De Boze geest bij Koning Saul

01-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

«Maar van Saul was de Geest des HEREN geweken, en een boze geest, die van de HERE kwam, joeg hem angst aan».  1 Sam.16:14. Dit is een tekst, die nogal wat vragen oproept. Op het eerste gehoor zeg je: komen er dan boze geesten van God? We kunnen hier ook niet zeggen: dat staat er nou wel, maar er wordt iets an­ders mee bedoeld; dat is weer wat de gemak­kelijk geredeneerd. In verband met deze tekst wordt er ook wel gezegd: de men­sen in die tijd hadden nog geen voldoende inzicht; ze dach­ten dat goed en kwaad allebei van God kwam. Ze wisten nog niet, dat boze geesten alleen van de duivel kon­den komen. Ook dit is een redenatie, die geen recht doet aan deze tekst. In die tijd hadden de mensen vaak meer inzicht in de gees­telijke wereld dan heel velen vandaag. Om deze tekst enigszins te kunnen verstaan, moeten we in de eerste plaats weten, in welk verband deze tekst staat.

In het boek Samuël gaat het steeds om twee figuren:

Eerst zagen we Hanna en Peninna. Daarna zagen we Eli en Samuël. Daarna krijgen we Saul en David. Later krijg je nog David en Absalom. Dan heb je ook nog David en Joab. En dan gaat het er uiteindelijk om: hoe worden de twee één? Je zou kunnen zeggen: het boek Samuël is een boek over een­heid, over eenwording. We moeten hier dan ook nog in aanmerking nemen, dat het boek Samuël bij de profetische boeken wordt gerekend. In de Hebreeuwse canon begin­nen vanaf het boek Jozua de profeten. De ‘vroegere profeten’zijn dan: Jo­zua, Richteren, Samuël en Koningen. Het boek Samuël is dus ook profe­tisch. Dat gaat dus niet zozeer over het verleden, alswel over de toekomst. In 1 Samuël 9 begint dan de geschiedenis van Saul. En van Saul wordt dan gezegd: «Er was een man uit Benjamin, Kis geheten, de zoon van Abiël, de zoon van Seror, de zoon van Bekorat, de zoon van Afiach, een Benjaminiet, een vermogend man».

1 Sam.9:1

Saul kwam dus uit de stam van Benjamin. Later zien we dan, hoe David uit de stam van Juda komt. Benjamin en Juda hebben elkaar nodig. Dat zien we al in het boek Genesis; in de geschiedenis van Jozef zien we, hoe Juda zich als plaatsvervanger, als borg stelt voor zijn broer Benjamin. Datzelfde motief krijg je nu in het boek Samuël opnieuw: David en Saul; Juda en Benjamin. Ook in deze geschiedenis van David en Saul, zullen we zien, dat David (Juda) zich inzet voor de koning (Benjamin). Ze hebben ook in deze geschiedenis elkaar nodig.

Een vermogend man

Dat betekent in feite: een man van kwaliteit. Hier gaat het dus niet zozeer om het al dan niet hebben van veel geld. Hier staat hetzelfde woord, dat je ook aan het eind van het boek Spreuken tegenkomt:

«Een degelijke huisvrouw, wie zal haar vinden? haar waarde gaat koralen ver te boven».  Spr.31:10. Hier gaat het dus ook om een ‘vrouw van kwaliteit’.  «Deze had een zoon, Saul geheten, jong en schoon; onder de Israëlieten was er nie­mand schoner dan hij: hij stak een hoofd uit boven al het volk». 1 Sam.9:2 Voor het woord ‘schoon’ staat in het Hebreeuws tov. Het woord tov is ge­woon het Hebreeuwse woord voor goed. We komen dat woord verschil­len­de keren tegen in Genesis 1. «En God zag alles wat Hij gemaakt had en het was zeer tov». Voor het woord ‘schoon’ heeft het Hebreeuws dan wel een ander woord. Hier valt de nadruk dus niet zozeer op het uiterlijk van Saul, maar meer op zijn kwaliteit. God geeft het volk een koning en zoekt voor hen dan de beste uit. Van David wordt iets dergelijks gezegd: «Hij nu was rossig, ook had hij mooie ogen en een schoon voorkomen. Toen zeide de HERE: Sta op, zalf hem, want deze is het».  1 Sam.16:12 Hier staan dus beide woorden: hij was schoon (van ogen) en hij was tov om te zien. We moeten dus bedenken, dat de geschiedenis van koning Saul goed be­gon, het was een koning, die tov was. Vaak wordt dit verhaal nog met een voor­oordeel gelezen. Maar al te vaak wordt gedacht: Saul was van het begin af al niks. Het eerste wat koning Saul deed, was ook een daad van barmhartigheid en moed: de bevrijding van de stad Jabes.

In 1 Samuël 15 krijgt Saul – zou je kunnen zeggen – zijn examen, dan komt het er op aan.

«Samuël zeide tot Saul: Mij heeft de HERE gezonden om u tot koning te zalven over zijn volk, over Israël; nu dan, luister naar de woorden des HEREN. Zo zegt de HERE der heerscharen: Ik doe bezoeking over wat Amalek Israël heeft aangedaan, hoe hij zich in de weg heeft gesteld, toen het uit Egypte trok. Ga nu heen, versla Ama­lek, slaat al wat hij bezit met de ban en spaar hem niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel».  1 Sam.15:1-3. De test voor koning Saul valt dus bij zijn strijd tegen Amalek. Saul moet Amalek uitroeien. Amalek is de oervijand van Israël, dus ook de oervijand van God. Amalek komt ergens in de lijn van Esau voor. In boven­staande tekst wordt er ook met­een bij gezegd, dat Amalek zich in de weg heeft gesteld, toen Israël uit Egypte trok. De oerzonde van Amalek is dus het tegenhouden van de uit­tocht. Israël is uit Egypte getrokken, het volk is door de zee getrokken en dan komt Amalek, dat zich in de weg stelt. En als je tegen de uittocht bent, krijg je God tegen, want God is vóór de uittocht. God is naar zijn diepste we­zen de God van de exodus. Dat is vanaf het begin van de Bijbel tot in het boek Openbaring toe. Het boek Openbaring is ook he­lemaal een exodus-boek. God gaat door de hand van Saul iets tegen Amalek ondernemen. Er staat ook: «En hij zeide: De hand op de troon des HEREN! De HERE heeft een strijd te­gen Amalek, van geslacht tot geslacht».  Ex.17:16

Het is inderdaad wonderlijk, dat die strijd steeds maar door­gaat. In het boek Esther komt dan Haman op de proppen, die een Agagiet was. En Agag was nu juist de koning van Amalek, die door Saul gedood had moe­ten worden. Mordechai kwam uit de stam van Benjamin. Dus Mordechai pakt de draad op, waar Saul hem heeft laten vallen.

Saul maakt de strijd tegen Amalek dus niet af. «Saul echter en het volk spaarden Agag, de koning van Amalek en het beste van het kleinvee en van de runde­ren, ook het naastbeste, verder de lammeren, kortom al wat waardevol was; dat wilden zij niet met de ban slaan. Maar al het vee dat waar­de­loos was en ondeug­delijk, sloegen zij met de ban». 1 Sam.15:9 «Toen kwam het woord des HEREN tot Samuël: Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning heb aangesteld, want hij heeft zich van Mij afgekeerd en mijn bevelen niet uit­­gevoerd. Hierop ontroerde Samuël hevig en hij riep tot de HERE de gehele nacht».  1 Sam.15:10,11 

Letterlijk staat er: «Hij heeft zich afgekeerd van achter Mij en mijn woorden niet doen opstaan». Saul heeft de woorden van God niet ‘overeind gezet’. Hij had het woord van God rechtop moeten zetten. Als je nu Amalek spaart, kun je geen koning meer zijn over Israël, want dan heul je met de vijand van Israël.

Het berouwt Mij

Op zich is dat toch wel een wonderlijke uitdrukking, waar mensen ook nog wel eens over vallen. Heeft God dan berouw? Heeft God het dan verkeerd ingeschat? Bij de zondvloed staat ook: «Berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart».  Gen.6:6. In het verlengde van die vraag, krijg je dan het vraagstuk van de ‘alwetend­heid van God’. God wist immers van tevoren al, dat Saul zou falen! De uitdrukking ‘het berouwde de Here’ betekent echter hier, dat God er verdriet van heeft. Het gaat God aan zijn hart, dat de koning heeft gefaald. God zegt niet: Saul faalt, weg ermee, voor hem tien anderen. Hier zie je zo duidelijk, dat in de Bijbel een mens niet zo­maar wordt afge­dankt. God gaat niet lichtvaardig met een mens om. God heeft er inderdaad verdriet van, dat de koning fout is gegaan. Het begon zo goed en dan komt dit eruit! Als je zegt: wist God dat dan niet van tevoren, dan kom je aan de grenzen van je denken. Als je zegt: God wist alles al van tevoren, krijg je ook het vraagstuk of de stelling: God heeft van tevoren alles al vastgesteld en vastgelegd. Hierbij moet je ook bedenken, dat de mens een vrije wil heeft. God heeft Saul ook een reële kans gegeven.

Samuël was ook naast Saul gesteld, om hem in het rechte spoor te leiden. De houding van koning Saul wordt dan samengevat in vers 23, waar ge­zegd wordt: «Voorwaar, weerspannigheid is zonde der toverij en onge­zeggelijkheid is afgoderij en dienen van terafim. Omdat gij het woord des HEREN verworpen hebt, heeft Hij u verworpen, zodat gij geen koning meer zult zijn».  1.Sam.15:23 Saul wordt als koning verworpen. Letterlijk: «Verworpen uit het koning-zijn». Je moet hier dus twee dingen goed onder­scheiden: Saul wordt verworpen als koning; dat hoeft echter nog niet te betekenen, dat hij ook als mens is verworpen. En dat betekent zeker niet, dat hij voor ééuwig is verworpen. Het gaat hier dus om de verwerping uit een ambt, uit een bediening. «Daarop zeide Samuël: Zijt gij niet, hoewel gij klein waart in eigen oog, geworden tot een hoofd der stammen van Israël? En heeft de HERE u niet gezalfd tot koning over Israël?»

1 Sam.15:17

Saul dacht dus niet zo groot van zichzelf. Misschien is dat ook het motief (één van de motieven) geweest om koning Agag te sparen. Nu kon hij te­rugkomen en trots laten zien, hoe hij een vijandelijk koning meevoerde. Hij was klein in eigen ogen (bij zijn aanvaarding van het koningschap door het volk, was hij ook achter het pakgoed weggekropen) en daarom heeft hij zich wellicht vertild aan deze opdracht. Het was trouwens ook een Oud-oos­terse gewoonte om de overwonnen vijand mee te voeren als een soort trofee. Dat deden later de Romeinen ook, dan werd de vijand achter de ze­ge­kar gebonden. Kijk eens, dit tuig heb ik verslagen! Maar als je dan niks mee naar huis neemt, heb je geen bewijzen, heb je niets om mee voor de dag te komen. Deze gedachtegang blijkt ook wel een beetje uit vers 12: «Vroeg in de morgen ging Samuël Saul tegemoet, en Samuël werd meegedeeld: Saul is te Karmel gekomen en zie, hij heeft zich daar een gedenkteken opgericht; daar­na heeft hij zich omgewend en is weggegaan; hij is afgedaald naar Gilgal».

1 Sam.15:12

Saul heeft een gedenkteken opgericht. Kennelijk wilde hij toch het een en ander vastleggen; kennelijk zocht hij toch naar erkenning. Saul had in hoofdstuk 13 ook al een crisis doorgemaakt. Hij had daar zeven dagen zitten wachten, terwijl het volk wegliep. Dan is Jonathan uiteindelijk degene, die de over­winning behaalt. Saul is dan in feite nergens meer. Dat was natuurlijk ook al een behoorlijke knauw voor zijn prestige. Dat was natuurlijk ook een behoorlijke deuk in zijn zelf­ver­trou­wen, en nu, met die koning Agag, moet hij het weer ont­gelden. Hij wil die koning Agag daarom ook meebrengen om te laten zien waartoe hij in staat was. Samuël was een waarachtig profeet, die meeleefde met zijn mensen:

«Hierop ontroerde Samuël hevig en hij riep tot de HERE de gehele nacht».

1 Sam.15:11

Samuël zegt ook niet: ik zal hem wel eventjes de les lezen en hem vertellen dat het afgelopen is met zijn koningschap. Samuël zal Saul toch min of meer hebben beschouwd als zijn geestelijk kind; hij zal zich voor heel de si­tuatie toch ook verantwoordelijk hebben gevoeld. Het was voor Samuël na­tuur­­lijk ook een heel trieste zaak. Ook Samuël zal zich veel van het koning­schap van Saul hebben voorgesteld. Maar dan zegt God zelfs tot Samuël: «De HERE zeide tot Samuël: Hoelang zult gij nog leed dra­gen over Saul, en Ik heb hem toch verworpen». 

1 Sam.16:1

 Samuël roept de hele nacht tot God. Er staat zelfs een woord in het He­breeuws, dat betekent: schreeuwen om hulp. Samuël doet voorbede, hij trekt zich het lot van Saul ten zeerste aan. «Toen Samuël zich omkeerde en wilde weggaan, greep Saul de slip van zijn mantel, doch deze scheurde af. Daarop zeide Samuël tot hem: De HERE heeft heden het ko­ningschap over Israël van u afgescheurd en heeft het gegeven aan uw naaste, die be­ter is dan gij». 

1 Sam.15:27,28.

In dat woord naaste ligt toch wel een sleutel. God zegt niet zomaar: Ik geef het koningschap aan een ander, of Ik geef het aan je opvolger. In dat woord naaste klinkt toch een hele gedachtewereld mee: je zult je naaste liefhebben, hij is aan jou gelijk. God krijgt van God dus een naaste; die naaste is ‘meer tov’ dan jij. Dat is zo ongeveer het laatste van wat God tegen Saul zegt: Ik heb een naaste voor je, en die zal het van je overnemen. Dat is toch wel bijzonder sprekend, ook voor de volgende hoofdstukken: David wordt de naaste voor Saul. Dat kun je in die geschiedenissen ook he­le­maal terugvinden, David is inderdaad een naaste geweest voor Saul. David was het laatste woord van God aan Saul. Het laatste woord van God aan ons is: Jezus. Zo is Jezus onze naaste gewor­den. Hij was ‘meer tov’ dan wij. David verslaat straks Goliath; eigenlijk had Saul dat moe­ten doen. David komt en zegt: ik ga wel. Wat heerlijk als je zo’n naaste hebt, die jouw vijand verslaat.

Zo is Jezus onze naaste geworden en heeft Hij onze vijand verslagen.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

1 comment on “De Boze geest bij Koning Saul”


  1. Hannie van den Berg says:

    Mooi stukje uitleg, maar ik zocht naar een verklaring over de boze geest, die van de Here kwam mis ik nog.
    Misschien heb je een antwoord.
    Vr groet Hannie

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391861 bezoekers sinds 07-06-2010