De brief aan de Efeziërs

11-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Een algemene brief

«Paulus, door de wil van God een apostel van Chrisus Jezus, aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus, die (te Efeze) zijn» Ef.1:1. Bij de aanhef van de Brief aan de Efeziërs valt het op, dat ‘te Efeze’ tussen haakjes staat. Dat wijst erop, dat er handschriften zijn geweest, waarin die woorden ‘te Efeze’ ont­bra­ken. Van­daar dat men wel gezegd heeft, dat dit een algemene brief is; in het algemeen geschreven aan de gemeente van alle plaatsen, mis­schien zelfs van alle tijden. Oorspronkelijk moet dat ‘te Efeze’ er wel bij gestaan hebben. Zo vind je dat bijvoorbeeld bij Ignatius, die daar­over het een en ander geschreven heeft, zo’n 45 jaar na Paulus. De oor­spron­kelijke tekst moet dus wel geweest zijn: ‘De brief aan de gemeente te Efeze’. Dat is daarom ook het geval, omdat er aan het eind van deze brief staat: «Opdat ook gij van mij moogt weten, hoe het mij gaat, zal Tychikus, mijn geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Here, u alles bekend­ma­ken»  Ef.6:21. Tychikus wordt dus gezonden ‘om u alles bekend te maken’. Als het zou gaan om een algemene brief, zou dat in de praktijk moeilijk uitvoer­baar zijn. Waar zou Tychikus dan heen moeten om Paulus te verte­gen­­­woordi­gen? Het ligt dus voor de hand te veronderstellen, dat deze brief oorspron­ke­lijk wel geschreven is aan de gemeente van Efeze. Er zullen wellicht een paar kopieën in omloop zijn geweest, waar dan de plaatsnaam open was gelaten, zodat de brief ook verzonden kon worden aan andere gemeenten, die daar hun eigen naam dan konden in­vul­len. Er wordt namelijk ook nog gezegd, dat de ene brief af en toe mag worden voorgelezen in de andere ge­meenten. «Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, aan de heiligen en ge­­­­­lovigen in Christus Jezus  (in Messias Jezus – Jeshoea)­  die  (te Efeze) zijn» Ef.1:1. 

Zo luidt de aanhef van deze brief in het eerste vers. En dan die typerende groet: «Genade voor u en vrede van God, onze Vader en van de Heer Jezus Christus (Jeshoea – Messias)»  Ef.1:2. 

De aanleiding tot de brief

Een brief heeft meestal een aanleiding. Wat is je motief, je bedoeling van je schrijven? In de regel kun je zeggen: als je een brief gaat schrijven, doe je dat niet zomaar, wil­lekeurig. Je hebt inspira­tie, maar je bevindt je ook in een bepaalde situatie. Er is dus sprake van inspi­ra­tie en een situatie; van een achtergrond en een bepaalde actualiteit. Woor­den hebben tot doel, er­gens te ‘landen’. Waarom schrijft Paulus deze brief? Niet zomaar in het lucht­­ledige, in een vacuüm, maar vanuit een concreet gegeven. Paulus is apostel geworden. Het woord apostel is in het Grieks: apostolos, in het Hebreeuwse sjaliach. Een sjaliach, eigenlijk een sjaliach dibbur, is een woordvoerder, een gezant. Het is iemand, die een bepaalde boodschap moet overbrengen. Wat voor bood­schap dan? Heeft Paulus iets speciaals, iets bijzon­ders, iets specifieks? Dat is de eerste vraag en de tweede vraag luidt: Is er in het le­ven van Paulus een bepaalde ontwikkeling geweest? Daarmee samenhan­gend het derde punt: Hoe heeft Paulus als mens zich ontwikkeld? In de loop van de tijd, in de loop van de jaren, ga je als het goed is, steeds meer zién, steeds meer ontdekken. De per­spec­tieven worden wijder en wor­­­­den ook helderder. Je begint met eerst een beet­je te zien en gaan­de­weg zie je steeds meer. De contouren wor­den scher­per, het beeld wordt duidelij­ker en je krijgt steeds meer visie, zicht en doorzicht. Dan denken we aan de man, die door Jezus wordt genezen in Marcus 8: Eerst ziet hij de mensen wandelen als bomen, een vaag beeld. En dan in de tweede fase ziet hij alles of allen duidelijk en klaar. Dan worden de zaken transparant, doorzichtig. Wat heeft Paulus gezien? En van waaruit? Vaak, heel vaak, dat zie je wel meer, ook bij profeten en toch ook wel bij apos­telen, worden visie en openbaring geboren vanuit een bepaalde pijn. Het komt niet uit de lucht vallen, het komt niet zómaar. De inzichten ko­men ook niet langs lijnen van geleidelijk­heid, maar heel vaak vanuit een crisis. Vanuit de pijn, soms de pijn van het gemis, soms de pijn van de diep­te, zo­dat je de neiging hebt om te zeggen: ach, had ik maar een mak­kelijker le­ven; dan was het allemaal wat prettiger en liep het wat vlotter, maar nu heb ik al die stormen en al die diepten. Ik heb er niet om gevraagd; het zal ook niet zo bedoeld zijn. Maar waarom gebeurt het dan op deze manier? En dan ontdekken we, dat er juist in die stormen, in die pijn, in het ver­­driet, een vergezicht komt. Je ziet dan wat je nog nooit zag. Laten we eens naar de achtergrond van de Efeze­brief kijken. Laten we pro­beren de Bijbel te lezen met ons hart, met ons gevoel. Want wat heb je aan steriele woorden, alge­mene theorieën. Dan wordt het allemaal zo bespiege­lend, theoretisch, vaag en ver weg of dogmatisch. Dogma’s zijn op hun tijd wel prettig. Soms zijn ze lastig en soms doodvermoeiend. Ze doden de geest, vooral als ze lang mee­gaan. Dan kunnen ze eindeloos verstenen en dan zìt je met al die ver­steen­de dogmatiek. Soms doet die versteende dog­ma­tiek ontzettend pijn. Daar moest ik aan denken, toen ik de tragiek zag van mensen, die jaar en dag bezig geweest zijn met de Schriften en daarin ver­grijzen. Op een gegeven moment weten ze niet meer, hoe ze het ooit nog zullen toepassen.

Dogma’s zonder leven

Ze hebben ze alle dogma’s op een rijtje en weten het pre­cies. Als je dan vraagt: Waar is het leven, dan weten ze het niet. Het leven is tussen de ste­nen van de dogma’s doorgesijpeld. Het dogma bleef en het leven ging heen. Je kunt nog af en toe bij elkaar komen om het dog­ma in stand te hou­den en elkaar daarin koesteren en jezelf daar­in eveneens koesteren en zeg­gen: Voor­­waar, wij hèbben ‘het’. Dat is de pijn en de tragiek. De pijn van het heb­ben en het niet meer zijn. Ik moest daaraan denken en in dit geval heb ik een concrete ont­moeting voor ogen die mij toen verdriet deed. Ik dacht: Dat is een weg, die dood­loopt, ook al is die weg recht. Ook dat kan; een rech­­te weg en toch gaat die weg ten dode. Er zijn vele rechte we­gen die doodlopen. Is dat te vermijden? Hoe was Paulus’ ervaring dan in zijn dagen in de prak­tijk? Hoe was het voor hem een beleving, een weg? Hierbij moeten we te­ge­lijk bedenken, dat Paulus veel Joodser en veel Hebreeuwser was dan meest­­­al gedacht wordt. We moeten bedenken, dat Paulus hierbij in het voetspoor van Jezus is ge­gaan, om een recht spoor te trekken. Zoals een commentator op de Ro­mei­nen-brief heel treffend opmerkt: een kar­ren­spoor. Een spoor door het zand, een ongebaande weg. Niet een ver­­harde weg, niet geasfalteerd, geen snel­weg, maar een kar­renspoor naar onontgonnen land.

Het Koninkrijk is binnen uw bereik

Jezus was gekomen en Hij had het Koninkrijk geproclameerd. Mensen, kom terug, bekeert u, want het Ko­ninkrijk is nabij, het Koninkrijk der he­me­len, Malkoet hasjama­jim. Het is dichtbij gekomen, naar het woord van Lukas 17:20-21: «Het Koninkrijk is onder u». Of zoals een andere vertaling heeft: «Het Koninkrijk is binnen in u». Of ook: «Het Koninkrijk is binnen uw bereik». Drie mogelijke vertalingen: Onder u, binnen uw bereik, binnen in u. En dan het raadsel dat mensen het Koninkrijk voor de deur hebben en er niet ingaan. Dat mensen het Koninkrijk binnen hun bereik hebben en het niet zien. ‘t Is vlakbij en het gaat niet, zodat de insiders buitenstaan­ders wor­den. Zo dichtbij en toch gaat het aan je voorbij. Raadsel, tragiek, zelfs zo, dat de stad van je hart en de stad van je dromen de deur dicht doet. Het raadsel dat de Messias verworpen wordt door dege­nen, die Hem het naast ston­den. En het Koninkrijk, zegt een woord in Mattheüs, wordt weggenomen, ge­geven aan een volk dat de vruchten ervan opbrengt. De deur gaat dicht en toch niet helemaal, want er wordt bij gezegd: Totdat! «Totdat gij zult zeggen: Baruch ‘atah, besjeem Adonai, gezegend zijt Gij, die komt in de naam van de Eeuwige».

 “Het Messiasgeheim”

Het raadsel: niet begrepen te worden door degenen voor wie je heel speci­aal komt. Niet begrepen te worden door degenen, die vanouds vertrouwd zijn geraakt met de Torah en de Profeten en degenen, die de Profeten ken­den. Als de vervulling komt, dan staan ze met grote ogen te kijken. Ver­baasd en verbouwereerd, verbijsterd of nog erger. En het gaat niet. De Mes­si­as komt alleen te staan, heel alleen; niet herkend. In het Evangelie naar Marcus wordt dat vanouds aange­duid: althans volgens het commen­taar van William Wrede (in 1901) als  “Het Messiasgeheim”. (Das Messias­ge­heim­nis). De Messias gaat z’n weg als een geheim, een verborgen weg. Waarom be­grij­pen ze Hem niet, waarom komt het niet aan, waarom wordt het Woord, het heil, de vreugde, niet met open armen ontvangen? De Messiaanse weg wordt de weg van het kruis. De weg van de verwerping. De weg van de miskenning. Duisternis, donkerheid valt over de weg, die de Messias gaat. En dan? Voor dat raadsel staat met name Paulus. Dat raadsel gaat door hem­zelf heen. Als hij zijn carrière begint, deelt hij ten volle in dat raadsel. Hij wordt een fanatiek bestrijder van de pas ontstane gemeente. Zelfs zo, dat er in Handelingen 9 gezegd wordt, als hij naar Damascus gaat: «Dreiging en moord blazende tegen de discipelen des Heren»  Hand.9:1.  

Een ontijdig geborene

«Dreiging en moord blazende tegen de discipelen des Heren»  Hand.9:1. Dat zijn twee aparte juridische termen. Dreiging is het eerste stadi­um en moord is het tweede stadium. Eerst ga je dreigen en je zegt de mensen aan, dat ze fout zitten en als ze niet luisteren, dan maak je ze van kant. Dan kan het proces in werking treden, het proces­recht. Dus Paulus zit helemaal in dat raadsel, want dat raadsel gaat heel diep. Het wordt tot een splijting, tot een split­sing, intern, binnen het Joodse volk. Vóór of tegen Jezus, vóór of tegen deze Messias. Het wordt tot een vuur, dat brandt vanbinnen. Tot een kloof tussen harten van mensen, die elkaar niet meer begrijpen. De één tegen de ander. Vader tegen zoon, zoon tegen vader, broeder tegen broeder.

Zoals Jezus zelf ook zegt: «Denk niet, dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde»  Luc.12:51. Het leidt tot verdeeldheid. Paulus is deel van dat raadsel met alle vuur, met alle ijver, die in hem is. Tot hij op een dag, op klaarlichte dag, omgezet en om­gedraaid wordt. Zijn ogen blind, maar dan gaat hij juist zien. Ja, wat ge­beurt er? Drie dagen diepe duisternis daar in Damascus! Egypti­sche duis­ter­nis en dan in die Egyptische duisternis gaat hij het licht zien. Hij komt tot herkenning, tot de erkenning en dan even fel, even radicaal, totaal an­dersom. En dan het gevoel te hebben: «Hij is ook aan mij verschenen als aan een ontijdig geborene» 1 Kor.15:8. Waarbij het een heel interessante vraag is, of dat ontijdig betekent: te vroeg of te laat. Te laat geboren, want het getal van de twaalf apos­te­len was im­mers al compleet. En dan komt hij als dertiende of toch als twaalfde erbij. Of misschien moet je zeggen: Te vroeg geboren, pre­matuur. Want gans Is­raël moet nog komen. Hij is te vroeg en daar staat Paulus dan en hij gaat zich bezinnen. Hij gaat nadenken. Hij wordt geroepen met de woorden: Weet je wel, hoeveel je zult moe­ten lij­den terwille van de Messias. Dat is het eerste wat hij te horen krijgt. Als je nu geroepen wordt, dan teken je in voor een lijdensweg. Dan weet je waar je aan begint en toch is er geen weg terug. Als hij dan naar de mensen van zijn eigen volk gaat, dan wordt ook hij niet begrepen. Ook hij wordt miskend en aan de kant geschoven. Dus toch te vroeg, prematuur. Had hij nog wat langer in de moeder­schoot moeten blij­ven of in de couveuse misschien? Wat kom je ons vertel­len? ‘t Wordt niet geaccepteerd. Eenzaam gaat hij zijn weg. Een weg wordt het inderdaad, want hij is niet meer te houden. Hij trekt van land tot land, van stad tot stad. Van Azië naar Europa. Onstuitbaar en in zijn vaandel: Leermeester der gojim, leraar van de volkeren. De volkeren moe­ten het weten. Maar het raadsel dan?

Een voortdurend hartzeer

Je kunt je voorstellen hoe het was, als Paulus thuis­kwam van een samen­komst met allemaal heidenen, om dat woord dan maar eens even te gebrui­ken. Beter vertaal je gojim niet met heidenen, maar met volkeren. Want gojim is ieder die niet-Jood is. ‘s Avonds komt Paulus thuis. Dan wil je je erva­rin­gen delen, als je van een sa­men­komst terugkeert. En wat is het dan fijn, als er thuis iemand op je wacht, die zegt: Hoe was het vanavond? Ging het een beetje? Kon je wat kwijt? Paulus, als jij ‘s avonds thuiskomt, aan wie kun je het vertellen? Wie wacht er op je? Hij was niet getrouwd, dus dat viel al af. Hij had wel af en toe een paar medewerkers. Soms waren ze zelfs met z’n zevenen. Af en toe een heel team en daarmee trok hij rond. Soms was het Paulus en Barnabas. Soms was het Paulus en Silas. Gelukkig samen met Barnabas, want dat was een zoon der vertroos­ting, zegt Han­de­lingen 4. Zo’n man, daar kun je nog eens wat aan hebben. Die heb je nodig op gezette tijden.Je komt ‘s avonds thuis en zegt: Hoe vond jij het van­avond? Ja, ‘t was fijn, hè, al die gojim. Oh, ze dronken de woorden in. Ja, zegt Silas, ik heb ook heel goede nagesprek­ken gehad. Ja, zegt Barnabas, er kwamen heel wat men­­­sen in de nazorg en we konden met ze bidden. ‘t Was goed, ‘t was heel goed om samen te zijn. En Paulus, toen ik jou daar zo zag staan preken, je was er helemaal ìn vana­vond. Ik kon echt ervaren, dat de Geest het over­nam. Morgen weer, want de mensen zijn hongerig en ze willen het Woord opnemen, er zijn nog heel wat gojim, die we moeten bereiken. Al die ste­den, al die plaatsen, al die landen. Ja, zegt Paulus, je weet het wel, Rome, daar moeten we ook nog heen.

Ja, zegt Silas, dat Rome krijgen we maar niet uit je hart. Spanje misschien nog. De uitersten van de aarde. Toen die avond, na de samenkomst, keek Silas Paulus aan en hij zei: Wat heb je? Vond je het niet fijn vanavond? Er was toch een zegen? Ja, zegt Pau­lus, maar soms draag ik te midden van alle gezegende bijeenkomsten een vraag met me mee. Wat dan? Het gaat toch goed? Het Koninkrijk maakt voortgang. Ja, zegt Paulus en toch!  Schitte­rend al die gojim. Ze nemen de woorden in zich op.  Ze dragen ze met zich mee. Ze willen nog meer horen dan je kunt vertellen en toch! Mijn eigen mensen dan? Waarom die niet? Elke keer moet ik het helemaal uitleggen. Dan sta ik daar voor al die men­sen, die nog nooit van Genesis hebben gehoord. En nog nooit van Exodus. Wie Jesaja is, moet ik ze ook eerst helemaal vertellen. En Jeremia, weten zij veel. Ze hebben nog nooit profeten ontmoet in hun leven. Misschien alleen het orakel van Delphi of de Sibylle. Daar weten ze alles van, zij is ook een profetes. Al die Griekse profeten en profe­tes­sen kennen ze. Maar ze hebben nog nooit een Bijbel vanbinnen gezien. En als ik begin over Tenach, dan kijken ze me met ogen als theeschoteltjes aan en ze zeggen: Wat is dat? Net zoals Miskotte, die vlak voor de oorlog het boek schreef: Edda en To­rah. En iemand dacht, dat het twee meisjes waren. Maar de Torah zijn de boeken van Mozes en de Edda is de reli­gie vanuit de IJslandse dicht­kunst. Waar heb je het over? Je spreekt geheimtaal, je schrijft geheimschrift. En, zegt Paulus, mijn eigen mensen, ze snappen het niet. Mijn eigen mensen, die de Torah zo kunnen dromen en die het allemaal uit hun hoofd kunnen opzeggen. Doorkneed in de woorden en toch verstaan ze het Woord niet. Of ligt dat nu aan mij? Ben ik een ketter? Heb ik een aberratie, een afwijking, ben ik op een dwaal­weg? Ben ik ontspoord, het spoor bijster? Af en toe lig ik wakker, zegt Pau­lus, en ik weet: Ik ben gegrepen, ik kom er nooit meer los van. Ik kan met Schulte Nordholt zeggen: We komen nooit van Hem af. Maar toch…hoe kan dat dan? Waarom pakken zìj het niet? Waarom zijn zìj er niet door gegre­pen? Af en toe, zegt Paulus, dan lig ik wakker van dat raadsel, dat myste­rie, dat gruwelijke mysterie, dat verbijsterende geheim. Waarom al die go­jim wel? Ja, zegt Paulus, ik kan zo een hele gemeente beginnen. Vol met go­jim, helemaal niet moeilijk. En mijn eigen mensen, stroef, moeilijk, grim­mig, waarom? Dat was het raadsel voor Paulus. Het probleem waar hij tegenaan liep. Van daaruit wordt zijn denken over de geschiedenis geboren. Eigenlijk een oud verhaal. Lucas 15: Een vader had twee zonen. De één bleef bij hem wonen, de ander gaat zijn weg. Een vader had twee zonen, twee pijlen op zijn boog. Twee wijzen om te wonen, twee zonen. Oudste zoon, jongste zoon. Wie ben je? Wie blijft thuis en wie gaat weg? Een vader had twee zonen. Wie hoort erbij en wie niet? Wie kent de vader en wie is vlakbij en toch een vreemde? Jongste zoon, ver weg, ver land, bal­lingschap. Oudste zoon, je woont nog thuis, hè? Ja, ik ben altijd thuis geble­ven, bij vader. Praat je wel eens met vader? Nee, ik werk voor hem. O, je werkt voor vader, compagnonschap, vader & co. Je bent altijd thuis en ‘s avonds dan? Als het werk klaar is, wat doen jullie dan met zijn tweeën, vader en zoon? Nee, TV-kijken, dat doen we nog niet. Nee, wij leven in de eerste eeuw. Maar wat doen jullie dan de hele avond? De hele avond? Ik werk altijd tot het donker wordt, dan gaan we naar bed en ‘s morgens vroeg beginnen we weer. Want we hebben een boerderij en dan heb je geen vrije tijd. Praten jullie wel eens? Eten doen we zo eventjes tussen­door. Heb je wel eens contact met je vader? Nee, dat niet, moet dat dan? Een va­der had twee zonen. Raadsel, dus eigenlijk een heel oud verhaal. Misschien is het al veel ouder. Misschien moet je wel terug gaan tot Jakob en Esau of Kaïn en Abel.

Als gevangene in de Here

Paulus, je draagt dat raadsel met je mee. En als je dan niet kunt slapen, wat denk je dan? Wat gaat er door je heen? Dan worden de brieven geboren; de ene brief na de andere. De oudste is de brief aan de Galaten. Dan komen de brieven aan de Tessalonicenzen. En zo gaat het verder: De Korinthe-brieven, de brief aan de Romeinen en dan zit Paulus in de gevan­genis. Zo staat het in Efeze 4: «Als gevangene in de Here»  Ef.4:1. «Daarom is het, dat ik Paulus, die terwille van Christus Jezus voor u, gojim, in ge­van­genschap ben»  Ef.3:1. Dan komen de brieven vanuit de gevangenis: Efeze, Kolossenzen, Filip­pen­zen, later nog de Timoteüs­-brieven en de brief aan Titus. Gevangenis-brieven. Als je in de gevangenis zit, heb je tijd om na te den­ken. Dat wel, noem het een voordeel misschien. Dan zit je daar, opge­sloten en je hebt heel wat achter de rug. Je zit daar, in je cel, in je wachtkamer, een soldaat aan je zijde. Je hebt niets ver­keerds gedaan, maar je wordt wel be­waakt. Je bent gewend om altijd actief te zijn en alle gevaren te trotseren. Je bent in Azië geweest en in Europa. Je hebt de boodschap gebracht van stad tot stad. Overal waar je kwam, heb je vol ijver het Woord geproclameerd. Je hebt heel wat door­ge­maakt. Af en toe was het bar en boos. Schip­breuk, daar keek je niet meer van op. Met of zonder eten, met of zonder slaap. Ook daar was je aan ge­wend. Dat mensen je tegenstonden ook, dat vond je niet vreemd meer. En toch was je geest niet gebroken. Je hebt de zweepslagen gevoeld op je rug, tot vijf keer toe. Je eigen mensen hebben je getreiterd en ge­test. Ze hebben je ge­­plaagd en je het leven zuur gemaakt. Ze hebben alles geprobeerd om je weg te blokkeren. Je hebt de stenen gevoeld en toch leef je nog. Daar zit je nu tussen vier muren aan een ketting. Normaal gesproken, zou je zeggen, dan is het dus afgelopen. Zolang je maar kon gaan en altijd actief kon zijn, ging het wel, maar nu is het voorbij. En die vier dode muren breken je hart. Je voelt je lamgelegd, uitgeschakeld, op dood spoor gezet, mislukt.

En toch… nee, blijkbaar niet. Een klein gedicht zegt:

Twee mannen keken door de tralies van een gevangenis.

De één zag modder en de ander zag sterren.

Two men looked through prison bars.

The one saw mud, the other stars.

 Ze keken door hetzelfde raam, door dezelfde tralies. De één zag al­leen maar de modder en de ander zag de sterren. Zie ik sterren aan de hemel staan aan de donkerblauwe lucht de maan. Is het of de nacht mij noemt de Naam, van een machtig God. Paulus, wat heb je gezien door het venster, door de tralies? Brieven, gebo­ren in de gevangenschap. Tijd om te denken, tijd om je te bezin­nen. Om dat raadsel te peilen, als het kan. En dan te ontdekken: Wat gebeurt hier? Dan ga je schrijven en je schrijft – je zou haast zeg­gen – je schrijft tegen de tijd in. Je schrijft tegen het raadsel in, of je probeert het raadsel in kaart te brengen. Als nu mensen het Koninkrijk vlak vóór zich krijgen en ze pakken het niet, wat dan? Wat doet God dan?

Het Evangelielicht vertroebeld door dogma’s

Dat is dus eigenlijk de vraag en dat raadsel is in wezen veel dichter­bij, denk je af en toe. Want hoe vaak heeft het zich niet herhaald; mensen hadden het heil en de heerlijkheid vlak voor ogen, binnen bereik. En toch, wat is er van geworden? Want dan zie je ook meteen, dat het niet alléén gaat om het raad­sel van Israël, maar het is soms veel dichterbij. Hoe vaak zie je niet, dat gemeenten een prachtige boodschap hadden. En wat hebben gemeenten er van terecht gebracht? Soms was het zó mooi, dan denk je aan dat woord van Kohlbrugge: Het lijkt vaak, alsof het evangelie-licht maar één generatie helder schijnt. Soms niet eens een hele generatie lang. Het licht schijnt hel­der en binnen de kortste tijd wordt dat licht vertroebeld. Of er wordt met­een een systeem van gemaakt. Weer een wet, weer een evangelie-wet, weer een juk, weer een slavernij. Zó ben je uit Egypte en zo ben je er weer in. Van de heilige stier in Egypte naar het gouden kalf in de woestijn is niet ver. Och, dat halen de meesten nog wel, die afstand. ‘t Gouden kalf is niet ver, het wacht op u. En dan denk je: Dat is de tragiek, de pijn, de tragiek van gemeenten. Dus het is echt niet alleen de zaak ron­d­om Israël, maar veel meer. Paulus schrijft zijn brieven vanuit de gevangenis en daar gaat hij ontdekken – je zou het misschien zo kunnen zeggen – dat God niet voor één gat te van­gen is. Als de één het afwijst of verwerpt, dan heeft God nog wel een ander die het aanvaardt. In die zin is dat ook een diepe vertroosting. Als de één de deur sluit, vindt God nog wel een deur, die opengaat. Een hart, dat hunkert, een verlangen naar Hem. Als de één het gevoel heeft: wij heb­ben het al en blasé is, genoeg heeft, oververzadigd is, of mis­schien verblind, of mis­schien moet je soms nog andere woorden in­­­vullen, dan vindt God een weg, desnoods een om­weg, desnoods via een zijspoor. Via die omweg of dat zijspoor zal Hij toch zijn doel bereiken. Ik moest den­ken aan een regel uit een lied van Isaäc Watts. Misschien dat die ene regel je op een spoor kan helpen. Soms kun je het alleen maar zingen:  “Godzelf vertaalt de duisternis in eindelijk eeuwig licht”. Godzelf vertaalt de duisternis. Het is een regel, waar je voorzichtig mee moet zijn. Daarom zeg ik het ook heel voorzichtig, want je kunt er ook mee op de loop gaan. Je kunt er ook weer geen dogma van maken. ‘t Is een lied, let wel, een lied. En een lied moet je zingen en niet dogmatiseren. Want het raadsel, dat ze Jezus verwerpen, dat is de duis­ternis. Maar God ver­taalt die duisternis in licht.

 Uitverkiezing die tot hoogmoed leidt

Daarom is het ook zo fataal, dat men in de Middeleeu­wen met dat raadsel van Israël op hol is geslagen. Toen heeft men er weer een dogma van ge­maakt. Zelfs zó, dat je in de Middeleeuwen de afbeeldin­gen krijgt, die je nog kunt tegenkomen in oude kathedralen; dan zie je de synagoge als een vrouw met een blinddoek, met gebroken gereed­schap. Want de synagoge is blind, zegt men dan. Die ziet het niet, de synagoge zit met de brok­stukken, eventueel zelfs met de gebroken tafelen van de wet. De synagoge is uitgerangeerd en gehandicapt. Maar daarnaast staat nu de gemeen­te, de kerk, met een stra­lend gelaat, als een koningin. Want zij heeft het en zij weet het en zij trekt aan het langste eind. Dan wordt het een pre­ten­tie, een status, waar­mee je je kunt afzetten tegen de an­der. Dan is het een oor­zaak geworden van hoogmoed, dat is noodlottig. Dan is het licht dat je hebt, tot een noodlot geworden, een noodlottig licht. “Wat zien we toch veel en daarom zien we nu niets meer; wat zijn we toch verschrikkelijk uitverkoren, met de nadruk op verschrikkelijk. Wat zijn we rampzalig rijk”. Dan wordt die uitverkiezing weer verhard tot een stenen dogma en dan kun je dat stenen dogma een ander ook nog naar het hoofd gooien. Dan wordt dat dogma dodelijk, maar tegelijk keert dat dog­ma als een boeme­rang op je eigen hoofd terug. En het wordt dodelijk voor jezelf. Want wie een steen werpt, zal door diezelfde steen getroffen worden. Wie zonder zon­de is, moet de eerste steen maar gooien. Dat zei Jezus al en Paulus zit met dat raadsel, hij gaat niet met stenen gooien. Hij kan alleen maar huilen. Dat zegt hij ook: «Ik heb een voortdurend hartzeer»  Rom.9:2.   

Romeinen 9-11 is een gebed

Dat is heel wat anders. Hij zegt: Ik draag de pijn in mijn hart. Soms kan ik er niet van slapen. Vergeet nooit, als Paulus Romeinen 9 – het zogenaamde hoofdstuk over de uitverkiezing en over Israël – gaat schrijven, dan is dat een gebed, geen dogma. Het is een gebed en die toon van het gebed is er vaak uitgehaald. Het is een gebed, een smeekgebed. Dat gebed eindigt met een lofzang aan het slot van Romeinen 11. Romeinen 9 -11 is een bidstond en als je het uit de sfeer van het gebed haalt – in dat gebed ligt heel dat verhaal ingebed – als je het daaruit haalt, wordt het een massief blok. Een pakket, dat maar beter retour af­zen­­der kan wor­den ver­zonden. Paulus was intensief bezig met dat raadsel en in de gevange­nis gaat hij het zien tussen de tralies door van de cel, waarin hij zit. Daarom die ge­van­genschaps-brieven. Die gevangenis is zijn binnenkamer. Tegelijk, kan dat woord binnenkamer ook voorraadkamer betekenen. Daar vindt Paulus nieu­­we voorraad. Daar ontdekt hij, wat hij nog nooit gezien heeft.

Wat Amy Carmichael zo ontroerend heeft gezegd:

Het licht of de troost, ever found best in the close.

Altijd nog het best gevonden in de binnenkamer.

In dat gesloten vertrek, waar alleen de intimi, de vertrouw­den van God iets mogen zien, de intiemen. Daarom denk ik, dat je voorzichtig moet zijn de boodschap van die gevangenschaps-brieven naar buiten te brengen. Want zodra je het voor het publiek gaat gooien, wie zal het dan verstaan? Paulus bracht het alleen intern naar buiten, naar gemeen­ten met wie hij vertrouwd was. Zoiets kun je niet aan de gro­te klok hangen. Want zij weten niet waar de klepel hangt. Zoiets kun je niet gaan rondbazuinen, want dan denken ze, dat het een donder­slag is. Alleen, wie er een antenne voor heeft, begrijpt het. Alleen, die het hart verstaat van de Vader, komt erin. Want het is de taal van het hart. Godzelf vertaalt de duisternis. Kun je duisternis vertalen dan? Probeer het maar eens. Duisternis, wat is dat dan? In welke taal moet je het dan vertalen? Duisternis, ja, dat is de taal van de aarde. Hoe vertaal je het in het hemels? Hoe kun je aards vertalen in hemels? Want dat is juist één van de sleutelwoorden in de Efeze­brief. Er is een uitdrukking, die al­leen dáár voorkomt, maar liefst vijf keer, ‘t staat meteen al in Efeze 1:3. Dat is in onze vertaling geworden: «Hij heeft ons gezegend in de hemelse gewesten»  Ef.1:3.

Hoe kun je aards vertalen in hemels?

«Hij heeft ons gezegend in de hemelse gewesten»  Ef.1:3. Dat woord gewesten is in de vertaling toegevoegd, maar het moet toch wel een plaatsaanduiding zijn. Dus vandaar, dat je ook kunt zeggen:  «In de hemelse plaatsen»  Ef.1:3. 

Het is jammer, dat er op een gegeven moment een vertaal­traditie ontstaan is, die geprobeerd heeft het nog letterlijker weer te geven. Per­soonlijk heb ik het gevoel, dat ik daar niet erg veel verder mee kom. Men vertaalt dan: “In het overhemelse”. En dan denk ik: Wat mo­ge dat dan wezen. Ik denk: Daar krijg je de tragiek van de letter. Want de bedoeling is dan wel goed, maar de uitwerking blijft toch enigs­­­zins steken. Jammer, want het pogen was goed bedoeld. Ik houd het dan toch maar bij de vertaling: in de hemelse plaatsen of in de he­melse gewesten. Er is eventueel nog een andere variant mogelijk van ver­talen: Onder de hemelingen. Het kan ook duiden op personen. Onder de hemel­sen, onder de hemelingen. Hij heeft ons gezegend te ­mid­den van de heme­lin­gen. Qua betekenis komen de beide varian­ten dicht bij elkaar, want het is dan toch een plaatsaanduiding. Hoe vertaal je duisternis van aards naar hemels? Amy Carmichael zegt er­gens aan het eind van één van haar verhalen: Wat ze op aar­de zons­on­der­gang noemen, noemen ze in de hemel de zons­op­gang en de Eeuwige Mor­gen. Wat ze op aarde noemen: het onder­gaan van de zon, dat noemen ze in de hemel: ‘The rising sun’, de op­gaande zon en ‘the everlasting morning’, de eeuwige morgen.

Duizenden vonken naar duizenden gojim Duisternis vertalen? Dat kan God.

God kan blijkbaar die doodlopende weg omzetten. Als mensen het gevoel hebben: Nu houdt het op, het blijft een raadsel, dan blijkt dat die weg, waar mensen het heil niet aanvaarden, in duizenden vonken uiteenspat, waarbij die von­ken dan terechtkomen bij duizenden gojim. Misschien is dat het: de vlam, die uiteenspatte. De vuursteen, die uiteenviel in duizend vonken en duizend volkeren ont­vangen het licht van al die ver­strooide vonken. “God zelf vertaalt de duis­ternis in eindelijk eeuwig licht”. Daar zou je eindeloos over door kunnen denken. Misschien is dat de spe­ci­a­liteit van de Aller­hoog­ste om uit datgene wat vastloopt, iets moois te laten voort­komen. Zodat je achteraf zegt: En toch! ‘k Had het niet willen missen.  Zoals een psalm­dich­ter zegt: ‘Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest’. Uit die omweg, uit die raadselachtige gang komt het goede. God gaat zijn ongekende gang! Dan denk je: Is het toch goed geweest zo? Niet om te zeggen: Dat had dus zo gemoeten. Maar wel: Àls het dan zo gaat, maken we er iets van. Misschien is dat toch het unieke van deze God, dat Hij nóóit – om het wat populair te zeggen – het bijltje erbij neergooit. Stel je voor, dat Hij gezegd had: Mijn eigen mensen moeten me niet. Dan is het nu afge­lopen, einde, doek valt. De verbijstering, dat je daar staat en nie­mand je hoort. Ze zitten je verveeld of geïrriteerd aan te kijken. Stel je voor, dat je dan zegt: Ik neem nu een besluit: nooit meer. Dit was mijn laatste preek, ik heb het wel gezien. Maar dan zegt God: Ik weet nog wat, Ik heb nog wat, een alternatief, een weg, desnoods heel anders. Als Ik dan niet door de voordeur kan, ga Ik wel achterom. En als Ik dan niet achterom kan, ga Ik wel via het dakraam of via het souterrain of via de kelder. Er zijn oneindig veel wegen om een hart te bereiken. Ook om een volk te bereiken. Misschien is het wel zo, dat God zegt: Dan ga ik wel via de gojim naar Israël. Maar komen zàl Ik er. Dan ga Ik wel via de vreemdelingen en de bijwoners. Maar Ik zal een weg vinden, desnoods via degenen, die er eigenlijk niet bijhoorden. Dat is het raadsel van de geschiedenis en hoe God dat gaat vertalen. Hoe voorkom je, dat je weer onenigheid krijgt over wat zo mooi is?

Alle denken begint met verwondering

Abraham Heschel zegt: Alle denken begint met verwondering. En zolang je je kunt verwonderen, kun je ook zegenen. Want zegenen is eigen­lijk: de din­gen in verband brengen met de Eeuwige; de dingen in verband brengen met God. Je zegent het licht en je zegent het brood en je zegent de wijn. Maar eigen­lijk zegen je de naam van de Eeuwige. Je brengt alles met elkaar in verband en dan is het niet zómaar meer brood en niet zómaar meer licht, maar dan heeft het een méérwaar­de. En je ver­wondert je. Net als in dat gedicht van Paul van Ostayen: “Mark groet ‘s mor­gens de dingen. Dag vogels, dag bloemen”. Hij is heel ver­baasd, dat ze er weer zijn. En zolang een mens zich verwon­dert, is het evangelie heel glorieus. Je kunt het vergelijken met het moment dat je ‘s morgens naar buiten kijkt en je de dauw ziet of de verse sneeuw. Je vindt het haast jammer om naar bui­ten te gaan, want dan komen er voetstappen in die maagdelijke sneeuw, spo­ren in de sneeuw. Zo vriendelijk en veilig als het licht, zoals een mantel om mij heen geslagen: Zo is mijn God, die heel mijn wezen richt. Zo zacht als de dauw, dan kun je je nog verwonderen. Maar als de ver­won­dering weg is, zien de mensen, als ze voor de spoorbomen of voor het stop­licht staan,  alleen maar het licht dat op rood staat. Dat daar boven de spoorbo­men en boven het verkeerslicht een prachtig wol­kenspel is, zien ze niet. Je zou haast de neiging hebben om even uit te stappen en naar die andere chauffeur toe te gaan, die daar ongeduldig staat te wachten en te zeggen: Kijk eens even naar bo­ven. Zie je de wolken? Uit­ein­delijk zou het niet overkomen. Zó niet, dat geeft nog meer opont­houd. Iemand, die aan m’n raampje gaat staan tikken om aandacht te vra­gen, nee, ik moet verder. Voort, voort, we hebben zo’n verschrikkelijke haast. Ik loop hier als wit konijn te hollen als een haas. En dan denk je: zo zit Paulus daar in de gevangenis de verwonde­ring in te ademen. Daarom zocht Paulus naar namen voor dat geheim. Daarom kan je ook haast geen namen genoeg vinden om dat geheim te omspelen; Jezus, Jeshoea, de Heer, de Messias. Namen om dat geheim in kaart te brengen.

Die genoemd werd Jeshoea, Jezus

Die naar menselijke gewoonte met een eigen naam genoemd werd, toen Hij in een ver verleden werd geboren, ver van hier.

Die genoemd werd Jeshoea, Jezus, Zoon van Juda, Zoon van Jakob, Zoon van Abraham, Zoon des mensen, die ook Zoon van God ge­noemd werd. Hei­land, visioen van vrede, licht der wereld.

Die geliefd en onbegrepen, werd bewaard in taal en teken; als een wacht­­woord doorgegeven, als een vreemd vertrouwd verhaal.

Die een naam is in mijn geheugen.

Die de stem is van mijn geweten, die mijn waarheid is gewor­den. Hem gedenk ik hier en noem ik als een dode, die niet dood is. Als een levende geliefde Helpman, reisgenoot en broeder van allerminste mensen.

Die ten dage dat Hij rondging, mensen aantrok en bezielde. Hen verzoende met elkaar.

Die niet steil en ongenaakbaar, niet hooghartig als een heerser, maar in knechtsgestalte leefde.

Die gestrooid is in de akker als het kleinste van de zaden.

Die daar wacht een lange winter in de stilte van de dood.

Die als graan geoogst zal worden; om in mensen mèns te zijn.

Die verborgen in zijn God, onze vrede is geworden, onze ziel tot rust ge­komen.

Die ons groet vanuit de verte, die ons aankijkt van dichtbij; als een kind, een Vriend, een Ander.

Hem gedenk ik hier. Hem noem ik en beveel Hem bij je aan; als je levende Geliefde, als de Mens, die naast je is.

Na eeuwen wakker ge­kust

In de stilte van de dood, gezaaid in de akker. Misschien is dat het, wat Paulus gezien heeft. De Messias gezaaid en Hij wacht een lange winter, totdat de lente komt. De lente en dan wor­den z’n eigen mensen wakker. Misschien heeft dat dan toch een zin. Dan kom je op de zin van de balling­schap, de zin van de slaap, al die jaren, al die eeuwen. Je zou haast denken – maar nu wordt het riskant – het is het verhaal van Israël, het verhaal van Doornroosje. Na zoveel eeuwen wakker ge­kust door de prins van je dromen, door de geliefde van je hart. Soms zeggen sprook­jes meer dan ze misschien zelf weten. Er zijn verhalen, waar­van je denkt: daar zit alles in. Net als die huisarts in Amsterdam, die op allerlei manieren er steeds mee bezig is. Hij maak­te op een gegeven moment een gedicht over Doornroosje. In dat gedicht zegt hij: Doornroosje ligt op haar sponde, ze slaapt. Bij haar staat een bordje: Niet wakker maken, ook niet na honderd jaar. Dan denk je: Wat zit daar achter? Wat bedoel je? Hoe­ver gaat de symbo­liek? Maar Paulus zoekt naar dat geheim. Kun je de duisternis verta­len van aards naar hemels? En kun je de verwondering terugvinden, in de gevan­genis, in die cel? Misschien was het in Rome, misschien wel. Geheimenis; Paulus, ben je te vroeg geboren? Dan lees je een ver­haal over orthodoxe rabbijnen, die geloven in Jeshoea, de Messias. Ik was een ultra-orthodoxe rabbijn die psycholo­gie studeerde. Ik pro­mo­veer­de op de vele vormen van dementie. Ik heb driehonderd men­sen bege­leid bij het ster­­ven, vooral demen­te­rende mensen. Je moet goed begrijpen, dat veel ortho­doxe rab­bijnen geïnteresseerd zijn in Jezus. Als mensen maar een beetje zouden leven zoals Hij deed, dan zag de wereld er heel anders uit. En dan zegt hij: We kwamen soms met een groep van achtenzestig rab­bijnen bij elkaar. Rabbijnen, die geloven in Jeshoea. In het geheim, de deur ging op slot, want er kwa­men geen christenen in. Niet vanwege het geloof, maar we gingen ervan uit: Op het mo­ment, dat de eerste christen binnen­komt, hebben we verdeeldheid. Al zou het maar zijn over de vraag, wie er bij de deur mag staan of wie er koffie mag schenken. Hij zegt: We zijn even grote zondaars als de christenen en geen háár beter. Maar als je ver­deeld­heid wilt hebben, dan moet je de christenen erbij ha­len. Hij zegt: Soms kwa­men we in de buitenlucht bij elkaar en dan spraken we de hele avond over Je­zus. En hij zegt: Soms heb ik heel veel moeite met de chris­­tenen. Ik houd elke dag le­zin­gen en telkens moet ik weer oppassen; want ze stellen soms zulke storende vra­gen, een schreeu­­wen­de vorm van vragen stel­len. Altijd roept er wel iemand: Hoe zit het met de Drieëenheid? Ik weet niet of ik volgende week met die camera­ploeg Auschwitz zal bin­nengaan. Misschien moe­ten we onver­richterzake terugkeren, want daar zijn mijn ouders vergast, zo schrijft Jonathan Serphos. Maar meer nog om de honderd krui­sen, die er nu wor­den opge­richt. Daar heb ik de groot­ste moei­te mee. Het toppunt van onge­voe­ligheid. En dan zegt hij: Een besneden hart krijg je door lijden. Besneden hart; je wordt door verdriet ge­brand­­merkt. Het maakt je ook buigzamer en zach­ter. Daarom is verdriet beter dan geluk. Dan begint het hart te leven en stelt zich open voor een ander. Mensen zijn pas herboren als ze door een diep dal zijn gegaan. Daar grift God met een diamant zijn woord in hun ziel. Paulus, wat heb je gezien? Wat heeft Paulus gevoeld? De Efeze-brief lezen met je gevoel. Wat gaat er door je heen? Je kunt van de Efeze-brief een globale indeling in tweeën maken. Er zijn verschillende indelingen mogelijk.

Twee delen van de Efeze-brief

Deel 1: Hoofdstuk 1 – 3.

Deel 2: Hoofdstuk 4 – 6.

De rijkdom van genade

Hoofdstuk 1 – 3

Laten we het zo voorlopig maar noemen. Ik heb er nog een andere titel boven. Je kunt ook zetten boven hoofdstuk 1-3: “De zegen (berakhah) die je ontvangt”. De wandel, de halakhah

Hoofdstuk 4 – 6. Vanuit de berakhah, de zegen, komt de halakhah, de wandel. Als je geze­gend bent, kun je ‘gaan’. In de samenkomst is dat ook zo: als je de zegen ontvangen hebt, kun je gaan. In de dubbele betekenis van het woord: na de zegen begint de godsdienstoefening. Dat is nog een anekdote nog uit de tijd van Beukenstein: Iemand zat daar in de samenkomst en vroeg aan haar buur­vrouw: Wan­neer begint hier de gods­­dienstoefening? Waarop die buur­vrouw antwoordde: Direct na de sa­menkomst! Eerst heb je drie hoofdstukken berakhah, zegening. Dan heb je drie hoofdstukken wandeling. Wie gezegend is, kan wandelen. Vroeger had je nog een indeling in drieën van Watchman Nee: Zitten, wandelen, standhouden. Het eerste deel, hoofdstuk 1 – 3 begint met een: Gezegend is God, met een lof­zegging en doxologie: het eindigt er ook mee.

«Gezegend zij de God en Vader»  Ef.1:3.    

«Hem nu»  Ef.3:20. «Hem zij de heerlijkheid»  Ef.3:21. Dat staat als een een kader daar omheen. Het begint en eindigt met een lofzang, een zegening van God. God wordt gezegend. Het tweede deel Hoofdstuk 4 – 6 eindigt met een zegenbede. «Vrede»  Ef.6:23. «Genade met allen»  Ef.6:24.Vrede en genade. Hoofdstuk 1:3 geeft meteen de sleutel tot deel 1: «Gezegend zij de God en Vader, die ons gezegend heeft». Hoofdstuk 4:1 geeft meteen de sleutel tot deel 2: «Ik vermaan u te wandelen».

 De structuur van hoofdstuk 1

Het eerste hoofdstuk bestaat uit twee delen.

1. Hoofdstuk 1:3-14.

Dat is een lofzang, met als thema: je geestelijk bezit. Wat je geestelijk ont­­vangen hebt, wat eigen geworden is, wat je je eigen mag maken.

2. Hoofdstuk 1:15-23.

Dat is een gebed. Dus eerst een lofzang en dan een gebed. Je zou ook kunnen zeggen: Eerst een Gloria en dan een Kyrie. Het tweede deel is een gebed, waarin Paulus bidt om geestelijk zicht, om geestelijke ogen. Dus eerst een lofzang, dank voor spiritual possession; dat­gene wat je geestelijk bezit is. In het tweede deel een gebed voor spiritual per­­ception; gebed om geestelijke waarneming, om te kunnen zien, om gees­telijke ogen te mogen krijgen. Meteen al in dat derde vers van Efeze 1 is het raak: Gezegend – baruch en let op die parallel, die herhaling van dat woord gezegend.

Gezegend is God, die ons gezegend heeft

«Gezegend is God, die ons gezegend heeft»  Ef.1:3. God is gezegend en Hij heeft ons gezegend. Dat is ook weer typisch oer-Joods, oer-Hebreeuws, om God te zegenen. ‘Gezegend is Hij’. Zegenen heeft te maken met: tot je be­stemming brengen. Hij heeft ons geze­gend; dat wil zeggen: Hij brengt ons op onze plaats, tot onze bestem­ming. Nu heeft de NBG-vertaling in feite iets gedaan, waardoor het hier wat wordt afgezwakt. Want dan staat er: «Met allerlei geestelijke zegen»  Ef.1:3. Allerlei. Dat is een beetje jammer. Want allerlei: dat doet zo denken aan de sfeer van tutti-frutti, allerlei vruchten. Een soort potpourri: elk wat wils. Allerlei zegen. Wat heb je gekregen? Ja, van alles. Maar letterlijk, ook ge­zien het woordgebruik met een lidwoord in het Grieks, moet je vertalen: «Met elke geestelijke zegen»  of  «Met iedere geestelijke zegen». Er staat een enkelvoud. Je mag in feite ook niet verta­len: met ‘alle geestelijke zegeningen’.

Met elke, iedere geestelijke zegen. Heel uit­druk­kelijk, expliciet, toegespitst. Want de taal is wat dat betreft ook heel nauwkeurig en niet zomaar wille­keu­rig. Alle en elke;  het Grieks maakt daar duidelijk onder­scheid in: «ELKE ZEGEN, die geestelijk is»  Ef.1:3. Let erop, dat Paulus hier meteen de kwalificatie geeft bij die zegen. Hij heeft het over geestelijke zegen en als je dat bekijkt in het leven van Paulus zelf, dan kun je dat ook wel herkennen. Want, was Paulus op aarde nu zo gezegend? Dat liet heel wat te wensen over. Als je die hele opsomming van hem beluistert: Schipbreuk vóór en na, dagen zonder eten, nachten zonder slaap, heel veel kommer en kwel. Vaak geen dak boven zijn hoofd. Alle aard­se zegen? Nee. Welvaart? Bepaald niet. Een luxe leven? Ook niet. Dus daar zit het blijkbaar niet in.

Elke geestelijke zegen

Af en toe ligt daar toch wel wat verwarring. Ik herinner me nog, dat ie­mand een getuigenis gaf en daarin heel enthousiast vertelde, dat ze een koel­­kast en een keuken kreeg, die beter waren dan die van de buren. Want we waren tenslotte koningskinderen. Dan denk ik: lees Efeziërs 1:3 nog eens een keer door. Misschien dat dat gunstig kan werken. Een gevulde koel­kast; is dat een zegen? Maar al die men­­sen, die dat dan niet hebben? Zijn die dan gepasseerd? Wel­vaart, is dat een zegen? Soms wel, soms niet. Niet al­tijd. Soms heeft welvaart zoveel bijwerkingen, dat je denkt: het is voor de ziel niet altijd zo goed. Een mens kan soms teveel hebben. Als je kijkt naar de maatschappij van vandaag, dan gaat het zo ‘goed’, dat er geen tijd meer voor God overblijft. Geen tijd meer, veel te druk, veel te veel om in onder te gaan, de TV en internet.

Paulus heeft het over iets anders. Elke geestelijke zegen en dan: «In de hemelse gewesten, in Christus, in de Messias»  Ef.1:3. Vers 3 is de basistekst, en wordt in de volgende regels verder uitge­werkt. Het contrast is vooral, dat de NBG-vertaling ‘allerlei’ zegt, terwijl daar te­gen­­over we moeten vaststellen, dat de oorspronkelijke tekst zegt: elke.

Elke en allerlei, daar zit een duidelijk verschil tussen. Als iemand zegt: Je krijgt allerlei vruchten, kan het zijn, dat je ook nog bepaalde vruchten niét krijgt. Allerlei vruchten: je krijgt appels en peren en bananen. Dat zijn aller­lei vruchten en misschien nog tien, twintig soorten. Maar hoeveel soorten zijn er? Misschien nog veel meer. Je kunt inderdaad zeggen: Ik heb allerlei vruchten. Dan nog kan het zijn, dat je er ééntje of een aantal mist, die je echt beslist no­dig hebt om te overleven. Nèt nog een beslissend vitamine-com­plex ontbreekt. Maar als je elke zegen ontvangt, dan is dat veel radicaler, veel dieper gaand dan allerlei! Het staat hier in het enkel­voud in het Grieks. Er staat níet: zege­nin­gen, maar zegen. Vandaar, dat ik dan het meest correct vertaal: ‘Elke zegen’. Dat gaat heel ver; dat is zó veelomvattend, dat je zegt: Dat kan een mens in zijn leven haast niet peilen; niet omvatten of bevatten. Elke zegen: daar heb je een mensenleven en misschien wel eeuwen voor no­dig om dat te omvatten. Geestelijk, pneumatikos. Dat is hier een contrast met natuurlijke zegen. Als het met iemand op aarde goed gaat, zou je kun­nen spreken van een natuurlijke zegen. Zoals dat bijvoorbeeld wordt gezegd van Abraham, Genesis 24:1: “Abraham was ver op zijn dagen gekomen en God had hem in alles geze­gend”. Dat was dan met name ook de zegen op aarde in het land, dat hem be­loofd was. Nu kun je zeggen: De zegen, die Abraham ontvangen heeft, gaat ook veel dieper. Natuurlijke zegen heeft betrekking op het leven op aarde, op het zicht­bare. Je zou kunnen zeggen: Dat is het stoffe­lijke, het materiële. De geestelijke zegen is de zegen naar de binnenkant. De zegen, die te ma­ken heeft met het hart. Dat wat je bent, ook met je positie in Christus, je po­si­tie in de Messias. Vandaar dat je kunt zeggen, en dat is ook het thema in de Efeze-brief, waar dan gesproken wordt over de gemeente als het lichaam van Christus, dat de gemeente geze­gend wordt in de geest – pneumatikos – in de geestelijke we­­reld. Je kunt zeggen: Het heeft te maken met Galaten 5, de vrucht van de Geest. Ik denk, dat dàt heel wezenlijk dan ook die geestelijke zegen inhoudt. De ge­meente wordt erfgenaam samen met de Messias. En wat die geestelijke zegen inhoudt: dat komt verderop nog aan de orde vanuit de hele Efeze-brief. Het heeft vooral ook te maken met wat je bent, je naam in de hemel. Mens Gods, waarin God zijn karakter, zijn leven gaat planten, zodat je mens bent met Hem. Dan heb je een bestemming, een roe­ping. Zegen heeft ook weer te ma­ken met je roeping, met de plaats die je krijgt in zijn bestek; in wat je mag zijn namens Hem.

Het lichaam van Christus

Een heel typerende uitdrukking is ook: De gemeente is het lichaam van Christus, lichaam van de Messias. Toen Jezus op aarde wandelde, was Hij het lichaam van de Messias. Toen Jezus op aarde wandelde was Hij het lichaam van Christus. Toen kon je zeggen: Daar heb je het lichaam van Christus; dat was Hijzelf. En nu is de gemeente letterlijk precies datzelfde: lichaam van Christus. Dus om precies te zijn en te doen; maar ook te ondergáán, wat Hìj onderging.

Ter Schegget heeft daarover een heel indrukwekkend stuk geschre­ven.

Hij zegt: De gemeente als lichaam van Christus is geen beeld, maar dat is wer­ke­lijkheid. ‘t Is geen beeld; ‘t is veel erger. Er wordt altijd keurig gezegd: dat is een mooi beeld, beeld van de gemeente. Nee, het is helemaal geen beeld. Vraag het maar aan al die christenen indertijd in Roemenië of in Rusland en dergelijke gebieden. Die waren letterlijk lichaam van Christus. Zo heb­ben ze ook letterlijk de verdrukking ervaren. Ze hebben precies erva­ren, wat Jezus ondervond. Dat was voor hen beslist geen beeld, dat was rea­li­teit. Je bent het. Het is geen beeld; dààr in ieder geval niet. Je kunt allemaal prachtige beelden be­denken en bijvoorbeeld zeggen: de ge­meen­te is een kudde. We waren deze zomer met vakantie in Frankrijk. Op een gegeven moment liepen we langs de rivier de Loire. We zagen daar toen allemaal heel kleine visjes en onze ene dochter zei: kijk, dat is een school vissen. Waarop onze an­dere dochter zei: nee, ‘t is vakantie, ’t is geen schóól, ‘t is een kudde. Nor­maal kun je spreken van een schóól vissen, maar in de vakantie­tijd spreek je van een kudde vissen. Onderscheid moet er wel zijn. Soms is de gemeen­te een kudde, soms een school; af en toe ook heel belangrijk. Maar dàt is een beeld; maar het lichaam van Christus is geen beeld, dat is werkelijkheid. Alleen, zolang je theoretisch spreekt is het een beeld. Vraag het maar aan al die mensen. Een beeld? Nee, we heb­ben het onder­von­den wat het betekent om lichaam van de Messias te zijn en op die ma­nier te ondervinden wat Hij ondervond. Tegelijk ook: je bent de handen en de voeten van de Messias. Je bent de ogen en de oren van de schepping, om plaatsvervangend te horen en plaatsver­van­­gend te zien. Zoals Barthold van Ginkel ergens zegt in verband met de voor­ganger: Hij moet hóren met de oren van de mensen; plaatsvervangend horen. Dat is dan ook dat grandioze motief in de Efeze-brief. Nu ga je daar toch ook weer even iets van zién, want dàt heeft dan misschien toch ook te ma­ken met dat raadsel. Paulus ziet dan: Jezus wandelde op aarde en wat hebben ze gedaan met zijn lichaam: ze hebben zijn lichaam aan het kruis gebracht en dan nu…? God gaat de duisternis vertalen in licht. Nu heeft God weer een li­chaam; het lichaam van de Messias. Al die mensen uit de gojim, zij vormen één li­chaam. Dat zullen we later ook nog zien, want in Efeze 3 gebruikt Paulus een heel merkwaardig woord: Nu zijn die gojim medelichaam.

Medelichaam – sussooma. Nu heeft God weer een lichaam, dus toch!

Dat éne lichaam van Jezus werd gezaaid en het wacht die lange winter en dan is daar toch een lichaam van duizenden mensen. Ze wandelen over de aar­de en ze zijn met elkaar dat ene lichaam. Niet stùk te krijgen, niet úit te do­ven, niet wèg te krijgen. Zoals het ergens zo treffend staat in een lied:  “Een God niet weg te prijzen”. Je kunt Hem niet weg-prijzen, Hij komt altijd weer boven. En dat lichaam van Christus komt ook altijd weer boven. Juist in en vanuit de druk. Heer, onze God. Wat is dat kostbaar, dat U de duis­ternis om­zet en dat U uit die bittere knop toch een prachtige bloem te voorschijn laat ko­men. Dat U uit de aarde weer een nieuwe loot doet opgroeien. U hebt altijd nog weer een plan. U hebt altijd nog weer een ge­heim, een ge­dachte. En die gedachte van U sterft nooit. Wij geloven in de Geest, die niet kan sterven. En we prijzen Uw naam. Uw naam, die altijd weer boven komt als een vuur in de nacht. Als een vuurtoren in het don­ker. Gezegend zijt Gij, Amen.

Uitverkoren vóór de grondlegging der we­reld

«Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der we­reld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht»  Ef.1:4.  

Wat staat hier veel in! Paulus kan heel wat zeggen in één vers.

«Hij heeft ons immers». Er staat eigenlijk: «Zoals». «Zoals Hij ons uitverkoren heeft».

Dat zoals is een scharnier, dat telkens terugkomt in deze perikoop, want daarop is het hele stuk gebouwd. In vers 3 krijg je de zegen en dan in vers 4: zoals. In vers 5 komt weer een motief: het bestemd zijn. En dan volgt daarop weer: naar zijn welbehagen. Dat is eigenlijk weer hetzelfde: kata tèn eudokian in het Grieks.

Naar zijn welbehagen, zoals, overeenkomstig zijn welbehagen.

In vers 9 komt dan de openbaring en dan weer het doel. Daarvan ook weer met: naar zijn welbehagen. In vers 11: de bestemming en daarop volgt dan weer: naar zijn voornemen. Tel­kens die structuur: Er wordt iets neergezet en dan zegt Paulus: Overeen­komstig zijn plan, overeenkomstig zijn wil, overeenkomstig zijn welbeha­gen. En nu in vers 4:

«Hij heeft ons uitverkoren».

Uitgekozen zou je ook kunnen zeggen. Dat roept meteen de nodige vragen op. Want hoe moet je uitverkiezing nu opvatten? God houdt van alle men­sen, maar heeft God dan lievelingen, een selecte groep?

Er is er maar Eén uitverkoren

De beeldvorming rond het begrip uitverkiezing is vaak heel onheilspellend geworden, voor­al in het Calvinisme. Ook in be­paal­de streken van ons lieve vaderland. Dan wordt de uitverkiezing vaak tot een noodlot; waar de boom valt, blijft hij liggen. Er staat bij: in Hem; uitverkoren in Hem. Er staat niet zo­maar: Hij heeft ons uitverkoren, als een lot uit de loterij, maar: uitverkoren in Hem. Dus in fei­te, kun je zeggen, is er maar Eén uitverkoren. Dat is heel simpel, er is er één uitverkoren. Dat heet dan in het Hebreeuws: de jachid. Dat wordt ook van Isaak gezegd:

«Uw zoon, uw enige, die gij liefhebt»  Gen.22:2. 

Die enige, die unieke, die speciale, en vanwege die Ene is er hoop voor al­len. Dat is, denk ik, het principe van uitverkiezing, om het heel kort onder één noemer te brengen. God kiest er één uit, om via die ene allen te berei­ken. Je kunt zeggen: die uitverkiezing is inclusief. God zet alles op één kaart; op die ene kaart van de Messias. Dus in die zin: voor God is er maar Eén, maar in die Ene zijn ze met z’n al­len vertegenwoordigd. Dat is de oergedachte vanuit Genesis: Die ene is de repre­sen­tant van allen.

In die Ene zijn al­len vertegenwoordigd

Hij is de eerstgeborene, de bekhor. En in die eerstgeborene zijn alle na­ko­me­lingen begrepen. Dus dan is de vraag niet: Hèb je het begrepen, maar bèn je begrepen. In die Ene zijn ze allen begrepen. Voortaan als je Bijbel­stu­die geeft, dan vraag je aan je gemeente: En…ben je nu begrepen. Amen broeder, ik ben be­grepen. Heb je het begrepen? Ja, dat is punt twee. Maar bèn je begrepen? In die Ene zijn ze allen be­sloten.

Die vervloekte uitverkiezingsleer

Het probleem is al ontstaan vóór de tijd van Calvijn. Men is gaan den­ken over die uitverkiezing. Dat is typisch een denken van bene­den, een denken vanuit de rekenkunde: uitverkiezing werd pre­des­tinatie, voorbeschikking. Je bent òf voorbeschikt ten leven òf ten dode. En dan: óf je bent buiten òf je bent binnen en dan werd uitverkiezing tot: jij wèl, jij niét. Toen kwam men op het idee: er is een getal – numerus – het getal van de electi, het getal van de uitver­ko­renen. En dat getal lag al vóór de schepping vast: wie wèl, wie niét. Met andere woorden: daar kon je dus ook niets meer aan veranderen. Je moest maar afwachten of je bij dat getal hoorde. Extreem werd het dan als volgt doorgetrokken: als je uit­verkoren bent, ‘kom je er’. Want dege­nen, die uitverkoren zijn, worden ‘in de tijd’ gered. Maar als je niét uitverkoren bent, kom je er níet. Ook al zit je je hele leven in de kerk en al zou je bidden tot je eelt op je knieën hebt; al zou je tranen schrei­en en al zou je de stukken van de hemel bidden. Dan kom je er nog niet, want het getal ligt vast. Vandaar dan ook dat deze gedachtegang aan de ene kant wan­hoop veroorzaakte, en aan de andere kant fatalisme. De wanhoop van mensen, die zeiden: Maar dan hoor ik er mis­schien toch niet bij. Waarom zal ik dan nog bidden? En aan de andere kant de wan­hoop die in fatalisme over­gaat. Soms ondervond men haast een genoegen in die grimmige gedachtegang, zoals prof. M.A. Beek vertelde uit zijn jeugd in Kampen. Daar kon het gebeuren, dat mensen uit de kerk kwamen en zeiden: Ha, de dominee zag het weer goed donker in. Dat was dan het com­pliment voor de preek. Hij zag het weer goed donker in. Of ze keken elkaar aan en zei­den: Oh, wat heeft de dominee ons vanmor­gen weer buiten geworpen. Psychologisch kom je dan in heel merkwaardige grenssituaties, om­dat dàt blijkbaar toch ergens een religieus gevoel geeft, een sensatie. Aan de andere kant zie je de mensen, die het serieus nemen en dan niet meer weten, waar ze het moeten zoeken. Om een uitdrukking te gebruiken, die daar dan gehanteerd wordt: Meestal leven ze als ‘een missend mens’. Ze missen ‘het’ en je kunt het je ook niet toeëigenen. Dat mag ook niet. Stel je voor, dat je jezelf zomaar iets toeëigent waar je geen recht op hebt. Dan heb je een gesto­len Jezus en leef je met een ingebeelde hemel. Wat zal het vreselijk zijn te denken, dat je iets had en je blijkt voor eeuwig buiten te staan. Dat is de tragiek, de pijn van mensen die oprecht zoeken en voor wie de deur steeds weer dichtgaat. En dan denk je: Paulus zegt iets anders:

Uitverkiezing is inclusief

«Hij heeft ons uitgekozen in de Messias»  Ef.1:4.  

Niet een aantal mensen wordt uitgekozen, maar de Messias wordt uit­ge­ko­zen. En àl die mensen worden besloten ìn de Messias. Want zij zijn zijn li­chaam. In feite is er maar Eén uitverkorene, maar in die Ene worden ze al­le­maal besloten, samengevat. Jezus is de sa­men­­vat­ting van de mensen, de bun­deling. Net zoals je een boek uit kunt kie­zen, dan zijn alle blad­zijden, die in dat boek zitten, daarin mede vervat. Dus God houdt van alle mensen. Voor God is er geen exclu­sief, geen uitsluiting. Want Hij heeft ze gemaakt. Ze zijn van Hem. Hij draagt ze op Zijn hart, juist de minsten van de broe­ders. De ver­trap­ten, de verachten, degenen die overal buiten val­len. Ze zijn allemaal besloten in het verhaal van de Messias. Soms kun je dat in bepaalde situaties herkennen. Ik moet denken aan een voor­beeld van de Duitse dichter Rainer Maria Rilke. (1875 – 1926). Hij ver­telt een verhaal van een groep solda­ten, die op veldtocht gaat in het jaar 1663.

Daar gaan ze. Het is een heel bont gezelschap, want ze moe­ten al­le­maal mee naar het front. Er zijn Fransen en Duitsers bij; ze komen uit Pruisen en uit Tsjechië, uit Bour­gon­dië en uit de El­zas. Zo trekken ze samen ten strijde. En dan begint hij z’n verhaal: Rijden, rijden, rijden, almaar rijden. Op het laatst heb­ben ze zólang gereden, dat ze niets meer zien. ‘t Wordt wazig voor hun ogen. Ze zien amper nog het landschap waar ze doorheen gaan. Ze hebben ogen te wei­nig; hun ogen wor­den moe. Zo razen ze voort op hun paarden. Het wordt avond en ze maken een kampvuur. En dan zitten ze om het vuur; soldaten die elkaar niet kennen. Ze zijn geron­seld in het leger. Eén is de commandant, verder weten ze niets. Ze zitten om dat kamp­vuur en één begint te vertellen; in het Duits, over zijn moeder. Ondanks de taal­bar­rière weten ze allemaal waar het over gaat. Vroeger als kind, had ik een moe­der thuis. ‘s Avonds bracht ze me naar bed. Dan stopte ze me in en zong nog wat voor me. En, zegt Rilke, opeens is het taalprobleem weg en weten ze allemaal waar het over gaat. Het is net, alsof ze op dat moment allemaal één moe­der heb­ben. Eén moeder van allemaal. Het verhaal is begrepen, ze zijn er allemaal in be­sloten, in dat verhaal. En al die stoere soldaten, ze zijn opeens eigenlijk weer een klein kind. Klein kind bij moe­der. Rondom het kamp­vuur in dat on­her­bergzame land op weg naar het front. Dan denk je: Is dat niet een beeld van uitverkiezing? Die éne vertelt het ver­haal van allen. Als je het puur zakelijk gaat analyseren, zeg je: Ja maar, hij had het over z’n èigen moeder en dat is mijn moeder niet. Maar hier gaat een andere werkelijkheid in: die éne moeder is de moeder van allen en het verhaal van allen. ‘t Is joùw verhaal. Hij heeft ons uitgekozen, geselecteerd in die Ene en in dat ene verhaal. Herken je jezelf? Want het is joùw verhaal. Je zou ook kun­nen zeggen: Uitverkiezing is herkennen of misschien nog meer: herkend wórden. ‘t Is ook wel eens met een beeld zo gezegd: Je gaat binnen door die deur:

«Komt allen tot Mij als je vermoeid bent en belast».

Als je door die deur gegaan bent en je draait je om, dan zie je op de ach­ter­kant van die gevel: ‘Uitverkoren’. Dat zie je achteraf, als je bin­nen ge­gaan bent. Je ontdekt: Ik was bedoeld, ze hadden mij op het oog. Dus niet als een getal. Niet als een van te voren vastge­steld numerus clausus, zoals je dat bij bepaalde studierich­tingen hebt. Dan wordt er een getal vastge­steld: Er wor­den maar zoveel studenten in de medicijnen toegelaten. Als je teveel bent, hoor je er dus niet bij. Je wordt afgewezen. Uitverkiezing, ook niet in die zin, want dan krijg je toch wee dat grimmige beeld. Dan is het ook een beeld van wille­keur. Dat is mijn bezwaar tegen de theorieën, die daarover vaak gegeven wor­den. Want dan krijg je het idee: God is een God van wille­keur. Want al vóór de grondlegging der wereld had Hij dat vastgesteld. Waarom de één wel en de ander niet? Ja, ze hadden nog niets ge­daan. Nee, zegt men dan: Dat is het nu juist. Het hangt niet af van wat je bent of van wat je doet. Nee, ‘het is grondeloos’ of: ‘God neemt de redenen uit Zichzelf’. Dus wie ben jij!? En je mag ook geen vragen stellen, want je bent maar een mens. Je hebt niets in te bren­­gen. Op die manier krijg je de willekeur. Zoals die kampbeul Mengele voor de gevangenen in het concentratiekamp stond en zei: jij rechts, jij links. Zó, in één seconde, werd beslist: jij gaat de on­dergang tegemoet, jij mag nog even blijven leven. Wat dan ook meestal alleen maar betekende: uitstel van exe­cu­­tie. Jij naar de ene kant, jij naar de andere kant.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410212 bezoekers sinds 07-06-2010