor, dat God dat wel zou doen; dan pakt Hij jou er­uit en zet je ergens op een rustig plekje. In wezen zou dat je reinste in­consequentie zijn. Je­zus gaat midden tussen de tollenaars en zondaars zitten, want Hij wil juist mens zijn met de mensen. Dat is solidariteit tot het uiterste. Daar­om ga je niet bidden of die verdrukking mag worden opgeheven, want dan zou je mens­zijn wor­den opgeheven. Dan zou je mens worden op een eiland, op een heerlijk rustig plekje. Je moet niet bidden: oh God, haal ons gauw uit deze boze wereld. Zoals er dan ge­zongen wordt: in de hemel is het schoon, waar men zingt op blijde toon. Je zou ook kunnen zeggen: in het zoutvat is het schoon, waar men zingt op blijde toon. Maar we zijn niet geroepen om in het zoutvat te blij­ven zitten. Je bent geroepen om zout der aarde te zijn, dus dat zout moet in de aarde. Dat is om de aarde te ontsmetten en smaak te geven. Dus, de mens die bidt, gaat niet bidden om uitredding uit de ellende. Nee, die gaat juist solidair worden met alle vlees. Hij wordt solidair met de hopelozen, met de hulpelozen, met de daklozen. En zo treedt hij voor God. Soms kom je mensen tegen, die heel wat klappen hebben gehad. Dan moet je je afvra­gen: wat zou er voor moois in die mens zitten, dat de boze zo zijn best doet om dat ka­pot te krijgen. Kennelijk zit er dan zoiets kostbaars in die mens, dat de boze alle moeite doet om dat in el­kaar te trappen. Het zijn juist de kost­bare parels die de boze tracht te ver­trappen. Het is niet het slechtste fruit, waaraan de wespen kna­gen. Jezus werd volkomen solidair met de mensen. Hij werd dakloos met de daklozen. God is eigenlijk ook eeuwenlang dakloos geweest; dus Hij weet precies wat dat inhoudt. In het boek Samuël wordt ook gezegd: God trok van tent tot tent en een huis heeft Hij nooit gehad. Pas bij Sa­lomo krijgt Hij een keer een tempel, maar die tempel werd ook al gauw weer verwoest. Later krijgt God opnieuw een tempel, maar die werd eveneens verwoest. 46 jaar werd er over die tempel gebouwd, maar in korte tijd werd hij door de Romeinen verwoest. God weet dus heel goed wat het betekent om dakloos te zijn. God is ook altijd maar op zoek naar een huis. De Messiaanse mens wil solidair zijn met de men­sen. Zo was dat bij Jezus ook.

Ondergedompeld worden in de weg van de Messias

Bidden dat geschieden moge wat moet geschieden, namelijk dat over dit lijden de heerlijkheid openbaar moge worden. Zo wordt er gebeden om redding in de benauwdheid. Uit de diepten wordt geroepen om verlos­sing in de diepte. Vaak komt de redding in de diepte. Vaak komt de be­vrijding in de benauwdheid. Bidden is hopen op Gods woord en Gods pre­­sentie in de verhoring is de enige troost. Het is zijn woord, dat hoop schenkt. En het is de hoop die volharding uitwerkt. Dat is dat ondergedompeld worden in de weg van de Messias. De dood van Jezus is niet één moment, maar dat is een weg. Dat is die hele weg van gaan in de diepte, van dat gaan in het doodsbestaan van mensen. Het is te begrijpen dat Paulus hier in Romeinen 6 gaat schrijven over die doop, maar dat hij dan ook eindigt in Romeinen 8 bij het gebed en de hoop. Dat is een doorgaande lijn. Het aspect van de doop loopt uit op het gebed en de hoop. Want daarin be­leef je de weg van de Messias. Pau­lus spreekt ook van samengroeien. “Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zul­len wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding;” – Rom.6:5.

Dus we moeten vooral vasthouden, dat het een weg is. Je moet het heel concreet zien. Je gaat dus tegelijk in in dat doodsbestaan van de Messias en tegelijk er­vaar je ook daarin het leven. Het zijn dus twee aspecten die niet na elkaar komen. Dat kun je niet allemaal zo keurig indelen. Het zijn ook geen momentop­namen, maar het is inderdaad een weg. Anders loop je ook weer het ge­vaar dat je denkt, dat het op een gegeven ogen­blik achter de rug is. Of het wordt op die manier weer gesteriliseerd. In sommige boekjes werd dan ge­schreven: nu moet je jezelf voor dood hou­­­den. En dan zit je dus steeds tegen je zelf te zeggen: ja, ik ben dood, ik ben dood, ik moet mezelf ook dood houden.

‘Oh, niets te zijn, oh niets te zijn’

Daar zit dus ook dat probleem, dat je jezelf moet wegverklaren. Dat wordt ook beleden in sommige liederen: ‘oh, niets te zijn, oh niets te zijn’. Dat was dan het ideaal, dat je niets was. Je bent er eigenlijk hele­maal niet meer. Je wordt als het ware uitgewist. Er zijn zelfs leringen ge­weest die gingen zo ver, dat ze zeiden: alles wat je leuk vindt, is uit de bo­ze. Als je ergens plezier in hebt, is dat eigenlijk niet in de haak, want dat wil jij zèlf graag. En die oude mens, die dat zo graag wil, moet dood. Alles wat je fijn vindt, moet afsterven. In sommige boekjes werd gepro­pa­geerd dat jij gebroken moest worden. Dan werd er zelfs aan God ge­vraagd of Hij je wilde breken. Als iemand het fijn vond om het evan­ge­lie te prediken, zei men: dat is preeklust en dat moet je dus opgeven. Je moest al je talenten in de dood geven; misschien krijg je ze dan terug, misschien ook niet. Mensen zoals Bach en Mozart hadden hun muziek dan ook in de dood moeten geven. Al die wensen en lusten en verlangens moesten de dood in. Op die manier wordt dan in wezen de mens gesloopt. Wat blijft er dan over? Er werd ook wel gepropageerd, dat je van jezelf moest zeg­gen: ik ken die mens niet. Je moet jezelf verloochenen. Op die manier krijg je dus een heel negatief mensbeeld. Alles wat God in de mens ge­legd heeft, wordt op die manier vernietigd. Op die manier ga je een ontzettend klein bestaan leiden, want je komt niet meer uit de verf. In een wat subtielere vorm kom je deze gedach­te­gang wel vaker tegen. Zo zei iemand: ik heb op het conservatorium ge­studeerd, maar nu ik tot geloof gekomen ben, moet ik dat allemaal opzij zetten. Maar, juist doordat je tot geloof gekomen bent, zouden die talen­ten veel beter tot hun recht zijn gekomen. Want nu wordt het gezet in dat hele kader van de nieuwe mens en dan kan het tot ontplooiing ko­men. De mens die met God gaat leven, wordt een creatief mens. Dan word je juist weer authentiek, origineel, zoals God je bedoeld heeft. Je wordt weer wat je van origine was. Het komt onder het stof vandaan, God gaat de mens weer tevoorschijn halen. Het is Gods bedoeling niet om de mens te vernietigen, want Hij heeft de mens juist gemaakt. In dat geval zou God zijn eigen schepping gaan ver­nietigen. Maar God gaat die oorspronkelijke mens weer tevoorschijn ha­len, alleen, er wordt van hem afgehaald wat er niet bij hoort. Wat er in de loop van de jaren bij de mens aangekoekt is, wordt er als het ware afgebikt. Misvormde denk­pa­tronen worden weggenomen. En als al dat stof en aanbaksel eraf ge­haald is, komt die oorspronkelijke mens weer tevoorschijn. Dan mag die mens dus ook weer zichzelf worden, zoals er van de verloren zoon staat: ‘hij kwam tot zichzelf’. Die jongen raakte zichzelf ook niet kwijt. In we­zen is het de grootste ramp als een mens zichzelf kwijtraakt. God zegt: Ik houd van je, terwijl dan die mens zegt: maar ik haat mezelf. Ik moet mezelf toch dood houden. God heeft de mens juist waardevol en creatief gemaakt. Bij de herschepping geeft God de mens zijn originele staat weer terug. De nieuwe mens wordt weer gerecreëerd, die wordt weer ‘tevoorschijn gesproken’. Hoe kan een mens ook van een ander houden, als hij niet van zichzelf houdt! Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Gooi jezelf niet weg; God heeft je juist gemaakt om te existeren, om naar buiten te treden.

Veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid

Zo is helaas op die manier vaak het sterven van de oude mens uitge­legd. Bij deze zienswijze komt de vraag naar voren, wàt je dan allemaal in de dood moet geven. Is dat je hele menszijn, alles wat je bent, hoe ver gaat dat dan? Het gaat echter juist om die concrete weg. Wat dat betreft kun je heel wat leren van het joodse denken. In het joodse denken zit men zich niet af te vragen wat je nu allemaal onder die oude mens moet verstaan. Het Hebreeuwse denken heeft dan wel het standpunt, dat er in een mens twee neigingen zijn, dat is de goede neiging (jeser tov) en de kwade nei­ging (jeser ra’ah). Hierbij moeten we dan wel opmerken, dat de mens niet uit twee gedeelten bestaat, anders ga je hem weer op­split­sen. Maar die zogenaamde ‘kwade neiging’ hebben we wel degelijk nodig. Kunst en ambitie bijvoorbeeld heeft een mens nodig, anders zou hij nooit ergens naar streven. Hij zou dan ook nooit iets kunnen berei­ken. Dan zou hij al­leen maar poeslief zijn en wat zitten te sudderen. Er is een tijd geweest, dat dit zo ongeveer het ideaal van de christen was. De Heer zal wel weten wat goed voor mij is. Zo neutraal als lei­ding­­wa­ter; laat er maar komen wat komen moet. Ik draag heel geduldig mijn lot. Maar de mens wordt op die manier gedegradeerd tot een voor­werp, dat eventueel gebruikt wordt door de Heer, wanneer het Hem be­lieft. Maar de bijbel denkt niet in voorwerpen. Je bent mede-arbeider en part­ner van God. Willem Zuidema heeft een boekje geschreven, getiteld ‘Gods Partner’. De mens mag met God meedenken. Naarmate de mens op weg gaat met God, wordt de mens al gaande ver­an­­derd. Paulus zegt ook: zo worden wij veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid. “En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heer­lijk­heid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijk­heid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is”. – 2 Kor.3:18.

Want de Heer is Geest. En als die Geest in jou is, dan gaat die Geest jou omvormen. Op die manier komt de omvorming, al gaande op de weg. Die omvorming geschiedt door het gebed, door de relatie met Hem, en al gaande op de weg. Terschegget zegt: al biddend zoekt de mens zich­zelf te kennen in zijn verkiezing en in zijn roeping. Al biddend ga je ont­dekken wie je bent. Dus je bidt, omdat je nog niet weet wie je bent. Juist al biddend ga je iemand worden. Bidden is niet zozeer een lijstje met al­lemaal wensen en zorgen en problemen, maar bidden is, dat je ver­lost wordt uit je duizend zorgen en wensen, die even zovele angsten zijn, om te mogen vinden het ene nodige, namelijk om jezelf te kennen vanuit God.

Dus onderweg word je omgevormd, want God is wat dat betreft altijd heel praktisch. Niet eindeloos tegen jezelf zeggen: ik ben dood, ook niet door eindeloos bezig te zijn met een innerlijk conflict, maar door op weg te gaan met Jezus. En dan belijd je: de weg die U gaat, wil ik gaan met U. Al gaande ga je dat ontdekken, want anders krijg je zo’n verstarde toestand. Net alsof God iets in jou moet gieten. Dat is vaak ook nog een erfenis vanuit bepaalde middeleeuwse gedach­ten, waar gesproken werd over de ‘ingestorte genade’. Genade is niet een soort substantie die God in jou stort, maar genade is, dat je met Hem op weg gaat. Mozes ging de berg op en al gaande begon zijn gelaat te stralen, zonder dat hij er erg in had. Hij kwam van de berg af en de men­sen zeiden tegen hem: wat straal je toch! Mozes ging niet op de berg zitten en zeggen: Heer, laat mij nu mogen stralen. Heer, ik wil zo graag stralen, laat mij toch een lichtje mogen zijn. Heer, geef mij toch een beet­je blijdschap, een blij gelaat en een beetje straling om mij heen.

Een verhaal over twee Chassidische Joden

Deze twee joden hadden onenigheid over de vraag, welke tsaddiq nu de beste is. Die ene chassid zegt: wij hebben er een en iedere vrijdagavond spreekt God met onze tsaddiq. Ja, hoe weet je dat nu? zegt de ander. Nou, zegt hij, die tsaddiq heeft het onszelf verteld. Ja, maar misschien was dat wel gelogen. Hoe haal je het in je hersens iemand van leugens te beschul­digen met wie God elke vrijdag spreekt. Een spreuk van een joodse dichteres Judith Hertzberg. ‘Troost voor daklozen komt nooit in de vorm van huizen, maar uit de mond van zwervers’. Als je luistert naar die zwervers, dan kom je onder dak. Dat zie je ook in het leven van Jezus. Hij was onderweg met de zwervers en bij Hem kwamen ze onderdak.

Heer, wij danken U dat u de mens vanaf het begin bedacht hebt

en dat U hem niet afschrijft,

dat U er niet op uit bent om de mens te doden,

maar U gaat datgene wat niet bij ons hoort, verwijderen.

Dan komt die oorspronkelijke mens weer tevoorschijn.

U neemt ons mee op uw weg.

En op de weg van de Messias worden we steeds meer mens.

Dan wor­den we wat we in wezen van huis uit zijn.

Op die weg worden we beeld van U.

Dat is uw genade.

De genade is de weg waarop U ons meeneemt

en waarop wij aan uw hand en vanuit uw Geest,

uw adem die ons aan­blaast, tot leven komen.

Zo worden wij levensecht.

Dan mogen wij zien dat wij kostbaar zijn in uw ogen.

Mensen door U bedacht, door U ge­wild.

U bent de God die nog altijd met mensen op pad gaat.

Daarom bent U de enige God, die het waard is geëerd te worden.

Gij volvoert uw plan en de kracht van uw naam waarborgt heel ons bestaan.

Die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen

We hadden dus gezegd, dat er maar één oude mens was en dat er in feite ook maar één nieuwe mens is. Want anders ga je die mens weer op allerlei manieren opsplitsen.

Onlangs hebben we het een en ander bekeken over de erfzonde, wat er op neerkwam dat er in feite geen erfzonde bestaat. In dat verband wordt dan wel de vraag gesteld: als er geen erfzonde bestaat, hoe kan de zon­de dan toch doorwerken in de geslach­ten, zoals gezegd wordt in die tekst, waarin gesproken wordt van het derde en het vierde geslacht. “Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kin­deren, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barm­hartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onde­r­houden”. – Ex.20:5,6.

De bijbel en vooral de Tenach, spreken in de regel heel concreet over zon­de. Niet theoretisch of abstract, niet in de zin van een algemeen be­grip. Ik heb het idee dat dit vaak een van de problemen is van ons wes­terse denken. Dan wordt zonde tot iets biologisch gemaakt. Vooral via Augustinus is deze gedachtegang erin gekomen. Je erft dan een zondige natuur van je ouders. Dan krijg je dat hele probleem van het kind dat dan ‘in zonde ontvan­gen en geboren’ zou zijn. Het is al een zondaar als het in de wieg ligt. Dat kind is een hellewicht, dat is ten dode opgeschre­ven. Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren,  in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen. – Ps.51:7

De NBV heeft het helaas nog wat sterker uitgedrukt: Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al zondig toen mijn moeder mij ontving. – NBV. In bepaalde kringen wordt die gedachtegang dan heel extreem doorge­voerd. Zo was dominee Franje een van de kopstukken van de Gerefor­meerde Gemeente. Aan de ene kant zeg je: zo’n man is het product van een bepaalde leer. In die kringen heb je bijvoorbeeld heel sterk de leer van de uitverkiezing. Deze dominee Franje wist heel bewust dat hij ge­roepen was voor het ambt. Hij wist ook dat hij bekeerd was. Hij maakte ook ernst met de dingen. Dominee Lamain, een vriend van Franje, ver­telt op welke manier Franje eens als voorzitter van de synode had ge­han­deld. Om tien uur moest de vergadering een aanvang nemen, maar Franje maakte geen aanstalten om te beginnen. Lamain zegt tegen hem: broeder, ik denk dat het tijd is om te beginnen. Franje aarzelt nog even, het was inmiddels doodstil en hij zegt: ik denk dat ik eerst nog iets in or­de moet maken. Hij staat op en gaat naar een ouderling, die daar in de zaal zit en zegt tegen hem: ik heb je indertijd niet leuk behandeld, mag ik dat in orde maken? Franje was natuurlijk ook een man van de uitver­kiezing en de erfzonde. Bij een doopdienst – uiteraard een kinderdoop­dienst – heeft hij eens ge­zegd: daar hebben we weer 19 verdoemelingen voor de hel. Vanuit hun visie was het gebruikelijk om de dingen rechtuit te zeggen. Aan de ene kant zit daar natuurlijk een ongelofelijk stuk diep­tewerking in; aan de andere kant kan zo’n houding ook ontaarden in een vorm van geestelijk masochisme. In die kringen heeft men er een ze­ker welbehagen in, dat het ‘goed donker’ wordt ingezien. Het com­men­taar na afloop van de preek kan dan luiden: ‘het was weer goed hè van­morgen, wat heeft de do­minee ons weer wegge­worpen’. Toch geloof ik, dat als die Oud-Gerefor­meerden nog eens een keer in vuur en vlam raken, dat er dan heel wat gaat gebeuren. Als de Geest er­in komt, dan wordt het nog heel wat! Hoewel ik het na­tuurlijk niet met hun leer eens ben, moeten we toch constateren, dat er in die kringen zeer oprechte en serieuze mensen leven. Hun leer is dus, dat als er een kind ge­boren wordt, het kind dan bij voorbaat al verdoemd is. Dat kind is doem­waardig en strafwaardig.

Erfzonde bestaat dus niet; als een kind geboren wordt, is het blanco. Wat er dan in Exodus 20 staat, over dat bezoeken tot in het derde en vier­de geslacht, gaat dus over concrete dingen. Dat is, denk ik, het pro­bleem al geweest bij Augustinus, als je de zonde dan gaat maken tot een algemeenheid. Dat denkbeeld vinden we ook weer terug in bepaalde evan­­gelische leringen. Watchman Nee gaat er ook heel uitvoerig op in en zegt: je bent een zondaar. Ook al zou je nooit zonde doen, toch ben je een zondaar. Dan krijg ik toch het gevoel, dat je in het licht van het He­breeuw­se denken nogal vreemde dingen gaat verkondigen. In het He­breeuwse denken kan het doen en het zijn niet opgesplitst worden. Dan geldt: je bent wat je doet en je doet wat je bent. In het Hebreeuwse den­ken kent men niet het standpunt: iemand is zondaar, ook al doet hij nooit iets verkeerds. Dan krijg je dus een soort splitsing tussen zijn en doen. Bijbels gezien geldt: je bent wat je doet en je doet wat je bent, dat grijpt in elkaar. Waarom is iemand bijbels gezien zondaar: omdat dat uit zijn daden blijkt, dat blijkt ook uit zijn hele habitus, zijn houding. Natuurlijk moet je dit ook weer niet gaan zoeken in allerlei spitsvondigheden. Dat zie je vaak in kinderbijbels, die slaan door naar het andere uiterste en zeg­gen: de men­sen deden veel verkeerde dingen. En wat ze dan deden wordt er dan nooit bij gezegd. Dat wordt dan meestal in het midden ge­laten. Zonde is in de bijbel niet iets vaags, maar iets heel concreets. Dus als er in Exodus 20 wordt gesproken over het derde en vierde geslacht en de door­werking daarin van de ongerechtigheid der vaderen, gaat het ook over concrete dingen. Daar gaat het niet over een algemene erf­zon­de, waar ieder mens dan mee geboren zou worden en mee behept zou zijn. Dan wordt in de dogmatiek ook nog onderscheid gemaakt tus­sen erf­zonde, erfschuld en erfsmet. In die visie ben je in Adam der ver­doe­me­nis deel­achtig. Dan zegt ook het oude formulier: dewijl onze kin­de­ren in zonde ontvangen en geboren en in Adam der verdoemenis deel­achtig zijn, en behoren alzo gedoopt te wezen. Dan denk ik inder­daad dat je con­sequent bent. Als je in de erfzonde gelooft, moet je ook de kin­der­doop hebben. Als die kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn, dan moet je daar ook wat aan doen! Laat ze dan niet in die erfzonde on­der­gaan. Als een kind al gauw dezelfde onhebbelijkheden vertoont als zijn vader of moeder, eventueel grootouders, zou ik dat geen erfzonde willen noe­men, maar machten uit het voorgeslacht. In Exodus 20 gaat het dus over heel concrete dingen, die dingen die dan bezocht worden, zoals er staat. In dit kader moeten we opmerken, dat je voorzichtig moet zijn om op alle zaken die verkeerd lopen, het etiket ‘zon­de’ te plakken. Van alcoholisme kun je niet zonder meer zeggen, dat het slachtoffer een grote zondaar is. Alcoholisme en dergelijke dingen lig­­gen toch meer in de sfeer van gebondenheid. Dat is een stuk slavernij waar de mens dan tegen zijn wil onder zit. Het woord dat met ongerechtigheid wordt weergegeven, is meestal het woord avon. Avon heeft dan als grondbetekenis verwrongenheid. De zaak zit dan gewoon scheef, is kromgetrokken.

Een zoon zal niet de ongerech­tig­heid van de vader dragen

Over deze materie wordt in Ezechiël nogal het een ander gezegd. “Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon zijn van Mij; de ziel die zondigt, die zal sterven”. – Ez.18:4.

“hij onthoudt zich van onrecht, rente en woekerwinst neemt hij niet, hij voert mijn ver­ordeningen uit en wandelt naar mijn inzettingen – deze zal niet sterven om de on­ge­rechtigheid van zijn vader; hij zal voorzeker leven”. – Ez.18:17

“De ziel die zondigt, die zal sterven. Een zoon zal niet mede de ongerech­tig­heid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal alleen rusten op hem­zelf en de goddeloosheid van de goddeloze zal alleen rusten op hemzelf”. Ez.18:20

Ook in Jeremia wordt op dit vraagstuk ingegaan. In die dagen zal men niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven ge­geten en de tanden der kinderen zijn slee geworden. Maar ieder zal om zijn ei­gen onge­rech­tigheid sterven; ieder die onrijpe druiven eet, diens tanden zullen slee worden. – Jer.31:29,30.

In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven ge­geten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden. – v.29 – SV.

Ook in de Torah wordt op deze kwestie ingegaan. “De vaders zullen niet om hun kinderen ter dood gebracht worden; ook zullen de kin­deren niet om hun vaders ter dood gebracht worden; ieder zal om zijn ei­gen zonde ter dood gebracht worden”. – Deut.24:16. En dan heb je natuurlijk wat in de tien woorden staat: die de ongerech­tigheid (verwrongenheid) der vaderen bezoek aan de zonen. Ook in Deuteronomium 5: “Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid (verwrongenheid) der vaderen bezoek aan de kin­de­ren en aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten,” – Deut.5:9.

Je kunt dus bepaalde vormen van kwaad hebben, die soms dan weer heel sterk door elkaar liggen. Lot en daad. Je kunt hierbij aan occultisme denken. Als de vader aan occultisme doet, welke doorwerking heeft dat dan weer op de kin­de­ren?! Je kunt een bepaalde sfeer hebben, een bepaald klimaat of een bepaalde wer­kings­sfeer. Dat zie je soms ook wel met bepaalde kwalen of ziek­tes. Zo heb je bepaalde ziekten, die duidelijk in de geslachten doorwer­ken. Soms wer­ken die mach­ten van de ene generatie op de andere, soms slaan ze een geslacht over. Dus dan zit je met een bepaalde claim, die door­­broken moet worden. Dus daar gaat het dan toch over concrete pun­ten, niet over een algemene zondige natuur die overgeërfd zou wor­den. Maar over bepaalde concrete machten, werkingen van kwaad, die dan voort­gaan. Soms van het ene geslacht op het andere. Dan kun je ook niet altijd spreken van persoonlijke schuld, want het kind kan er niets aan doen, als zijn vader of zijn grootvader bijvoorbeeld spiritist is. Het punt is, dat je duidelijk twee dingen moet onderscheiden. Iemand zal dus nooit verloren gaan om de zonden van zijn voorge­slacht. Dat is dus wat je in Deute­ronomium 24 ziet en ook in Ezechiël 18. Iemand zal nooit veroordeeld worden om wat zijn voorouders gedaan heb­ben. Alleen, hij kan wel met de gevolgen zitten. Het kan dus bijvoor­beeld een druk op zijn leven leggen. Zo iemand begint zijn leven soms dan ook al onder zeer moeilijke omstandigheden. Je zou zeggen dat hij kansarm is. Dat is dus een heel terrein, waar soms heel wat in mee­speelt. Iemand zei eens: het verbaast me dat er nog zoveel gave mensen rondlo­pen, als je nagaat wat er in de loop van de eeuwen vaak scheefgegroeid is. Er hebben zich ook wel gevallen voorgedaan, dat bij voorbede een bepaalde claim vanuit het verleden moest worden verbroken. Dat kan dan tot in het derde of vierde geslacht doorwerken. Dat heeft dus niets te maken met een zondige natuur. Daarom noemen we dat, om verwar­ring te voorkomen, geen erfzonde. Bij het begrip erfzonde wordt er meest­al gedacht aan een innerlijke structuur, die verkeerd is. Het pro­bleem doet zich dan voor: Adam heeft zijn ziel verkocht en het gevolg is dat heel de mensheid in de slavernij zit. Dat is net als negerkinderen, die in slavernij geboren worden. Dan kom je dus meer op een terrein waar­van je zegt: de wereld ligt in het boze. Een kind wordt geboren in het domein van de overste van deze wereld. Hij wordt geboren in een we­reld, waarin een heleboel scheef zit. Daarin kun je dan ook nog deze factor in reke­ning brengen, dat het gevoel zich vaak eerder ontwikkelt dan de wil. En omdat de wereld, de kosmos, in het kwaad ligt, zit je in een beschadigde schepping. We kunnen niet spreken van een gevallen schepping, want de schep­ping is niet gevallen. Het is wel een zuch­tende schepping. Maar op dat als zodanig wordt een mens niet geoordeeld. Net zo min als je neger­kin­deren kunt aanrekenen dat ze in slavernij zit­ten. Die negerkinderen willen graag anders. Dus een mens zal nooit schuldig zijn aan iets wat hij is. Een leeuw kun je niet aanrekenen dat het een roofdier is. Vroeger verbaasde ik mij er ook altijd over, dat je dan in bepaalde boekjes las, dat dit of dat dier scha­de­lijk was. Wie maakt nu uit of een dier schadelijk is. Als je een vos in een kippenhok zet, is het beest zeer zeker schadelijk. Dan moet je niet zeg­gen: die vos deugt niet, maar die vos en de kippen passen niet hele­maal bij elkaar. Dat klikt niet zo goed, althans van één kant niet. Liefde kan ook niet van één kant komen. Soms wordt er dan ook gezegd: die vos doodt meer dan hij nodig heeft, dus dat is moordzucht; maar dat slaat ook nergens op. Dat beest wordt alleen maar zo enthousiast, omdat hij zo­veel kippen bij elkaar ziet. En al dat gefladder en gekakel van die kippen werkt ook heel stimulerend. Die beesten lokken het zelf uit. Als iedereen voor mijn ogen zou gaan zitten fladderen, zou ik ook een beetje uit mijn doen raken. Dat beest kun je dus niet schuldig verklaren.

In hoeverre is de mens aansprakelijk voor zijn daden

Als iemand gewoon volgens zijn aard handelt, kun je niet zeggen dat hij daar­om schuldig is. Alleen als de mens keuzemogelijkheden heeft bin­nen het terrein waar hij kan kiezen, is hij aansprakelijk. Vandaar dat ook in heel de Tenach en ook in de evangeliën de oproep komt om om te ke­ren. Er is een beroemde uitspraak van Rabbi Bunan: een mens wordt be­oordeeld niet op de zonden die hij doet – want zijn kracht is gering en de verzoeking is groot – maar hij wordt beoordeeld op het feit, dat hij op een bepaald moment kon omkeren en het niet heeft gedaan. Een mens wordt beoordeeld op het feit of hij omkeert of niet. Dan gaat het om wat Buber dan genoemd heeft, een grondhouding. De oproep om om te ke­ren, om je grondhouding te veranderen. In dit kader is de mate van zondebesef ook een belangrijk gegeven. Bij de een is dat veel sterker aanwezig als bij de ander. Er zijn mensen die zich heel wat permitteren, zonder dat ze daar kwaad in zien. Hierin speelt dus ook mee, dat er een groei zal zijn in fijngevoeligheid. Dat zon­debesef kan ook naar de andere kant doorslaan. Er zijn mensen, die zich om het minste of geringste aangeklaagd voelen. Een mens kan zo over­ge­voelig worden, dat hij op het laatst denkt dat er niets meer mag. Zulke mensen leven dan constant onder druk van een irreëel schuld­be­sef. Aan de erfelijkheid zitten heel wat aspecten. Wat is de rol van je genen, wat erf je nu eigenlijk, wat erf je eventueel voor eigenschappen, wat voor temperament, innerlijke structuren en alles wat daarmee samen­hangt. En dan is een belang­rijke factor: wat gaat de mens binnen zijn ge­geven mogelijkheden doen?

Er is een bepaalde erfelijkheidsleer, puur vanuit biologisch, antropo­lo­gisch gezichtspunt. Een mens erft bepaalde karaktertrekken en eigenaar­digheden. Als je van iemand zegt: het is precies zijn vader, dan spelen daar allerlei factoren in mee. Dan is er ook nog het aspect van de ge­woon­tevorming. Het woord ge­woon­te is in het Latijn mor. Meervoud more; dat komt nog terug in de uit­drukking: iemand mores leren. Dat woord more betekent gewoonte, maar het kan ook karakter betekenen. Daar zie je, dat het karakter ook weer wordt opge­bouwd uit gewoonten. In ze­kere zin kun je dus zeggen: met een karakter word je niet geboren, maar een karakter ontwikkelt zich. Dat wordt dan weer bepaald door al­lerlei factoren. Hierin speelt natuurlijk ook de milieuachter­grond mee. Wat krijg je mee, wat wordt aangemoedigd? Dan krijg je dat hele scala van straf en beloning. Wat wordt er afgeremd en wat wordt er tot ont­wik­keling gebracht. Van daaruit krijg je dus karaktervorming. Het karakter wordt gevormd, dat is ook een van die centrale punten in het bijbelse denken. Erich Au­er­bach heeft daar prachtige artikelen over geschreven. Hij heeft bijvoor­beeld Homerus ver­geleken met Genesis 22. Dit hoofdstuk gaat over de ‘binding van Isaak’. In vergelijking met de Griekse verhalen is de vertel­trant zeer sober. Au­er­bach zegt: bij Homerus maken de mensen in we­zen helemaal geen karakterontwikkeling door. Aan het eind zijn ze nog de­zelfde mensen als in het begin. In de bijbel zie je ech­ter duidelijk, dat er een ontwik­keling is in het karakter van bijbelse figu­ren. Abraham, Mo­zes en David zijn hiervan duidelijke voorbeelden.

Het ik moet niet verdwijnen, maar tevoorschijn komen

Het is de bedoeling, dat de mens weer wordt zoals hij oorspronkelijk be­doeld was te zijn. Je zou kunnen zeggen: de mens komt onder het stof vandaan. In bepaalde dogmatische denkwijzen moet de mens als het wa­­re verdwijnen en moet zijn ‘ik’ gedood worden. Maar in het He­breeuwse denken zien we juist, dat de mens niet gaat verdwijnen, maar dat hij juist te voorschijn komt. Hij komt weer uit de verf, en mag weer mens worden. God wil alles van de mens weghalen wat niet bij hem hoort. Zo komt de originele mens weer tevoorschijn. Het kwaad hoort niet bij de mens. Van oorsprong hoort de mens bij God. In de loop van de jaren komt er van alles bij, wat niet bij die mens hoort. Het is net als bij een muur met tien lagen behang. De oorspronkelijke muur komt pas te voor­schijn als al die lagen behang er afgestoken zijn. Het evangelie betekent dus dat al dat behang eraf gehaald wordt, om de oorspronke­lij­ke muur weer zichtbaar te maken. De mens heeft soms de neiging om te denken dat hijzelf dat behang is. Soms weet de mens niet eens wat er onder dat be­hang zit. Hoe ziet die authentieke mens eruit? Dat is iets wat Jezus ook steeds deed: mensen onder het behang van­daan halen, om die originele mens weer uit de verf te laten komen. God vecht niet tegen mensen, maar God is juist bondgenoot van en voor men­sen. Laat ons adam maken, laat ons mens maken. Het ergste wat een mens kan overkomen, is dat hij schade lijdt aan zijn ziel, dus aan zijn persoonlijkheid. Iemand als Watchman Nee heeft het misschien zelf wel heel goed gezien en beleefd. Bij bepaalde boeken van hem kun je het nog redelijk goed met hem eens zijn, zoals bij dat drie­delige standaardwerk dat hij ooit geschre­ven heeft: ‘The spiritual man’. Hij zei zelf van dit boek, dat het zo volmaakt was, dat hij het eigenlijk beter niet had kunnen schrijven. In dit boek waarschuwt hij bijvoorbeeld voor een houding van passiviteit. Daarnaast zijn er van hem ook boeken op de markt verschenen, waar je je vraagtekens bij zet. De meeste boe­ken heeft hij trouwens zelf niet geschreven, maar die zijn opgete­kend, waardoor be­paalde passages een eigen leven zijn gaan leiden. In zijn boeken wordt dan bijvoorbeeld heel die splitsing tussen ziel en geest beschreven. In zijn visie moet je ziel dan eigenlijk afgebroken en gekraakt wor­den. Die ziel is dan die albasten kruik, die gebroken moet worden en dan komt pas die heer­lijke geur vrij. Op die manier krijg je toch een heel moeizame gedachtegang over het menszijn. Dat is dan vaak uitgewerkt in de zin van: je ziel heeft eigenlijk maar weinig waar­de. In deze ge­dach­tegang werden uitspraken gedaan als: weet je wat mijn grootste vij­and is, dat ben ik! Je moet van jezelf dan zeggen, wat Petrus van Jezus zei: ik ken de mens niet, ik ken de mens niet. Je moet jezelf verloo­che­nen en daar­om van jezelf zeggen: ik ken de mens niet. Het toppunt van vroom­heid is dan om jezelf een trap achterna te geven. Het is merk­waar­dig, dat je deze manier van den­ken zowel in evan­gelische stro­min­gen tegen­komt als in de Oud-Gereformeerde sector. Het hoogste ideaal is dan om van jezelf te zeggen: ik ben een aardworm, ik ben een helle­wicht. Wie zich op dit gebied het krachtigst kan uitdrukken, staat dan in hoog aan­zien. Maar God heeft de mens gemaakt en Hij maakt geen misbaksels. Als je negatief over de mens spreekt, spreek je daarom in feite ook negatief over God en zijn creatie. Door die manier van spreken wordt de breuk tus­sen Schepper en schepsel tot in het absurde doorgetrokken. Dan is het schepsel in wezen haast geen schepsel meer.

Goede en kwade neigingen

De rabbijnen hebben gezegd: de grootste zonde van een mens is, dat hij ver­geet dat hij een koningszoon is. De rabbijnen hebben ook altijd vastge­hou­den aan het standpunt, dat de mens de mogelijkheid heeft om te kie­zen. Ze staan ook op het standpunt, dat de mens zowel een goede nei­ging (jeser tov) als een kwade neiging (jeser ra’ah) heeft. Die kwade nei­ging kan omgebogen worden, daar kun je iets positiefs mee doen. Daar komt bijvoorbeeld kunst en creativiteit uit voort. Als de mens die jeser ra’ah niet had, dan zou hij nooit iets ambiëren of ergens naar stre­ven. Als die jeser ra’ah er niet was, zeggen de rabbijnen, dan had je geen onder­nemerschap, geen creativiteit, geen politici. Dan had je alleen maar lieve, schaapachtige, goedwillende lieden, die geen vlieg kwaad zouden doen. Waar­om zou je zo hoog grijpen, dat hoeft toch helemaal niet, zegt de familie Doorsnee. Dat woord kwaad in jeser ra’ah is dan eigenlijk ook maar zeer be­trekkelijk. Het is soms heerlijk om met de familie Doorsnee te verke­ren, maar het is soms ook wel een beetje saai. Maar dan komt er ge­luk­kig weer iemand met een jeser ra’ah, die blaast er eens flink door­heen en zet de hele boel op stelten. Al die ontdekkingsreizigers bijvoor­beeld wa­ren ook behept met zo’n jeser ra’ah, an­ders waren ze wel bij moe­der thuis gebleven. Het is uiteindelijk ook zaak, dat de mens weer een eenheid wordt, niet gespleten. Dan komen de oude mens en de nieuwe mens in één huis, on­der één dak. Het Hebreeuwse denken gaat dus uit van de een­heid, in het bijzonder van de eenheid van God, waarvan de mens im­mers een beeld is. Het is merk­waardig, dat wanneer men twee kanten van God on­derscheidde, men ook twee kanten in de mens onderscheid­de. Als men God dualistisch zag, zag men de mens ook dualistisch. Gods­beeld en mensbeeld zijn nauw met elkaar ver­bon­den. Men zag in God soms dat dualistische: God kon trappen en boos wor­den, maar Hij kon de mens ook goeddoen en liefhebben. God kon ver­wer­pen en God kon verkiezen; Hij verkiest de een en Hij verwerpt de ander. Dat was ook de gedachte van Calvijn. Calvijn propa­geerde de leer van de dub­be­le uit­ver­kiezing, waarvan hij dacht dat die in Romeinen 9 werd uiteen­gezet. Je moest dus ook maar afwachten hoe God zou handelen, en welk gezicht Hij zou ver­tonen. Die dualistische ge­dachtegang komt dan ook in de mens tot uiting. In mij – zo werd er dan gezegd – vechten twee man­nen, de oude mens en de nieu­we mens. ‘In mij vechten twee man­nen’; wat de zusters nu van deze uitspraak moesten denken, blijft een open vraag. We waren op deze uiteenzetting gekomen, in verband met de vraag over dat derde en vierde geslacht. En die vraag kwam weer in verband met Romeinen 6:6, waar we eigenlijk nog niet aan toegekomen waren.

Machten uit het voorgeslacht en talenten uit het voorgeslacht

dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;” – Rom.6:6.

Die denkbeelden omtrent de zogenaamde machten uit het voorgeslacht, zijn ook vaak weer tot een formule geworden. Men gaat dan ook soms van het idee uit: baat het niet, schaadt het niet. Laten we die persoon maar bedienen, want wie weet wat er allemaal bij hem zit.

Ten opzichte van het voorgeslacht kun je natuurlijk twee kanten onder­scheiden. Aan de ene kant erf je vaak ook heel wat goede dingen van je voorouders. Bepaalde talenten en kwaliteiten zijn erfelijk. Dan is er soms best reden om dankbaar te zijn. Willem Barnard heeft hier een prachtig artikel over geschre­ven, waarin hij zegt dat de vader en de moeder de­genen zijn die de vlam over­dragen; vader zon en moeder maan. Eert uw vader en uw moeder, staat er in het vijfde gebod. Dat ver­bindt hij dan ook met het vijfde scheppingswoord uit Genesis 1.

Het eer­ste schep­pings­woord was: er zij licht.

Het tweede scheppings­woord: er zij een uitspansel.

Het derde: dat de wateren samenvloeien.

Het vier­de scheppingswoord: dat de aarde jong groen voortbrenge.

Het vijfde schep­pings­woord luidt: dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels, dus de zon, de maan en de sterren. Willem Barnard trekt dan op een boeiende manier heel wat parallellen tussen de tien woorden uit Ge­nesis 1 en de tien Woorden uit Exodus 20. Het vijfde scheppingswoord is dus, dat de zon en de maan er moe­ten zijn om het licht te brengen. Het vijfde woord in Exodus is dus: eert uw vader en uw moeder. Zo kunnen vader en moeder ook iets hebben van zon en maan, als degenen die in de dagen en in de nachten over je lich­ten en over je waken. We kunnen in dit verband ook aan de droom van Jozef den­ken. De zon en de maan, vader en moeder, ook elf sterren, elf broe­ders, bogen voor Jozef. De mens kan dus heel wat goede eigenschappen erven. Die moet je dan ook niet als zo­genaamde machten van het voorgeslacht verbreken, maar die talenten moet je in ere houden. Uiteraard neem je ook heel wat over van je omgeving, ook van mensen van wie je het een ander hebt geleerd. Wat dat betreft, sta je ook in de lijn der geslachten. God is trouw van ge­slacht op geslacht; zijn trouw blijkt dus in de opvolging van de geslach­ten. Die positieve erfenis kun je uiteindelijk ook ten dienste stellen aan God. Dat is dan in feite ‘heiligen’, dat kun je apart zetten voor God. Dan wordt het vrucht­baar gemaakt voor het Koninkrijk van God. Al die prachtige talenten en eigen­schappen kunnen in Gods dienst gesteld worden. Iemand die op het conservatorium was geweest, zei eens: toen ik tot be­kering kwam, moest ik mijn muzikale ambities weer inleveren. Nu moet ik weer gaan spelen, alsof ik nooit iets geleerd heb. Maar alles wat je op dat conservatorium hebt geleerd, gaat gewoon mee in je nieuwe le­ven, dat gaat mee het Koninkrijk in. Je kunt moeilijk van zo’n persoon ver­wachten, dat hij net doet of hij geen noten kan le­zen en niets van muziek weet. Zo wordt er ook wel eens gezegd: God moet niets van traditie hebben, of: God verwerpt wetenschap en techniek. Zo heerst soms ook de ge­dach­te: als christen kun je niet aan wetenschap of politiek doen. Soms krijg je het idee, dat je je moet verontschuldigen als je iets weten­schap­pelijks doet. Tegen Paulus werd im­mers gezegd: je grote geleerdheid brengt je tot razernij. En een theoloog is ‘de verleden tijd van Theo liegt’. Theologen zijn Farizeeërs en Farizeeërs zijn schrift­geleerden en schrift­ge­leerden zijn mensen waar je niets mee te maken moet hebben. Zoals ook iemand eens jaren geleden opmerkte: Diploma’s kun je niet aan de voeten van God leggen, daar zit Hij niet op te wachten! En zo kun je natuurlijk nog een aantal kreten verzinnen. Ook datgene wat enorm po­sitief is, is in feite een rijke erfenis, dat heel goed kan func­tioneren in en vanuit het Koninkrijk van God en heeft voor Hem zijn waarde. Van het geloof van Timoteüs wordt gezegd, dat het ook al het geloof van zijn grootmoeder was. Dus daar zit ook een stuk overdracht in. Over­dracht is toch ook een heel belangrijk gegeven. Je wordt voor een heel belangrijk deel gevormd door mensen die je vóórgaan. Dat heeft toch ook te maken met die tekst uit Hebreeën 13: gedenk uw voor­gan­gers. Dit omvat dan veel meer dan alleen mensen, die het ambt van voor­ganger hebben. Maar dat zijn ook allen die jou voor­gaan, in wier voetsporen jij gaat. Dat zijn er denk ik dan langzamerhand heel wat. Tenminste, ik zou er aardig wat kunnen opnoemen.

Het hele gewicht van zijn familie brengt hem ten val

Als je dus duidelijk bij een kind negatieve aspecten uit het voorgeslacht op­merkt, is het een goede zaak, dat daar dan bepaalde banden van het voor­geslacht worden doorbroken. Dan moet je inderdaad ook duidelijk iets weten, dan moeten er aanwijsbare dingen zijn. Een pastoraal werker kreeg eens iemand in de nazorg, een Surinamer. Hij vroeg voorbede en toen kwam er een hele problematiek te voorschijn. Die pastor zei: het eerste wat ik in gedachten kreeg om tegen hem te zeggen, was: je bent vrij van je voorgeslacht. En dat bleek voor die man een hele opluchting te zijn. Hij zei toen: ik heb tot nog toe steeds ervaren, dat overal waar ik kwam en waar ik dan om gebed vroeg, men dan meteen begon met de ban­den van het voorgeslacht te verbreken. Want men dacht dan: o, een Suri­na­mer, dus……..  Dan zie je weer, hoe daar een vooroor­deel werkt. Dan denk men: o, iemand uit Suriname, daar zit natuurlijk wat! Dan wordt het weer een systeem, want waar hij ook kwam, begon­nen ze steeds weer de banden met het voorgeslacht te verbreken.

Bij deze manier van handelen is sprake van een zogenaamde ‘ontdek­kings­vreugde’, men heeft iets ontdekt en prompt zegt men: aha, daar is weer een Surinamer, en de Surinamers zijn daar natuurlijk allemaal mee behept, want daar zit het vol met dat spul, dus: aanpakken die man! Die man had dus op het laatst het gevoel, dat hij nooit van die machten van het voorgeslacht af­­kwam. Dan wordt het niet meer een kwestie van openbaring, maar een kwestie van systeem. De gedach­tegang over deze kwestie van mach­­ten uit het voorgeslacht, is mede ingegeven vanuit dat beroemde stuk van Je­saja 22. “En Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; opent hij, nie­mand sluit; sluit hij, niemand opent. En Ik zal hem als een pin in een hechte plaats vastslaan, zodat hij tot een erezetel worden zal voor zijn familie. Dan zal men aan hem het gehele gewicht van zijn familie hangen, de spruiten en de loten, alle kleine vaat­werk, van de bekkens af tot alle kruiken toe. Te dien dage, luidt het woord van de HE­RE der heerscharen, zal de pin die in een hechte plaats was vastgeslagen, losraken en af­breken en vallen, en de last die daaraan hing, zal teniet gaan, want de HERE heeft het ge­sproken”. Jes.22:22-25.

Dan zal men aan hem het gehele gewicht van zijn familie hangen, de spruiten en de loten, alle kleine vaat­werk, van de bekkens af tot alle kruiken toe”. Jes.22:24.

‘En men zal aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, der uit­sprui­telingen en der afkomelingen, ook alle kleine vaten, van de vaten der bekers af, zelfs tot al de vaten der flessen’. – SV.

Het is trouwens nog zeer de vraag of je deze tekst in verband kan bren­gen met machten uit het voorgeslacht. Een artikel dat daarover versche­nen is, heeft indertijd nogal wat stof doen opwaaien. Eljakim, die in de­ze teksten genoemd wordt, begon dan heel goed, maar dan hangen ze het hele gewicht van zijn familie aan hem. Die pin die op een hechte plaats was vastgeslagen, raakt los en dan valt alles omlaag. Dat zou dan betekenen: iemand kan goed beginnen en kan heel wat worden en zijn. Maar dan op een gegeven ogenblik gaat het hele gewicht van ‘het huis zijns vaders’ – zoals er letterlijk staat – aan hem hangen en dan valt alles omlaag. Er zijn in de bijbel inderdaad enkele frappante voorbeel­den van machten uit het voorgeslacht, die op de nakomelin­gen een door­gaande werking uitoefenen. Dat kan dan inderdaad ten goede zijn of ten kwade.

Men legt dit gedeelte ook wel uit als een profetie in verband met het lij­den van Jezus. De zondeschuld van heel de wereld die op Jezus rust, wordt tenietgedaan. ‘En de last die daaraan hing, zal teniet gaan’.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410212 bezoekers sinds 07-06-2010