De brief van Paulus aan de Romeinen deel 1

29-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

Inleiding     

We zullen nog wel nader ingaan op de datering van de Romeinenbrief. Waarschijnlijk zal dit om­streeks het jaar 57 zijn geweest. Vermoedelijk is het een van de latere brie­­­­­ven van Paulus. Tessalonicenzen 1 is waar­schijnlijk de oud­ste brief; anderen noemen de Galatenbrief als de oudste.

HOOFDSTUK 1

Een kracht Gods tot be­houd

De Romeinenbrief is wat dat betreft een van de merkwaardiger brieven. Paulus gaat in deze brief heel uitvoerig in op zijn achtergronden en op zijn visie en manier van onderwijzing. Vandaar dat in de loop van de tijd ook allerlei mensen de Romeinenbrief ervaren hebben als een soort aha-Erlebnis. Voor sommigen was het zo ongeveer dè ontdekking van hun leven. Voor Luther was dat natuurlijk helemaal het geval. Luther is door de bestudering van de Romeinenbrief helemaal ‘thuisgekomen’. Later, in de 20e eeuw, werd Karel Barth helemaal gefascineerd door deze brief. Karel Barth ontdekte zo omstreeks 1920 de ongelo­fe­lijke rijkdom van de Romeinenbrief. Het mooie of het heldere van de Romeinenbrief is, en onze vertaling gaat dat nog eens extra onderstre­pen, dat er heel dui­­delijk een thema in wordt aangegeven. Dat lezen we dan in hoofd­stuk 1:16: Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot be­houd voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. Rom.1:16. Daar heb je dan meteen al een aantal kernwoorden, die hierin een fun­da­mentele rol spelen. Het gaat daar namelijk over een aantal aspecten van het evangelie. We gaan alvast even die pun­ten op een rijtje zetten.

1. Het evangelie.

Het evangelie, op zijn Hebreeuws: de Torah.

Dat is de vreugdebood­schap.

2. Kracht.

En dan zegt Paulus: Dat evangelie is een kracht, een kracht van God. In het Grieks staat er het woord dunamis. Kracht van God voor ieder die gelooft.

3.Geloof. (emunah = vertrouwen)

Het Hebreeuwse werkwoord geloven betekent zoiets als ‘je hech­ten aan’. Dus het evangelie is een kracht van God voor ieder die zich daaraan hecht, die zich er vurig in vastbijt.

‘Eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek’.

Want – dat hoort er dan nog bij:

Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, ge­lijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven. – Rom.1:17.

4. Gerechtigheid (tsedaqah).

‘Uit geloof tot geloof’,

Dat heeft dus een doorgaande werking. Het begint met geloof en dat ge­loof gaat op zijn beurt ook weer geloof verwekken.

De rechtvaardige zal door zijn geloof leven

Dat is dus het hoofdthema waar het Paulus om gaat. In vers 17 haalt hij dus een tekst aan: ‘ge­lijk geschreven staat’. Dat is een tekst uit Habakuk 2. Zie, opgeblazen, niet recht, is zijn ziel in hem, maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. – Hab.2:4.

Een beroemde profetische tekst, die in verschillende bijbelboeken een rol speelt. Hij wordt aangehaald in de Galatenbrief, in de Hebreeën­brief en hier dan in de Romeinenbrief. Je zou het een soort basistekst kunnen noemen voor de apostelen, die daarmee staan op het fundament van de pro­feten. De rechtvaardige zal dus leven door zich te hechten aan de ge­dachten van God. Dat is het thema waar het in de hele brief om gaat. Dat thema wordt dan verder in een flink aantal hoofdstukken uitge­werkt. Daaraan vooraf krijgen we eerst een inleiding. In vers 1 zien we dus de bekende introductie van een brief. Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afgezon­derd tot verkondiging van het evangelie van God. – Rom.1:1. Dat woord dienstknecht is een eretitel. Daarmee stelt Paulus zich in de lijn van de profeten, die zich ook knecht van God wisten. Ook geldt dat voor anderen, zoals David; ook Mozes en Job worden ‘knecht van God’ genoemd. Dat woord knecht houdt niet een soort gewilde nederigheid in, maar het is een erenaam voor de mens die heel in het bijzonder in de dienst van God staat. Tegelijk zit daar ook een parallel in. Zoals Mozes de knecht van God was, en de woorden van God mocht doorgeven, zo is Paulus dat op zijn beurt ook. Knecht van God; hier knecht van Jezus Christus.

Een geroepen apostel

Een Zweedse nieuwtestamenticus, Christer Stendahl, heeft erop gewe­zen, dat het heel opmerkelijk is, dat je bij Paulus niet zozeer kunt spre­ken van een bekering, als wel van een roeping. Wat er gebeurt op de weg naar Damascus wordt dan vaak genoemd ‘de bekering van Paulus’, maar als je het iets nauwkeuriger zou willen zeggen, moet je eigenlijk spreken van de roeping van Paulus. Daar wordt hij geroepen om zijn speciale opdracht te vervullen, namelijk om tot de gojim te gaan. Paulus geeft dan ook zelf telkens aan, dat hij een roeping heeft. Ik ben een geroepen apostel. Het woord apostel is uit het Hebreeuws afkom­stig (sjariach = gezant, gezondene). Het woord sjariach is een vaststaan­de term in het Hebreeuws van de Misjnah en van de rabbijnen. Het woord sjerichod, gezantschap, betekent zoiets als: ambassadeur zijn, een op­dracht hebben. Een sjariach is een gezant, een agent en in het Grieks wordt dat dan apostolos. Deze heeft een aantal kenmerken: hij wordt gezonden om te handelen in naam van de zender. En met dat doel ont­vangt hij gezag, autoriteit. Vandaar dat er in de Misjnah ook gezegd wordt: de gezant van iemand is in wezen net als de persoon zelf. Dus als Paulus gezant is, apostel van God, van Jezus, dan bekleedt hij daarmee dezelfde waardigheid als zijn zender. Zoals Jezus ook zegt: zoals de Va­der Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u. Dan houdt dat ook tegelijk een gezagspositie in. Zo’n agent kan ook contracten sluiten voor zijn zen­der. De zender is ook verantwoordelijk voor fouten die binnen de op­dracht worden begaan. Zo zendt Jezus ook zijn apostelen twee aan twee uit om het Koninkrijk te prediken. Hij geeft hen autoriteit om te ge­nezen en demonen uit te drijven. Zij worden gezonden in zijn naam. Wie u ontvangt, ontvangt Mij en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft. Dus dat apostelschap uit de evangeliën en uit de brieven is geworteld in de Joodse opvattingen over de sjariach. Zo neemt Paulus dat beeld hier ook over, om aan te duiden wat zijn taak is: gezant!

 Afgezonderd tot verkondiging van het evangelie van God, – Rom.1:1b.

Afgezonderd tot het Evangelie van God, – SV.Het NBG heeft er bijgezet ‘tot verkondiging’, maar dat staat niet in de grond­­tekst. Hetwelk Hij tevoren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften. Rom.1:2.

Hier zie je dan het verband: de profeten hebben het al beloofd en in het evangelie komt het dan uit de verf. Dat is de overeenstemming tussen profeten en apostelen. Het was al aanwezig in de Torah, in die Geschrif­ten van oudsher.

‘In de heilige Schriften’

Hierbij moet je bedenken dat dat ‘heilig’ niet een soort kreet is. Met het woord heilig wordt in het bijbelse denken niet zomaar wat ge­strooid, zo­als ‘heilige plaatsen of heilige boeken’. Het is opmerkelijk dat het He­breeuwse denken niet eens heilige plaatsen hééft. Er zijn wèl heilige tij­den, dat is heel opmerkelijk. Het is dus helemaal niet He­breeuws, hele­maal niet Joods, om over heilige plaatsen te spreken. Je hebt dus wel heilige tijden, tijden die apart gezet worden. Je hebt dus ook – wat hier gezegd wordt – heilige geschriften, dat wil zeggen dat zijn geschriften, waar kracht van God in is neergelegd, waar heiliging vanuit gaat. In die heilige Schriften wordt al van oudsher het evan­gelie ver­vat, dat zit er al helemaal in. In de Torah, in de boeken van Mozes, wordt al verteld wat God van meetaf aan van plan was, dat is al dat eeu­wige woord dat van het begin af aan bij de Vader aanwezig was en dat uit Hem is voortgekomen. Juist door die profeten wordt het dan ook be­loofd, van tevoren aangekondigd, ‘van tevoren geproclameerd’, zoals er letterlijk staat.

Naar het vlees en naar de geest

Dan gaat Paulus daar nog een bijzin aan vastknopen: ‘het is het evan­gelie over zijn Zoon’. “aangaande zijn Zoon, gesproten uit het geslacht van David naar het vlees,  naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here”. – Rom.1:3,4.

Dat is dus een hele mondvol. We willen trachten dat enigszins hanteer­baar te maken. We zien hier dus twee aspecten naast elkaar.

Eerst ‘naar het vlees’.

En dan: ‘naar de geest’.

Dat is als het ware het raamwerk, waarin die tekst vervat wordt. Hierbij moet je bedenken dat de zinsnede ‘naar het vlees’ geen negatieve klank heeft. Anders zou je die twee zinsneden tegen elkaar kunnen uitspelen, in de zin van: dat vlees betekent niet veel, het vlees heeft geen waarde, daar moeten we vanaf. Het woord vlees heeft in de bijbel echter verschillende betekenissen. En hier, zoals trouwens in veel bijbelse teksten, heeft het woord vlees he­le­­maal geen ongunstige betekenis. Het woord vlees betekent hier gewoon de aardse manier van bestaan. Wij zijn op het moment ook allemaal in het vlees. Als er van iemand gezegd wordt, dat hij vleselijk is, heeft dat een heel andere betekenis. We zijn niet vleselijk, hopen we, maar we zijn wel in het vlees. God heeft van meet af aan de mens geschapen met een zichtbaar menszijn, niet alleen maar als zielen, en ook niet als geesten. Wij hebben een bestaan hier op aarde. De Messias had dat dus ook. ‘Die geworden is uit het zaad van David’ (SV). Dat was zijn aardse bestaanswijze; daar zat ook totaal niets verkeerds aan. Dat betekende helemaal niet dat Jezus vleselijk was. Maar in die aardse bestaanswijze is Hij voor honderd procent, puur, zuiver, onver­valst mens geweest. Dat is juist het unieke, althans het specifieke. Uniek, maar dan wel in de zin dat het tot navolging uitnodigt. De mens is juist geroepen om in het vlees, dus hier op aarde, in dit men­selijke bestaan, mens te worden. Hier moet dat plaats vinden. De rab­bijnen zeggen: God openbaart zich in de vier ellen van het menszijn. Op dat kleine stukje van vier ellen kan net een mens staan. En daar, in die vier ellen waar jij bent, daar is je vlees. Dat is je menselijke bestaan. Niet er­gens ver weg achter de sterren, niet eenmaal als we uit dit bestaan weg zijn, maar juist in dat concrete menszijn. Daarom is het zo mooi, dat er van Jezus in de eerste plaats gezegd wordt: het woord is vlees gewor­den. Dat geschiedt dan uit het zaad van David, want via David loopt de Messiaanse lijn. David was ook de man naar Gods hart, die staat steeds weer model als Messiaanse koning. Alle latere koningen worden steeds gemeten aan David. Wandelt hij in de wegen van zijn vader David, dan is het een goede koning. David is altijd de maatstaf. Het is merkwaardig dat als de bijbel een koning neemt als Messiaans voorbeeld, het dan nooit Salomo is, maar altijd David. Salomo was natuurlijk een schit­te­ren­de koning, heerser over het vrederijk, alleen was het jammer dat het vrederijk maar veertig jaar heeft geduurd. Dat is toch vrij kort voor een duizendjarig rijk. Dan zie je dat Salomo toch in wezen niet het prototype is voor al die latere gestalten, omdat Salomo toch ook niet die strijd heeft gekend. Het is net of bij Salomo dat menselijke bestaan niet voor hon­derd procent gestalte heeft gekregen. In zekere zin had Salomo het mak­ke­lijker dan David; anderzijds, juist misschien omdat hij het zo mak­ke­lijk had, is hij ook niet helemaal uit de verf gekomen.

Een hulp tegen­over hem

Het pro­bleem bij Sa­lomo was, dat hij geen ‘tegenover’ had. Hij had nie­mand tegenover zich. Het is heel goed en zelfs noodzakelijk voor een mens dat hij ‘een te­genover’ heeft. Dat zie je in gemeenten, dat zie je in allerlei verhou­din­gen tussen mensen. Dat staat in feite al in Genesis 2: het is niet goed dat de mens alleen zij. En dan zegt God zo mooi: Ik zal hem een hulp maken die bij hem past. Letterlijk staat er: Ik zal een hulp maken tegen­over hem. Misschien is het niet altijd leuk, maar het is toch een heel heilzaam principe. De mens is van meetaf aan bedoeld om ie­mand tegenover zich te hebben, als aanspraak, ook als inspraak, als cor­rectie, als tegenspeler, ook als begrenzing. De mens is niet bedoeld om op zijn eentje eindeloos uit te dijen of om eindeloos maar omhoog te ko­men als een soort zelfrij­zend bakmeel, of maar expansie te bedrijven als een soort uitdijend heel­al. Je ziet ook in de praktijk, dat daar ook vaak pro­blemen van komen. Het is goed als een mens af en toe begrensd wordt door zijn broeder. God geeft de mens een broeder om hem te be­grenzen, dat is heel ge­zond. Broederschap – goed voor u! Miskotte heeft dat ‘ge­schon­ken ein­digheid’ genoemd. Je krijgt als cadeau van God dat je begrensd wordt. Je kunt maar niet eindeloos alle kanten opgroeien en zeggen: ik moet al­le ruimte voor mezelf hebben. Eén mens kan nooit zeg­gen: ik ben alles! Een mens is geen heelal, geen universum. Maar juist in die interactie, in dat tegenover, wordt de mens mens. Buber zegt dan: je wordt een ik door middel van een gij. Je hebt een gij nodig om een ik te worden. Een mens is niet bedoeld om eenzaam te zijn, maar om tweezaam te zijn. Zo is God ook ‘het tegenover’ van de mens. Evenzo is de mens ook het te­gen­over van God. God wil ook niet alleen zijn, God wil ook een part­ner hebben. Het is niet goed dat God alleen zij. Dat is dus de boodschap van heel de Tenach en dat komt dan hier in Ro­meinen steeds weer terug. Je moet je er altijd van bewust zijn, dat als je Pau­lus hoort, je op de achtergrond al die tonen van de Torah en de pro­feten mee hoort spelen. Paulus heeft tenslotte ook nog aan de voeten van Gamaliël gezeten. Dat is Paulus in de goede zin van het woord nooit kwijtgeraakt. Hij gaat dan die oude en die nieuwe dingen tevoor­schijn brengen. Heel de boodschap van de Tenach klinkt in de tonen van het evangelie mee. Er gaat niets van de Tenach af, maar het wordt als het ware meer tot glans gebracht. En zo kwam dus de Messias; naar het vlees was hij uit het zaad van Da­vid, dat is dus de ene kant. En naar de geest…. naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here. – Rom.1:3,4. Dat betekent niet, dat je de Messias kunt opsplitsen in geest en vlees. Dan zou je weer een soort gespleten mensbeeld krijgen. Het bijbelse mens­beeld gaat van de eenheid uit. De Here, onze God, de Here is één en de bedoeling is dat de mens ook één is of één wordt. De mens moet vanbinnen weer één worden. God werkt aan de éénwording van het mens­zijn. ‘Opdat zij allen één zijn’. Zoals de mens hier rondloopt, heeft hij een bestaan op aarde, dat is vlees. Maar tegelijk heeft de mens een bestaan dat met God verbonden is en dat is geest. Je bent één mens in twee werelden. Je leeft in de zichtbare en in de onzichtbare wereld, maar dat doe je tegelijk, dat is één. De geestelijke wereld en de natuurlijke wereld zijn met elkaar verwe­ven. Je hoeft niet een enorme overstap te maken van de natuurlijke naar de geestelijke wereld. Je ziet wel eens dat er bijvoorbeeld een pijnlijke stilte valt, als er gezegd wordt: nu gaan we bidden. Dan leeft bij sommi­gen de gedachte, dat dit een enorme omschakeling wordt. Maar het is één leven in twee werelden. Dus je bent tegelijk in het vlees, in dat be­staan op aarde, en je bent tegelijk in die geestelijke wereld.

Door zijn opstanding verklaard Gods Zoon te zijn in kracht

naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here. – Rom.1:3,4.

Dat woord ‘verklaard’ betekent eigenlijk zoiets als bestemd. Helemaal let­­ter­lijk: afgegrensd. Dat gebeurt dus bij zijn opstanding uit de doden, dan wordt Jezus aangesteld, apart gezet, als zoon van God in kracht (du­namis). Dus op grond van de opstanding der doden. In wezen zou je kunnen zeggen dat het hier gaat om twee fasen, twee perioden. Die eerste periode houdt in: Jezus heeft op aarde rondgewandeld in zijn menszijn, in het vlees, is aan de mensen gelijk geworden. Dat heeft Hij ook heel reëel doorleefd, Hij is dat helemaal ten voeten uit geweest. aangaande zijn Zoon, gesproten (geworden) uit het geslacht van David naar het vlees, – Rom.1:3. Omdat Jezus ‘geworden’ is naar het vlees, houdt dat in, dat Jezus onze lotgenoot was. Je zou kunnen zeggen: bondgenoot. Hij heeft heel dat men­selijk bestaan meegemaakt en doorgemaakt. En dat heeft Hij gedaan met alles wat dat inhoudt, niet maar als toeschouwer, maar in de volle re­aliteit van wat dat menselijk bestaan inhoudt. Anders zou het, denk ik, ook geen waarde hebben gehad. Dan zou het een schijnbestaan zijn ge­weest, alleen maar doen alsof. Als je sommige kinderbijbels bestudeert, dan schrik je wel eens van wat sommige auteurs de kinderen trachten mee te geven. Je hebt jaren bijbel­studie nodig om dat er weer uit te krijgen. In die kinderbijbels wordt het soms ook voorgesteld alsof Jezus eigenlijk niet echt mens was, of hij niet één van ons was. Jezus wordt bijvoorbeeld dan ook als alwetend voor­ge­steld. Maar Hij is geworden uit het zaad van David naar het vlees. Dat is de eerste periode. En dan de tweede periode, op grond van de op­standing uit de doden, is Hij verklaard, apart gezet, je zou haast zeggen gedefinieerd, gedestineerd om Zoon te zijn, Zoon Gods in kracht. Dus dat eerste aspect heeft als vrucht het tweede. Vanuit dat zijn in het vlees heeft Hij een positie verkregen….. van Zoon naar de Geest der hei­ligheid. Omdat zijn geest verbonden was met de Geest van God. Jezus, Messias, onze Heer. Dat is in wezen dezelfde weg die God gaat met ons, name­lijk, dat we mens gaan worden in dat menselijke bestaan, in het vlees. En dat we vandaar dan ook komen tot dat zoon-zijn. Verklaard worden om zoon te zijn in kracht. Ook wat dat betreft is de Messias voor-beeld, model, pro­totype van wat God gaat uitwerken. En dan zegt vers 5:

Gehoorzaamheid des geloofs.

door wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoor­zaam­heid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen, – Rom.1:5.

Eigenlijk: ‘tot gehoorzaamheid des geloofs’. Onder alle gojim, onder alle heidenen, volkeren. Daar gebruikt Paulus dan een heel markante uitdrukking. Wat is nu het doel waarvoor hij zijn taak heeft ontvangen, zijn bedie­ning: ‘om gehoor­zaamheid des geloofs te bewerken’. Je kunt ook vertalen: ‘ge­hoor’, het ge­hoor geven dat verbonden is met het geloof, met de emo­nah, met het ver­trouwen.

En dat onder de gojim, onder de heidenen…… Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afgezon­derd tot verkondiging van het evangelie van God, dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften – aangaande zijn Zoon, gesproten uit het geslacht van David naar het vlees, naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Chris­tus, onze Here – door wie wij genade en het apostelschap ontvangen heb­ben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen, tot welke ook gij behoort, geroepenen van Jezus Christus – aan alle geliefden Gods, geroepen heiligen, die te Rome zijn: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.Rom.1:1-7.

aan alle geliefden Gods, geroepen heiligen, die te Rome zijn: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.Rom.1:7. En dan komt wat dan meestal genoemd wordt: de groet. Maar dit is toch wel iets meer dan een groet. Het recente onderzoek heeft ook wel aan­getoond, dat dit een zegenspreuk is. Wat Paulus hier uitspreekt is niet zomaar iets in de zin van: ik doe even de groeten aan het begin. Maar dit is meer, dit is een zegen die hij legt op deze mensen. Genade….. Van­daar dat je eigenlijk ook niet zozeer moet zeggen: Genade zij u. Er staat ook niet een werkwoordsvorm in de grondtekst. Er staat gewoon: ‘Genade aan u en vrede van God onze Vader en van Jezus de Messias, de Heer’.

Genade betekent dat een mens krijgt wat hij verdient

Dus hij spreekt deze zegen uit en die zegen omvat dan de genade, de chein, en de vrede, de sjalom. Je zou de volgende omschrijving van de genade kunnen geven: Genade is dat een mens krijgt, eindelijk krijgt, wat hij verdient. Dat klinkt op het eerste gehoor misschien een beetje vreemd. Wij zijn altijd gewend om te denken: genade is iets wat je krijgt. maar niet verdient. En toch geloof ik dat hier een kant aan zit, waarvan je kunt zeggen: genade is dat de mens eindelijk ontvangt wat hij waard is. De verloren zoon heeft zijn hele ver­haal al bedacht: ik zal opstaan ik zal naar mijn vader gaan en ik zal zeggen: ik ben het niet waard uw zoon te heten. Maak mij maar tot een goedkope arbeidskracht. Als ik maar een overal heb om aan te trekken, dan wil ik graag een dagloner zijn bij u. Maar de vader zegt: je krijgt het beste kleed, je krijgt een ring aan je hand en de tafel wordt gedekt. Dat is nu genade; die jongen krijgt ein­delijk wat hij verdiend heeft. Zo is het van uit Gods standpunt gezien. Die vader zegt niet: hij zat bij de varkens en dat was zijn verdiende loon. De vader zegt: die jongen hoort ergens anders. Als je een mens tegen­komt die op de een of andere manier onder de maat leeft, dan denk je bij jezelf: hij verdient een beter lot. Hij verdient niet dat hij in de goot zit. Daar heeft God de mens niet voor geschapen. Dat is zijn bestemming niet. Als hij dan door God wordt aangenomen, dan is dat in wezen dat hij krijgt waar hij van huis uit voor bestemd was. Je zou kunnen zeggen: genade betekent thuiskomst! Heel het evangelie gaat in wezen over de thuiskomst van de mens en daarmee dan ook de thuis­komst van God. Dat is dus een dubbele thuiskomst. Dat is het evangelie, dat is ook het hart van de Schriften. Zo wordt de mens thuisgebracht daar waar hij van huis uit ook hoort. Anders gaat er toch nog weer een enigszins negatief beeld in zitten. Dan krijg je het idee: genade betekent dat God zegt: je bent eigen­lijk een suk­kel, maar goed, Ik zal je dan toch maar accepteren. Terwijl veel meer geldt: die mens kan zich dan wel een stumper voe­len, hij kan wel voor zijn besef het allemaal verknoeid en ver­beurd hebben, maar God zegt dan: Ik zie toch nog wel wat anders in je. Je hoort toch bij Mij. Zoals de rabbijnen zeggen: God gaat vuur zoeken in de as. Voor het oog lijkt het alleen maar as en sintels, maar God gaat zoeken. God zoekt goud tussen de scherven. Zo wordt die mens gerehabiliteerd, tot adel­dom terug­ge­bracht. Dat is genade! Genade is dat een mens eindelijk terugkeert, wat ook van oudsher ge­noemd wordt de tesjubah, de terugkeer. Daarom is het ook zo’n mooie uitdrukking dat gehoorzaamheid geloof wekt. Dat wordt aan elkaar gekoppeld. Op het moment dat de mens gaat horen, gaat hij geloven. Dat is in feite een wisselwerking. Want op het moment dat hij gaat geloven, gaat hij ook horen. Dat is ook het won­derlijke wat je bij de profeten tegenkomt, zoals bijvoorbeeld in Je­saja 43 wordt gezegd: Doet het volk uitgaan, dat blind is, al heeft het ook ogen, en dat doof is, al heeft het ook oren. – Jes.43:8.

‘Breng voort het blinde volk, hetwelk ogen heeft, en de doven, die oren hebben’. SV. Gehoorzaamheid moet geboren worden God spreekt en op het moment dat God gaat spreken, begint de mens te horen. En op het moment dat de mens hoort, begint het geloof te von­ken. Iemand kan jarenlang allemaal woorden over zich heen krijgen, maar heeft hij dan wel wat gehoord? Is er wel eens iets tot hem door­ge­drongen? Is er al iets geboren van die gehoorzaamheid, van het geloof, waardoor die vonk overspringt. Als de vonk overspringt, begint de mens te horen, begint de mens te ontwaken. Dan wordt hij vanbinnen wak­ker. En dan denken we aan het dochtertje van Jaïrus, een meisje van 12 jaar, dat is in de Oudoosterse wereld de huwbare leeftijd. Ze slaapt, ze slaapt ten dode, maar dan komt Jezus en zegt: meisje, sta op. En dan gaat ze horen, en dat horen is geloven en wakker worden. Bij de geschiedenis van het dochtertje van Jaïrus speelt wellicht nog een hele achtergrond mee. We lezen daar vaak zo makkelijk overheen. Haar vader was overste van de synagoge. Als je vader leider is van de syna­go­ge, leef je in een glazen huisje. Je mocht nooit wat. Als je vader pre­di­kant is, wordt er van alle kanten op je gelet. Het kind mocht nooit katte­kwaad uithalen. Ze moest een toonbeeld van braafheid zijn. Het kind zat dus van alle kanten in de klem. Ze is dan 12 jaar en kan uit­gehu­we­lijkt worden, maar dan hoeft het voor haar niet meer, dan slaapt ze in. Ze heeft geen zin meer om te leven. Maar dan komt Jezus en roept haar wakker. Talita kum, meisje sta op! Soms kan er toch een hele wereld ach­­ter zo’n simpel verhaal zitten. Het is genade, het is gehoorzaamheid van het geloof, dat een mens wordt wakker geroepen. Daarom staat er zo mooi in vers 7: Aan alle geliefden Gods, geroepen heiligen, die te Rome zijn: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.Rom.1:7.

Aan alle geliefden van God

David betekent ook: geliefd. Het zijn dus de Davids van God. Dat is toch onvoorstelbaar, door God bemind te zijn. Geroepen heiligen’. Dat betekent dus dat God gesproken heeft, en er een roepstem over je leven komt. God roept jou te voorschijn. Mensenkind, kom maar te voor­­schijn. Tot leven geroepen. Op die manier moet je het dan verstaan, niet zozeer zoals er wel gezegd wordt: wat is dan je roeping? Je bent ge­roepen op het moment dat God in je leven gaat spreken. Het is weer ty­pisch westers om dat helemaal te gaan opsplitsen en te zeggen: waar­toe ben jij nou geroepen, nou ja…. iedereen heeft de roeping, al is het maar de stofzuiger hanteren of de kopjes klaarzetten. Maar daar gaat het niet om, het gaat hier om die hemelse roeping. Het gaat erom dat de mens de stem van God gehoord heeft, Adam, waar ben je? Dat betekent dat je te voorschijn wordt geroepen, dat je tot menszijn geroepen wordt. Geroepen heiligen, geroepen om mens apart te zijn. Een volk apart, een volk met een bestemming, waar God een stempel op zet. Een volk dat in­­derdaad dan een ik wordt, doordat God zegt: gij! Doordat God je aanspreekt. Menszijn betekent aangesproken zijn. Dat is het wezen van menszijn. Dan word je uit die stomheid gehaald, uit die stilte, uit dat naamloze bestaan. God zegt steeds: mensenkind, Ben Adam, waar ben je? En het diepste punt van je roeping is dat God zegt: Ik heb je nodig! Dat is ook weer een thema dat je al bij de rabbijnen vindt, namelijk dat de mens God nodig heeft, maar dat God ook de mens nodig heeft. God heeft de mens nodig, dat klinkt ons vaak nog wat vreemd in de oren vanwege onze ingewortelde bescheidenheid en de gedachte dat dat ei­gen­lijk toch niet kan. Maar vanuit de Schriften blijkt steeds weer: God heeft de mens nodig, om samen met de mens de schepping tot stand te brengen, te herscheppen.

Dat waren zo enkele gedachten over de eerste zeven verzen van Ro­mei­nen 1.

Paulus plannen om naar Rome te gaan

In de eerste plaats dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, omdat in de gehele wereld (in de hele kosmos) van uw geloof gesproken wordt.  Rom.1:8.

………, dat uw geloof ver­kondigd wordt in de gehele wereld’. – SV.

Want God, die ik met mijn geest dien in het evangelie van zijn Zoon, is mijn getuige, hoe ik onophoudelijk te allen tijde bij mijn gebeden uwer gedenk, – v.9.

Paulus zegt: daar ben ik ook mee bezig, om God te dienen met mijn geest, (met heel mijn spirit, mijn geestkracht). Geest duidt in de bijbel vaak de richting aan waarin je bezig bent. Dat is niet statisch, maar geest is in de bijbel een sterk dynamisch begrip. ‘In het evangelie van zijn Zoon’. Het evangelie dat Jezus gepredikt heeft, dat van Hem uitgaat, dat over Hem handelt, dat in Hem gestalte heeft ge­kregen. biddende, of mij eindelijk door de wil van God eens een weg gebaand moge wor­den om tot u te komen. – Rom.1:10.

Dus Paulus zegt hier: ik wil ook nog een keer naar Rome! Hierbij moe­ten we wel bedenken, dat Rome in die tijd het centrum was van heel de bekende wereld. Alle wegen leidden inderdaad naar Rome. In Rome klop­te het hart van heel dat wereldrijk. Het was dus ook een heel stra­te­gische stad. Vandaar dat Paulus het verlangen heeft om ook in Rome het evangelie te verkondigen. Er was dus al een gemeente in Rome, al was  die niet door Paulus gesticht. Hij wilde er toch heen, om via Rome dan Spanje te kunnen bereiken. Dat was de spirit die Paulus had, om steeds weer nieuwe gebieden in bezit te nemen voor het evangelie. Dat zegt hij zo duidelijk in vers 10: biddende, of mij eindelijk door de wil van God eens een weg (goede weg) ge­baand moge wor­den om tot u te komen. – Rom.1:10.

Want ik verlang u te zien om u enige geestelijke gave (charisma) mede te de­len tot uw ver­sterking, dat is te zeggen: onder u mede bemoedigd te worden door elkanders geloof, van u zowel als van mij. – Rom.1:11,12. onder u mede bemoedigd te worden’. Hier staat het woord paraklario. Dat woord speelt ook een belangrijke rol in het evangelie van Johannes en in de brieven van Johannes. Daar komt ook het woord parakleet vandaan. Dat woord wordt dan vaak ver­taald met ‘de Trooster’. Het woord paraklario betekent aanmoedigen, aanvuren. Letterlijk betekent het: erbij roepen. Daar zit toch ook heel dui­delijk de betekenis in van de gemeente, waar de leden elkaar bemoe­di­gen; je roept de ander er weer bij. Dat staat bijvoorbeeld ook zo mooi in Lucas 15, waar de vader van de verloren zoon de oudste zoon erbij roept.

Vermaant elkander dus met deze woorden. – 1 Tess.4:18

Letterlijk: ‘vertroost, vuurt elkander aan’.

‘Zo dan, vertroost elkander met deze woorden’. – SV.

Paulus zegt dan: dan word ik ook zelf mede bemoedigd, aangevuurd, on­der u, ‘door elkanders geloof’. Paulus is zich heel duidelijk bewust, dat het geen eenrichtingsverkeer is. Aan de ene kant zegt Paulus: ‘om u enige geestelijke gave (charisma) mede te delen’, maar aan de andere kant moet hij ook zelf bemoedigd worden. Doch ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat ik dikwijls het voornemen heb opgevat tot u te komen – waarin ik tot nu toe verhinderd ben – om ook onder u enige vrucht te hebben, evenals onder de andere heidenen. Van Grieken en niet-Grieken, van wijzen en onwetenden ben ik een schuldenaar. Vandaar mijn bereidheid om ook u te Rome het evangelie te brengen. – Rom.1:13-15.

Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schul­de­naar. Alzo hetgeen in mij is, dat is volvaardig, om u ook, die te Rome zijt, het Evan­gelie te verkondigen’. – Rom.1:14-15. – SV. Het woord evangelie betekent oorspronkelijk vanuit Jesaja 52 het procla­me­ren van het Koningschap van God. Het proclameren van het Messi­aan­se Ko­nink­rijk. Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aan­kon­digt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning. – Jes.52:7.  Van daaruit komt Paulus dan in vers 16 tot de kernzin:

De Messiaanse bevrijding

Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot be­houd (tot soteria) voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. – Rom.1:16. Een kracht Gods tot be­houd

Het woord soteria zou je het bes­te kunnen vertalen met: ‘Messiaanse be­vrijding’. In het woord soteria ligt heel het evangelie besloten. In het He­breeuws luidt dat woord tesjua = Messi­aan­se bevrijding. Het evangelie is een kracht Gods om die Mes­si­aanse be­vrij­ding tot stand te brengen. Het evangelie omvat het totale be­vrij­dings­plan van God. De bevrijding van de mens, de mensheid en de schep­ping. Dat alles is in kiem aanwe­zig in het evangelie als een kracht Gods tot behoud, tot bevrijding. Pau­lus is zich heel diep bewust, dat in het evangelie dat hij met zich mee­draagt, een ongelofelijk potentieel zit. Dat evangelie zal het uiteindelijk in heel de schepping gaan winnen. Dat is Gods eerste woord en dat is ook zijn laatste woord. Dat woord zal over heel de aarde gaan. In het boek Openbaring wordt dat ook nog een keer gezegd: En ik zag een andere engel vliegen in het midden des hemels en hij had een eeu­wig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie; – Op.14:6.

Dat evangelie zal zijn zegentocht houden door heel de schepping heen, net zolang tot het heel de schepping zal hebben vervuld en doortrokken. Dat is de Messiaanse bevrijding die opgewassen is tegen alle kwaad en tegen alle afbraak, tegen alle ontluistering, die er in de loop van de eeu­wen is aangericht. Daarom kan Paulus zeggen: ik schaam mij niet voor het evangelie, want door dat evangelie zal alles behouden worden. Het is voluit de moeite waard om ermee in zee te gaan; Paulus gaat er dan ook letterlijk mee in zee. Aan dat woord heb ik mijn hart verpand, zegt Pau­lus. Die herstelboodschap zal uiteindelijk alle blokkades tenietdoen en gave mensen voortbrengen.

Toorn van God openbaart zich van de hemel

In vers 18 begint dus een nieuw onderdeel. Dat omvat dan de rest van hoofdstuk 1, vers 18 – 32. In de Joodse Messiasverwachting leeft de gedachte, dat als de Messias komt, het dan een heel donkere tijd zal zijn. Er zijn in de Joodse gedach­tewe­reld trouwens twee verwachtingen omtrent de komst van de Messi­as te on­der­scheiden. De ene verwachting luidt: de Messias komt als ie­der­een er klaar voor is; de andere verwachting stelt: de Messias komt als het stik­don­ker is op aar­de. Paulus gaat hier in vers 18 tot 32 tekenen hoe het he­lemaal donker is en hoe dus alles rijp is voor de openbaring en de komst van de Messias. Op die manier – aldus de gedachtegang van Pau­lus – is heel de wereld eraan toe, dat het evangelie baan zal bre­ken. Want toorn van God openbaart zich (letterlijk: wordt geopenbaard) van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, – Rom.1:18.  Je krijgt hier dus het thema van de toorn van God. We zullen hieronder zien wat dan die toorn inhoudt, want dat gaat Paulus in de vol­gen­de ver­­­zen in drie gedeelten uitwerken.

1. Vers 22-24

2. Vers 25-27

3. Vers 28-32.

We wijken dus enigszins af van de alinea’s, zoals het NBG die geeft. In dit verband moeten we bedenken, dat de toorn van God betekent, dat Hij de mens niet aan zijn lot overlaat. Als God ziet, hoe zijn schepping wordt aangetast, kan Hij daar niet als toeschouwer bij blijven kijken. In dat woord toorn zit heel sterk de nuance, dat God zich erbij betrokken voelt. Een van de Hebreeuwse woorden voor toorn betekent: uitvaren. Gods vaart uit tegen zijn vijanden. ‘Over alle goddeloosheid en ongerechtigheid’. Daarmee wordt dan al het kwaad samengevat.

De brief van de gerechtigheid

Je zou de Romeinenbrief in één woord kunnen typeren en zeggen: het is ‘de brief van de gerechtigheid’. Amos wordt wel de profeet van de ge­rech­tigheid genoemd; zo is Matteüs het evangelie van de gerech­tig­heid. Het is opmerkelijk, dat Paulus in de Romeinenbrief het woord ver­ge­ving slechts één keer gebruikt. Woorden als gerechtigheid en recht­vaardiging spelen juist een heel belangrijke rol in deze brief. Blijkbaar wil Paulus daarmee aantonen dat het evangelie meer omvat dan alleen dat de mens vergeving ontvangt. Het gaat er ook om dat de gerech­tig­heid van God geopenbaard wordt. Gerechtigheid (tsedaqah) betekent, dat God teveel doet, waar de mens te weinig heeft gedaan. Gerech­tig­heid is typisch een woord uit de Tenach. Als voorbeeld nemen we een tekst uit Richteren 5. Op het geluid van hen die de maat aangeven bij de drinkplaatsen, daar bezin­ge men de rechtvaardige daden des HEREN, de rechtvaardige daden van zijn lei­ders in Israël. Toen daalde het volk des HEREN af naar de poorten. Rich.5:11.

Dit is een van de oudste teksten, waarin dat woord gerechtigheid een rol speelt. Het opmerkelijke is, dat het hier voorkomt in een lied. Gerech­tig­heid is van meetaf aan iets waar over gezongen wordt. Dat plaatst dit be­­grip meteen in een heel andere sfeer. Wij denken bij gerechtigheid vaak aan de rechtbank, aan de justitie. Dat is dan vaak de straffende ge­rechtigheid. Zo wordt er in een lied wel gezegd: ‘gerechtigheid drong aan op straf’ en dan wordt er tegenover elkaar gesteld: God is rechtvaar­dig, maar Hij is ook genadig. Net alsof dat een soort spanningsveld zou zijn.

In God gerechtigheid drong aan op straf,

genade vroeg om vrijgeleide,

toen kwam Gods liefde tussenbeide

die ze allebei voldoening gaf.

Het wordt dan als het ware een soort conflict in God. Aan de ene kant wil Hij rechtvaardig zijn, maar aan de andere kant wil Hij ook genade geven. Daartussen speelt zich dan een soort tweestrijd af. Als je het dus bijbels interpreteert, moet je zeggen: recht en liefde is één. Dat is niet een soort conflict in God, in de zin van: God is goed, maar Hij is ook rechtvaardig. Nee, God is goed, dus is Hij rechtvaardig. Dat heeft ook weer te maken met dat basispunt: God is één. God zit niet als het wa­re tegen zichzelf in te vechten, van: zal Ik nu maar, of zal Ik niet, zal Ik mijn hand over mijn hart strijken. Maar die gerechtigheid is ook een kracht. Dat is juist die kracht die in dat evangelie zit. Kijk maar naar Richteren 5:

Gerech­tig­heid doet de mens weer tot zijn recht komen

Op het geluid van hen die de maat aangeven bij de drinkplaatsen, daar bezin­ge men de rechtvaardige daden (hier het meervoud: tsedaqod) des HEREN, de recht­vaardige daden van zijn lei­ders in Israël (dat komt er meteen bij; die ge­rech­tigheid plant zich dus voort). Toen daalde het volk des HEREN af naar de poorten. Rich.5:11.

Waar we speciaal op willen letten is het punt: die gerechtigheid zijn de rechtvaardige daden van God en dat betekent dus ook, dat God zijn men­sen recht verschaft tegenover zijn vijanden. Of: tegenover hun vijan­den. Want dat betekent het daar in Richteren 5 ook: als dan die vij­and is neergeslagen, dan is dàt de gerechtigheid van God. Dus de ge­rech­­tig­heid van God is dan inderdaad meer dan vergeving. Gerech­tig­heid is, dat God die mens weer tot zijn recht laat komen. Dat is geen straf­fende gerechtigheid, maar een scheppende gerechtigheid. Ge­rechtigheid waar­door de mens weer wordt opgericht. De mens wordt weer rechtgezet. In Richteren 5 werd het volk van God ver­drukt en ver­trapt. De gerech­tig­heid is dan dat het volk weer verhoogd wordt en dat de vijanden wor­den tenietgedaan. Het betekent bevrijding, verlos­sing, overwinning, zegen en het tenietdoen van de vijand. Tsedaqah betekent dat God de dingen weer rechtzet. Als er gesproken wordt over God als Rechter dan heeft dat ook de betekenis dat Hij de Rechtzetter is. Hij is de sjofeet. Hij is de sjofeet tsaddiq, Hij is de rechtvaar­dige rechtzetter. We vinden dat onder andere in Psalm 7: “God is een rechtvaardig Rechter  en een God, die te allen dage toornt”. – Ps.7:12.

Het motief van de gerechtigheid van God vinden we dus telkens bij de profeten en in de Psalmen. Dan zie je, dat dit iets is, waarover de mens gaat zingen. Daar past een lied bij. Dan zit je dus niet in de sfeer van straf en dreiging, niet in de sfeer van onzekerheid en onheil, maar ge­rechtigheid is juist dat God zijn recht doet zegevieren. Je kunt ook zeg­gen: de gerechtigheid van God is het zwaard dat scheiding maakt tussen de mens en datgene wat niet bij de mens hoort.

Hierdoor wordt de mens weer rechtgezet. God maakt scheiding tussen de mens en het kwaad. Gerechtigheid betekent ook, dat God het juist opneemt voor de mens die faalt. Want ook dat gegeven vind je soms nog maar al te veel in kin­der­bij­bels, namelijk dat de braven gered worden en de boosdoeners wor­den afgevoerd. Maar dat is niet het bijbelse beeld van gerech­tig­heid. Dat is juist, dat God de goddelozen rechtvaardigt. Er wordt wel eens gezegd: Hij rechtvaardigt de armen, maar in die ar­men moet je wel een zeker onderscheid maken.

Een bekende psalm in dit verband is: ‘Hij zal de redder zijn der armen, Hij hoort hun hulpgeschrei’. Dat lied is mij heel kostbaar geworden, dat vind ik een prachtige psalm. Want psalm 72 is helemaal het lied van de tse­daqah, van de gerechtigheid.

Van Salomo. O God, verleen de koning uw recht,  en uw gerechtigheid de zoon des konings. Hij richte uw volk met gerechtigheiduw ellendigen met recht.

Mogen voor het volk de bergen vrede dragen, ook de heuvelen, in gerechtigheid. – Ps.72:1-3.

In de bijbel is natuurlijk vaak sprake van armen en ellendigen. Dat is de centrale gestalte van de mens in de bijbel. De armen en ellendigen zijn de­genen die hulpeloos zijn, die zichzelf niet in leven kunnen hou­den. En juist daar gaat het hart van God naar uit. Alleen moet je natuurlijk wel bedenken dat maatschappelijke armoede op zìch nog geen entree geeft in het Koninkrijk van God. Het feit dat iemand op aarde niets heeft, maakt hem nog niet tot een kind van God. Ook een arme, ook iemand uit de derde wereld, zal tot geloof moeten komen. Die heeft niet per de­fi­nitie een streepje voor bij God. Jezus spreekt dan ook over de armen van geest bij Matteüs. Bij Lucas zijn het ‘armen’ zon­der meer. In Lucas wordt gewoon gezegd: zalig zijn de armen. Het hart van God gaat in­der­daad uit naar de mens die zonder rechten is. Gods er­barming gaat uit naar mensen die op de een of andere manier buiten de prijzen vallen. Daarbij geldt natuurlijk wel, dat ieder mens, in wat voor omstandig­he­den hij ook verkeert, tot geloof en tot bekering moet ko­men. Het is geen automatisme.

Hij verschaffe recht aan de ellendigen des volks,

Hij redde de armen, maar verbrijzele de verdrukker. – v.4.

Voorwaar, hij zal de arme redden, die om hulp roept,

de ellendige, en wie geen helper heeft – v.12.

hij zal zich ontfermen over de geringe en de armehij zal de zielen der armen verlossen. – Ps.72:13.

Gerechtig­heid is juist de triomf van God tegen het kwaad. Gerechtig­heid is dan ook een heel zege­vie­rend en krachtig woord. De gerech­tig­heid gaat het winnen! Dan zie je dus – om nog even verder te gaan bij Romeinen 1:18 – dat de toorn van God (dat is dan eigenlijk de keerzijde) zich openbaart over al­le kwaad, de goddeloosheid en de ongerechtigheid (daar heb je de te­gen­­hanger van gerechtigheid) van mensen die de waarheid ten onder hou­­den.

Die de waarheid in ongerechtigheid ten onder hou­­­den

Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder hou­­­­den – Rom.1:18.

De waarheid is het getuigenis van God. Het is het getuigenis van God door de eeuwen heen. Het is niet een abstracte waarheid, want die heb je niet in het Hebreeuwse denken. Het merkwaardige is ook, dat je in het Hebreeuws ook eigenlijk geen meervoud hiervan hebt. Je kunt in het He­breeuws niet zeg­gen ‘waarheden’. Als je vraagt: hoeveel waarheden ge­loof jij? is dat een typisch westerse vorm van denken. Dat is een ty­pisch op­gesplitste analy­tische manier van denken. In de bijbel is waar­heid één. Daar gaat het om de waarheid. Dat is de werkelijkheid van God. Dat is de betrouwbaar­heid van Gods getuigenis. Er is dus als het ware een soort complot om die waarheid, om dat getuigenis van God ten on­der te houden, weg te drukken.

Want zijn maaksel zijn wij

Dan staat er in vers 19: Daarom dat hetgeen van God gekend kan worden (‘de kenbaarheid van God’ kun je vertalen) in hen (of ‘aan hen’) openbaar is, want God heeft het hun geo­pen­baard. Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden (letterlijk: de onzienlijke din­gen), zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der we­reld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschul­di­ging hebben. – Rom.1:19,20.

Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard. Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. – Rom.1:19,20. – SV.

En nu is de vraag wat die werken zijn. Want daar gaat het om in deze tekst. Meestal wordt er dan gedacht aan de schepping. Ik zeg ook niet dat dat helemaal niet het geval is. Uit het woord voor ‘werken’, pojemata, komt ook nog ons woord poëm en poët, gedicht, dichter (eigenlijk: een maker), vandaan. Als je dat woord pojemata nagaat, zie je dat dit niet zo vaak in de bijbel voor­komt. In het zogenaamde nieuwe testament komt het maar twee keer voor. Dat is hier in deze tekst en dan in Efeze 2:10. Want daar staat: zijn maaksel zijn wij. Als ik het dus even beperk tot het nieuwe testament, dan komt het dus twee keer voor. In de psalmen  kom je het vaker te­gen. Wat de evan­geliën en de brieven betreft, komen we dat woord alleen in Romeinen 1:8; 1:20 en in Efeze 2:10 tegen. Want zijn maaksel (projema; enkelvoud) zijn wij, in Christus Jezus gescha­pen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. – Ef.2:10.

Hier zien wij dus ook dat woord projema (werk). In de Septuagint kom je dat woord ongeveer dertigmaal tegen. Meestal is het dan een verta­ling van het Hebreeuwse woord mahate. In de regel wordt dat woord mahate dan wel vertaald met werk, maar het betekent eigenlijk meer daad. Dus het is meer de daad zelf en tevens het proces van het werken. Het is dus niet zozeer het eindresultaat van het werk, maar meer het proces van het aan het werk zijn. Gelukkig spreekt de bijbel in dit ver­band niet van producten. Dat is een typisch westers woord van onze eco­nomie. Landbouwproducten is helemaal een rampzalig woord. Je dient dan te spreken van de vruchten van de aarde. Helaas heb je soms ook nog overproductie. De bijbel denkt niet vanuit producten; God wordt niet gekend vanuit zijn productie, maar God wordt gekend uit zijn daden. Dus dat kunnen die heidenen weten, dat kunnen ze waar­nemen. Ze kun­nen in ieder geval iets zien van de daden van God. Dat staat zo mooi in psalm 143:

Ik gedenk aan de dagen van ouds,

ik overpeins al uw daden,

ik overdenk de werken uwer handen. – Ps.143:5.

Dat is dus heel die wordingsgeschiedenis van wat God doet. Later kan dat woord projema ook gaan betekenen: gedicht. Je zou dus Efeze 2:10  haast kunnen vertalen met: ‘wij zijn zijn gedicht’. We zijn het gedicht, het poëm van God. God schrijft zijn verhaal, God schrijft zijn gedicht en dat gedicht zijn wij. God gaat als dichter de taal hanteren en uit die taal worden mensen tevoorschijn gebracht. Bij de rabbijnen kan dat woord mahate, wat dus betekent daad of handeling, ook gebeurtenis gaan bete­kenen. Uiteindelijk kan het zelfs gaan betekenen: het verslag van een ge­beurtenis. De rabbijnen kunnen bijvoorbeeld spreken over het werk van Lot en zijn dochters. Daarmee bedoelen ze dus dat verhaal uit Genesis 19. Dat is het werk, dat is het verslag van dat gebeuren. Het boek Gene­sis wordt door de rabbijnen genoemd: ‘het werk van in den beginne’. Het is het werk, maar het is ook tegelijk het verslag van wat er in den be­gin­ne gedaan is. Het scheppingswerk is natuurlijk een geschiedenis en geen product. Je kunt niet zeggen de planeet aarde is een product dat God ge­maakt heeft. God levert geen producten af, God is geen fabrikant met alle respect voor fabrikanten. God is niet een producent die de aar­de pro­duceert, maar Hij is de God die geschiedenis maakt, die een ver­haal maakt. Paulus zegt in vers 20 : Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en god­delijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het ver­stand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. – Rom.1:20. God wordt gekend vanuit zijn daden, vanuit zijn verhalen. Vanuit dat­ge­ne wat Hij laat gebeuren. Dat is sedert de schepping, maar daar hoort heel de geschiedenis van God bij, zoals bijvoorbeeld ook de uittocht uit Egypte. Zo staat er bijvoorbeeld in psalm 98:

De HERE heeft zijn heil bekendgemaakt,

zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der volken;

Hij heeft gedacht aan zijn goedertierenheid

en aan zijn trouw jegens het huis Israëls;

alle einden der aarde hebben aanschouwd het heil van onze God. – Ps.98:2,3.

De gemeente is het verhaal dat God aan de wereld vertelt

‘Voor de ogen der volken’.

Als het volk Israël uit Egypte trekt, zijn dus alle volken daar getuige van. Egypte ziet het, de Moabieten zien het, de Ammonieten, enzovoorts. Toen het volk Israël uit Egypte trok, konden ze God kennen vanuit zijn da­den. Gods volk wordt uitgeleid; dat werd niet heimelijk in stilte ge­daan, maar dat gebeurde voor de ogen van de heidenen. Zo maakt God zich kenbaar door zijn daden in de geschiedenis. Gods daden zijn tot een ge­tuigenis voor de volkeren. Zelfs de ballingschap van het volk werd een getuigenis voor de volken. Dat is dan nog mede de zin van de bal­ling­­schap. Dus heel de geschiedenis is het gedicht van God. God pre­sen­teert zich dus door zijn daden in de geschiedenis. Zo kun je dus vanuit Efeze 2 zeggen: de gemeente is een daad van God. Dat betekent dus in Efeze 2 veel meer dan: God heeft gewerkt en als resultaat daarvan is er nu een gemeente. Dan ga je de zaak weer verar­men en zeg je als het ware: ja, er is een gemeente, al bijna 2000 jaar; dan eens wat meer, dan weer wat minder. Is dat dan het resultaat van Gods handelen? Nee, de gemeente is in heel haar bestaan daad van God. Dus alles wat er voor positiefs en heilzaams in de gemeente gebeurt, daar­in is de gemeente projema van God, gedicht van God. Als het goed is, schrijft God elke week in die gemeente weer een paar regels van dat ge­dicht. Het gedicht van God gaat door, het verhaal van God gaat door. De ge­meente is het verhaal dat God aan de wereld vertelt. Het gaat er dus niet om, dat de heidenen maar eens door de natuur moe­­ten gaan wan­delen en dan tot de ontdekking moeten komen dat daar toch wel een Schep­per achter moet zitten. Al is dat eventueel ook wel een as­pect van de zaak. Maar de vraag is wel, in hoeverre je door de natuur te bestu­de­ren je tot een al­ge­mene Godskennis komt. In verband hiermee is er dat beroemde verhaal, de gelijkenis van Anto­ny Clou. Dat is een heel beroemde parabel gewor­den. Hij vertelt op een gegeven mo­ment het verhaal van de tuinman. Twee mensen wandelen door het bos en ko­men dan op een open plek in het bos. In die open plek is een schitterende tuin. De een zegt: als ik dit zo zie, dan is hier een tuin­man aan het werk geweest. Nou, zegt de ander, daar geloof ik niets van, ik zie geen tuinman. De eerste zegt: we gaan het uitproberen. Dat is goed, zegt de tweede, we zullen uittesten of hier een tuinman aan het werk is geweest. We zetten een hek om die tuin heen, we bewaken de tuin en zullen zien of de tuinman komt om de bloeme­n te verzorgen. Ze zitten daar dag en nacht, maar er komt niemand. De bloe­men en ge­was­sen groeien en bloeien. Nou, zegt de ene, en toch geloof ik dat hier een tuinman van het werk is geweest. Dan is het een onzichtbare tuin­man. Ach, zegt die ander, dat kan niet; onzichtbare tuinmannen bestaan niet. We zul­­len de test nog iets scherper stellen. We spannen schrik­draad rondom de tuin. We zetten er bovendien een stel waakhonden bij. De volgende dagen ge­beurt er weer niets. Zie je wel, zegt de een, er is geen tuinman hoor. En toch, zegt die ander, dit kan nooit gebeurd zijn zonder tuinman. Ja, zegt die ander, dat bete­kent dus dat het een onzicht­bare tuinman is, die niet onder stroom kan komen te staan en die niet gebeten kan worden door waakhonden. Op het laatst blijft van het ver­onderstelde bestaan van die tuinman dus niet veel over. Maar daar te­gen­over zie je toch vanuit Romeinen 1: God wordt gekend vanuit zijn daden, zijn daden in de geschiedenis. Die daden zijn dan toch ook vaak wel heel verborgen; dat is een aspect dat hierbij ook een rol speelt. Je kunt je afvragen: in hoeverre zijn de daden van God waar­neembaar. De profeten spreken ook van een God die zich verborgen houdt. Uiteinde­lijk kom je dan tot het standpunt: de daden van God zijn op te merken voor degenen die zich daarvoor willen openstellen. Het is uiteindelijk toch een keuze of de mens die daden van God wil her­ken­nen en er­ken­nen.

Dat zegt Paulus hier ook in vers 21: Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. – Rom.1:21.

Hier zie je dus het punt waar het op aankomt, namelijk het verheerlijken en het danken. Wat is nu het gevolg van het feit dat die mens niet tot erken­ning komt? Dat haalt Paulus uit Jeremia 2: Zo zegt de HERE: Wat voor onrecht hebben uw vaderen in Mij gevonden, dat zij zich ver van Mij verwijderd hebben, en het nietige (hebel, damp) zijn ach­ter­na­ge­lopen, zo­dat zij teniet (ijdelheid, damp) zijn geworden; – Jer.2:5.

Ze zijn damp achterna gelopen en ze zijn tot damp geworden; wat je ach­­­terna loopt, ga je worden.

Buiten de wet om is gerechtigheid Gods openbaar geworden

We willen de structuur van deze gedeelten wat in kaart brengen. Vanuit de structuur kunnen we ook een beter zicht krijgen op de details. Het gedeelte waar we het over willen hebben, omvat Romeinen 1:18 tot hoofdstuk 3:26. Dat is om zo te zeggen het eerste hoofddeel. Hier krijgen we dan als hoogtepunt, je zou kunnen zeggen als een soort basis, als een eerste conclusie, wat er staat in hoofdstuk 3:21, die jubelroep: Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waar­­van de wet en de profeten getuigen, – Rom.3:21.

Maar let erop, dat er meteen bij wordt gezegd: ‘waar­van de wet en de pro­feten getuigen’. De Torah en de profeten getuigen van die gerechtigheid, die thans openbaar geworden is. Dat woord thans heeft in de grondtekst sterke nadruk. Paulus onderstreept dus meteen dat de Torah en de pro­feten daar al over gesproken hebben. We zullen hierbij meteen een paar stellingen poneren.

1. Paulus is trouw gebleven aan zijn Joodse oorsprong.

Het is voor Paulus geen breuk met het Jodendom geworden. Paulus is trouw gebleven aan de Joodse tradities. Je hoeft ook niet bang te zijn om goede tradities in ere te houden. Bij sommige mensen gaan de haren meteen overeind staan als ze het woord traditie horen. Er is een uit­spraak die luidt: traditie is eenheid. Het is natuurlijk helemaal de vraag hoe je met tradities omgaat. Iedereen leeft tot op zekere hoogte ook van­uit tradities. Je hebt ook pinkstertradities en volle evangelie-tradi­ties. De vrije groepen hebben ook hun tradities, dus wat dat betreft hoef je geen traditievrees te hebben. Het feit dat je kant en klare liederen hebt om te zingen, is al een stuk traditie. Zonder traditie kan een mens niet leven. Tradities maken het leven enigszins gestroomlijnd. Tradities ge­ven ook een stuk saamhorigheid en herkenning. Paulus blijft dus trouw aan zijn joodse tradities.

2. Paulus had ook een positieve relatie met de Joodse apostelen, zoals bij­voorbeeld Petrus en Jakobus. Dat blijkt ook met name uit de Galaten­brief.

3. De leer van de rechtvaardiging door het geloof was niet gericht tegen het Jodendom. Paulus predikt de rechtvaardiging door het geloof, maar dat was niet om zich daarmee af te zetten tegen het Jodendom.

4. Soms heerst het misverstand, dat de Joodse gedachte zegt: je moet het verdienen, je moet werken om loon, je moet werken om bij God gunsten te verkrijgen. Dat is vaak het karikaturale beeld dat je nog wel eens hier en daar tegenkomt.

Als je gaat spreken over de verhouding tussen Paulus en het jodendom, zoals dat in de Romeinenbrief tot uiting komt, dan moet je wel uitgaan van een eerlijk beeld van het Jodendom en niet van een karikatuur. Als je wilt weten hoe Paulus zich verhoudt tot de andere Joden, dan moet je eerst wel weten, hoe die andere Joden dan denken. Daarbij moet je niet van een of ander vertekend beeld uitgaan, anders krijg je het nooit op de juiste manier in beeld. Het uitgangspunt van het Jodendom is en was: niet werken om loon te krijgen en werken om bij God gunst te verkrijgen, maar hun uitgangs­punt was en is altijd geweest: geloof (emunah), vertrouwen en vandaar­uit ga je werken. Vanuit het geloof moet je daden stellen. Dat is trou­wens ook het standpunt van het christendom. Zo zie je dat die stand­punten vaak dichter bij elkaar liggen dan je denkt. Wat gaat Paulus nu doen in die eerste drie hoofdstukken van de Romei­nenbrief? In dat gedeelte: hoofdstuk 1:18 tot hoofdstuk 3:26 kun je een bepaalde indeling maken. In hoofdstuk 1:18-32 wordt gesproken over de heidenwereld. Hoe gaat het er in de heidenwereld aan toe, wat wordt daar allemaal bedreven? Wat voor kwaad en wat voor puinhopen bevinden zich daar?

Kol Adam

In hoofdstuk 2 gaat Paulus het dan verder toespitsen. Daar gaat het eerst over de mens in het algemeen. Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen. – Rom.2:1.

Letterlijk gebruikt Paulus hier de uitdrukking ‘oh, alle mens’.

Dit hoofd­stuk begint dus met ‘kol Adam’. We moeten met de opschriften boven deze perikopen wel oppassen. Zo heeft het NBG als opschrift boven hoofdstuk 2: ‘Het oordeel Gods over de Joden’. Die opschriften werken vaak wat verwarrend. Je loopt dan het ge­­­vaar dat je niet meer goed leest wat er onder het opschrift staat. Je zou hier dus kunnen denken, dat het hier gaat over het oordeel over de Jo­den. Maar hoofdstuk 2 begint dus, al in het eerste vers, met ‘kol adam’. Wij weten echter, zegt vers 2, dat het oordeel Gods naar waarheid, on­par­­tijdig gaat over hen die zulke dingen bedrijven. Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig (letterlijk: naar waarheid) gaat over hen, die zulke dingen bedrijven. – Rom.2:2.

Er is geen aanzien des persoons

En dan gaat Paulus in het vervolg van hoofdstuk 2 een splitsing aan­bren­gen: Joden en hei­denen. We zien dan dat het in vers 9 eerst gaat over de Jood en dan over de Griek. In vers 10 ook weer eerst de Jood en dan de Griek. En dan zegt vers 11: want er is geen aanzien des persoons bij God.

Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwa­­de bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek; – Rom.2:9.

maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek. – v.10.

Want er is geen aanzien des persoons bij God. – v.11.

Geen ‘aannemen van het aangezicht’ zoals er letterlijk staat. Dat is dan de ty­pisch Hebreeuwse uitdrukking: er is ‘geen aanneming van het aange­zicht’ bij God. Dus je ziet dat het in dat eerste stuk over alle mens gaat, dan in vers 9 en 10 zien we die opsplitsing: eerst de Jood en dan de Griek. In v.11: er is geen aanneming van het aangezicht. Er is dus geen aanne­ming van het aangezicht (panim) bij God.

De apostel gaat dat dan verder uiteenzetten, want in vers 12 zegt hij:

Want allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en allen, die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoor­deeld worden; – Rom.2:12

want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden. –  v.13.

Het gaat dus over degenen die zonder wet zijn en degenen die onder de wet zijn. Vers 13: Niet de hoorders van de Torah zijn rechtvaardig bij God, maar de daders van de Torah zullen gerechtvaardigd worden.

Verloren gaan betekent: je bestemming missen

Wat het begrip ‘verloren gaan’ betreft heb je dan vanuit het Hebreeuws het woord abar. En abar betekent eigenlijk kwijtraken. In het algemeen wordt onder ‘verloren gaan’ verstaan: niet tot je bestemming komen, kwijt­­raken. Als een mens kwijtraakt, denken we ook aan het verhaal van dat kwijt­ge­­raakte schaap, de kwijtgeraakte penning en de kwijtgeraakte zoon. Daar heb je drie vormen van kwijtraken. De ene rolt weg, omdat hij rond is. De tweede loopt weg omdat hij niet beter weet en de zoon loopt van huis weg om wat voor redenen of factoren dan ook. Maar, hoe het ook zij, het gaat er dus om dat een mens dan zijn bestemming mist. Dat gaat ook veel breder, dat kun je ook niet helemaal exact opsplitsen. Je kunt niet zeggen: gaat het nu om de tijd of de eeuwigheid? Dat wordt in het bijbelse denken niet zozeer keurig in vakjes verdeeld. Maar het gaat er ook vooral om dat de mens ook nu al zijn bestemming mist. Hij raakt kwijt, je bent de mens kwijt. Ik denk, dat je ook zo‘n woord weer met je gevoel moet lezen. Ik zeg wel eens vaker: je moet de bijbel meer ge­voels­matig leren verstaan. Dat is voor God heel wat als Hij een mens kwijt is! Dat is voor God niet een kwestie van registratie in de zin van: er zijn er een paar niet. Voor God is dat iets dat Hem heel wezenlijk raakt.

Er wordt een mens vermist!

Er is een mens die zijn doel, zijn wezenlijke menszijn niet bereikt. Dat is nu juist de hele teneur van de Schriften van Genesis af tot Open­ba­ring toe, dat de mens tot zijn bestemming moet komen. Dat geeft dan toch ook weer de muziek in de woorden en dat is nu ook juist het evan­gelie, dat de mens heel wat keren zijn doel kan missen, maar dan uit­ein­delijk, langs allerlei omzwervingen, tegen alle verwachtingen in, zijn be­stem­ming vindt. Dat is ook het glorieuze van God, dat Hij de mens van­uit zijn misere en vanuit zijn wanhoop, hoe ook afgezworven, thuis­brengt. In wezen is de bijbel vanaf Genesis tot Openbaring het verhaal van de thuiskomst. Mensen komen thuis bij God en God komt thuis bij mensen. Soms zie je dat een mens zijn bestemming niet kan vinden, maar God blijft toch vol verwachting hopen. Dat is ook een motief in de Romei­nen­brief: God heeft altijd nog hoop voor de mens. Want Hij is de ‘God der hope’, zegt Romeinen 15. God blijft dwars tegen alles in de hoop vast­houden.

Misleidende opschriften

Er wordt dus gezegd ‘eerst de Jood en dan de Griek’. Dat duidt op de heilshistorische volgorde. God is per slot van rekening begonnen bij Is­raël. Dat was het eerste volk aan wie Hij zich openbaarde. Vandaar dus: eerst en dan. Hij is de God die ergens in de geschiedenis binnen­stapt en dan dat volk bij de hand neemt. En via dat ene volk komt Hij dan tot al­le volkeren. Er wordt gesproken van ‘zonder onderscheid des persoons’. God heeft in die zin geen lievelingetjes. Er is iets aan de hand met dat gedeelte van Romeinen 1 en 2. Vaak is dat toch op een wat gevaarlijke manier geïnterpreteerd. Dat blijkt onder an­dere uit dat opschrift boven hoofdstuk 2: ‘Gods oordeel over de Joden’. En dan staat er boven de perikoop die begint bij vers 12: ‘de wet baat de Joden niet’. Vervolgens staat er boven de perikoop die begint bij vers 25: ‘de be­snijdenis baat de Joden niet’. Dus wat baat er nu eigenlijk wel? Als je die opschriften zo leest, dan heb je als het ware drie punten voor een preek. Maar dan ben je toch iets heel belangrijks vergeten. Dat leer je dan van de Joodse denker Emmanuel Levinas.

Gerechtigheid Gods wordt geopenbaard uit geloof tot geloof

Paulus wil met heel dit verhaal ergens naar toe. En het is Paulus er niet om begonnen om af te kraken, maar om op te bouwen. Het gaat hem erom te vertellen hoe die gerechtigheid van God nu openbaar komt. Pau­lus wil ook vertellen hoe mensen worden voortgebracht door het woord van God, hoe ze door dat eeuwige woord (Torah) tot leven worden ge­bracht. En dat woord (Torah) krijgt uiteindelijk gestalte in de Messias. Dat is nu in wezen waar Paulus helemaal van vervuld is. Paulus is niet in de eer­ste plaats ergens tegen, maar hij is primair ergens voor. Je moet Romei­nen 2 ook niet zo lezen, alsof Paulus tegen de Joden aan het knok­ken is. Iemand die op evangelisatiegebied werkzaam was in San Fran­cis­co, was het opgevallen dat de christenen daar weinig evangeli­satie­drang had­den. Het enige wat ze nog deden was het demonstreren tegen abor­tus en euthanasie en nog een aantal dingen. Maar als je bij een abor­tus­kli­niek wordt opgepakt en de deur uitgezet, kun je daar niet even later ko­men om het evangelie te brengen. Je ziet dan dat de mensen zo­zeer in be­slag worden genomen door de punten waar ze tegen zijn, dat ze er niet meer aan toekomen om te vertellen waar ze vóór zijn.

Dus als je die hoofdstukken Romeinen 1 tm 3 leest, moet je er vooral op letten, waar Paulus vóór is. Dat heeft hij dan ook gezegd in Romeinen 1: 16,17.

Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot be­houd voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek.

Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, ge­lijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven.  Rom.1:16,17.

De gerechtigheid Gods wordt geopenbaard uit geloof tot geloof. Dus uit het geloof van de Messias tot het geloof van ons. Het geloof dat Jezus heeft, werkt zich weer uit in de mensen die in Hem geloven. Dat is dus het uitgangspunt waar Paulus hierover spreekt. Dan zegt Paulus als conclusie, dat die gerechtigheid openbaar is gewor­den: Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waar­van de wet en de profeten getuigen, – Rom.3:21.

De openbaring van Gods gerechtigheid staat dus als een soort omlijsting om dit gedeelte heen. In 1:17 wordt de gerechtigheid geopenbaard en in 3:21 is de gerechtigheid openbaar geworden. In het kader tussen deze twee teksten gaat Paulus dus vertellen wat er met Joden aan de hand is en met heidenen. Maar als kader staat daar­omheen: God gaat zijn tsedaqah doorzetten en manifesteren. Dat begint dus uit geloof, dat is het geloof van Jezus en dat zet zich voort, dat plant zich voort in het geloof van zijn volgelingen. Zijn volgelingen, die gegre­pen zijn door het geloof van Hem. Paulus zegt ook: ik ben door Hem ge­grepen. Het geloof van Jezus in de mensen, brengt de mensen tot geloof in Jezus. Zo worden mensen voortgebracht door het Woord, door het ge­­­loof. Dat is de thematiek die door dit gedeelte heen speelt: mensen wor­den tot leven gebracht, mensen worden voortgebracht, men­­sen wor­den verwekt door dat woord der waarheid. Daarin heeft Paulus dus gezegd waar hij vóór is. Hij ziet dat woord zich voortplanten, hij ziet dat woord zijn zegetocht beginnen, hij ziet dat woord mensen tevoorschijn roepen.

Asymmetrische verantwoordelijkheid

Levinas heeft een begrip ingevoerd, dat juist in verband met deze hoofd­­stukken uit de Romeinenbrief heel belangrijk is. Dat wordt dan ge­noemd: asymmetrische verantwoordelijkheid. Dat houdt het volgende in: van iemand die veel weet, mag je ook veel verwachten. Van ie­mand die minder weet, kun je ook minder verwachten. Dat is één aspect van deze gedachte. Dat is iets dat wel voor de hand ligt, maar er komt nog iets bij. Er zijn dingen die je wel tegen jezelf kunt zeggen, maar niet tegen een ander. Dat is nu die asymmetrische verantwoordelijkheid. Er zijn dingen die kan ik van mezelf eisen, maar niet van een ander. Die ver­antwoordelijkheid is dus asymmetrisch. Ik kan wel heel wat van me­zelf eisen, maar zodra ik dat ook van ande­ren ga eisen, word ik wet­tisch. Dan ga ik die ander een wet opleggen. Dat is het voorbeeld dat Jezus geeft van de balk en de splinter. Als er nu iemand langskomt, kan hij dat dan objectief waarnemen? Ziet hij dan in dat ene oog een splinter en in het andere oog een balk? Nee, dat is niet waarneembaar voor derden. Als de toeschouwers konden zien wie er een balk en wie er een splinter in zijn oog had, zou dat symmetrisch zijn. Dan zou iedereen kunnen zeggen: ja, die daar heeft meer zonden dan deze. Oh, daar loopt een broeder met een balk in zijn oog. Dat is werke­lijk bij de balken af, zo balkten zij allen. Het is voor een buitenstaander dus niet waarneembaar. Alleen ikzelf kan zeggen: ik heb een balk. Die ander kan ook niet tegen mij zeggen: ik loop met een splinter, maar jij hebt een balk. Je kunt het niet omdraaien, het is asymmetrisch. Ik kan alleen voor mezelf spreken. Dat is nu de hele kwestie die in Romeinen 2 aan de orde komt. Dus als Paulus daar over de Joden spreekt, spreekt hij daar als ‘ik als Jood’. Ik als Jood heb een zware verantwoordelijkheid. Maar een heiden kan niet Romeinen 2 nemen en zeggen: jullie Joden hebben een zware verant­woordelijkheid. Je kunt dat dus niet omdraaien. Dat is vaak de fout die gemaakt is, dat men dat asymmetrische niet in aanmerking heeft geno­men. En dan neemt men Romeinen 2 en zegt: ja, die Joden hebben er on­danks het feit dat ze de Torah en de boeken van de bijbel hadden, er niet veel van terechtgebracht. Maar dat is misbruik maken van Romei­nen 2. Want dan ga je praten over de balk van een ander. Maar die ander heeft geen balk; de ander heeft nooit een balk. Ik heb een balk, maar ik kan nooit balken gaan signaleren bij een ander. Dus je kunt Romeinen 2 nooit gaan gebruiken om een diagnose te geven over het Jodendom. Je kunt alleen zeggen: ik als Jood heb een zwaardere verantwoor­delijk­heid. Maar je kunt niet zeggen: ‘die ander als Jood’, nee, dat kan dan al niet meer. Je moet altijd beginnen met ‘ik, ik als Jood’. En als je geen Jood bent, dan heb je daar niets mee te maken. Want wat Paulus in Ro­meinen 2 schrijft, schrijft hij niet voor heidenen. Alleen, als het over hei­denen gáát. Wat Paulus over de Joden schrijft, daar hebben die heidenen niets mee te maken. Dat is dus een kwestie van ‘onder vier ogen’. Wat Paulus als Jood zegt tegen zijn mede-Joden, daar staan die gojim buiten. Paulus heeft recht van spreken; hij spreekt vanbinnen uit. Als Paulus iets zegt over Joden, dan heeft niemand het recht om te zeggen: dat ben ik met Paulus eens, dat is echt iets voor het Jodendom. Overigens bestaat het Jodendom niet. Dan heb je het veel te algemeen gezegd. Dat aspect van het asymmetrische moeten we hier dus wel in betrekken. Anders raak je op een gigantische manier in de problemen.

Brood als materiële zaak – brood als geestelijke zaak

De denkbeelden van Levinas in dit verband gaan weer terug op een 19e eeuwse Joodse denker, genaamd Is­raël Salanter. Israël Salanter was een 19e eeuwse rabbijn en de stichter van een vernieuwingsbeweging bin­­­nen het Jodendom. Deze Salanter doet een heel interessante uit­spraak in verband met dat asymmetrische aspect. Hij zegt: mijn brood is een materiële zaak, maar brood dat de ander ontbreekt, is mijn hoogste spiritualiteit. Mijn brood betekent gewoon: boterhammen, daar zit niets geestelijks aan. Maar die boterham die de ander moeten ontberen, die is op en top geestelijk. Want op het mo­ment dat die ander geen brood heeft, komt in het geding of ik gees­telijk denk of niet. Op het moment dat ik zeg: ik heb niets met dat ge­brek aan brood van de ander te maken, ben ik al ongeestelijk bezig. Op het moment dat ik denk: ik moet mijn brood met die ander delen, ben ik geestelijk bezig. Op dat moment word ik solidair met die ander. Dus het ontbreken van het brood bij die ander is een op en top geestelijke zaak. Dus dat ligt ook weer asymmetrisch. En dan vraag je je af: is brood nu geestelijk of niet. Brood kan dus zeer wel een geestelijke dimensie hebben. De mens leeft niet van brood al­leen. Dat kun je zeggen tegen jezelf, maar dat kun je niet zeggen tegen een ander die het niet heeft. Je kunt niet tegen iemand die honger heeft zeggen: broeder, het gaat om uw geestelijk leven. Het gebrek aan de ma­te­riële zaken van die ander is voor jou een op en top geestelijke aan­ge­legenheid. Je kunt oordelen over je eigen brood, maar je kunt niet oor­delen over het brood van een ander. Een belangrijk punt in Romeinen 2 is dus het verschil tussen mij en de ander. Dat wil zeggen: mijn verant­woordelijkheid is zwaarder dan de verantwoordelijkheid van die ander. In dat verband is er een uitspraak van Dostojevski, die door Le­vinas weer wordt aangehaald en die luidt: ‘Iedereen is schuldig voor alles en allen en ik meer dan wie ook.’  Je moet telkens denken vanuit het gege­ven wat jouw plaats is. Het merk­waardige in dit verband is het spreken over ‘de mens’.

Iedereen is schuldig voor alles en allen

In die uitspraak van Dostojevski ‘iedereen is schuldig voor alles en allen’ ligt natuurlijk wel een bepaalde begrenzing. Je bent natuurlijk niet ver­ant­­woordelijk voor wat iedereen doet. Je kunt ook niet op je nemen wat alle mensen doen of niet doen. Wat in deze uitspraak benadrukt wordt, is dat de mens zelf, ik, meer verantwoordelijkheid heeft dan die ander. Dat is dus ook het probleem van het spreken over ‘de mens’. Je spreekt over ‘de mens’ in de derde persoon. En toch hoor jij daar zelf ook bij. Als je spreekt over de mensheid, dan sluit jij jezelf daarbij in. Jij hoort bij die mensheid. Romeinen 2 kun je ook verhelderen aan de hand van de vier soorten men­­sen die naar het leerhuis gaan. Dat is een gedachte vanuit de Spreu­ken der Vaderen, waar ervan uitgegaan wordt dat er vier soorten mensen zijn die naar het leerhuis gaan.

1. Hij die gaat en niet handelt.

Hij heeft alleen de verdienste van het gaan.

2. Hij die niet gaat, maar wel handelt.

Hij heeft de verdienste van het handelen.

3. Hij die gaat en ook handelt.

Dat is een chassid, een vrome, een getrouwe.

4. Hij die niet gaat en niet handelt.

De twee structuurelementen in deze categorieën zijn het gaan en het han­delen. Je kunt ook zeggen: het komt in wezen aan op het leren en het doen. Die kunnen allebei aanwezig of afwezig zijn. Paulus zegt in vers 2 dat het oordeel van God onpartijdig is. Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig gaat over hen, die zulke dingen bedrijven. – Rom.2:2.

Letterlijk staat er: ‘naar waarheid’. Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lank­moedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaar­dig­heid leidt? – Rom.2:4.

Het woord goedertierenheid is een van die oerwoorden, die Paulus van­uit het Hebreeuwse denken overgenomen heeft. In het Hebreeuws heb je dan het woord chesed, dat in feite de betekenis heeft van verbonds­trouw. Veracht gij zozeer de verbondstrouw van God, zijn verdraag­zaam­­heid en zijn lankmoedigheid, geduld… En beseft gij niet dat de goedertie­ren­heid Gods, die verbondstrouw van God, u tot boetvaardig­heid leidt? Dat is dan weer het sleutelwoord: wat is het doel van die ver­bonds­trouw: ja, dat is hier dan vertaald met ‘boetvaardigheid’. Daar staat een woord dat eigenlijk weergegeven moet worden met tesju­bah, om­keer, te­rugkeer. Dus de chèsed van God, de verbondstrouw, de solidari­teit met zijn mensen, heeft als doel om tot omkeer te leiden, opdat de mens zal terugkomen naar zijn oorsprong. Terug zal komen naar zijn huis, naar zijn Maker, naar zijn Schepper. Die verbondstrouw, die soli­da­riteit is het kenmerk van God. En dat zal daarom ook het voor­naam­ste kenmerk be­horen te zijn van mensen.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406166 bezoekers sinds 07-06-2010