De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 10

20-08-2011 door Joop Neven

HOOFDSTUK 5

Vrijspraak – God spreekt net zo lang tot je vrij bent

God is de scheppende God; de Dei Creator. Hij is de God die te voor­schijn roept. Hij is de God die te voorschijn gelooft. Hij spreekt net zo lang, tot je helemaal te voorschijn bent gekomen Dat is ook mede het thema waar het in Ro­mei­nen 5 over gaat. In Romeinen 5 gaat het over de vrijspraak. Het woord ‘vrijspraak’ is een heel bijzonder woord. Wat dat betreft heeft het Nederlands toch ook wel zijn aantrekkelijke kanten. Zelfs met het Nederlands kun je nog leuke dingen doen, laat staan met het Hebreeuws. Alle talen hebben nog wel iets be­waard van dat geheim. Vrijspraak is toch wel een heel nobel begrip. Want daar zit het woord spreken in en ook het woord vrij. Dat betekent dat God net zo lang spreekt tot je vrij bent. Hij spreekt je te voorschijn. De mens wordt vrij-gesproken. Je bent geroepen om mens te zijn. Je zou ook kunnen zeggen beroepen. Zoals een predikant ergens beroepen wordt, zo worden wij beroepen tot mens. Mensen worden vrijgesproken en juist daarin begint in wezen het scheppingswerk. God is aan het eind van Genesis 1 niet opge­houden met scheppen. Het scheppen gaat nog steeds door. Dat zie je bijvoorbeeld heel mooi verwoord in psalm 124. Eerst wordt daar zeven verzen lang verteld over de bevrijding van de mens, of eigenlijk van het volk. Een psalm waar­van je heel goed kunt zeggen: zing het als achtergrondmuziek.

Een bedevaartslied. Van David.

Ware het niet de HERE, die met ons was, – zegge nu Israël –

ware het niet de HERE, die met ons was, toen mensen tegen ons opstonden, v.2.

dan hadden zij ons levend verslonden, toen hun toorn tegen ons ontbrandde; v.3.

dan hadden de wateren ons overstroomd, een wilde beek ware over ons heengegaan; v.4.

dan waren de overstelpende wateren  over ons heengegaan. v.5.

Geprezen zij de HERE, die ons niet overgaf ten buit aan hun tanden! v.6.

Onze ziel is ontkomen als een vogel uit de strik van de vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen!” v.7.

Onze hulp is in de naam des HEREN, die hemel en aarde gemaakt heeft”. – Psalm 124:1-8.

In deze psalm wordt gesproken over wateren, overstelpende wateren, tan­den, vogelvangers. Op die manier kan die benauwdheid soms over een mens of over een volk komen. Het volk van God heeft het vaak niet breed. In de eerste vijf verzen wordt beschreven hoe de mens bijna ten on­der gaat door die overstelpende wateren. Maar dan staat er in vers 6: ‘Geprezen zij de HERE, die ons niet overgaf ten buit aan hun tanden!’. Dat is dan het verhaal van de bevrijding. Deze psalm wordt dan afgesloten met: “Onze hulp is in de naam des HEREN, die hemel en aarde gemaakt heeft”. – v.8.

Je kunt vertalen: die hemel en aarde gemaakt heeft, maar je kunt het ook vertalen in de tegenwoordige tijd en zeggen: ‘die hemel en aarde maakt’. In dat woord maken zit ook die gerichtheid op een voleinding. Zoals er ook predikanten zijn, die aan het begin van de dienst zeggen: ‘onze hulp is in de naam van de Here die hemel en aarde gemaakt heeft en tot vol­tooiing brengt.’ Hij maakt en Hij brengt tot voltooiing. God is nog altijd bezig te maken. Als je let op de structuur van psalm 124, dan zijn er zeven ver­zen die over de bevrijding gaan, terwijl het achtste vers over de schep­ping gaat. Met andere woorden: de schepping komt aan het eind. En daar zie ik dan met vreugde naar uit. De schepping komt nog. Zoals ook de jood­se denker Ernst Bloch zegt: de schepping komt aan het eind. Of ook zoals Ed­mond Fleg zegt: terug naar de toekomst. Dus wij zijn op weg naar Ge­nesis. Genesis gaat nog komen. Mensen vragen zich soms af hoe lang is Genesis nu geleden, maar je moet bij Genesis eigenlijk vragen: hoe­lang duurt het nog. Bij Genesis moet je niet terugkijken, maar vooruit­kij­ken. Wil je zicht krijgen op de eindtijd – als je dat woord eindtijd wilt ge­bruiken – dan moet je naar het boek Genesis gaan. Dan komt het boek Openbaring ook beter op zijn plaats.

Het motief van het voortgaande scheppingswerk

Gods scheppen en maken in de tegenwoordige tijd zie je bijvoorbeeld ook in Jesaja 42. “Zo zegt God, de HERE, die de hemel schiep en hem uitspande; die de aarde uit­­breidde met alles wat daaruit ontsproot; die aan de mensen die daarop wo­nen, de adem gaf en de geest aan hen die daarop wandelen”: – Jes.42:5.

Je kunt deze tekst ook in de tegenwoordige tijd vertalen: “Zo zegt God, de HERE, die de hemel schept en hem uitspant; die de aarde uit­breidt met alles wat daaruit ontspruit; die aan de mensen die daarop wo­nen, de adem geeft en de geest aan hen die daarop wandelen:” – Jes.42:5.

God is nog altijd de Schepper. In de 18e eeuw had de stroming van het deïsme nogal een sterke invloed. Men zei dan: je kunt God bij wijze van spre­­ken vergelijken met een horlogemaker. Hij heeft een horloge ge­maakt, Hij heeft het opgewonden, maar dan kijkt Hij er verder niet meer naar om. De horlogemaker is ver­der niet meer geïnte­resseert in dat hor­loge. Maar bij God is dat anders! God is wèl geïnteresseerd in dat werk­stuk van zijn handen. Want Ge­ne­sis zegt: in zes dagen heeft God al zijn vakwerk gemaakt – zoals er let­ter­lijk staat – en brengt het tot voltooiing. Het vakwerk van God dat Hij gecreëerd heeft, gaat Hij ook ver­zoenen. Hij gaat ook voort met te scheppen en te herscheppen. “Hoor naar Mij, Jakob, Israël, mijn geroepene. Ik ben dezelfde, Ik ben de eerste, ook ben Ik de laatste`. – Jes.48:12

Hoor naar Mij, ….. (hier zie je dat de profeet weer helemaal inhaakt op dat Sjema Jisrael) en Israël, mijn geroepene. ‘Ik ben Hij’; zo staat het er eigenlijk; Ani hu. Dat is een van die typische uitdrukkingen, met name in dat gedeelte van Jesaja. Ani hu, Ik ben Hij. Dat wordt dan meestal vertaald met ‘Ik ben dezelfde’. Ik ben Hij. Dat is als het ware een herinnering aan: Ik ben die Ik ben. Ik ben de eerste, ook ben Ik de laatste.

`ook heeft mijn hand de aarde gegrondvest en mijn rechterhand heeft de he­me­len uitgebreid. Roep Ik hen, zij staan daar tezamen`. – Jes.48:13

`Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond, en Mijn rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten; wanneer Ik ze roep, staan zij daar te zamen`. – SV.

‘Ook heeft mijn hand de aarde gegrond’. Ja, hier is het toch wel een vol­tooide tijd. En mijn rechterhand, mijn jamim, heeft de hemelen uitge­breid. Roep ik hen….. dan krijg je dus weer een tegenwoordige vorm….. wanneer ik hen roep…. dan staan zij daar tezamen. Dat is tegenwoordige tijd. Dus God heeft gegrondvest, God heeft uitge­breid, maar als Hij ze nu roept, dan staan ze overeind. Van daaruit dan ook in vers 14 de oproep: `Vergadert u allen en hoort. Wie onder hen heeft dit verkondigd? Hij, dien de HERE liefheeft, zal zijn welgevallen voltrekken aan Babel en zijn macht aan de Chaldeeën . – Jes.48:14. Letterlijk: ‘zijn arm, aan de Chaldeeën’. Want, zegt vers 15: `Ik, Ik heb gesproken, ja, Ik heb hem geroepen; Ik heb hem doen komen en hij zal voorspoed (doorstoten) hebben op zijn weg . – Jes.48:15. Vers 15 heeft wel een voltooide tijd, maar men heeft naar alle waar­schijn­­­lijk­heid toch in dit geval – want dat heeft dit deel van Jesaja nogal veel – een werkwoordsvorm genomen, die een zogenaamde performa­tivum wordt genoemd. Dat is een werkwoordsvorm waarin op het mo­ment dat het gezegd wordt, iets gebeurt. Als je vers 15 dus performatief vertaalt, kun je zeggen: ‘Ik spreek, Ik roep hem (nu, van­daag), en Ik doe hem komen en hij zal doorstoten op de weg’. Dus dat gebeurt op het moment dat God het zegt. Dat is dus een profetisch perfectum. Het is een profetisch ge­beuren. En daarom wordt er een voltooide tijd gebruikt, omdat het zich voltrekt op het moment dat het door God wordt gezegd. Zo eindigt vers 16 dan ook: `Nadert tot Mij, hoort dit: Van de aanvang af heb Ik niet in het verborgene ge­sproken; ten tijde dat het geschiedt, ben Ik daar`. Jes.48:16a. Dus je komt dat nogal eens tegen, ook bij de profeten, het motief van het voortgaande scheppingswerk.

Gij, die als allerlaatste ter wereld wederkomt

`En nu heeft de Here HERE mij met zijn Geest gezonden:` – Jes.48:16b.

Bij ‘En nu’ (‘Maar nu’ kan ook) wordt toch wel weer een nieuwe gebeur­tenis ingeluid. Hier krijg je weer een nieuwe etappe in het handelen van God. God heeft van de aanvang af gesproken, maar nu, nu wordt de knecht des Heren gezonden met de Geest van God. Je ziet hier dus in feite twee fasen: eerst ‘van de aanvang af’ en dan ‘maar nu’. Midden in vers 16 krijg je dus die overstap naar de volgende etappe in het han­de­len van God. Dat is juist het punt waar het in dit hele gedeelte van Jesaja om gaat, namelijk dat God nu iets nieuws gaat doen in die knecht des He­ren, die dan als eersteling van de ballingen uit Babel wordt gezon­den, om uit te trekken uit de ballingschap. Hij is dus de eersteling van de bal­lingen. Dat is in wezen toch ook weer een Messiaans verhaal. Zo is Jezus ook als eersteling van de ballingen uitgegaan uit het dodenrijk. Aan de andere kant is Hij ook de laatste, wat zo mooi staat in een lied:

Gij, die als allerlaatste

ter wereld wederkomt,

Gij wijst ons onze plaatsen

wanneer de strijd verstomt(Frits Mehrtens – Liedb.70)

Hij is inderdaad ook de eerste, de eersteling uit de doden. Maar Hij is te­gelijk ook de laatste, want Hij wacht tot al die verloren zonen thuis­ge­ko­men zijn. Hij gaat als laatste de feestzaal binnen. Dat is toch ook een heel fundamentele gedachte. Ook wat dat betreft wordt de Messias, die de eer­ste was, de laatste. Juist omdat Hij de mensen en al die zwervers en ballingen op zijn hart draagt. Hij wil niet, dat een van hen in die nacht blijft rondzwerven.

Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God

Het eerste stuk van Romeinen 5 knoopt weer aan bij hoofdstuk 4.

`Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze He­re Jezus Christus,  – Rom.5:1.

 De mens wordt gerechtvaardigd, de mens krijgt zijn tweede onschuld.

Anne Vlieger schrijft zo mooi: gerechtigheid (tsedaqah) is je tweede on­schuld. De eerste onschuld is de onschuld van een kind. Die gerecht­ig­heid betekent dat de mens weer wordt teruggebracht in een situatie van onschuld. En steeds klinkt daar in de evangeliën de roep om weer in die situatie van onschuld te worden gebracht. Want de aanklagers zijn dicht­bij, vaak van binnen en van buiten. God gaat de mens veront­schul­di­gen. Het woord ‘verontschuldigen’ heeft bij ons van liever­lee een enigs­zins andere betekenis gekregen. Buber ver­­taalt het ook vaak met ‘Entschuldigung’. De mens wordt onder de schuld vandaan gehaald. Dat is het oordeel van God. Mensen gaan vaak gebukt onder het oordeel en onder vooroordelen. Een vooroordeel is een oordeel dat aan het eigenlijke oordeel voorafgaat. We moeten vaak nog genezen worden van al onze vooroordelen. God zegt: als jij nu eens ophoudt met al je vooroordelen, dan kan Ik eindelijk komen met mijn oordeel. Dat oordeel van God is zo totaal anders dan wij meest­­al ver­onderstellen. Het oordeel van God is juist ook weer creatief. Dat bete­kent niet dat God komt om je alleen maar de feiten te vertellen, maar dat betekent juist dat God de mens onder het kwaad vandaan haalt. Door het oordeel van God word je niet vastgepind, maar daar word je juist door losgemaakt. Het wordt zo mooi onder woorden ge­bracht in een lied van de dichter Klaas Heeroma. Zulke mensen moet je ook gedenken en in ere houden. Klaas Heeroma is hoogleraar in Gro­ningen geweest. Zijn dichtersnaam was Muus Jacobse.

Komt, die van hopen moede zijt,

Die arm zijt van verlangen!

Komt tot het oordeel dat bevrijdt

en ’t heil, dat eeuwig u verblijdt,

zo vrij om niet ontvangen!    (Lied 53 – Muus Jacobse)

Komt tot het oordeel dat bevrijdt; dat is wat het oordeel van God doet. Dan kom je eindelijk in de vrijheid. Het oordeel van God is niet om je neer te slaan, dat is niet opnieuw een zweepslag, dat is niet om de mens te verdoemen en te verwerpen. Maar dat is zoals God door de hof wan­delt en zegt: mens, waar ben je!? God wandelt niet door de hof om de mens te veroordelen, want dat was hij al, maar God wandelt door de hof om de mens weer terug te vinden. Dus dat oordeel haalt je onder het stof vandaan. Komt tot het oordeel dat bevrijdt. De tweede onschuld; Willem Barnard heeft dat zo prachtig gezegd in een aantal regels, waar in feite heel Romeinen 5-8 in zit. Vier hoofdstukken, maar hij zegt het in vier regels.

Liefde zal het leven heten

en de tijd is niet meer boos,

angst en argwaan zijn vergeten,

al wat leeft, leeft argeloos.

Angst en argwaan zijn vergeten

Liefde zal het leven heten. De tijd is zo vaak boos en zegt dan: toen heb je gefaald; later ging het ook al niet zo best met je, indertijd heb je heel wat kansen gemist. In die periode ben je verbitterd geraakt, en daarna hebben ze je aan de kant gezet. De tijd is altijd boos op de mensen. En dan wordt er ook nog gezegd: de tijd heelt alle wonden, maar dat klopt meestal niet. Mensen hebben soms wonden, die na 50 jaar nog steeds schrij­nen. Het slijt wel; nee, het slijt niet, maar jij wel. Maar dan komt God en zegt: maar de tijd is niet meer boos. Angst en argwaan zijn ver­dwe­nen; dat zijn ook vaak de twee basisproblemen van de mens, waar­door hij lamgelegd kan worden. Dan kan hij eigenlijk niet meer zijn vleu­gels uitslaan.

Hoeveel mensen zijn er niet die eigenlijk bang zijn voor de ander. Ze er­varen de ander als een bedreiging. Sommige men­sen ervaren het als een wonder als ze mee mogen doen met de ander. Ze zijn verrast als ze ont­dekken dat ze er gewoon mogen zijn. Mensen die altijd het gevoel had­den dat ze krom moesten gaan staan, omdat ze dach­ten dat er weer een oordeel over hen zou worden uitge­spro­ken. En dan komt God en zegt: mijn kind, angst en argwaan zijn vergeten. Je hoeft niet meer achter­doch­tig te zijn. Argwaan, Buber vertaalt dat vaak in het Duits met ‘Arg’. Dat is dan de boosheid; de bedrijvers van het ‘Arg’, van de ongerech­tig­heid, van de kwaadheid. Al wat leeft, leeft argeloos (zonder Arg). Dat Arg hangt natuurlijk ook weer samen met erg en er­ger­nis. Dan komt de mens eindelijk in zijn tweede onschuld. De eerste on­schuld is van dat kind dat zo onbevangen en ongerept kan zijn. Het kind heeft nog geen kwaad gedaan, het kan dus ook nog niet veroor­deeld worden. Dat kind is nog helemaal blanco. Dan gaat God de mens ont-schuldigen. Dan komt hij weer terug op het niveau van het kind. Zo overwint de genade, want daar gaat het over in Romeinen 5.

Toch overwint eens de genade

`Onze He­re Jezus Christus, door wie wij ook de toegang hebben verkregen in het geloof tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heer­lijkheid Gods . – Rom.5:2.  Genade is het gevolg van de ontferming. Genade wil zeggen dat God zich naar mensen toebuigt. In het Hebreeuws is genade het woord chein. Vanuit het Jiddisch is het bij ons als het woord ‘gein’ ingeburgerd. God buigt zich naar mensen en de mens mag zich dus buigen naar God. En de genade gaat het winnen!

Toch overwint eens de genade,

en maakt een einde aan de nacht.

Dan onderwerpt de Heer het kwade,

dan is de strijd des doods volbracht.

De wereld treedt in ’s Vaders licht,

verheerlijkt voor zijn aangezicht.  

(Liedb.297 – Theophil Brodersen; 1859-1938)

Deze oude Scandinavische zanger heeft het geweten.

En dan gaat dat lied verder:

O, welk een vreugde zal het wezen

als Hem elk volk is toegedaan;

uit aard’ en hemel opgerezen

vangt dan het nieuwe loflied aan.

Als ieder voor de Heer zich buigt

en alle stem Gods lof getuigt.  

 (Liedb.297 – Johann Christoph Blumhardt; 1805-1880)

Het tweede couplet is van Blumhardt. Het eerste couplet is van Broder­sen, die heeft ook daar in Badhorn gewoond. Hij was een zoon van Gott­lie­bin Dittus, die onder de bediening van Blumhardt na een lange strijd is vrijgekomen van demonen. Haar zoon heeft dus dat lied gemaakt; hij heeft natuurlijk van zijn moeder gehoord, wat zij allemaal had mee­ge­maakt. Gottliebin Dittus had op een onvoorstelbare manier onder de macht van de duisternis gezeten. Na een lange worsteling is zij dus ein­delijk vrij­gekomen. ‘Jesus ist Sieger’ moest die grootvorst van de demo­nen krij­send erkennen. Toch overwint eens de genade en maakt een einde aan de nacht, dan onderwerpt de Heer het kwade, dan is de strijd des doods vol­bracht. Je ziet dat dit een lied is met een verhaal. Dat zou je dus goed bij Ro­mei­nen 5 kunnen zingen. Je moet eigenlijk liederen verzamelen uit alle tra­di­ties en richtingen en bundels. Het is eigenlijk doodjammer dat er zo­veel liederen weer overboord worden gegooid. Er zijn prachtige oude lie­deren en prachtige nieuwe liederen en die moeten eigenlijk allemaal samen-stem­­­men. Want wij geloven samen met alle heiligen en we zin­gen ook samen met alle heiligen.

We roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods

En roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods . – Rom.5:2b.

Vanuit het geloof kom je tot de hoop. Hoop kan een sterke factor zijn in een mensenleven, dat moet je niet onderschatten. André Neher zegt er­gens zo mooi: je hebt mensen die geloven en er zijn er die hopen, maar dat hoort er allebei helemaal bij. Zij die hopen zijn het dapperst – aldus Neher – en zij die geloven zijn het sterkst. Hier worden ze niet tegen el­kaar uitgespeeld, maar hij roemt zowel de een als de ander. Dat is het oergeheim van Israël, die tiqwah, die verwachting. Het volk van God heeft altijd de hoop vastgehouden, hoop op de heerlijkheid van God. Dat is de hoop dat de heerlijkheid van God gezien zal worden in en over zijn mensen en in zijn schepping. De hoop dat het einde lichtglans zal zijn. `En niet alleen (hierin), maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij we­­ten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, en de volharding beproefd­heid, en de beproefdheid hoop`. – Rom.5:3,4.

De verdrukkingen horen erbij, daar gaat heel het volk van God door­heen. Dat is he­lemaal niet vreemd. In Handelingen 14 zegt Paulus ook, dat wij door ve­le verdrukkingen het Koninkrijk moeten binnengaan. `Om de zielen der discipelen te versterken en hen te vermanen om te blijven bij het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten bin­nen­gaan`. – Hand.14:22.

In het boek Job zien we de mens als mikpunt. De mens die het mikpunt wordt van de machten van het kwaad. Het woord verdrukkingen be­tekent letterlijk: òp iemand zitten. Dan word je naar beneden geprest. Dan wordt ook het begrip volharding genoemd; het woord volharding betekent eigenlijk: eronder blijven. We blijven eronder, in de zin van: we lopen niet weg. Zij die volharden blijven op hun post. Dat be­hoort ook het kenmerk te zijn van de gemeente, zoals er ook in het boek Open­baring staat. God bedoelt niet, dat het volk van Hem dan maar moet ver­dwijnen, maar dat het juist zal blijven tot de eindstreep. Niet de ge­meente moet weg van de aarde, maar de duivel moet weg van de aarde. De gemeente zal moeten blijven tot het laatst van de dagen. Luther zong dat ook al: Gods woord houdt stand in eeuwigheid en zal geen duim­breed wijken. Mensen zeggen soms zo makkelijk: je moet boven de omstandigheden staan. Paulus zegt dat je eronder moet blijven. Maar als je er dan onder blijft en je gaat er doorheen, dan ben je overwinnaar. Zoals ook de pro­feten door de ballingschap heengegaan zijn. Zij stonden er ook niet bo­ven, maar zij gingen er doorheen. Ook Jezus is door de verdrukking heengegaan. Dan kun je inderdaad zeggen, dat de ‘sjechina’ meegaat. We hopen op de sjechina, op die heerlijkheid van God. De sjechina be­tekent: God in ballingschap. Je hoopt dat juist in de ballingschap de licht­glans van God tevoorschijn zal treden. Juist in de ballingschap, juist daar, zal de aanwezigheid van de Allerhoogste gestalte krijgen.

Hier in dit stervend bestaan

wordt Hij voor ons geloofwaardig

worden wij mensen van God,

liefde op leven en dood.

Niet in het graf van voorbij

niet in een  tempel van dromen.

Hier in ons midden is Hij

hier in de schaduw der hoop.  (Liedb.325-Huub Oosterhuis)

Dat is dat leven in de schaduw van de hoop. Dat leven van de hoop gaat een weg, een weg die getekend wordt in vers 4: verdrukking, volhar­ding, beproefdheid, hoop. Je ziet iets dergelijks wel meer, iets wat je bij wijze van spreken een kettingreactie zou kunnen noemen. In 2 Petrus 1 zien we ook iets van een dergelijke ‘ketting’. `Maar schraagt om deze reden met betoon van alle ijver door uw geloof de deugd, door de deugd de kennis, door de kennis de zelfbeheersing, door de zelf­­beheersing de volharding, door de volharding de godsvrucht, door de gods­vrucht de broederliefde en door de broederliefde de liefde (jegens allen)`. 2 Petr.1:5-7.

Ook bij de rabbijnen zien we het gebruik om op die manier een soort ke­ten te vormen, waarbij het een uit het ander volgt. Dan bewandel je een weg en die weg loopt uit op de hoop. Makkelijk zal de weg niet zijn, maar je hebt de horizon voor ogen. Zo gaat alle volk door de woestijn heen. Een reis door de woestijn met uitzicht op het land. Steeds zien we weer dat uitzicht op het land. Daar eindigt ook de Torah mee. Mozes staat daar op de Nebo en hij ziet in de verte het land. Mozes zegt: Kom Jozua, jij moet het volk het land binnenleiden. `Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de geest der wijsheid, want Mozes had zijn handen op hem gelegd. Daarom luisterden de Israëlieten naar hem en deden zoals de HERE Mozes geboden had . – Deut.34:9.

Het boek Openbaring eindigt in wezen op dezelfde manier. Daar staat: Kom Jezus. Dat is dezelfde naam; Jezus en Jozua. `Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom, Here Jezus! –

De Torah eindigt met: kom Jozua.

Het boek Openbaring eindigt met: kom Jezus.

Aan het eind van de Torah zeg je: land in zicht! Aan het eind van het boek Openbaring zeg je: land in zicht! Die hoop moet al ons leed verzachten. We kunnen zo heel de Romei­nenbrief als het ware zingen. Volharding betekent dus dat je op je post blijft, dat je eronder blijft. Be­proefdheid is eigenlijk het resultaat van volharding, waardoor je door het examen heen gekomen bent. Dan heb je in feite de test doorstaan. Zo­als ook Jezus in de woestijn in die 40 dagen werd verzocht. En Hij is door die 40 dagen heen gekomen. Bij Jezus zie je dus ook zo mooi, dat Hij op zijn post blijft. Hij maakt niet eventjes brood van die stenen, nee, Jezus kiest voor de weg van de onmacht. Hij gaat dus de tempel niet gebruiken als springplank voor een eigen carrière. Jezus kiest niet voor de weg van het succes. Hij is ook niet op het dak van de tempel, maar Hij zoekt het hart van de tempel. Het was ook voor Hem zaak om eron­der te blijven. Hij had erboven kunnen gaan staan en alles naar zijn hand kunnen gaan zetten. Maar Hij wou de dingen niet naar zijn hand zet­ten, maar Hij wou de mensen naar zijn hart zetten. In verband met de hoop en het geloof kunnen we opmerken, dat er wel een wisselwerking is. De hoop wordt ook gevoed vanuit de Schriften. Dat staat ook zo mooi in Romeinen 15:  Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden . – Rom.15:4. Dus de hoop wordt gewekt en gevoed vanuit de Schriften. De Schrif­ten zijn dus bedoeld tot vertroosting.  en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitge­stort is door de heilige Geest, die ons gegeven is , – Rom.5:5. De hoop staat aan het begin en staat aan het eind. Die hoop gaat als het ware mee. Zoals er ook staat geschreven: `De God nu der hope (El ha’tiqwah) vervulle u met louter vreugde en vrede in uw geloof, om overvloedig te zijn in de hoop, door de kracht des heiligen Gees­tes . – Rom.15:13. God is de God die hoop heeft en hoop geeft. Hij is de God die dwars te­gen alles in zijn hoop blijft vasthouden. God blijft hopen op de terug­keer van zijn schepping, op de terugkeer van de mensen. God blijft ho­pen op de wederoprichting van alle dingen. `en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitge­stort is door de heilige Geest, die ons gegeven is,  – Rom.5:5. Dat zegt Paulus dan met een citaat uit psalm 25. Hoe weet Paulus nu dat de hoop niet beschaamd maakt? Als je nu aan Paulus vraagt, hoe weet je dat nu, dan zegt hij: het staat toch in de psalmen! `Ja, allen die U verwachten, worden niet beschaamd, beschaamd worden wie trouweloos handelen zonder oorzaak.- Ps.25:3. Dus Paulus zingt psalm 25. Zij die U verwachten, zullen niet be­schaamd worden. En hij zegt: op grond daarvan weet ik, dat die hoop niet be­schaamd zal wor­den. Dus dat leest hij niet zozeer af uit bepaalde erva­rin­gen. Het is niet zozeer het punt dat Paulus zegt: ja, dat is nu mijn be­levenis. Alles zal altijd rech kom. Ja, het komt allemaal wel weer op zijn pootjes terecht. Ja hoor, ik ervaar dat altijd. Na het zure komt altijd het zoet. Paulus kan niet zozeer zeggen: ik zie het allemaal opti­mis­tisch in. Maar Paulus zegt: ik lees dat in die psalm. En als ik nu die psalmen weer hoor, en als ik die psalmen weer zing, die psalm 25, en die psalm 22, dan wordt de hoop in mij weer levend. `tot U hebben zij geroepen en zij werden gered,  op U hebben zij vertrouwd en zij zijn niet beschaamd`. – Ps.22:6.

Als Paulus dan die psalmen zingt in de synagoge, dan zegt hij: zie je nu wel. Ja, wat zie je dan? Dat staat er toch in die psalm! Ja, maar je ziet toch niets! De oude joodse wijsheid zegt ook: als je dan zit in de strijd en in de nacht, ga dan niet zitten wachten op een wonder, maar zing een psalm. Daar zit toch heel wat in. Niet het wachten op het spec­ta­culaire, maar zing de psalmen. Dat heeft Jezus ook gedaan. Hij heeft ook die psalmen gezongen.

God echter bewijst zijn liefde jegens ons

De componist-dirigent (?) Frits Mertens zei eens: als wij nu psalmen zin­gen, wat denk je dan dat Jezus doet? Luistert Hij dan wel? Niet alleen dàt, Jezus zingt mee, Hij zingt de bovenstem. Volgens Frits Mertens zegt Jezus dan: Va­der, hoort U ons zingen?! Jezus staat er niet als toeschou­wer bij, maar zegt: Vader, hoor ons eens zingen! Jezus is ook onze voor­zanger. Hij is onze voorganger, Hij is ook onze voorzanger. Hij is de­gene die zijn volk voorgaat en voorzingt. Paulus heeft dat ook geweten en zegt vanuit dat psalmwoord: de hoop maakt niet be­schaamd. `en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitge­stort is door de heilige Geest, die ons gegeven is. – Rom.5:5. De liefde die sterker is dan al het kwaad.

Want de aarde jaagt ons naar de diepte toe,

maar de hemel draagt ons, liefde wordt niet moe.

De liefde van God wint het, die is uitgestort in onze harten. Daardoor krij­gen de harten weer koers. Ze krijgen weer moed om te leven. Courage to be, zou Paul Tillich zeggen, de moed om er te zijn. Er is ook een ver­band tussen hart en moed, cœur en courage. In het Hebreeuws is hart lebh, je moet maar lef hebben! Hart goed, al goed! Vanuit het hart komt het leven. ‘Vanuit het hart zijn de uitgangen (de oorsprongen) van het le­ven’. De liefde van God wordt uitgegoten in de harten. Die liefde komt als een vernieuwende doorstroming van het hart. Dat gaat Paulus wat verder uitwerken, want dan zegt hij in vers 6: `zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorven. Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven – maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven`.  Rom.5:6,7.  Misschien heeft iemand nog de stoutmoedigheid om te sterven voor een goede. `God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zon­da­ren waren, voor ons gestorven is`. – Rom.5:8. Hij bewijst zijn liefde. Dat is het enige wat God bewijst.

Wat je bewijst, voorgoed bewijst, wat je bewijst aan liefde.

Je weet het toch: de liefde is je duurzaam signalement.

Dat kun je van God ook zeggen: liefde is Gods signalement. Daaraan is Hij herkenbaar. Dat is ook wat God onderscheidt van alle goden. `God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zon­daren waren, voor ons gestorven is`. – Rom.5:8. God bewijst zijn liefde; in de grondtekst staat een woord dat betekent zoiets als ‘mede ondersteunen’. Dat is de genade die zich doorzet, die vast­gezet wordt. God laat zich daar niet vanaf brengen, ook niet door het feit dat de mens faalt. Ook niet door het kwaad, ook niet door de schuld, ook niet door alle dingen, waardoor mensen zich als het ware on­­moge­lijk maken. Juist in die diepte van het ‘zondaar zijn’ zet God zijn ontfer­ming door. Dat is leven tot het uiterste.

God was de wereld met zichzelf verzoenende

Dat is de genade die tri­om­feert, tegen het kwaad in, ook tegen de haat in. Ook tegen de vijand­schap in, want dan staat er in vers 9: `Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed (letterlijk: ‘in zijn bloed’) gerecht­vaardigd (dat is de tweede onschuld), door Hem behouden worden van de toorn`. – Rom.5:9. Veel meerDat is ook weer zo’n typisch rabbijnse manier van zeggen. Want dan ga je van het kleinere naar het grotere. Dat is een bepaalde methode van exegese (calo ha konet…). Hierbij ga je dus van het lichtere naar het zwaarde­re. Als dat nu al zo is……  hoeveel te meer geldt dan…… Er is de overtreding (v.9), maar veel meer is de genade. Dat betekent dus niet dat de zaak net in balans is, maar juist dat de balans doorslaat naar de kant van de genade. God houdt de zaak niet in evenwicht, op­dat het niet helemaal uit de hand zal lopen; Hij is niet de God van de gulden middenweg, maar veel meer….. door Hem behouden worden van de toornJe komt dus niet meer onder die toorn. Dat is wat God doet; dat is leven tot het uiterste en tot het innigste. Behouden worden (bevrijd worden) van de toorn. `Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, door­­­­dat Hij leeft;` – Rom.5:10. Een betekenis van het woord verzoenen dat hier gebruikt wordt, is ‘rui­len, verwisselen’. Dat betekent dus dat Hij onze plaats inneemt en dat wij zijn plaats mogen innemen. Jezus heeft in wezen geruild met de men­­sen. Hij heeft hun lot gedragen, Hij heeft hun pijn en hun eenzaam­heid geïncasseerd.

Om zo mens te worden met de mensen

 in al de pijn waarin de mensen mensen zijn.

Je zou haast zeggen de hereniging. In hereniging zit het woord één. Dat betekent dus dat God en de mens weer één worden. Maar dan is het zo mooi dat dit van God uitgaat. Dat is ook weer zo heel anders als bij al die andere religies. Daar zie je dan vaak dat die goden verzoend moeten worden. Dan moet de mens van alles presteren om die verzoening te be­rei­ken. De goden moeten weer vriendelijk gestemd worden. Maar de God van Israël neemt zelf het initiatief. God was de wereld met Zichzelf verzoenende. `En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, Ø welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun over­tredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toe­vertrouwd`. – 2.Kor.5:18,19.

Dus God zet die verzoening op touw. Heel die verzoening is uit Hem voortgekomen. Het is niet zo dat God vermurwd of omgeturnd moet wor­den. De Romeinen kennen in dat verband het woord plakare, glad­strij­ken, waarbij het aangezicht van de goden moest worden gladge­stre­ken. Maar de God van Israël zegt: Ik ga jou weer verzoenen. Het pro­bleem zit niet bij God; het punt is: hoe wordt die mens weer heel, hoe wordt die mens weer één, één vanbinnen. Op zich is het heel bijzonder als die mens weer één wordt: één met God, één met zichzelf, en vandaar uit ook één met de ander. Als je van binnen niet één bent, is het ook moeilijk om één te zijn met de ander. Je kunt wel zeggen: de gemeente moet één worden, maar het moet ook van binnenuit beginnen. Als je van binnen innerlijk verdeeld bent en opgesplitst, dan wordt dat ook weer afgereageerd op anderen.

Verzoend door zijn dood en behouden door zijn leven

`zullen wij veel meer (daar zien we weer dat ‘veel meer’), nu wij verzoend zijn, behouden worden, door­dat Hij leeft`; – Rom.5:10b. Letterlijk: ‘behouden worden in zijn leven’. Dus we zijn verzoend door zijn dood en we worden behouden (bevrijd) door zijn leven. Dat woord behouden omvat in wezen een heel scala van begrippen. Dat omvat ook het totale herstel; dat is die Messiaanse be­vrijding, voortkomende uit Gods totale herstelplan. We zullen be­vrijd, hersteld, behouden worden in het leven van de Messias. Dat is het leven dat de Messias leidt; het leven van Jezus is de kiem van waaruit heel de schepping hersteld wordt. Deze verschillende aspecten kun je niet strak in vakjes indelen. Gods her­stelplan omvat in feite een eenheid. We zien steeds meer, dat je al die aspecten van Gods handelen niet kunt opsplitsen. Wat gebeurt er in we­zen door het sterven van de Messias? Door zijn sterven komt er ook een einde aan het oude bewind, het schrikbewind. Dat is de bevrijding. Als Jezus sterft, ‘ontsterft’ Hij aan het kwaad. Hij wordt aan het kwaad ont­trokken, ontheven. Dat sterven van Jezus betekent in wezen het broe­der zijn tot het einde. Want Hij sterft aan zijn solidariteit met de mensen. Jezus had de dans kunnen ontspringen. Alleen had Hij ons dan los moe­­ten laten. Dan had Hij zo van het kruis af de hemel binnen kun­nen gaan. Hij had zo een legioen engelen kunnen oproepen. Omdat Hij broe­der wilde zijn tot het uiterste, werd Hij inderdaad ook degene die stierf; dat kostte Hem het leven. Liefde op leven en dood. Omdat Hij die weg gaat tot het einde – net als Mozes, Mozes die ook het land niet in kon gaan – zo sterft ook Jezus buiten de stad als een ontheemde, als een balling, van zijn bodem verbannen. Het sterven van Jezus betekent in wezen het broe­der zijn tot het uiterste. Hij blijft de mensen vasthouden en blijft so­li­dair met allen. Jezus wilde ook bij allen horen. Iedereen wil het liefst bij een bepaalde groep horen. De mensen willen je ook ergens kunnen plaatsen. De mens moet in feite in een vakje zitten. Als je niet in een vakje zit, ben je een on­duidelijke figuur. De grootste kracht van Jezus is geweest, dat hij bij allen wilde horen; dat veroorzaakte tegelijk ook zijn grootste verdrukking. Hoort U bij de tolle­naren? Ja, daar ga Ik mee om. Hoort U bij de Farizeeën? Ja, daar spreek ik ook wel mee. Hoort U bij de Schriftgeleerden? Ja! Maar dat kan niet! Òf U hoort bij de tolle­naren òf U hoort bij de Farizeeën, of U hoort bij de Sadduceeën. Je kunt maar één vakje rood maken. Maar Jezus zegt: Ik maak alle vakjes rood, want Ik hoor bij allen. Dat was nou zijn solida­ri­teit tot in het ui­terste. Dat heeft Hem uiteindelijk aan het kruis gebracht. En juist daar­om – en dat is dan weer de paradox, want je moet in de bij­bel in para­doxen leren denken – omdat Hij broeder wilde zijn tot het einde, juist daarom werd Hij broederloos, Hij werd door alle verlaten. Dat is dan ook wat 2 Ko­rinte 5 zegt: ‘Hij werd tot zonde gemaakt’. `Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, op­dat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem`. – 2.Kor.5:21. Hij werd tot zonde gemaakt. Dat is die broederloosheid. Dat is ook wat W.G. Overbosch zegt: een tekst om duizendmaal over te vallen, maar ook een tekst om duizendmaal over te mediteren. Tegelijk staan daar die twee fundamentele aspecten in één korte tekst: ‘die geen zonde ge­kend heeft’, wat dus betekent dat hij broeder was tot het einde en ‘Hij werd voor ons tot zonde gemaakt’, wat betekent dat hij broederloos was. Hij heeft allen vastgehouden en Hij werd door allen losgelaten. Zo heeft Hij dan ook nog de verwerping gedragen. En juist daarin is Hij dan Mes­si­aans geworden. Messiaans tot op de bo­dem; inderdaad om te zijn bij hen die op de bodem zitten. Om naaste te worden van hen, die vanuit de afgrond roepen: uit diepte van ellende, roep ik met mond en hart. En dan gaat Jezus ook in die diepte van ellen­de. En Jezus roept ook: uit diepte van ellende, roep Ik met mond en hart. Zo heeft Jezus zijn hellevaart vol­bracht. Dat is de nederdaling ter helle; dat is de kern van het evan­gelie. Hij is nedergedaald tot in de totale verlatenheid. Net als Jona, die ook steeds verder neerdaalt tot in het dodenrijk. Zo heeft Jezus die afdaling ook volbracht, Hij is neergedaald tot in de diep­ten van Nineve, tot in de dood van Nineve. Hij daalt neer in onze dood. Hij daalt neer in onze nacht. Hij daalt neer in onze eenzaamheid. Hij was de Heer, Hij werd een knecht. Op Hem wat alle last gelegd. Hij was te midden van het kwaad. Hij troont in onze lage staat. (gedicht?)

Hij troont in onze lage staat

waar al wat leeft verloren gaat,

Hij kwam toen niemand naar Hem riep,

dit licht dat zoveel luister schiep.   (Liedb.150).

  …… zullen wij veel meer (daar zien we weer dat ‘veel meer’), nu wij verzoend zijn, behouden worden, door­dat Hij leeft;` – Rom.5:10b. Letterlijk: ‘behouden worden in zijn leven’. Wij worden dus behouden in zijn leven; zijn leven dat opgewekt wordt. In dat leven van de Messias, daarin zijn wij behouden. Daarin ligt het to­tale herstel, omdat Hij voorgaat en omdat dat leven niet stuk te krijgen is. Want dat leven, dat liefde heet, dat gekwalificeerde leven, dat leven heeft de langste adem. En dat zal het winnen, dwars tegen alle haat in en dwars tegen alle onheil in. God heeft meer liefde in huis dan de duis­ternis haat in huis heeft. God heeft meer ontferming in huis dan alle aan­kla­gers kunnen aanklagen. God heeft meer leven in huis dan het hele do­denrijk kan doden. Het hele dodenrijk kan proberen – en dat hebben ze geprobeerd – om de Messias te vernietigen en ook om dat volk steeds weer te vernietigen, en toch….  en zie we zijn er nog!

`en dát niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Here Jezus Chris­tus, door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben`. – Rom.5:11. Maar wij roemen zelfs’ . Daar zit iets in van: we hebben nog adem over. We kunnen trots zijn op deze God. Met deze God kunnen we voor de dag komen. God zet door, ook dwars tegen alle misverstanden in. Hij is zo vaak niet begrepen en zo vaak verworpen. Toch gaat Hij door met zijn heil te open­baren. Het oordeel van God zal tot overwinning worden gebracht. Dat is het oordeel dat bevrijdt. Dat oordeel dat komt over mensen die wanhopen aan zichzelf, over mensen die twijfelen aan de zin en de waar­­de van hun bestaan. Dan komt het oordeel van Hem om ons te ont­heffen en om ons op te heffen, om ons weer mens te maken van zijn ge­slacht. Gods oordeel slaat de mens niet de grond in, maar heft de mens op en zet hem weer overeind. De duistere krachten zijn geoordeeld en de mens mag weer op zijn voeten staan.

Gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen

`Daarom, gelijk door één mens (adam) de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen ge­zondigd hebben`. – Rom.5:12.

 ‘Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben’. – SV. Daarom, gelijk door één mens’. Je hoort hierin al het woord adam oftewel Adam. Door één mens is de zonde binnengekomen in de kos­mos (mensheid). Wat Paulus hier gaat vertellen, is niet een uiteenzetting over de zogenaamde erfzonde. Je zou hier hoogstens kunnen spreken van ‘erf­dood’. Want de dood wordt over­gedragen, geërfd. Vanouds heeft men hier ook allerlei gedachten aan verbonden van erfzonde, erfschuld, en erfsmet. Van daaruit heeft men dan gesteld dat de mens van de geboorte af een soort verworpene en ver­doemde zou zijn. De zonde als een nood­lot, onontkoombaar maar toch schuldig. Daarin zit dan meteen de hele problematiek, want hoe kun je schuldig zijn als het onontkoombaar is. Je kunt een gehandicapte niet schuldig ver­klaren omdat hij gehandicapt geboren is. Dus als een mens ergens mee behept is, ergens mee de we­reld inkomt, dan kun je dat die mens niet aanrekenen. Vanaf Augus­tinus zit je dan meteen met de hele pro­ble­matiek, omdat men er toen vanuit ging, dat zonde een biologische zaak zou zijn. Zonde zou dan biolo­gisch worden geërfd. Vader en moe­der zouden dan de zonde overdra­gen. Daar worden dan allerlei theo­rie­en omheen geweven en soms heel populair gemaakt. Ooit werd ergens in een blad de theorie verkondigd, dat de zonde geërfd wordt via het bloed. Het bloed krijg je dan van je ouders mee en in dat bloed krijg je dan ook de zonde mee. Dat is dus toch wel een wat vreem­de kronkel, alsof zonde in het bloed zou zitten. Wat zou er dan gebeu­ren, als je een bloedtransfusie ondergaat! Krijg je dan minder zonde of krijg je er juist bij? Je zou dan eerst wel naar de herkomst van dat bloed moeten vragen. Stel je voor dat het bloed afkomstig zou zijn van een onderwereldfiguur, die dan wel zo aardig was geweest om donor te zijn. Dan moet je inder­daad, zoals de Jehovah-getuigen, consequent zijn en geen bloedtransfu­sie toe­staan. Dan verval je dus in een heel letterlijke interpretatie van aller­lei teksten. Als je naar de letter gaat interpreteren, kom je soms voor vreem­­de zaken te staan. Zo was er iemand die tegen telefoon en telegra­fie was, nog in de tijd dat dit fenomeen langs bovengrondse leidingen en palen werd getransporteerd, met het motief: ‘s Heren goedheid kent geen palen. Maar de zonde is geen biologische zaak, zonde ligt niet spe­ci­fiek in het biologische aspect van de mens. Zonde is een geestelijke kwes­tie. Dus in deze tekst wordt niet gezegd dat het om erfzonde gaat, waarbij de schuld van Adam de mensen na hem zou worden toegere­kend tot in alle geslachten. Dan zou die mens reeds bij zijn geboorte doemwaardig zijn. Dat wordt er dan wel vaak aan gekoppeld.  `In zonde heeft mijn moeder mij ontvangen’ Een van de kroonteksten om de theorie van de erfschuld te ondersteu­nen is: `Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren,  in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen`. – Ps.51:7. Hier is echter geen sprake van erfzonde, maar een van de buitenechte­lij­ke afkomst van David. Merkwaardigerwijs heeft de NBV de gedachte over erfzonde blijkbaar overgenomen en zegt het zelfs nog wat krasser: `Ik was al schuldig toen ik werd geboren,  al zondig toen mijn moeder mij ontving`. Het enige wat je uit Romeinen 5:12 kunt concluderen is, dat de dood is doorgegaan tot alle mensen. Dus heel de mensheid zit in het klimaat van de dood. Dat is de ene kant van de zaak. Maar wat Paulus hier spe­ciaal wil belichten, is de andere kant van de zaak. Hij zegt er dan ook nog bij in het slot van vers 12: omdat allen ge­zondigd hebben’.  Het pro­bleem wat betreft de erfzonde is in dit geval ontstaan – althans mede ontstaan – vanuit de wisselwerking met de Statenverta­ling. De Sta­tenver­taling heeft vers 12b namelijk niet met omdat weergegeven, maar met ‘in welken’ – in welken allen gezondigd hebben’. In dit geval heeft de Sta­­tenvertaling het dus een keer niet op de juiste manier vertaald. Men ging daarom van de veronderstelling uit: in Adam hebben alle men­­sen ge­zon­digd. We waren allemaal in Adam en in Adam zijn we al­lemaal fout gegaan, dus dat is al eeuwen vóór ons beslist. Daar kunnen wij al niets meer aan veranderen. Dan heeft in dit geval inderdaad de dichter Hen­drik Marsman gelijk als hij zegt: we zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren. Alles wat na Adam komt, dat is dus in Adam begrepen en heeft al per definitie de boot gemist. De mens heeft dus geen keuze­mo­gelijkheid meer. Het is in die redenatie een noodlot – en zelfs een ver­diend noodlot – waaronder de mens­heid gebukt gaat. In dit geval ver­taalt het NBG dus beter, je zou haast zeggen als een uitzondering die de regel bevestigt.

Zon­de wordt niet toe­gerekend, als er geen wet is

`want reeds vóór de wet (Torah) was er zonde in de wereld (kosmos). Maar zon­de wordt niet toe­gerekend, als er geen wet is. Toch heeft de dood als ko­ning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende`. Rom.5:13,14.

`Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voor­beeld is Desgenen, Die komen zou`. – Rom.5:14. – SV.

Er is hier dus sprake van een overtreding, het eten van de vrucht van de boom. Al die generaties daarna hebben vaak niet zo’n uitdrukkelijk gebod ge­kregen, maar toch heerste het kwaad in de wereld. Denk in dit verband maar eens aan al die generaties van vóór de zondvloed. De aarde was toen vol geweldenarij. En toch was er niet direct sprake van een bewuste duidelijke overtreding van een misjnah, van een gebod. ‘Als Adam overtrad, die een beeld is van de komende’. – Rom.5:14b. In die eerste mens is al een heenwijzing naar wat gaat komen. Of beter ge­zegd: naar Degene die gaat komen. En dat wordt dan in de rest van dit gedeelte uitgewerkt. `Maar het is met de genadegave niet zo als met de overtreding; want, indien door de overtreding van die ene zeer velen gestorven zijn, veel meer is de gena­de Gods en de gave, bestaande in de genade van de ene mens, Jezus Christus, voor zeer velen overvloedig geworden`. – Rom.5:15.

 `Doch niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift, want indien, door de misdaad van een, velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade Gods, en de ga­­­ve door de genade, die daar is van een mens Jezus Christus, overvloedig ge­weest over velen`. – SV.

Maar het is met de genadegave niet zo als met de overtreding(Het is met het paratoma (overtreding) niet zo als met het charisma) In de oorspronkelijke teksten rijmen deze woorden ook nog met elkaar. Dat is wat hier speciaal naar voren komt, namelijk het overwicht van de genade. Het is dus niet zo dat die twee net in evenwicht zijn. Zo­als ook zo prachtig wordt gezegd in dat lied: ‘Toch overwint eens de ge­nade en maakt een einde aan het kwaad’.

Zeer velen – de velen – allen

In vers 15 zit toch wel een voetangel wat de vertaling betreft. Dat ‘zeer velen’ is toch eigenlijk een vertaling bij gebrek aan beter. Letterlijk staat er: ‘de velen’. En dat blijkt ook een sleuteluitdrukking te zijn in heel dit gedeelte. Het is opmerkelijk dat Paulus hier een uitdruk­king gebruikt met een bepaald lidwoord: de velen. De uitdrukking de velen heeft als achtergrond, dat dit al in de Tenach voorkomt. Het is bijvoorbeeld heel specifiek te vinden in Jesaja 53. `Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit verdelen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de over­­­treders werd geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor de over­treders (weerspannigen) gebeden heeft”. – Jes.53:12.

‘een deel geven onder velenLetterlijk staat er: ha rabim = de velen. Jesaja 53 gebruikt hier dus ook de term ‘de velen’. Ook in vers 11 kwam die uitdrukking reeds voor: “Om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen (ha rabim) rechtvaardig maken, en hun ongerech­tig­heden zal hij dragen”. – Jes.53:11.

Letterlijk: ‘vanwege de moeite van zijn ziel’ ‘Zal hij het zien tot verzadiging toe’. Dat ‘zien tot verzadiging toe’ is ook opvallend, het oog wordt meestal niet verzadigd. Vers 11 haakt in op wat er in vers 10 staat. “Maar het behaagde de HERE hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wan­neer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen (zaad) zien en een lang leven hebben en het voornemen des HEREN zal door zijn hand voort­gang hebben”. – Jes.53:10. “Zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen (ha rabim) rechtvaardig maken”,  v.11.

Het is belangrijk om te onderkennen dat hier de achtergrond ligt van die gedachtegang over ‘de velen’. We zien deze uitdrukking ook reeds in Je­saja 52. Zoals velen (ha rabim) zich over u ontzet hebben – zozeer misvormd, niet meer menselijk was zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestalte – zó zal hij vele volken (gojim rabim) doen opspringen, om hem zullen koningen verstommen, want wat hun niet verteld was, zien zij, en wat zij niet gehoord hadden, ver­nemen zij”. – Jes.52:14,15. Hierbij moeten we tegelijk bedenken, dat het thema van velen, waarover het slot van Jesaja 53 spreekt, in feite uitgewerkt wordt in hoofdstuk 54, waarin gesproken wordt over de onvruchtbare vrouw. “Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt; breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeën gekend hebt, want de kinderen der eenzame zijn talrijker (velen – rabim) dan de kinderen der gehuwde, zegt de HERE”. – Jes.54:1. Dat woord velen (rabim) zien we dus in: Jesaja 52:15; 53:11,12; 54:1. Het blijkt dus wel dat het een woord is, dat in die hoofdstukken een mo­tiefrol speelt. Het is dus niet zomaar een bijkomstig woord. Het is een woord dat heel dat tekstverband doordringt.

De velen betekent: allen

De velen betekent de massa, de vele volkeren, de vele gojim. ‘De velen’ om­vat ook de einden der aarde, waar die gedeelten van Jesaja ook tel­kens over spreken. “Maar het is met de genadegave niet zo als met de overtreding; want, indien door de overtreding van die ene zeer velen (de velen) gestorven zijn, veel meer is de genade Gods en de gave, bestaande in de genade van de ene mens, Jezus Chris­tus, voor zeer velen (de velen) overvloedig geworden”. – Rom.5:15.

Hieruit blijkt al meteen, dat het in feite de betekenis heeft van allen. Men heeft in het Grieks wel een woord voor allen, maar hier wordt de uit­druk­­king de velen met opzet gebruikt om de uitgebreidheid te bena­druk­ken en om te laten zien hoe ver die genade reikt. Overigens ge­bruikt Paulus in de Romeinenbrief ook wel het woord allen.

Bijvoorbeeld: “en wel gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en der­ven de heerlijkheid Gods”. – Rom.3:22,23.

Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot al­len, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want zij heb­ben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods”. – SV.

 Door de uitdrukking de velen te gebruiken, lijkt het net of je nog iets meer ziet van de veelheid en verscheidenheid. Bij allen krijg je meer de in­druk van een massa zonder die verscheidenheid. De velen betekent: al die mensen die met zovelen zijn. Toch heeft de dood als ko­ning geheerst van Adam tot MozesHierbij denken we ook aan die uitzonderingen: Henoch, Elia, Mozes. Er zijn er dus een paar die de dood ontsprongen zijn. Mozes is dan wel ge­storven en door God begraven. Het sterven van de mens wordt wel uitgedrukt met de woorden: de weg van de ganse aarde. Dat zijn ook de woorden, die Jozua spreekt aan het eind van zijn leven. Dus allen zijn gestorven op een paar uitzonderingen na. “Maar het is met de genadegave niet zo als met de overtreding; want, indien door de overtreding van die ene zeer velen (de velen) gestorven zijn, veel meer is de genade Gods en de gave, bestaande in de genade van de ene mens, Jezus Christus, voor zeer velen (de velen) overvloedig geworden. – Rom.5:15. Het NBG gebruikt in bovenstaande tekst dus de uitdrukking ‘zeer velen’. Dat wekt de indruk dat het kan betekenen: wel zeer velen, maar mis­schien niet allemaal. Hier wordt dus het contrast getekend: de overtreding (weerspannig­heid, rebellie – pesja) van die ene en de dood van de velen. De rebellie van die ene leidt dan tot de dood van de velen. De daad van de ene leidt tot de dood van de velen. Paulus wil ergens naartoe, want dan zegt hij in de tweede helft van vers 15: veel meer is de genade Gods. De genade Gods is overvloedig, de genade heeft overwicht, die is veel meer dan de overtreding.  “en de gave, bestaande in de genade (in) van de ene mens, Jezus Christus, voor zeer velen (de velen) overvloedig geworden”. – Rom.5:15. De genade die in die ene (Jezus Christus) gestalte krijgt, die wordt over­vloedig voor de velen. En het is met het geschenk niet zo als door het zondigen van één (als door die ene die gezondigd heeft); want het oor­deel leidde van één overtreding tot ver­oor­­deling, maar de genadegave (charisma) van (uit) vele overtredingen tot recht­­vaar­diging”. – Rom.5:16. Letterlijk: want het oordeel uit één tot veroordeling. Krima leidde tot kalakrima. Oordeel leidde tot veroordeling. Maar bij de genade gaat er iets anders gebeuren. Daar zien we: het charisma van één leidt tot dikaioma (rechtzetting) voor velen. Van vele overtredingen tot recht­vaar­diging‘Van (uit) vele overtredingen tot recht­vaar­diging (rechtzetting)’. Dus daar zie je ook weer dat God meer tegenwicht geeft dan er kwaad is. God zegt niet: Ik geef net zoveel tegengif als er gif is. God geeft een overvloed aan tegenwicht. God komt met een zo grote kracht aan gena­de, dat daardoor de weegschaal helemaal doorslaat. Dat wordt dan in vers 17 nog weer wat verder uitgewerkt.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384775 bezoekers sinds 07-06-2010