De brief van Paulus aan de Romeinen Deel 20

10-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

HOOFDSTUK 10

IJver voor God, maar niet met ver­stand. Broeders, de begeerte mijns harten (letterlijk: welbehagen – ratson, dat is dat woord uit Lucas 2) en mijn gebed over hun behoud (soteria) gaan tot God uit. Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder ver­stand. – Rom.10:1,2.

Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israel doe, is tot hun zaligheid. Ø Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God heb­ben, maar niet met verstand. SV.

Het welbehagen van zijn hart en het gebed van Paulus loopt uit op die redding. Dus Paulus zegt: ik heb welbehagen in hun redding en ik bid voor hun redding (bevrijding, verlossing). Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder ver­stand (niet met kennis, inzicht).Rom.10:2. ‘Zonder verstand’ is een beetje cru gezegd. Die ijver is op zich dus wel goed, alleen nu moet het nog aangevuld worden door inzicht. Een mens kan zo bezig zijn met allerlei dingen die hij voor God doet, dat hij aan het kennen van God niet toekomt. Miskotte zegt dan: sinds ze uit­ge­vonden hebben dat christendom mensenwerk is, kost het je alle avon­den. Je hebt van die gemeenten waar er elke avond wel een activi­teit is. Je blijft vergaderen net zolang totdat je tot je vaderen vergaderd wordt.

Want onbekend (onkundig) met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtig­heid te doen gelden (op te stellen), hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderwor­pen. – Rom.10:3.

Je bent steeds maar bezig om zelf iets overeind te zetten, op poten te zet­ten, maar je komt niet toe aan die gerechtigheid van God. De gerech­tig­heid van God komt als een mantel om je heen, de mantel der gerech­tig­heid. De gerechtigheid van God is, dat Hij jou overeind zet. Dat staat ook zo mooi in de psalmen: red mij door uw gerechtigheid. Bij U, HERE, schuil ik, laat mij nimmer beschaamd worden. Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid, – Ps.31:2.

Door uw gerechtigheid, niet door mijn gerechtigheid. De gerechtigheid van God gaat het winnen en die drijft alle ongerechtigheid uit. God komt met zijn tsedaqah, met zijn waarachtigheid en daarmee overwint Hij alle onrecht. Aan het eind van Romeinen 9 gaat het in wezen ook over dat presta­tie­denken. Daar gaat het ook over werken en het najagen van de wet. Dat gebeurt dus op allerlei manieren en dat is zeker ook geen zaak waar we Is­ra­ël de schuld van moeten geven. Ook in het christendom komt die pres­ta­tiedwang vaak om de hoek kijken. Uiterlijke vroomheid en allerlei op zich wel goede doelen nastreven, maar dat kan wel doodver­moei­end worden. Dan krijg je weer allerlei dingen die móeten. En dan wordt het ook nog vaak afgemeten naar de hoeveelheid. Bid je wel ge­noeg, lees je wel genoeg in de bijbel? Houd je wel genoeg stille tijd? En pas op hoor, want als je dat niet genoeg doet, zul je de gevolgen wel merken. Maar dan dreig je uit angst te gaan handelen. Als door sommige evangelisten de oproep wordt gedaan om je hart aan de Heer te geven, komt er soms min of meer dreigend achteraan, dat het anders niet zo best met je zal aflopen. Ga maar staan als je wilt kiezen voor Jezus. Maar als je dan blijft zitten, dan kies je tegen Hem.Dan wordt het toch wel enigszins dwangmatig, want dan dwingt hij in feite de mensen te gaan staan, want anders hebben ze dus tegen geko­zen. Maar er is misschien ook nog de mogelijkheid dat er iemand zit die zegt: ik moet er eigenlijk nog eens over nadenken. Die ruimte is er dan kennelijk niet. In de praktijk kom je toch wel men­sen tegen die zeggen: ik ben er nog niet klaar mee. Moet je dan een keu­ze for­ce­ren? Vroeger ge­beurde het ook wel eens, dat als er mensen naar voren kwamen, ze als het ware naar vo­ren werden gesleept, mensen die er eigenlijk nog niet klaar voor waren. En dan kun je wel met iemand gaan bidden, maar als hij er niet klaar voor is, dan werkt dat niet. Dan ben je eigenlijk alleen maar aan het proberen dat plant­­je uit de grond te trekken, maar dat plantje moet wel eerst zelf nog groei­en. Als het dan opkomt, kun je zeg­gen: kijk, het komt te voor­schijn. Het zaad komt op. Maar geen enkele boer zal aan die plantjes gaan zitten trekken. Dat staat zo mooi in het Hoog­lied: je moet de liefde niet opwekken, voordat het haar behaagt. Dus ik denk, dat dit ook een kwestie van geloof is. Als iets uit God is, dan kómt het wel, ook zónder dat wij er aan gaan staan rukken en staan trekken. Het geloof van mensen die op die manier als het ware tevoor­schijn geplukt wor­den, houdt ook geen stand. Want dan zijn het ónze bekeerlingen, en niet die van God. Sommige mensen krijgen gewoon de kans niet om open te gaan. Een bloem kun je ook niet open plukken. Die bloem heeft gewoon eerst nog meer zon­licht en warmte nodig. Als het mìjn bekeerlingen zijn, moet ik ze ook in stand houden. Uiteraard heeft God wel mensen als mede-ar­bei­ders. Dat is toch wel een belangrijk principe: wekt de liefde niet op tot­­dat het haar behaagt. Als het goed is, komt het vanbinnen uit en dan wordt de mens niet uit angst wakker gemaakt, maar dan geldt: Ik zal haar lokken.

Christus is het einddoel van de Torah

Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die ge­looft. – Rom.10:4.

Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die ge­looft. – SV.

Christus is het einddoel (telos) van de Torah. Heel de Torah loopt uit op de Messias. Heel de Torah vindt haar vervulling in de gestalte van Je­zus. Dat betekent dus niet, dat de Torah dan niet meer geldt, alleen dan kan de To­rah goed functioneren. Want de Torah is goed, alleen je moet er ook een goed mens bij hebben. Je kunt wel prachtige regels hebben, maar als de mensen niet deugen, heb je nog niets aan die regels. De To­rah is een huis, maar als de bewoners van dat huis niet deugen, wordt het een moeilijke zaak. Als er in een prachtige villa een aantal krakers zijn intrek neemt, wordt die villa binnen de kortste keren een puinhoop. Je kunt dan moeilijk zeg­gen dat dat huis niet deugt. Dus de Torah is goed, al­leen er moet nog een goede bewoner in en dat is de Messias en degenen die met Hem verbonden zijn, die ìn Hem zijn. Je kunt moeilijk de prach­tig­ste huizen afbreken, omdat er anders krakers in zouden komen.

Jezus heeft zich altijd verbonden gevoeld met de Torah. Jezus en de To­rah, alsof ze voor elkaar gemaakt zijn! En dat zijn ze dan ook. De Torah is de bruid en Jezus is de bruidegom. En ze leefden nog lang en geluk­kig. Als de mens die verbondenheid niet kent, voelt hij zich bij de Torah on­gelukkig. Dan zegt God: we gaan het anders doen. De Torah blijft staan, alleen gaan we een nieuwe mens maken. En die nieuwe mens is Jezus en degenen die in Hem zijn. Jezus is de tweede Adam, de tweede mens. En de twee­de mens past bij de Torah. Die mensen zijn gaaf en tov.

…… tot gerechtigheid voor een ieder, die ge­looft. – Rom.10:4.Dan komt de gerechtigheid voor de mens, die net als David zegt: doe mij ontkomen door uw gerechtigheid. Want Mozes schrijft: De mens, die de gerechtigheid naar de wet doet, zal daar­­door leven. Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen. – Rom.10:5-7.

Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven. – v.5-SV.

Paulus antwoordt hier met een citaat uit Deuteronomium 30. Je hoeft Hem niet uit de hemel te halen, je hoeft Hem niet uit het dodenrijk te ha­len, want dat is allemaal al gebeurd.

Het woord dat u ten leven riep

is niet te hoog, is niet te diep

Voor mensen die ’t zo traag beamen.

Het is een teken in uw hand,

een licht dat in uw ogen brandt.

Het roept u dag aan dag bij name.

Het is niet aan de overzij.

Wat zegt gij dan: wie zal voor mij

de wijde oceaan bevaren,

wie brengt van de overkant der zee

de schat der diepe wijsheid mee,

die ’s levens raadsel kan verklaren?

Het is ook in de hemel niet,

hoe vaak hij ook naar boven ziet

en droomt van bovenaardse streken.

Wat gij ook in de sterren leest,

alleen de Geest beroert de geest,

alleen het woord kan ’t hart toespreken.

Het woord van liefde, vrede en recht

is in uw eigen mond gelegd,

is in uw eigen hart geschreven.

Rondom u klinkt de stem van God:

vrijspraak, vertroosting en gebod,                 Jan Wit – Liedb. 7.

vlak vóór u ligt de weg ten leven.  {Naar Deuteronomium 30:11-16}.

‘Dat woord is dicht bij u’ zegt Paulus dan ook. Nabij u is het woord, in uw mond en uw hart. God komt je tegemoet. Je hoeft het niet ergens mij­lenver vandaan te halen, het komt naar je toe. Het is het woord van het geloof.

Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken. – Rom.10:8.

Met het hart geloven en met de mond belijden

Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart ge­looft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden. Rom.10:9.

Het gaat dus om mond en hart, om belijden en geloven.

want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis. – Rom.10:10.

Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid. SV. Daar heb je weer hetzelfde woord soteria (behoud). Dat stond ook aan het eind van vers 1.

Het hart gelooft en de mond brengt het naar buiten. Wat dat betreft is de mens een eenheid, die je niet kunt opsplitsen. Het leven met God is niet alleen een innerlijke kwestie. Het hart gelooft en de mond spreekt het uit. En zo wordt heel de mens doortrokken van dat woord. Dan zie je een heel belangrijk principe: wat je zelf uitspreekt, dat spreek je ook weer tot je eigen hart. Het is ook opmerkelijk dat er eerst gezegd wordt: ‘met de mond belijd je tot behoudenis’ en daarna ga je het met je hart gelo­ven. Eerst is de volgorde in vers 9: mond en hart, in vers 10 is de volgorde dan hart en mond. Dus het begint met het belijden. En dat be­lijden doe je ook tòt je eigen hart. Daarom heb je het ook nodig om het steeds weer te horen. Je belijdt je geloof. Je hoort steeds weer die woor­den. Soms hoor je ze uit de mond van een ander en soms uit je ei­gen mond. De rabbijnen zeggen wel eens: horen je oren wel wat je mond zegt! Je spreekt ook tot jezelf. Op die manier spreek je jezelf weer geloof in. Je hebt het steeds weer nodig om die woorden te horen. Je blijft in die wisselwerking van mond en hart. Daarom ook die wisselen­de volgorde in de tekst. Immers het schriftwoord zegt: Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet be­schaamd (zal niet ten schande worden) uitkomen. Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; – Rom.10:11,12.

Er is geen onderscheid, geen afstand, want dezelfde is Kurios (Adonai) van allen. In het Grieks Kurios (=Heer), in het Hebreeuws Adonai. Hij is de gerechtigheid en de bron van de gerechtigheid.

En het zal geschieden, dat ieder die de naam des HEREN aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de HERE zal roe­pen. – Joël 2:32.

Vader, wij danken U dat Gij de Torah hebt gegeven,

maar dat U ook de Messias hebt gegeven.

De Messias, die heel de Torah op zich heeft genomen.

Hij heeft heel dat woord gedragen en zich eigengemaakt.

Hij heeft het doorleefd en doorworsteld tot op het kruis van Golgota.

En zo bent U, Jezus, helemaal één geworden met de Torah.

En het is geworden het Woord van de bevrijding,

het Woord van de gerech­tig­heid.

En dat Woord is nabij in onze mond en in ons hart.

Zozeer komt U ons tegemoet en we danken U daarvoor.

Zo groot is uw heil en zo heerlijk is uw gerechtigheid.

Uw gerechtigheid is hemelhoog, daar gaat niets bovenuit.

Die gerechtigheid zal het winnen.

Zo gaat U door met uw mensen, dwars tegen alles in.

Ook als ze falen, dan faalt U niet.

Uw naam zal verhoogd worden over heel de aarde.

God heeft zijn volk toch niet verstoten?

Er staat een tekst in het apokriefe boek Jezus Sirach, die alleen in de He­breeuwse uitgave voor­komt. De normale uitgave van Jezus Sirach is in het Grieks. In de Hebreeuwse uitgave van Jezus Sirach staan soms een paar gedeelten ex­tra. In bedoelde tekst staat, dat God de inzamelaar van de verstotenen van Israël is. Want – zo staat er dan – zijn barmhartigheid (chesed, ver­bonds­­­trouw) heeft geen einde. Dat thema kom je ook in de psalmen wel tegen: zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. De laatste grens is de dood. Jezus is tot over die laatste grens met ons mee­gegaan. Dat heeft ook alles te maken met dat punt van Romeinen 10 en 11, want daar komt ook die vraag aan het begin van hoofdstuk 11 naar voren: Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benja­min. – Rom.11:1.

Het antwoord dat Paulus geeft en bedoelt, is duidelijk ontkennend. God heeft zijn volk niet verstoten, God heeft trouwens geen enkel volk aan de kant gezet. Hij is niet de God die verderft en verwerpt, dat is iets wat het rijk der duisternis doet. Mensen en ook volkeren kunnen zich vaak verworpen voelen, maar God stelt tegenover die verwerping juist de ge­nade, de ontferming. En van meetaf aan zit daarin de lijn vanaf Genesis, dat God de verwerping opheft. Direct nadat de vrouw in Genesis 3 heeft gegeten van de vrucht, wordt er gezegd: uit het zaad van de vrouw zal de overwinning komen over het zaad van de slang. God gaat uitgerekend uit de vrouw die gefaald heeft, het zaad van de Verlosser laten voortkomen. En later in Genesis 4, als Adam Seth verwekt, zie je dat ook weer. Seth betekent plaats­ver­van­ger, plaatsbekleder. Uit Adam, uit de mens die gefaald heeft, wordt de plaatsbekleder voortgebracht. Niet buitenom, maar binnendoor. Dus God heeft de mensheid niet verworpen. God gaat zijn bevrijdingsplan niet bui­ten de mens­heid om volvoeren, want als Jezus komt dan wordt Hij ook voortge­bracht vanuit de mensheid, vanuit het zaad van de vrouw. Je ziet steeds heel duidelijk het principe, dat God de mens en de mensheid niet bui­tenspel zet. In die zin zouden we zelfs kunnen zeggen: God doet nooit iets nieuws, Hij blijft altijd binnen zijn oorspronkelijke plan. We zien het ook in de geschiedenis van Mozes en het volk Israël. Als het volk bij het gou­den kalf gefaald heeft en God tegen Mozes zegt: nu ga ik met jou maar verder, met een volk dat uit jou voortkomt, dan zegt Mozes tegen God: dat moet U niet doen! We gaan verder met dìt volk, dit volk dat gefaald heeft. Dat principe vind je dus in Romeinen 10 en 11 ook weer terug. Dat is de barmhartigheid, die gaat tot over de laatste grens. Want Jezus is onze bondgenoot geworden tot in de dood en tot in het graf. Dat is de cen­tra­le lijn van het Matteüs-evangelie. Immanuel, God met ons tot over de laat­­ste grens, tot in het uiterste. Die lijn tot in het extreme, tot in het ui­ter­ste, wordt dan in Matteüs op een gran­dioze manier uitgewerkt. Boven Romeinen 10 zouden we kunnen zetten: ‘Nabij u is het woord’. Dat woord is nabij, dat is de grondtoon die door dit hele hoofdstuk heen klinkt. Dat vind je dus in vers 14 ook weer:

Wie heeft onze prediking geloofd?

Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben? Hoe gelo­ven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? Rom.10:14. Hier zien we weer dat principe: hrt geloof is uit het horen. Dus er moet ergens een verkondiging zijn, waardoor dat woord tot hen is gekomen. Want, zo zegt vers 15 het ook: En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn? Gelijk geschreven staat: Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen. Rom.10:15. Dit is een citaat uit Jesaja 52:7. Het gaat daar over het brengen van de boodschap van de vrede. Dus het begint bij het gezonden worden, van daaruit het prediken, van daaruit het horen en van daaruit het gelo­ven. Maar niet allen hebben aan het evangelie gehoor gegeven. Want Jesaja zegt: Here, wie heeft geloofd wat hij van ons hoorde? – Rom.10:16.

Daar gaat Paulus dan verder lezen. Hij heeft net geci­teerd uit hoofdstuk 52 van Jesaja en dan neemt hij 53:1. Hierbij moeten we wel de ach­ter­grond hiervan in aanmerking ne­­men. Dit gedeelte van Jesaja speelde dus in de tijd van de ballingschap en de hoofdstukken 52 en 53 spreken over die merkwaar­di­ge situatie van de ballingen in Babel. Van de bal­lin­gen is maar een klein gedeelte in beweging gekomen om daadwerkelijk uit Babel te trekken. Het grootste deel blijft in Babel zitten. Jarenlang trekt er zelfs helemaal niemand uit Babel. De enige die dan op een gege­ven ogenblik begint met uit te trekken, is de ebed Adonai, de knecht des Heren. In Jesaja 40 begint al die oproep om uit te trekken. Aan het eind van Jesaja 48 begint dan eindelijk de eerste in beweging te komen. Als er dan één schaap over de dam is, volgen er niet meer. Het blijft bij die ene knecht des Heren. Vandaar in Jesaja 53:1 de vraag: wie heeft geloofd wat hij ge­hoord heeft.

Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des HEREN geo­pen­baard? – Jes.53:1.

Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geo­pen­baard? – SV.

Zij hebben het wel gehoord, alleen waar blijft nu het geloof! Dat is dan kennelijk ook nog geen automatische zaak. Je kunt soms wel een hele­boel horen, maar wat dringt nu echt door! En dan krijg je dus het hele vraagstuk: waarom dringt het niet door? Willem Zuidema schrijft ergens in een artikel: wij hebben dat heel sterk meegemaakt, toen wij in Israël woonden. Je maakt op een gegeven ogenblik kennis met de cultuur, die daar was en bepaalde dingen kon je dan heel mooi vinden. Je vindt het mooi, maar je deed er eigenlijk nog niets mee. Dan zit je dus nog met die kloof. Je hebt het allemaal wel ge­hoord, maar in hoeverre gaat het in de praktijk functioneren. Dringt het vanbinnen door in je bestaan? Wordt het een deel van wat je bent?

Het hart van het volk is vet geworden

Huub Oosterhuis zegt ergens in een lied: ‘Hoor, maar ik kan niet horen. Ik ben nog niet geboren, ik ben niet ik’. Je kunt wel tegen iemand zeggen: je moet je oren openzetten, maar dat helpt niet altijd. Dan stoot je dus op het raadsel hoe dat nu eigenlijk mogelijk is. Degenen die het dichtst bij het vuur zitten, hebben het steenkoud. Dat is het raadsel van de geschiedenis. Dat is ook iets dat (wat?) je telkens weer te­gen­komt. Dit verschijnsel speelde niet alleen in de tijd van Pau­lus, maar dat zie je vandaag de dag ook weer. In feite zie je dit door heel de ge­schie­denis heen. Hoe vaak kom je in de praktijk niet tegen, dat de groe­pe­ringen die het meest van het woord van God gehoord hebben, vaak het moeilijkst in beweging zijn te krijgen. Je ziet ook vaak, dat ze dan ‘gaan zitten op de leer’. Vroeger was er de uitdrukking: ‘ouderlingen die op de leer gingen zitten’. Daar kun je ja­ren op zitten. Vaak zie je dan, dat hoe orthodoxer iemand is, hoe moei­lij­ker er nog iets tot hem doordringt. Dat zijn die groeperingen die zeggen: wij hebben het, wij zijn het meest zuiver in de leer. Maar juist dan hoor je niets meer. Als God dan wat zegt, is de reactie: nee hoor, dat kan God nooit gezegd heb­­ben. Het wordt meteen afgehamerd. Mensen hebben dan zoveel ken­nis, dat die kennis naar het lijkt, weer een soort barricade vormt tegen de inwerking van God. Je kunt met al die kennis in je hand God buiten de deur houden. De reactie vanuit deze groepen is dan vaak: God moet het mij laten zien, maar hoe gebeurt dat en waar en wanneer. En gebeurt dat altijd? Dat geeft die merkwaardige uitdrukking in Jesaja 6 ook aan: Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dicht­kleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde. – Jes.6:10.

Het hart van het volk is vet geworden, ze hebben blijkbaar te veel gege­ten. Of ze hebben te zware kost gegeten. Hier zie je dus het punt, dat het volk geestelijk oververzadigd wordt. Ze hebben het wel gehoord, maar wat gaat er met die kennis gebeuren? Daarbij moeten we wel in de gaten houden dat kennis op zich heel goed is, het is alleen de vraag wat je er­mee doet. Soms krijg je dan een tegenreactie, waarbij een gemeente zegt: dan schaffen we de bijbelstudie maar af. Want al die kennis maakt al­leen maar opgeblazen. Soms zie je hier en daar zelfs een soort angst om kennis te verzamelen. We zien hier dus, dat de vraag uit Jesaja 53 het kernpunt wordt. Wie heeft het geloofd?

Zo is dan het geloof uit het horen

Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus. Rom.10:17.

Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods, – SV.

‘Het woord van Christus’ of het ‘woord van God’, dat is een kwestie van handschriften. Het gaat in ieder geval door het Woord. Door dat Woord dat naar je toekomt, dat Woord dat dichtbij is, het Woord dat u ten leven riep. Dat is ook wat Paulus dan aanhaalt uit Deuteronomium 30, het slot van de Torah. Het Woord roept je uit de ballingschap vandaan. Maar dan gaat Paulus verder: Maar ik vraag: hebben zij het dan niet gehoord? Zeer zeker: Over de ganse aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden (uitersten) der wereld (van de oi­cumene – van de bewoonde wereld)  hun woorden. – Rom.10:18. Dat zegt Paulus dus met een citaat uit psalm 19, dat prachtige lied over de Torah en over de zon, die uitgaat over de ganse aarde. Het eerste deel van deze psalm gaat dan over de zon (niets blijft verborgen voor haar gloed) en het tweede deel gaat over de Torah, waar ook niets voor verborgen blijft. De Torah is als de zon, als het zonlicht, waardoor heel de aarde wordt verlicht. Dus Paulus zegt vanuit dit citaat: dat woord gaat inderdaad wel uit. Dus dat horen is er wel, alleen, en dan komt de vraag in vers 19: Maar ik vraag: heeft Israël het dan niet verstaan (letterlijk: gekend, bekend)? Vooreerst zegt Mozes: Ik zal u naijverig maken op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk. – Rom.10:19.

Maar ik zeg: Heeft Israel het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onver­stan­dig volk zal ik u tot toorn verwekken. – SV.

Deuteronomium als kader voor de ballingschap

We zien hier een heel frappant aspect wat betreft de structuur van Ro­meinen 10. Eerst heeft Paulus Deuteronomium 30 ingevoerd – nabij u is het woord – dat was het hoofdthema, dat we za­gen in de verzen 6 tot en met 8. De kerngedachte van dat gedeelte was: het woord is nabij. Vervolgens kwamen we op Jesaja 52 en aansluitend Jesaja 53, en van­daar­uit op psalm 19. Paulus komt dan weer terug in Deutero­nomium, namelijk bij hoofdstuk 32. We zien dus dat Deuteronomium als een soort omlijsting functioneert om de Jesaja-teksten, met daarbij dan nog even een psalmtekst. Wat dan op­valt, als je deze citaten bekijkt, is het volgende: een en vijf zijn uit Deu­teronomium, twee en drie uit Jesaja en dan nog die ‘Torah­psalm’. Wat daarbij ook opvalt, is dat dit allemaal ballingschapsteksten zijn, hier­­bij dan wellicht die psalm uitgezonderd. Deuteronomium 30 spreekt over de ballingschap: ‘als jullie straks niet in het land zijn, als jullie verstrooid zijn over de landen’. Deuteronomium 32 gaat daar ook weer op door. Dat is het lied dat Mozes meegeeft, als ze straks het land weer uit moe­ten. Jesaja 52 en 53 spreken ook over de ballingschap. Dus Deuteronomium als raam en binnen dat raam het verhaal van Jesaja. Op die manier ont­dek je dan dat Paulus in feite heel dat verhaal in Romeinen 10 bouwt op het thema: Israël in ballingschap. Paulus wil daarmee zeggen: in de bal­ling­schap is toch dat woord nabij. Alleen, in de ballingschap is het horen en het verstaan vaak zo moeilijk. In de ballingschap krijg je dan ook die wonderlijke tekst uit Deuteronomium 32, ‘Ik zal u tot jaloersheid ver­wekken door wat geen volk is’. En dat ‘geen volk’ slaat nu op de hei­denen.

Zij verwekten Mij tot naijver (jaloers gemaakt) door wat geen god is, zij krenk­ten Mij met hun ijdelheden. Daarom zal Ik hen tot naijver verwekken door wat geen natie is, door een dwaas volk zal Ik hen krenken.Deut.32:31.

Zij hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door die­ge­nen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken. SV.

Gods volk uit de heidenen – de jaloersheid van Israël

God zegt: ze hebben Mij jaloers gemaakt door wat geen god is en Ik zal hen jaloers maken door wat geen volk is. Dat is als het ware actie en re­actie. Als zij Mij dan jaloers maken door lo-El, dan zal Ik hen jaloers ma­ken door lo-am. De heidenen vormden dus dat niet-volk. God zegt: Ik ga een volk verwekken uit de heidenen, dat wordt dus een gemeente uit de gojim. En dat volk uit de gojim zal Israël tot jaloersheid verwek­ken. Daar komt Paulus in Romeinen 11 uitgebreid op terug.

Over die jaloers­heid van Israël hoor je de meest vreemde theorieën. De meest bizarre theorie is wel, dat de gemeente Israël tot jaloersheid zal ver­wek­ken door te verdwijnen, de zogenaamde opname. Als de ge­meen­te plotseling weg is van de aarde, zal Israël zeggen: zie je, ze hadden toch gelijk. Je kunt iemand toch moeilijk jaloers maken door er niet meer te zijn. Dan krijg je dus dat hele gedachtecomplex van de gemeente die dan plotseling vermist is. De achterliggende gedachtegang hierbij is, dat als de gemeente is opgenomen, God weer doorgaat met Israël. Israël zal dan door de verdrukking moeten gaan. Deze hele gedachtegang was vóór de 19e eeuw nergens bekend. Dat is op zich toch ook wel een veeg teken. Het zou een beetje vreemd zijn als de waarheid plotseling in de 19e eeuw tevoorschijn zou komen. Dan zouden al die mensen vóór die tijd het allemaal niet geweten hebben. Dat alleen al geeft te denken.

Maar ik vraag: heeft Israël het dan niet verstaan? Vooreerst zegt Mozes: Ik zal u naijverig maken op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk. Rom.10:19.

Maar ik zeg: Heeft Israel het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot ja­loers­heid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstan­dig volk zal ik u tot toorn verwekken.SV.

Dit is dus ook een citaat uit Deuteronomium. ….door een dwaas (nabal) volk zal Ik hen krenken.Deut.32:31.

Dus aan de ene kant jaloers maken en aan de andere kant tot toorn ver­wek­ken. Dat moet je dan wel in positieve zin verstaan. Op zích is het een goede zaak als je op iets positiefs jaloers wordt. Dat ‘tot toorn ver­wekt worden’ haalt je uit de passiviteit. Toorn is een positieve vorm van agressie. Agressie betekent letterlijk: naderbij treden, toetreden. Soms kan het heel goed zijn dat je agressief wordt, dat betekent dat je er op af gaat. Dus Mozes heeft dat al aangekondigd. Hij heeft al gezegd: zo zal het gaan. We zien dus dat God een omweg maakt via de ballingschap, via de heidenen. In feite is het altijd al zo geweest, dat God die omweg ging. Dat zie je bij Jakob en Esau ook al. Als Jakob terugkomt uit de balling­schap, zegt hij tegen Esau: ik heb jouw aangezicht gezien, zoals ik het aangezicht van God gezien heb.

God gaat zijn ongekende gang

Doch Jakob zeide: Geenszins, indien gij mij genegen zijt, neem dan mijn gave uit mijn hand aan, omdat ik uw aangezicht gezien heb zoals men het aangezicht Gods ziet, en gij welgevallen aan mij gehad hebt. – Gen.33:10. Dus in de ogen van Esau ziet Jakob de ogen van God. De rabbijnen hebben er ook op gewezen dat de woorden Esau en sjalom dezelfde getalswaarde hebben, namelijk 376. Hetzelfde thema kom je ook weer tegen bij Naomi en Ruth. Naomi die in de ogen van Ruth – een Moabietische nog wel – de goedertierenheid van God terugvindt. Naomi had het gevoel: God is tegen mij, maar via Ruth komt ze eigenlijk weer thuis. God werkt via zo’n Moabietische vrouw, iemand die in feite helemaal niet mee mocht doen, letterlijk een outcast, een uitgeworpene. Maar dankzij Ruth wordt Naomi weer Nao­mi, liefelijkheid. Dankzij Ruth krijgt Naomi weer toekomst. God heeft af en toe nog een heiden achter de hand. Dat zien we ook in de geschie­de­nis van Jona en Nineve. De schepelingen hebben toen getracht Jona te redden. Het wonderlijke is, dat God vaak via omwegen gaat. Recht door zee is de beste weg, alleen in het Koninkrijk van God blijkt dat niet altijd op te gaan. Dat prachtige oude gezang zegt ook :

God gaat zijn ongekende gang,

vol donk’re Majesteit,

die in de zee zijn voetstap plant

en op de wolken rijdt.  (Liedb.447)

Het lijkt net alsof God toch een bepaalde manier heeft om van elders te komen. Het gaat niet altijd volgens de weg van de logica. Wat dat be­treft is God meestal niet zo rechtlijnig. God is meestal ook niet zo syste­matisch. Hij werkt vaak op een heel verrassende manier.

Zodra ie­mand het gevoel heeft: het loopt via ons, dan heeft God nog wel wat anders achter de hand. Het is niet altijd een keurig en afge­past ge­heel, waarin alles voorspelbaar wordt. De geschiedenis is ook nooit zo voor­­spelbaar. Dus God zegt: nu ga Ik via een lo-am, dus via een niet-volk. Zoals er gezegd is: uit grondeloze diepten put Hij licht. En dan wordt gezegd of gedacht: daar kan niets vandaan komen. Dat zeiden ze van Jezus ook: kan uit Nazareth iets goed komen! Komt er uit Nazareth een profeet? Beslist niet! Maar God laat uit zo’n onmogelijk dorp de Mes­si­as komen. God kiest vaak het verachte.

Dat zie je ook in 1 Korinte 1: Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; – 1 Kor.1:27. Wat is uitgerangeerd, wat op een zijspoor staat, of helemaal niet op een spoor, dat wordt het spoor waarlangs God gaat komen. Dat heeft Mozes dus al in de Torah gezegd. Het is net alsof God telkens buitenom gaat. Net als die verlamde, die moest ook buitenom door het dak. Langs de gebruikelijke weg kwam hij er niet in. Dat is eigenlijk ook de weg van de Messias. Hij daalt ook van boven neer. Daar zie je dat God telkens de ongebruikelijke weg gaat. God gaat zijn ongekende gang. Dan komt in vers 20 nog een keer Jesaja aan het woord, en wel Jesaja 65. En Jesaja waagt het te zeggen: Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, Ik ben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen. – Rom.10:20.

Deuteronomium en Jesaja wisselen elkaar dus af. Hier gaat het weer over de heidenen. Zij hebben niets gevraagd en zij hebben niet gezocht. God zegt: Ik laat me door die heidenen vinden. Hier wordt ook weer even een bepaald patroon doorbroken. Ik denk het patroon, dat het op een gegeven moment weer afhangt van bepaalde pres­­taties. Heb je wel genoeg gebeden? O, daarom heb je geen antwoord gekregen. Dan is er toch weer sprake van prestatie en beloning.

Te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen, te vinden voor hen die Mij niet zochten; Ik zeide tot een volk dat mijn naam niet aanriep: Hier ben Ik, hier ben Ik. – Jes.65:1. En dan gaat Paulus op een toch wel wat gedurfde manier vers 2 toepas­sen op Israël.

Gods handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam volk

Maar van Israël zegt hij: De ganse dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk. – Rom.10:21

De ganse dag breidde Ik mijn armen uit naar een opstandig volk, dat volgens eigen overleggingen wandelde op een weg, die niet goed is;Jes.65:2.

Zo heeft Jesaja in dit hoofdstuk dus het laatste woord. Dit in overeen­stem­­ming met dat citaat uit Deuteronomium 32. God gaat een omweg gebruiken. God prikkelt hun naijver door een volk zonder inzicht. De hei­denen hebben nu de ware Godskennis bereikt. Met dit antwoord is Paulus op hetzelfde punt aangekomen als aan het eind van hoofdstuk 9.

Vergelijk : Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is. Rom.9:30. Aan het eind van hoofdstuk 9 had Paulus ook de heidenen en Israël met elkaar vergeleken. Maar in Romeinen 10 krijg je dus als nieuw punt er bij: God schenkt de heidenen als eerste het heil om op deze wijze Israël tot naijver te prikkelen. Dus achter die ongelijke verdeling schuilt een god­­delijke strategie. Dat is eigenlijk weer het principe: de laatsten wor­den de eersten. Alleen, straks kom je in Romeinen 11 weer op het as­pect, dat als je nu laatste bent en je de eerste wordt, je wel moet oppassen om daar niet een soort statussymbool van te maken. In de zin van: wij zijn heidenen, wat gelukkig dat we heidenen zijn! We hebben het toch maar goed getroffen dat we de laatsten waren. Nu zijn wij gelukkig de eer­sten. Dan ga je van die goddelijke strategie een soort persoonlijk ei­gen­dom maken.

Dat is vaak een probleem dat door de tijden heen ook gespeeld heeft. Je kunt dat enigszins vergelijken met de geschiedenis van Lea en Rachel. Op een gegeven moment kiest God voor Lea, omdat Lea in een verwor­pen positie verkeerde. Maar als Lea zich daar op laat voorstaan, kiest God weer voor Rachel. God gaat een bepaalde weg, maar de kortslui­ting krijg je steeds weer, waar wij van die weg een bezit maken. Dan is het geen weg meer, maar maken we er een monument van. Dan wordt er een standbeeld opgericht dat dan de eeuwen moet kunnen ver­duren. Dan gaan de laatsten zich erop beroemen, dat ze laatsten zijn. Hetzelfde gegeven speelt bij de Farizeeër en de tollenaar. De Farizeeër zegt in zijn gebed: ik dank U dat ik niet ben als die tollenaar. De tolle­naar zegt: oh, God, wees mij zondaar genadig. Sinds Jezus dit verteld heeft, bidden alle Farizeeërs: oh, God, wees mij zondaar gena­dig! En de tollenaar gaat bidden: oh, God, ik dank u dat ik niet ben zoals die Farizeeër. Dan is de cirkel weer rond. Ik dank U Heer, dat wij bij de tol­lenaars horen. Dan ga je je weer op de borst slaan en zeggen: wat is het toch heerlijk om achteraan te staan, want dan zegt God: kom maar naar voren. Daarom zeggen we allemaal: na u broeder, na u, gaat u voor. Dan zijn we zo heerlijk nederig bezig. Dan kun je de nederigheid er vanaf schep­pen. God zal wel heel erg blij zijn met onze nederigheid. Op die manier wordt ook het woord Farizeeër helemaal een scheldwoord. Het is belangrijk dat we weer een herwaardering krijgen van het begrip Fari­zeeër. Dat waren in de dagen van Jezus meestal helemaal niet zulke ne­ga­tieve figuren als meestal gezegd wordt. Het woord Farizeeër betekent afgezonderde. Dat waren mensen die er ernst mee wilden maken. In be­paal­de zin zijn we daarom allemaal Farizeeërs. Wij willen ons ook af­zon­deren van het kwaad. Jezus stond veel dichter bij de Fari­zeeërs als meestal gedacht wordt. God maakt dus een omweg. En het lijkt wel of die omweg onlosmakelijk verbonden is met Gods manier van handelen. Dat kan blijkbaar niet an­ders. Dat zit er gewoon structureel in. Als God altijd rechtuit zou wan­de­len, dan zou­den alle rechtlijnige systeembouwers bij God terecht kun­nen. Al die recht­lijnige systeembouwers zouden zeggen: zie je wel, God staat aan onze kant. Ja hoor, God bevestigt ons systeem. ‘God is on our side’. Maar waar moeten dan die armen en ellendigen heen? Die hebben dan geen God meer. Want dan is God ingepalmd door de heersende klas­se, door het vrome volk. Maar God gaat juist naar de randfiguren. Zijn hart gaat uit naar degenen die erbuiten staan. En via de buiten­staan­ders komt God weer binnen. Jezus heeft ook op Golgota buiten de poort geleden. De weg loopt altijd van buiten naar binnen. Gods weg is altijd een om­weg. Mozes moest ook eerst uit zijn volk gaan. Vervolgens ging Mozes toen naar Midian. En van daaruit kon hij Israël bevrijden. David moest ook eerst de woestijn in. En van daaruit wordt hij koning over Israël. Jezus gaat ook de woestijn in en Hij gaat zelfs het land Israël uit. En van daaruit wordt Hij Messias, Koning der Joden.

Het thema van een woestijnperiode

Het thema van een woestijnperiode kom je steeds weer tegen. En dat zie je vandaag de dag ook. Heel wat christenen gaan namelijk door zo’n woestijntijd heen. In feite hebben al die heiligen de woestijn gekend, of je nu Mozes neemt of de profeten. In de eerste plaats heeft Jezus dat on­dervonden. Ook Paulus heeft dat meegemaakt, als hij in de woestijn van Arabië vertoeft. Het volk van God gaat door de woes­tijn. De woestijn (midbar) blijkt uitgerekend de plaats te zijn van het woord (dabar). Dat heeft ook Jacob Gordain gezegd: de midbar is de plaats van de dabar. Uit­gerekend in de woestijn gaat God zaaien. God zal zich openbaren in de woestijn. In de woestijn, in de wildernis, daar wordt de weg ge­baand. In het Hooglied wordt tot tweemaal toe gezegd: ‘wie is zij die opgaat uit de woestijn?’ Ook in Openbaring komt dat motief weer terug bij de vrouw in de woes­tijn (Op.12). De woestijn is dus de plaats van het heil. Dat is in wezen het­zelfde principe als de ballingschap, de galut. De ballingschap is de plaats waar God zich openbaart. Het woord galah betekent zowel zich openbaren als in ballingschap zijn. Ook dat hebben we van Jacob Gor­dain geleerd. Dat is in feite weer het principe van de omweg. De balling­schap is dan aan de ene kant het symbool van het falen. De balling­schap wordt ver­oorzaakt door het feit, dat ze het op de een of andere manier niet ver­staan hebben. Aan de andere kant is de balling­schap juist de plaats van het zaaien. Het woord diaspora betekent uitstrooien maar ook uitzaaien. Het volk wordt verstrooid, maar het wordt ook uitgezaaid. Uitgerekend in de ballingschap gaat God zich weer aan zijn volk geven. Als iedereen denkt dat het afgelopen is, gaat God juist beginnen. Als iedereen denkt: hier niet, zegt God: ja, juist hier!

De ballingschap wordt een deur der hoop, zegt Hosea. God is altijd weer de God van de paradox. Bij God is het altijd weer: en toch! Als je denkt: het wordt niets, zegt God: het wórdt wat! Hij is altijd de God die tegen de gangbare stroom ingaat. Een profeet gaat ook altijd tegen het gangbare in. Een profeet is nooit iemand die zegt wat iedereen allang weet. God kan zich de moeite besparen om te zeggen wat iedereen al zegt. Als iedereen zegt: het gaat mis en er komt een profetie: zo spreekt de Heer, het gaat mis! dan word je daar nu ook niet meteen door opge­bouwd. Dat is niet iets om de naam van God bij te halen. God zegt altijd iets wat creatief is, origineel, in tegenspraak met het gangbare. Xxx Schu­man heeft gezegd: wij zijn getuigen van tegenspraak. We gaan te­gen het gangbare in. Dan zien we dat wonderlijke aspect waarmee Ro­mei­nen 10 eindigt: Maar van Israël zegt hij: De ganse dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk. – Rom.10:21. God strekt zijn handen uit naar een tegensprekend volk. Maar let erop, dat Hij nog steeds zijn handen uitstrekt. Wat God betreft, is het niet af­ge­lopen, God blijft alle dagen zijn handen uitbreiden. Een tegenspre­kend volk; ze wandelen op een weg die niet goed is.

De 12 stammen van Israël

Wat de 12 stammen van Israël betreft, denk ik, dat je inderdaad kunt zeg­gen dat die 12 stammen er nog wel zijn. Er zijn hele theorieën over het gegeven dat die 10 stammen kwijt zouden zijn. Dan wordt er soms ge­zegd: die 10 stammen zul je terugvinden in alle landen, die een leeuw in hun wapen hebben. Dat zijn onder andere Enge­land, Scandinavië, Ne­der­land, het Britse Gemenebest. Daar zijn dan allerlei theorieën aan verbonden, bijvoorbeeld dat het Engelse konings­huis zou afstammen van de troon van David. Want die Engelse koning werd altijd gekroond op de steen van Jakob. Zo wordt er van Denemar­ken gezegd, dat dat land verbonden is met Dan, vandaar de naam ‘Danmark’. Zo kun je dan nog wel een poosje doorgaan. Ook de kustlanden waar dan bijvoorbeeld Jesaja over spreekt, kun je dan in West-Europa terugvinden. Maar dat is toch allemaal wel een beetje vergezocht. Het blijkt ook wel, als je de bijbelse gegevens nagaat, dat die 12 stam­men helemaal nog niet kwijt zijn. Zo staat er aan het eind van Kronie­ken, dat er hele groepen van die 10 stammen zich weer aansluiten bij His­kia. Dus die zijn weer teruggegaan naar Jeruzalem. Ook in het nieu­we testa­ment kun je daarover gegevens ontdekken. In Lucas 2 lezen we over Si­meon en Hanna. Hanna kwam uit de stam Aser. Die 10 stammen zijn dus helemaal niet spoorloos.

Paulus zegt in Handelingen dat de 12 stammen dag en nacht God vere­ren. Dus die waren in zijn dagen ook nog gewoon aanwezig. Maar ik geloof, dat we daar niet een of andere aardrijks­kundi­ge puzzel­tocht van moeten maken, want dan kom je toch op een ris­kant terrein. Bovendien krijg je dan ook allerlei vreemde gedach­ten, want dan zou­den wij dus, Engeland, Nederland enzovoort, een streep­je voor hebben bij God. Dus dan zou God toch weer allerlei landen boven andere lan­den stellen. Ik denk ook dat je dan verkeerde gronden gaat leggen. Want waar bouw je dan je geloof op? Dan ga je je geloof bouwen bijvoorbeeld op het feit dat je een Nederlander bent en niet een Fransman. Terwijl er duidelijk staat: In Christus is noch het één noch het ander. Geen slaaf, geen vrije, geen Griek of Jood, enzovoort. Je gaat je dan weer beroepen op het behoren tot een bepaalde natie. En daar zou dan je geloof vanaf hangen. Die 12 stammen zijn er dus nog wel.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410820 bezoekers sinds 07-06-2010