De brief van Paulus aaan de Romeinen Deel 11

19-08-2011 door Dr. K.D. Goverts

In het leven als koningen heersen

Want, indien door de overtreding van de ene de dood als koning is gaan heer­sen door die ene, veel meer (weer dat motiefwoord) zullen zij, die de overvloed van genade en van de ga­ve der gerechtigheid ontvangen, leven en als koningen heersen door de ene, Je­zus Christus”. – Rom.5:17.

Letterlijk: ‘in het leven als koningen heersen’. Daardoor wordt ook dat hele gewicht van de dood opgeheven. Dat is vaak ook een heel complex: dood, angst, mensen leven onder druk, niet tot menszijn kunnen komen. De dood ligt als een soort deken over men­sen en volkeren. Maar nu komt het leven daar tegenin. En dan zullen zij in het leven koningen zijn. Zij zullen in het leven koningen worden door Jezus Christus. Daarbij moeten we dan bedenken, dat het koningschap van de mens vaak een vergeten aspect van het evangelie is. Vaak wordt als einddoel ge­zien dat de mens gered wordt. Maar dat is in feite het be­gin van de weg. Het einddoel is dat de mens geroepen wordt tot het ko­ningschap. Daarbij bedenk je dan tegelijk – dat is dan ook datgene dat door die ene, Jezus de Messias, is bewerkt – dat er weer een volk te voor­schijn komt van koningen. Een koninklijk volk, de gezalfden van God. In feite is het jammer dat die gedachte bij ons zo versleten is geraakt. De vol­gelingen van Jezus werden in Antiochië voor het eerst christenen ge­noemd. Alleen wij horen daar vaak niet meer in dat wij gezalfden zijn. De be­grippen: christenen, christendom, christelijke natie, enzovoort, zijn nog­­­­al gedevalueerd. Die C. is in de loop van de tijd natuurlijk overal op geplakt, christelijke voetbalvereniging, christelijke reisvereniging, dat moest allemaal christelijk gebeuren. Wat is er niet allemaal onder die christelijke vlag voor lading gedekt! Vaak moet je bijvoorbeeld ook bij chris­telijke politiek je vraagtekens zetten. Het oorspronkelijke woord heeft echter een innig verband met Christus. Als je het nu weer terug gaat vertalen in het Hebreeuws, dan werden die volgelingen van Jezus in Antiochië dus Messianen genoemd. Christenen zijn dus Messia­nen, messiaanse mensen. Messiaanse mensen zijn dus ook gezalfden, mensen die tot het koningschap worden geroepen. Mensen met een Mes­siaans stem­pel, met een Messiaanse opdracht. Hierbij moeten we ook beden­ken dat het koningschap vanuit het bijbel­se denken te maken heeft met een opdracht. Elk mens heeft ook een op­dracht in zich; maar als je kijkt naar het koningschap, dan wordt dat in de bijbel altijd ver­bon­den met bevrijding. Breukelman zegt het dan heel kernachtig: koning­schap is bevrijderschap. Een koning is een bevrijder. Als we letten op de model-koning, dan is dat vooral David. Als een schaap be­dreigd werd, dan haalde David dat uit de muil van de leeuw. De wa­re koning is er op uit om de schapen te bevrijden. Daaruit blijkt dan te­ge­lijk ook, dat de gemeente het begin is van alles wat er nog be­vrijd moet worden. Koningschap veronderstelt ook onderdanen om over te re­geren. Dat regeren moet dan wel opgevat worden in de zin van een heil­zaam be­wind. De gemeente wordt geroepen om koningen te worden, die dan zul­len re­geren over de volkeren. Dan zullen ze regeren over die ‘velen’. Heel vaak heeft men op deze zaak geen visie gehad en werden twee din­gen door elkaar gehaald. De werving van de arbeiders heeft men gezien als de oogst. Maar oogst en arbeiders zijn twee aparte zaken. Iemand gaat arbeiders werven om met die arbeiders de oogst bin­nen te halen. Vaak heeft men het zo gezien: als nu de gemeente binnen is, is dat de scha­re die behouden wordt, dan is dat de oogst. Maar de gemeente vormt niet de oogst, maar de gemeente wordt gevormd door arbeiders. Geen en­ke­le boer zal zeggen: mijn arbeiders vormen de oogst. Jezus zegt ook: de oogst is groot, bidt nu om arbeiders om de oogst binnen te ha­len. Want anders krijg je dus een visie waarbij gezegd wordt: de ge­meen­te wordt nu toe­bereid, dat zijn de arbeiders en straks komt de op­na­me, waarbij de arbeiders dan van de aarde worden weggehaald. Maar waar blijft de oogst dan?

Naar zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waar­heid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepselen”. – Jak.1:18. De gemeente wordt dus gevormd door eerstelingen. Als je eerstelingen hebt, verwacht je ook dat er een oogst komt. God heeft dus heel de schep­ping op het oog en daar heeft Hij eerstelingen voor nodig. Israël was de eersteling onder de volkeren. Zo werd er in psalm 118 gezongen:

Och, dat men op deze eerstelingen

een rijke oogst van voorspoed zag.

Dan moet je die voorspoed niet zozeer zien op materieel gebied, maar veel meer in een oogst van mensen. God doet niet in dingen, maar in men­sen. In Romeinen 5 wordt letterlijk gezegd: ‘in het leven als koningen heersen’. Dat betekent, dat het al in dit leven begint en niet pas nà dit leven. Je kunt zeggen, dat we nu al onze opleiding hebben, namelijk de vorming tot het koningschap. Dat zie je ook in het leven van Jezus; Hij was ook op aarde een koninklijk mens. Dat koningschap heeft dus in zekere zin twee aspecten. Een koningschap in de tegenwoordige tijd, wat betekent dat die koninklijke mens nu reeds in zekere mate zijn gezag mag uitoe­fe­nen in de geestelijke wereld. Daarbij heeft het koningschap ook een toe­­kom­stig aspect.

Koning van de Joden

Van Jezus kan gezegd worden: Hij is de koning der Joden. Dat wordt van Hem gezegd, ook als Hij aan het kruis hangt. Dat wordt zelfs als op­schrift boven het kruis aangebracht, ‘Koning van de Joden’. Ook te ver­ta­len als: ‘Koning van de Judeeërs’. Dat is de ene kant; Hij is dus de koning van de zijnen. Aan de andere kant wordt er gezegd: Hij is hoofd van de gemeente. Dat is een verschil in beeld. Wat dat betreft moet je soms weer in beelden leren denken. Je kunt die beelden en aspecten dus niet allemaal tegen elkaar uitspelen. Zo wordt er soms ook gezegd: Jezus is de bruidegom van de bruid. Maar er wordt ook gezegd dat Jezus de man is van de gemeente. We hebben gemeenschap met Christus en dat past niet in het beeld van bruid en bruidegom, maar wel in het beeld van man en vrouw. Aan de andere kant wordt gesproken van het lichaam van Jezus en dan wordt er wel ge­­­­­zegd: dat kan dus niet tegelijk, want iemands bruid is niet zijn li­chaam. Maar dan ben je te veel op een analytische manier be­zig.

Een individu of een collectief

Wie is nu de gezalfde? Ik denk dat je wat dat betreft hierbij zowel van een enkelvoud als van een meer­voud kunt uitgaan. Je kunt zeggen: Je­zus is de Gezalfde, de Messias. Van daaruit, van Hem uit, zijn daar dan ook de ge­zalfden. Dat zijn de mensen die Hem toebehoren, die Hem na­volgen, die met zijn Geest ge­doopt zijn, die de weg van de Messias gaan. In het bij­belse denken schuift dat in elkaar. Een heel frappant voor­­beeld in dat op­zicht lezen we in Daniël 7. Daar wordt gesproken over de zoon des mensen. Hierbij lijkt het te gaan over één persoon. Als je dan Daniël 7 verder leest, blijkt het over een volk te gaan. Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is”. Dan.7:13,14.

“Daarna zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden”. – Dan.7:18. Is de zoon des mensen nu een persoon of een volk? Het antwoord is: ja! Het is een persoon en het is een volk. Is de Christus, de Messias, nu een persoon of is dat een volk? Het antwoord is: ja! Het is allebei. Het is net als met dat ik in de psalmen, dat is ook een collectief. Als er in de psal­men wordt gezegd: ik roep tot God, is dat een persoon, maar het is tege­lijk het hele volk, Israël. Het is één namens het geheel. Dat kun je niet zo individualistisch opsplitsen. Dat is een van de problemen van ons moderne denken, waarbij je vaak een heel indivi­dualistische denk­wereld hebt. Dat is vaak ook in het chris­­te­lijke denken door gaan werken. Het begint dan met een op zich wel goe­de ontdekking. Je moet persoonlijk een keuze maken. Dat is vooral bij het Methodis­me begonnen, bij John Wesley. Dat kon je  ook signaleren in de 19e eeuw bij de Heiligings­beweging. Je zag dat dus bij verschillende stromingen, waar dan uiteindelijk de Pinkster­beweging uit is voortgekomen. Dat is dan een voortzetting van die heiligings­be­we­ging uit de vorige eeuw. In die bewegingen wordt al sterk de nadruk ge­legd op het ik: ik moet kiezen, ik sta voor God. Dat is dan één kant van de zaak. Maar dat kan op een gegeven ogenblik zo doorslaan, dat de mens te individualistisch wordt. Dan word de mens hele­maal teruggeworpen op zichzelf. Dan is het goed om weer eens even een correctie te krijgen. Miskotte zei dan: wij geloven en pas in tweede in­stantie zeg je dan: ik geloof. Je gelooft samen met alle hei­li­gen. Je staat in een verband. Je hoeft niet op je eentje te geloven, maar je doet dat in de verbondenheid. Dat is dus ook een kant van de zaak en vaak een cor­rec­tie op ons individualistisch denken, waar de samenle­ving en de mens vaak worden opgesplitst in allerlei deeltjes. Je krijgt dan allemaal men­­sen op even zovele eilandjes.Vervolgens wordt de mens zelf ook nog weer op­ge­splitst in allerlei rol­len. Er zijn allerlei rollen die je moet vervullen en die hangen dan ook weer vaak als los zand aan elkaar. Daar­om is het zo belangrijk om weer het verband te ontdekken. Je bent mens in een ver­band, mens in een zin­vol geheel. En je geloof moet ook zijn stevigheid vin­den in het feit, dat je gelooft, samen met alle heiligen. Die heiligen zijn nodig om jou er af en toe ook weer doorheen te kunnen halen, als dat geloof van jou eens even dreigt de falen. Jouw geloof moet onder­steund worden door die heili­gen, niet door zweepslagen, maar door be­moediging. De stemmen van al die heiligen ondersteunen jou, als jouw stem eens even weg zou zak­ken. Die continuïteit is er als een soort on­derstroom. De Gezalfde, de Christus, dat is Jezus èn de zijnen. Jezus werkte niet al­leen en Hij wil het ook niet alleen doen, maar Hij wil juist samen met de zijnen, dat einddoel bereiken.

Maar het lichaam is van de Messias

Paulus brengt dat onder woorden, als hij zegt dat de gemeente het li­chaam is van de Messias. Het gegeven dat de gemeente het lichaam is van de Messias heeft ook ongelofelijk diepgaande consequenties. Dat is niet zo maar even ge­zegd: Hij is het hoofd en wij zijn het lichaam. Dat beeld is vaak ook weer heel sterk gesteriliseerd en daarbij heel onschul­dig geworden. De gemeente als li­chaam van de Messias moet je dus heel concreet vergelijken met het lichaam van Jezus, toen hij op aarde rond­wandelde. In dat lichaam heeft Jezus dan ook alles doorstaan en gedra­gen en doorgemaakt. En nu is de gemeente dat lichaam van de Messias. Dus nu maakt de gemeente dat allemaal door, het lijden en de verdruk­king en de beproevingen. Nu staat de gemeente naast de verdruk­ten, naast de minsten der mensen. In die zin is de gemeente nu lichaam van de Messias. Dit moet je dus heel concreet zien, in feite is dit geen beeld, maar con­cre­te wer­kelijkheid. Eigenlijk zit je al in de gevarenzone, als je zegt dat dit een beeld is. De werkelijkheid is van Christus. “dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de wer­­­kelijk­heid van Christus is”. – Kol.2:17.

‘Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam (sooma) is van Chris­tus’. – SV. Letterlijk staat er inderdaad: ‘Maar het lichaam (sooma) is van de Messias’. Het lichaam is dus ook het harde concrete bestaan. Het lichaam betekent niet zozeer je lijf, als wel je hele aardse bestaan met alles wat daarmee samenhangt. Je zou haast kunnen zeggen: als de gemeente het lichaam van Christus is, dan is de gemeente het aardse bestaan van de Messias. Door het lichaam heb je een be­staanswijze; het is niet zozeer een romp met een aantal onderdelen. Het li­chaam betekent ook veel meer het ge­heel, het concrete bestaan, het aardse be­staan met al zijn wel en wee. Zoals Huub Oosterhuis zegt:

Hier in dit stervend bestaan

wordt Hij voor ons geloofwaardig

worden wij mensen van God,

liefde op leven en dood.  (Liedb.325)

Het lichaam is dus het sterfelijke bestaan van de Messias. Als de ge­meen­­­te li­chaam is van de Messias, betekent dat ook, dat de gemeente het lijden van de Messias in zich meedraagt. Dat betekent ook, dat de ge­meente ook juist daar is, waar dat lijden gevonden wordt. Toen Ter­schegget hoogleraar werd in Lei­den, sprak hij in zijn rede deze woorden uit: in het gebed van de enkeling bidt deze niet als een atomair individu, maar spreekt daar de gemeente. En wie bidt is ook verbonden met het zuchten van de schepping. De biddende vraagt niet om redding uit het lijden, uit de verdrukking of uit de ellende, want daarmee zou hij op­hou­­den solidair te zijn. De biddende uit zijn diepe bevinding van het lij­den en van de uitzichtloosheid daarvan, solidair met al het leed. Hij is hope­loos met de hopelozen en zo treedt hij voor Gods aangezicht, bid­dend dat ge­schie­den moge wat moet. Uw wil moet geschieden. Name­lijk, dat over dit lijden de heerlijkheid openbaar wordt. Dat dit vergan­kelijke on­vergankelijkheid aan­doet, dat het Koninkrijk op aarde komt. Zo wordt er gebeden om redding in de benauwing, niet eruit, maar erin. Uit de diepten wordt geroepen om redding in de diepte. Bidden is ho­pen op Gods woord. Gods presentie in de verhoring is de enige troost. Het is zijn woord dat hoop schenkt en het is de hoop die volharding uit­werkt. De biddende blijft staande, hij geeft het niet op. De gemeente bidt in de diepten. Juist in verbondenheid met al die men­sen, die in die diepten zitten. Dan komt de vraag naar het waarom van het lijden. We hadden het toch zo goed en waaròm nu toch?! Dan dreigt het gevaar dat je in die toe­stand God ver­wijten gaat maken. God krijgt dan de schuld van het lij­den. Daarom is het zo be­lang­rijk om te zien dat het lijden niet van God komt. God is niet Degene die het lijden de mensen oplegt. God is juist je bondgenoot tegen het kwaad. Zoals er wel gezegd wordt: God is je ver­borgen bondgenoot. God zegt niet: dat lijden is goed voor je; nood leert bidden; neen, nood leert vaak ook vloeken. Bidden leer je niet in de nood, maar bidden leer je in het huis van God. Jona ging bidden in de vis, maar hij had het vóór die tijd al geleerd. Bidden leer je in de psal­men. Het lijden komt niet van God, maar God gaat er samen met zijn men­sen door­heen. Hij is een God die meevoelt en meehuilt met zijn men­sen. Een plotseling sterven kan iets verbijsterends hebben; dan moet je niet zeggen: God zal er wel een bedoeling mee hebben. Dergelijke ge­beurtenissen kun je niet toe­dekken met een keurige pastorale oplossing. Paulus zou zeggen: we wandelen niet in aan­schouwen, maar nog in raad­­selen. We zien in een spiegel in raadse­len. Het eni­ge punt waar je op terug kunt vallen, is dat God zegt: maar Ik ga met je mee! Ik ga met je mee door de diepten heen. Ik voel met je mee en sta naast je als bond­ge­noot tegen het lot. Net zolang tot heel de vruchteloosheid en het zuch­ten van de schepping wordt terechtgebracht. In elk geval is het niet te­recht om God hiervan de schuld te geven.

De almacht van God

Deze gedachtegang wordt onder andere ook ver­oor­zaakt, doordat men verkeerde ideeën heeft over de almacht van God. Men zegt dan: God is almachtig, dus Hij kan er wel wat aan doen. Hij doet het niet, dus… Dan krijg je dat dilemma tussen een God die almachtig is en een God die goed is. Hij kan het dus niet allebei zijn. Maar dan zit je toch met een ver­keerd idee van almacht. Almacht betekent niet dat God alles kan. De hoogleraar Van Gennep zei dan: je kunt beter spreken van de overmacht van zijn liefde. Almacht is wat dat betreft een enigszins moeilijk woord, omdat het te abstract is en te algemeen. De bijbel werkt ook nooit met al­gemene begrippen. Dat is ook weer iets dat we geleerd hebben van Mis­kotte. Hij zegt: je kunt nooit beginnen vanuit het algemene. Je kunt niet beginnen vanuit een algemeen idee over God, een algemeen idee over macht, om dan te zeggen: dat vind je nu bij God ook. Vanuit het al­gemene kun je God niet leren kennen. Je kunt alleen beginnen vanuit het bijzon­dere, waarbij je zegt: het gaat om deze God, die zich openbaart, deze spe­cifieke, bijzondere God, die dan ook nog op geen enkele manier te rubri­ce­ren is. Je kunt God niet indelen onder de rubriek ‘goden’. Je kunt niet zeggen: er zijn een heleboel goden, waarvan de God van Israël de beste is. Deze God is de opheffing van alles wat god heet. Deze God is de op­heffing van alles wat macht heeft. Anders wordt het een soort pro­jectie in de zin van: alles wat wij dan missen aan macht, dat projecteren we op Hem en zeggen: ja, dat heeft Hij. Deze manier van denken is mis­schien het gevolg van de gedachte: ik zou zo graag alles willen kunnen, ik kan het niet, maar gelukkig, Hij kan het wel! Dat is een min of meer kinder­lij­ke gedachtegang. Zo ga je dus al die onvervulde dromen projec­teren op het handelen van God. Maar de God van Israël kan bepaalde dingen niet. Hij kan bijvoorbeeld niet toveren. Daarom duurt het allemaal ook zo lang. In de tijd van Mo­zes konden de Egyptenaren wèl toveren. Dan krijg je inderdaad dat ho­kus-pokus-idee. En iedereen zit met open mond en glazige blik te kij­ken. Maar zo doet God het niet; God werkt samen met mensen. Maar God is geen goochelaar, Hij is ook geen tovenaar. Hij is de God die zegt: samen gaan we op weg; je bent immers mijn partner. Al­leen, dan duurt het wel wat langer. God heeft zich verbonden aan dat partner­schap. En juist daarom tovert Hij niet, want dat zou tegen zijn ka­rakter in zijn. Dan zou Hij toch weer een van al die goden worden. Religie is vaak de manier waarop de mens probeert om van God af te ko­­men, als een soort afkoopsysteem. En dan zie je dat de mens van alles gaat dóen. Als ik nu dit of dat maar doe, dan is God wel tevreden over mij. In het bijbelse denken is het niet een kwestie van iets gedaan krijgen, maar van een relatie. Niet om van God af te komen, maar juist om bij Hem aan te komen. Alle vormen van tovenarij hebben niets met relaties te maken. Tovenarij wil alleen maar iets bewerken. Bij God gaat het om iets heel anders. Het gaat er niet om, iets voor elkaar te krijgen, het gaat niet zozeer om het resultaat, maar God wil veel meer een relatie. Als een kind iets maakt, ga je niet in eerste instantie het resultaat beoor­delen, maar je bent blij dat het kind plezierig bezig is geweest en op­gegaan is in zijn verkenning van de wereld. De grootste vreugde lag in het bezig zijn. Dat is ook wat de Maharal van Praag in de 16e eeuw zei: het belang­rijk­ste is niet de oogst, maar het zaaien. Tranen zijn zaad en de oogst is de vreugde. Het zwaartepunt ligt dus in het zaaien; daar leer je ook het meest van. Niet van het moment dat je de oogst binnenhaalt. Dat is na­tuurlijk wel even een heerlijk moment, maar je léért van het zaaien. Hij gaat al wenende voort, dragende de buidel van het zaad. Het proces van het zaaien heeft de meeste waarde. Door één daad van overtreding voor alle mensen ver­oordeling, door één daad van gerechtigheid voor allen recht­vaardiging  “Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot ver­oordeling ge­komen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid (door één rechtzetting) voor alle mensen tot recht­vaardiging ten leven”. – Rom.5:18.

“Zo dan, gelijk door een misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot ver­doe­­me­nis; alzo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaar­dig­making des levens’”. – SV.

We zien hier dat Paulus nu in plaats van ‘de velen’ zegt:  ‘alle mensen’. In het Hebreeuws: qol adam. Dat kun je vertalen met alle mens, maar ook met alle mensen. Je zou kunnen zeggen: het hele mensdom. In Genesis 1 staat ook letter­lijk: laat ons mens (adam) maken. Uit deze zin kun je dus niet opmaken of God één mens wil maken of een heleboel. Hoeveel had u er gehad willen hebben, eentje of 7 miljard! Alle mens, dat zijn die rabim, dat zijn die velen. Dan zien we de parallel:  ‘voor alle mensen tot veroordeling en ‘voor alle mensen tot recht­vaardiging’. Op deze tekst moet je ook niet gaan beknibbelen. Van God uit gezien is het voor alle mensen. Dan blijft wel de vraag, of de mens daar op in­gaat. In ieder geval is het wat God betreft voor allen, God sluit niemand uit. Door de gehoorzaamheid van de Ene  worden de velen tot rechtvaardigen gesteld. “Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens (van de ene adam) zeer velen (de velen – ha rabbim) zondaren geworden (niet ’geworden’, maar ‘gesteld’- zie SV.) zijn, zo zul­len ook door de gehoorzaamheid van één (de Ene) zeer velen (de velen) rechtvaar­di­gen worden (als rechtvaardigen gesteld worden).Rom.5:19.

Je zou haast kunnen zeggen: ze zijn in de positie van zondaren gesteld. ‘Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaar­di­gen gesteld worden’. – SV.

In vers 19 zien we weer een parallel:

De ongehoorzaamheid – van de ene adam –  tot zondaren gesteld – de velen.

De gehoorzaamheid – van de Ene – tot rechtvaardigen gesteld – de velen.

   Hierbij merken we op dat in het Grieks in beide gevallen ‘de velen’ ach­teraan staat. Dus ‘de velen’ krijgt daardoor een extra accent. Het is merkwaardig dat Paulus hier de uitdrukking gebruikt: gesteld worden. Het NBG heeft dit dus afgezwakt en gewoon gezegd: worden. De Statenvertaling heeft het hier weer correct weergegeven. Dat woord stellen betekent: iemand tot iets maken. Iemand in een bepaalde positie stellen heeft meer het karakter van een daad. Door de daad van de eerste Adam worden de velen gesteld in de positie van de zondaar. De mens wordt dus gesteld in een sfeer en in een wereld, waarin ‘zondaar worden’ haast voor de hand ligt. De mens wordt haast in een conditie gesteld. In een conditie, waarin je wel zon­daar worden moet. Je moet wel van heel goede huize komen om daar dan aan te kunnen ontsnappen. Je wordt gesteld in een wereld die in het boze ligt; je wordt gesteld in een klimaat en in een constellatie, in een struc­tuur waar­in de zonde op allerlei mogelijke manieren de mens prest en in­fil­treert. Maar dan krijg je die omzetting: ‘zo zul­len ook door de gehoorzaamheid van de Ene zeer velen als rechtvaardigen gesteld worden’. Dan worden die velen juist geplaatst in een sfeer waarin geen veroordeling meer is. Ze worden ge­steld in de conditie van de vrijspraak. Die tsaddiqim krijgen vrij­spraak.

Het laatste oordeel en het eerste oordeel

Er wordt nog wel eens gesproken over het laatste oordeel. Hoe moet je je dat laatste oordeel nu indenken? En dan zegt W.G. Overbosch: waar het om gaat, kun je eigenlijk alleen verdui­delijken vanuit het eerste oor­deel. Als er een laatste oordeel is, is er ook een eerste oordeel. En bij dat eer­ste oordeel verwijst hij dan naar het verhaal van Kaïn in Genesis 4. ” Toen zeide de HERE tot hem: Geenszins; ieder, die Kaïn doodt, zal zeven­vou­dig boe­ten. En de HERE stelde een teken aan Kaïn, dat niemand, die hem zou aan­­treffen, hem zou verslaan”. – Gen.4:15

God stelt een grens aan de vergelding. Want het bloed van Abel roept niet om wraak. Dat is wat wij altijd weer denken en wat de nazaad van Kaïn, Lamech, er dan ook van maakt. Lamech zingt dan zijn wraaklied. De bloedwraak is ‘vanzelfsprekend’, en zo zij eenmaal ontketend wordt, grijpt zij steeds verder om zich heen. Je krijgt dan een kettingreactie. We gaan van kwaad tot kwaad steeds voort. De Schriften zijn daarin uniek, dat ze voor de dommekracht van het geweld niet wijken. Op dat punt worden zij creatief. Want al was het maar één mensenkind, dat die ket­tingreactie zou doorbreken, en die dan geen kwaad met kwaad zou ver­gel­den, dan zou er iets gebeurd zijn. Dan zou de stem van dat vergoten bloed zijn verstaan en het zou tot een danklied worden. Dat gebeurt dan bij Jezus, de Messias. Hij gaat niet met wraak en ver­gel­ding dreigen. Maar Hij zegt: Vader, vergeef het hun. Dus dat eerste oordeel in Genesis 4 laat ons zien, hoe dat laatste oordeel is. Daarbij moeten wij dan ook bedenken, dat bij God ‘vergelding’ nooit een eind­punt is. Daarin moeten wij ook weer een correctie aanbrengen op het gangbare denken. Zo vaak wordt er gezegd: aan het eind komt de ver­gelding, de afrekening. En dan wordt daarmee bedoeld: Hij zal ko­­­men om te oor­­delen de levenden en de doden. Maar bij God is ver­gelding geen eind­­punt, maar bij God heeft ver­gel­ding een doel. Ver­gel­ding is niet het doel, maar vergelding heeft een doel. Vaak wordt het ge­zien in de sfeer van: als de vergelding komt, wordt het vonnis ge­veld en dat betekent dan: jij wel, jij niet, jij wel, jij niet. En dan valt het doek. Aan het slot van Openbaring worden de boeken geopend. In Openba­ring 20 staat niet ‘de boeken gaan dicht’, maar dan worden de boeken juist ge­opend.

Onze brief zijt gij

Paulus zegt tegen de gemeente: jullie zijn een brief van de Messias. Die tekst is vaak ook weer heel individualistisch uitgelegd. In de zin van: jij moet een leesbare brief zijn. En dan wordt er wel van iemand gezegd: hij of zij was een leesbare brief van Christus. Dat klinkt wel aardig, maar dat staat er niet. Paulus zegt dat van de gemeente, de gemeente van Ko­rinte, jullie zijn een brief door ons geschreven. “Onze brief zijt gij, geschreven in onze harten, kenbaar en leesbaar voor alle mensen, daar gij toont een brief van Christus te zijn, door onze dienst op­ge­steld, niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten”. – 2 Kor.3:2,3.

Die brief is door ons, zegt Paulus, opgesteld. Wij schrijven jullie. Wij zijn het die brieven schrijven over gemeentebouw. De gemeente is geen ver­za­­meling van allemaal losse brieven. Het zou een ramp zijn, als je al­le­maal losse briefjes zou hebben. We zijn dus niet allemaal losse briefjes, waarvan je dan hoopt dat ze lees­baar zijn, maar de gemeente is die brief die geschreven wordt door de apos­telen.

Dus de vergelding heeft een doel; de vergelding is niet het doel. Gods doel is niet om uiteindelijk te kunnen gaan selecteren, net zoals ze dat in Auschwitz deden: jij links, jij rechts, jij links.  “Die een ieder vergelden zal naar zijn werken:” – Rom.2:6.  “Ook de goedertierenheid, o Here, is uwe,  want Gij zult ieder vergelden naar zijn werk”. – Ps.62:13. ‘Gij zult een ieder vergelden (desjalem) naar zijn werk’. Het is trouwens een mooie gedachte dat in het grondwoord van ver­gel­den het woord sjalom zit. Dus: ‘Gij zult tot sjalom brengen’. ‘Gij zult een isj (een man) vergelden (desjalem) naar zijn werk’. Nu moeten we zien in welk kader dit staat; dan moeten we naar vers 13a kijken. Vers 13a en 13b worden aan elkaar gekoppeld door het woord want. En dan zien we, dat die vergelding een gevolg is van Gods goe­der­tierenheid (cheset = verbondstrouw). Gods vergelding is dus een uiting van zijn verbondstrouw. Vergelding is bij God niet een vorm van straf of het hanteren van een weeg­schaal, waarbij je dan waarschijnlijk te licht wordt bevonden. “Gij zult een ieder vergelden naar zijn werk’. De toetssteen van deze ver­gelding is de mate waarin iemand barmhar­tig­heid heeft bewezen. Die ver­gelding is niet een willekeur, maar het gaat erom of de Zoon des mensen bij iemand nog wat terug kan vinden van zijn eigen karakter, van zijn eigen manier van zijn.

Die Maria hebt vergeven

en de rover aan het kruis

laat de doden eeuwig leven

met u in het paradijs.

Heer, herinner u hun namen,

oordeel hen en spreek hen vrij,

en bedek hun schuld en laat hen

zitten aan u rechterzij.  (Liedb.273).

Het oordeel van God heeft altijd iets creatiefs. Dat geldt voor het eerste oordeel, dat geldt ook voor het laatste oordeel. Het oordeel is altijd het oor­deel van de ontferming.

Het gericht betekent verlossing

Gericht en verlossing sluiten elkaar niet uit. Maar het gericht is de ver­lossing, is het heil. We moeten deze aspecten dus niet opsplitsen. Je kunt eigenlijk in plaats van het woord oordeel beter het woord gericht ge­brui­­ken. Daar zit ook het woord rechtzetting in. Daar zit toch een heel centrale gedachte in; als God komt met zijn ge­richt, dan is dat met een heilzame bedoeling.

O, vrede van Tiberias,

o, heuvels in het rond,

waar Jezus in het zachte gras

de mensen liefhad en genas

en in hun midden stond.

De Paasdatum

De Paasdatum is altijd al een punt van discussie geweest. In het Johannes-evangelie wordt gezegd: “Jezus dan kwam zes dagen vóór het Pascha te Betanië, waar Lazarus was, die Jezus uit de doden had opgewekt. Zij richtten daar dan een maaltijd voor Hem aan en Mar­ta bediende, en Lazarus was één van hen, die met Hem aan ta­fel waren”. – Joh.12:1,2

Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen, die met Hem aanzaten”. – v.2. – SV.

Dit moet dan geweest zijn op de achtste dag van de maand Nissan. Op de 14e is het Pesach, dus zes dagen daarvóór is het dus de 8ste van de maand Nissan, nadat de sabbat was afgelopen. De 14e van de maand Nis­san wordt ‘het Pascha voor de Here’ gevierd. Dat kun je in allerlei teksten ook vinden, bij­voor­beeld in Numeri 28: “En in de eerste maand, op de veertiende dag der maand, zal het Pascha voor de HERE zijn”. – Num.28:16.

Tussen twee avonden wordt het paaslam geslacht

Dat is bij ons dus ongeveer maart – april. In sommige jaren valt het jood­se Pesach samen met het christelijke paasfeest. Dat is dan af en toe een treffer. Het zou voor de hand liggen om zowel het joodse als het chris­te­lijke paas­feest op dezelfde datum te vieren. In de loop van de eeuwen heeft dit ech­ter nogal wat moeilijk­heden gegeven. Tussen de twee avonden wordt het Paaslam geslacht. Dat is een typische uitdrukking, zo wordt het dan genoemd: ‘tussen de twee avonden’. “En gij zult het bewaren tot de veertiende dag van deze maand; dan zal de gehele ver­gadering der gemeente van Israël het slachten in de avondschemering”.  Ex.12:6.

Je moet hierbij bedenken dat de dag begint bij de avond. De avond is dus het begin van de dag. Maar je hebt dan tegelijk de avond waar die andere dag mee eindigt. Bij het Pesachfeest heb je dus de avond van de 13e Nissan en de avond van de 14e Nissan. Dat is dus een grens tussen twee dagen. Tussen die twee avonden wordt dan het Paaslam geslacht, dus op het moment dat de 13e Nissan eindigt en de 14e Nissan begint. ‘Tussen de twee avonden’. Het NBG vertaalt dan ‘in de avondschemering’. De Statenvertaling heeft: “En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israel zal het slachten tussen twee avon­den”. – Ex.12:6.

Het valt dus op de grens van twee dagen, ‘voor de algehele zonson­der­gang’. Dat is dan de zogenaamde sederavond. Het woord seder of sei­der bete­kent orde. Het gaat dus – zou je kunnen zeggen – om de orde van dienst. Dat is dan meteen die andere orde, want het volk van God leeft niet vol­gens de orde van deze wereld, maar volgens de orde van Pesach. De maaltijd die Jezus hield met zijn leerlingen had plaats voordat de jood­­­se leidslieden het Pascha aten. Dat kun je onder andere vinden in Jo­hannes 13. “En onder de maaltijd, toen de duivel reeds Judas, Simons zoon Iskariot, in het hart had gegeven Hem te verraden”, – Joh.13:2.

 “En als het avondmaal gedaan was, toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou”, – SV. In vers 1 wordt er dan bij gezegd: “En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde”. Joh.13:1.

De maaltijd met de twaalven

Dus voordat de joodse leidslieden het Pascha gingen eten, heeft Jezus de maal­tijd met zijn discipelen gebruikt. Dat wordt ook vermeld in Mat­teüs 26: “En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven”. – Matt.26:20. In Matteüs 26 krijg je dus die verwijzing naar die laatste maaltijd, die Je­zus met zijn leerlingen had. Paulus schrijft: ons Paaslam is geslacht. Als Jezus dus als Paaslam geslacht is, dan moet dat dus geweest zijn op de 14e Nis­san, volgens Leviticus 23. “In de eerste maand, op de veertiende der maand, in de avondschemering, is het pascha voor de HERE”. – Lev.23:5. ‘In de eerste maand, op den veertienden der maand, tussen twee avonden is des HEE­REN pascha’. – SV. De gesprekken die gevoerd werden tijdens die laatste maaltijd staan in Johan­nes 13-17. Daarna ging Jezus naar Getsemane en Hij wordt daar ge­vangen­ge­nomen en naar Kajafas, de hogepriester, gebracht. Dat is de nacht waarin Jezus wordt overgeleverd. In de morgenstond beraden de overpriesters zich om Jezus te doden. Dat is dan de morgen van de 14e Nissan. Hij werd aan de stadhouder Pilatus overgeleverd, die Hem weer naar Herodes stuurde. De kruisiging had plaats om 9 uur’s morgens (onze tijd). “Het was het derde uur, toen zij Hem kruisigden”. – Mc.15:25.

Vanaf het zesde uur kwam er duisternis. Dat geschiedde dus van 12 uur ‘s middags tot 3 uur ’s middags (onze tijd). Dan staat er in Johannes 19. “De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden”.  Joh.19:31.

De dag van die sabbat was groot

Vóór de sabbat moesten de lichamen van het kruis gehaald zijn. Want de dag van de sabbat was groot. ‘Want de dag van die sabbat was groot’. Dat is ook een heel merkwaardige uitdrukking­. Als we dan weer even teruggaan naar Leviticus, dan staat daar namelijk in hoofdstuk 23: “En op de vijftiende dag van deze maand is het feest der ongezuurde broden voor de HERE, zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten. Op de eerste dag zult gij een hei­lige samenkomst hebben; dan zult gij generlei slaafse arbeid verrichten. Gij zult de HERE een vuuroffer brengen gedurende zeven dagen; op de zevende dag zal er een hei­lige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten”. – Lev.23:6-8.

De eerste dag was dus een rustdag, zoals vers 7 zegt. Dat was de eerste dag van die zeven dagen, dat was dus op de 15e Nissan.

Samenvattend:

Op de 14e Nissan vond de Pesachviering plaats.

Dat was de sederavond.

Op de 15e Nissan begint het feest van de matsot, het feest van de onge­zuur­de broden.

Die 15e Nissan is dus een sabbat, een rustdag.

Op de 16e Nissan, dus op de dag na de sabbat, moest de priester de eer­­ste­ling schuiven, bewegen, voor het aangezicht des Heren. Het ging hier dus om de eersteling-schoof. “en hij zal de garve voor het aangezicht des HEREN bewegen, opdat gij wel­ge­vallig zijt; daags na de sabbat zal de priester die bewegen.” – Lev.23:11.

De garve wordt bewogen

Vanaf de 16e Nissan moesten – de dag waarop de garve bewogen werd, dus op de dag na de 15e, de sabbat – zeven volle weken geteld worden. “Dan zult gij tellen van de dag na de sabbat, van de dag waarop gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken zullen het zijn”.  Lev.23:15. Dan tel je dus van Pasen tot Pinksteren. Dus die sabbat van de 15e stond vast. Hij viel ieder jaar op een andere dag van de week. Dus op een gegeven moment kun je op maandag een sabbat hebben. Dus de mogelijkheid is er ook, dat die 15e samenvalt met een gewone sabbat. Hij kon dus ook op zaterdag vallen en dan was het om zo te zeggen dubbel sabbat. Dan was het een gewone sab­bat, maar dan was het tegelijk ook de 15e en daarom nog eens een keer sabbat. Dat was dus het geval in het jaar dat Jezus in het graf lag. Daar­om staat ook in Johannes 19: “De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden”.  Joh.19:31. Het was dus niet een normale sabbat, maar het was die dag van de 15e Nissan. Het was dus dubbel sabbat. Het was de eerste dag van de onge­zuurde broden èn het was een doordeweekse sabbat. De 14e Nissan was de voorbereiding. En Jozef van Arimatea vraagt dan het lichaam van Jezus nog vóór de sabbat van die 15e Nissan te mogen be­graven. “En daarna vroeg Jozef van Arimatea, een discipel van Jezus, maar in het ver­borgen uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen weg­­nemen; en Pila­tus stond het toe. Hij kwam dan en nam zijn lichaam weg”. Joh.19:38. Hij koopt eerst nog fijn lijnwaad en ook de vrouwen gaan naar het graf. “En Jozef nam het lichaam en wikkelde het in zuiver linnen,” – Matt.27:59. Dan keren ze terug en bereiden ze specerijen, nog voor de sabbat begint. Want op de sabbat, de 15e Nissan, die dus begint op de avond van de 14e Nissan, rusten zij. De overpriesters rusten niet, want zij gingen des anderen daags, dus de 15e Nissan, naar Pilatus om het graf te laten verzegelen. Over die sabbat wordt verder gezwegen. Het gaat dan weer verder met: ‘laat na die sabbat’ van die 15e Nissan, dat is dus de 16e Nissan, de dag waarop de eer­stelinggarve bewogen wordt.

Tegen het aanbreken van de eerste dag

Laat na de sabbat, tegen het aanbreken van de eerste dag der week, ging Ma­ria van Magdala en de andere Maria het graf bezien”. – Matt.28:1. Die eerstelinggarve die bewogen wordt, is de Messias, is Jezus. En die wordt op die dag bewogen voor God en Hij staat op. Dat bewegen van die garve, van die eersteling, betekent de opstanding. Dan tegen het aanbreken van de eerste dag gingen de vrouwen naar het graf. Er is dus gezegd: de zoon des mensen moet ten derde dag opstaan. De Em­maüsgangers zeggen ook: het is heden de derde dag.

 Het is reeds de derde dag

Wij echter leefden in de hoop, dat Hij het was, die Israël verlossen zou. Maar met dit al is het thans reeds de derde dag, sinds dit geschied is”. – Luc.24:21.

Dat gegeven komt dan ook steeds weer terug. “Hem heeft God ten derden dage opgewekt en heeft gegeven, dat Hij ver­scheen,  niet aan het gehele volk, doch aan de getuigen, die door God tevoren gekozen waren, aan ons, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de do­den was opgestaan; – Hand.10:40,41

“Dezen heeft God opgewekt ten derden dage, en gegeven, dat Hij openbaar zou worden; “- Hand.10:40. – SV.

“Dan zult gij tellen van de dag na de sabbat, van de dag waarop gij de garve van het be­weegoffer gebracht hebt: zeven volle weken zullen het zijn”.  Lev.23:15.

Dan kreeg je dus die zeven weken, oftewel 50 dagen. Hoe nu die drie dagen en die drie nachten van Jona te verklaren? “Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachten.” – Matt.12:40.

 Drie dagen in het dodenrijk

Die drie dagen en die drie nachten uit Matteüs 12 moet je verstaan in die zin, dat Jezus al eerder in het dodenrijk was, dan dat hij letterlijk kli­nisch stierf. Want het dodenrijk is in het Hebreeuwse denken een veel wijder begrip dan wat wij er doorgaans onder verstaan. In Getsemane ging Jezus al het dodenrijk binnen. Hij zegt ook: Ik ben zeer bedroefd, tot stervens toe. De Hebreeuwse opvatting van ‘dood zijn’ is dus veel­om­vattend. De psalm­dichter zegt ook: Ik lag gekneld in ban­den van de dood. Jona was ook drie dagen en drie nachten in het doden­rijk, maar hij was niet klinisch dood. Het zwaartepunt van het ‘dood zijn’ moet niet gezocht worden in het moment dat iemand klinisch dood is, waarbij je dan medisch het tijdstip kunt vaststellen. Dat is een wes­terse opvat­ting, waarbij zich dan ook nog vragen voordoen omtrent hart­stil­stand en hersendood. “Jezus dan kwam zes dagen vóór het Pascha te Betanië, waar Lazarus was, die Jezus uit de doden had opgewekt”. – Joh.12:1.

Op de 8ste Nissan zijn we dus zes dagen voor Pasen.

Op zaterdag kwam dan de 10e Nissan.

De volgende dag, toen de grote menigte, die voor het feest gekomen was, hoor­de, dat Jezus naar Jeruzalem kwam,” – Joh.12:12.

De intocht in Jeruzalem zou dan geweest zijn op de 10e Nissan. In Exodus 12 wordt gezegd ‘op de tiende van deze maand’…….”Spreekt tot de gehele vergadering van Israël als volgt: op de tiende van deze maand zal ieder voor zich een stuk kleinvee nemen, familiesgewijs, een stuk kleinvee per gezin”. – Ex.12:3.

 De Statenvertaling heeft dit juister vertaald: ‘Spreekt tot de ganse vergadering van Israel, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis’. Dat moet je dan bewaren tot de 14e dag. En gij zult het bewaren tot de veertiende dag van deze maand; dan zal de ge­hele ver­ga­dering der gemeente van Israël het slachten in de avondschemering”. Ex.12:6.

Het lam wordt apart gezet op de 10e Nissan

Het lam wordt dus apart gezet op de 10e en geslacht op de 14e Nissan.

Dus op de 10e Nissan houdt Jezus zijn intocht in Jeruzalem (in Johannes 12:12) en daarna gaat hij terug naar Bethanië. Op de 11e Nissan vindt dan de reiniging van de tempel plaats. Op maandag de 12e Nissan wordt er gezegd: ‘het was nu twee dagen voor Pascha’. “Gij weet, dat het over twee dagen Paasfeest is, en alsdan wordt de Zoon des mensen overgeleverd om gekruisigd te worden”. – Matt.26:2.

Dinsdag is dan de 13e Nissan; dan vond de toebereiding van de Paas­maal­­­tijd plaats, volgens Marcus 14. “En op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, waarop men gewoon was het Pascha te slachten, zeiden zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan en toebereidselen maken, opdat Gij het Pascha kunt eten?”  Mc.14:12.

Woensdag zou dan de 14e Nissan zijn.

Dat is merkwaardig, want er zijn dus uitleggers, die de kruisiging op woensdag plaatsen. Het valt me trouwens de laatste tijd op, dat er ge­meenten zijn die be­wust zeggen: wij vieren het avondmaal op donder­dag. Die plaatsen dan de kruisiging op woensdag. Donderdag zou dan de 15e Nissan zijn. Dat is dan de feestsabbat. Maar dat is toch wel een wat moei­­zame theorie, want in dat geval zou de opstanding dan op za­terdag zijn, op de sabbat.

Het aanlichten van de dag

Er wordt echter gesproken van: “Laat na de sabbat, tegen het aanbreken (aanlichten) van de eerste dag der week, ging Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezien”. – Matt.28:1.

En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien”. – SV.

Na de sabbat, toen de ochtend van de eerste dag van de week gloorde…” NBV.

Het is toch wel een belangrijk gegeven, dat er niet gezegd wordt: het aanbreken van de eerste dag, maar het aanlichten. De Statenvertaling heeft het hier weer juister vertaald: ‘En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien’. De eerste dag is al begonnen in de avond, dan komt de nacht en daarna wordt het licht. Dat betekent dus niet dat de dag dan aanbreekt, maar ‘aanlicht’. Het gevaar in al deze redenaties is gelegen in het feit, dat het op die ma­nier haast een soort legpuzzel wordt.

Een kloof tussen de joodse en de christelijke wereld

Het probleem is eigenlijk al begonnen met de kerk­va­ders, waarvan som­migen toch soms wel wat vreemde gedachtegan­gen hadden. Toen is in dat opzicht ook die kloof ontstaan tussen de joodse wereld en de christe­lijke wereld. Hun uitgangspunt was: wij kunnen toch niet op dezelfde da­tum paas­feest vieren als de joden. Dus dan krijg je die – wat men ge­noemd heeft – verguizingscate­chese. Alles wat joods is, wordt dan ver­guisd. Hierin speel­de ook wel enigszins de angst mee om zieltjes te ver­lie­zen. Stel je voor dat de mensen weer naar de synagoge gingen! Het is merkwaardig dat je bijvoorbeeld in het Frans nog het verschil hebt tus­sen Paque (het joodse Pascha) en Paques (het christelijke paas­feest), waar­bij er dus een s achter wordt gevoegd. Dus la Paque is het joodse Pascha en les Paques is het christelijke paasfeest. André Neher schrijft dan vanuit de joodse achtergrond: wij hebben de eenheid bewaard, bij ons is het nog enkelvoud gebleven. In ieder geval denk ik, dat er helemaal geen reden is om het op een andere da­tum te vie­ren. Dit werkt alleen maar een kloof in de hand. Juist in die symboliek komt ook het lijden en de opstanding van Jezus naar voren. Op de 14e het Paaslam, op de 15e is het sabbat, en dan op de 16e wordt de eerstelinggarve opgeheven, en dat is dan de opstan­­ding. Ik denk dat dit toch een duidelijke lijn aangeeft en dat daar weinig tegenin te brengen is. De eerstelinggarve (beweegoffer), die de opstanding symboliseert, is in dit ver­band dus van een prachtige symboliek. Dat komt ook tot uiting in die lijn van de 10e tot de 14e Nissan. Eerst wordt het lam genomen en drie dagen apart gezet. Van de intocht in Jeruzalem tot het Pascha. Er wordt dus geteld vanaf de 16e en vandaaraf tel je dan zeven weken en dan begint het Shabuoth, het Wekenfeest, het Pinksterfeest. Van het Pinksterfeest wordt ook in Leviticus 23 gesproken, waar er in vers 16 staat: “tot de dag na de zevende sabbat zult gij tellen, vijftig dagen; dan zult gij een nieuw spijsoffer de HERE brengen”. – Lev.23:16.

De Eersteling en de eerstelingen

De dag na de zevende sabbat komt er dus weer een nieuw spijsoffer, na­me­lijk twee beweegbroden. En dat zijn eerstelingen voor de Here. We zien hier die mooie symboliek: met Pasen een eersteling en met Pink­ste­ren krijg je er twee, dan worden het eerstelingen. Die ene eersteling is het beeld van de Messias, die opstaat en dan met Pinksteren twee eer­ste­lingen, waar­van je dan kunt zeggen: dat is beeld van het volk van God -de twee ge­tui­gen – dat dan met Pinksteren wordt verwekt en bewogen. Die ene ge­tuige Jezus, wordt dus tot twee getui­gen, als symbool van de gemeente. Je kunt hierbij de lijn ook doortrekken naar Openbaring 11, waar ook sprake is van die twee getuigen. Dat is het getuigenis van Torah en Pro­fe­ten. Het Pinksterfeest duurt twee dagen. Pasen en Loofhutten duren beide een hele week; zeven of eigenlijk acht dagen. Dus in het voorjaar wordt een feest van acht dagen gevierd en in het najaar heb je ook een feest van acht dagen. In het midden heb je een feest van twee dagen. Bij Shabuoth, het Pinksterfeest, wordt in Handelingen 2 gezegd – dat is ook weer een vertaalkwestie: “En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen”. – Hand.2:1. De Statenvertaling heeft het hier juister vertaald: ‘En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachte­lijk bij­een’.

De Pinksterdag wordt vervuld

Die pinksterdag was er al lang, maar toen werd hij vervuld. Handelingen 2 is dus de vervulling van de pinksterdag. En dan is het in­der­­daad zo, dat met Shabuoth vooral gevierd werd, dat God de Torah had gege­ven. Op het feest van Shabuoth worden Exodus 19 en 20 gele­zen. Dan wordt verteld dat het volk bij de Sinai komt. En dan staat er, dat dit in de derde maand gebeurde. “In de derde maand na de uittocht der Israëlieten uit het land Egypte, op de­zelf­de dag, kwamen zij in de woestijn Sinai”. – Ex.19:1. Vanaf Pasen ga je tellen en als je dan doortelt tot die zeven weken, dan kom je in die derde maand bij de Sinai. Daar bij de Sinai gaat het dan ge­beu­ren, dan ontvangt het volk de gave van de Torah, de matan Torah. Het gaat hier na­tuurlijk niet om een wettische toestand; het is de vreug­de over de onder­wij­zing die God geeft. Dat is dus Pinksteren, want als de heilige Geest komt, gaat Hij ons onderwijzen. Bij de Sinai worden ze geroepen om een koninkrijk van priesters te zijn. “En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult”. – Ex.19:6.

Vanouds worden in die dagen van Shabuoth ook Exodus 19 en 20 gele­zen.

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391735 bezoekers sinds 07-06-2010