De belofte van het Zoonschap

31-05-2010 door Dr. K.D. Goverts

Romeinen 4 gaat over Abraham als de vader van de gelovigen. In vers 16 en 17 lezen we:

  • Daarom is het alles uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is, gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u ge­steld – voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.

We gaan ons eens bezig houden met de vraag: waar geloofde Abraham eigenlijk voor, wat verwachtte hij, waar was hij mee bezig?

Daarmee hangt ook samen: waar geloven wij voor? Het is van groot be­lang, om je dat heel duidelijk bewust te worden: waar ga je je geloof op richten, wat ga je eigenlijk verwachten? Abraham geloofde in die God, die de doden levend maakt en het niet zijn­de tot aanzijn roept (vers 17). God brengt het niet zijnde tot aanzijn, Hij roept het zelfs tot aanzijn door zijn spreken. En dan zie je in het leven van Abraham, dat er door zijn geloof er ook in­derdaad iets tot aanzijn kwam. Abraham heeft heel speciaal geloofd voor een zoon. Daarin is hij ook heel duidelijk een voorbeeld voor ons. Met de belofte van die zoon is Abraham maar liefst vijfentwintig jaar be­zig geweest. Ook wij geloven voor een zoon, wij geloven in het zoonschap. Wij gelo­ven, dat dat zoonschap te voorschijn komt. Daar zie je dus een prachtige parallel met het geloof van Abraham. Abraham is daar voortdurend mee bezig geweest, hij heeft zich daarop ingesteld; hij heeft voortdurend verwacht, dat daar een zoon zou komen.

  • En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn… (v.18) «Tegen hoop op hoop geloofd»

Een merkwaardige uitdrukking. Dat is voor Abraham een hele strijd ge­weest. Hij heeft ook als het ware ergens tegenin geloofd. Dat is voor ons ook een belangrijk principe: vaak moet je ergens ‘tegenin geloven’. Het geloof van Abraham voerde een strijd tegen wat hij eigen­lijk nog kon hopen. Langzamerhand was er voor Abraham weinig meer te hopen. Ook zijn omgeving zal weinig hoop meer voor hem hebben ge­had. De omgeving zegt: je kunt beter met die gedachte stoppen, want hoe lan­ger je er mee blijft rondlopen, hoe groter de teleurstelling straks is. Abraham is tegen die hoop ingegaan; ook tegen het einde van die hoop. Hij heeft ‘op hoop’ geloofd. Vanuit zijn geloof kwam er weer nieuwe hoop te voorschijn. Het geloof wordt zo weer de basis van je hoop, dat wordt de basis van je toekomstverwachting. Je geloof houdt in, dat je die gedachten van God vastgrijpt en vasthoudt. En vanuit die gedachten van God gaat ook je hoop groeien. Abraham zou een vader van vele volken worden. ‘Volgens hetgeen ge­zegd was’. ‘Zo zal uw nageslacht zijn’. (Statenvertaling: zaad). Daar heb je in een paar woorden die belofte, waar Abraham vijfentwin­tig jaar mee bezig geweest is. Abraham heeft zich helemaal één gemaakt met die belofte. En daarom kwam die zoon. Op het laatst was Abraham als het ware die belofte. Veel meer was er van Abraham ook niet meer over; de man was in feite op sterven na dood, zijn vrouw trouwens ook. Het enige wat je aan Abraham nog zag, was belofte, verder zag je niet veel meer. In feite was het feit, dat Abraham daar nog rondliep al een belofte van God. Abraham liep nog rechtop, en niet als een uitgebluste grijsaard. Op een gegeven moment zeggen de Hethieten van Abraham:

  • Luister naar ons, mijn heer, een vorst Gods zijt gij in ons midden. (Gen.23:6) 

Dat zeggen nota bene wildvreemde heidenen tegen Abraham, tegen een honderdjarige. Abraham zal er dus bepaald niet hebben bij gelopen als iemand die uitgeteld was.

Die belofte komt in Abraham, maar die belofte wordt ook als het ware een deel van Abraham. En Abraham wordt een deel van die belofte. Abraham kón ook niet voortijdig sterven, omdat hij drager was van de belofte. Door de jaren heen bleef die belofte bestaan, en daarom bleef ook Abraham bestaan. Het woord van God bleef overeind, en daarom bleef ook Abra­ham overeind.

Het is trouwens merkwaardig, dat het Hebreeuws geen woord heeft voor belofte. Als God een woord geeft, dan is dat woord automatisch een belofte. Zo staat er: ‘God zond zijn woord en genas hen’. Je kunt dus ook zeg­gen: ‘God zond zijn belofte en genas hen’. Als God zijn woord uit­spreekt, als God zijn woord zendt, dan zit daar onlosmakelijk een belof­te in. Abraham was op den duur een wandelende belofte. Vanuit die éénwor­ding, vanuit die vergroeiing met de belofte, komt de zoon, komt het zoon­schap te voorschijn 

  • En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven… (vers 19) 

Abraham heeft in de zichtbare wereld waargenomen, dat er natuurlij­ker­wijs geen zoon meer kon komen. Bij de confrontatie met het zichtba­re krijg je dus de grootste strijd. Het grootste probleem van Abraham was datgene wat hij zag. En iedereen zag natuurlijk ook, dat er geen kin­dertjes meer konden komen. Als Abraham en Sarah elkaar aankeken, zul­len ze het ook niet meer zo erg hebben zien zitten. Bij Abraham komt dan een belangrijk principe tot uiting: het losmaken van de zichtbare werkelijkheid. Ook voor ons is dat een belangrijk prin­cipe. Dat is ook een keuze: ‘zonder te verflauwen’. Abraham heeft heel bewust gekozen om niet te zien op wat voor ogen was. Je ziet bij Abra­ham, dat die keuze, om je los te maken van het zichtbare, eerst totaal moet worden, voordat de zoon kan komen. Hier tussen komt dan ook de problematische geschiedenis van Hagar en Ismaël. En op een gegeven moment wil Abraham ook Eliëzer tot erfge­naam maken. Dat zijn van die bepaalde fasen, waarin Abraham probeert nog iets uit de zichtbare wereld mee te nemen. In dat loskoppelen van het zichtbare wordt tegen Abraham gezegd:

1. Ga uit je land.

2. Ga uit je maagschap.

3. Ga uit je vaders huis.

Dat waren toch allemaal wel ingrijpende opdrachten en gebeurtenissen. Breek met je familie, breek met je verleden. Dan kun je nergens in de zichtbare wereld nog op terugvallen, dan verlies je ook die aardse zeker­he­den en geborgenheden. Als Abraham Eliëzer tot zijn erfgenaam wil maken, zegt God nadrukke­lijk: deze zal uw erfgenaam niet zijn. Ook op dat punt moest Abraham zich losmaken van het zichtbare. Ook van Lot, die ook nog familie van Abraham was, moest Abraham zich losmaken. Ismaël, de zoon van Hagar blijkt ook niet de zoon van de belofte te zijn. Steeds moet Abraham zich tegen die hoop in losmaken van de zichtbare dingen. Hij moet Ismaël zelfs wegsturen. Steeds moet Abraham de keu­ze maken tussen wat wél en wat niet voor ogen is. Het opvallende is, dat Abraham dertien jaar lang na de geboorte van Ismaël geen stem van God hoort.

  • En Abraham was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël aan Abraham baar­de…. (Gen.16:16) 
  • Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de Here aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk… (Gen.17:1)

Deze twee teksten volgen meteen op elkaar, we zien, dat daar een ver­schil van dertien jaar tussen zit. Dertien jaar van totale stilte, van zwij­gen van God. In die dertien jaar moest Abram zich losmaken van de ge­dachte, dat Ismaël dan wel de zoon van de belofte zou zijn. Na dertien jaar komt dan de beslissende fase in het leven van Abraham. Dan zegt God ook: wandel voor mijn aangezicht en wees onberispelijk. (Genesis 17:1) ‘Wees onberispelijk’ betekent eigenlijk: ‘Wees totaal’. Het is opmerkelijk, dat de eerste woorden die God spreekt na die der­tien jaar van stilzwijgen deze inhoud hebben. Eerst zegt God wie Hij is: ‘de Almachtige’. Dan zegt God hoe Abraham moet zijn: ‘wandelen voor Gods aangezicht’, dat betekent: je helemaal richten op de onzienlijke we­reld. En dan ook nog: ‘Wees onberispelijk’. Toch wel zwaar geladen woorden zo ineens.

«Wees totaal»

Die woorden duiden aan: wees één geheel, wees een man uit één stuk, wees ongedeeld. Dat is hetzelfde woord, dat later in Matteüs 5:48 terug­komt:

  • Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.

Abraham moest dus die totale, ongedeelde keuze maken voor de on­zien­lijke werkelijkheid. Dat is in het leven van Abraham een proces ge­weest. God gaat ook net zo lang met Abraham door, totdat dat proces vol­eindigd wordt. Als hij dan helemaal losgemaakt is, en er is niets meer dat hem bindt, als er dan niets meer is dat hem tegenhoudt, als hij dan nergens meer door beïnvloed wordt, dan is Abraham er ook helemaal doorheen. Sarah kan dan nog wel staan lachen in de tent, maar Abraham gelooft. Dan gelooft Abraham zelfs dwars tegen zijn vrouw in. Geloven tegen alles in wat je in je eigen tent hoort. Dan gaat ook in vervulling wat er staat in Romeinen 4:20,21:

  • Maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen.

Als Paulus hier in de Romeinenbrief heel die geschiedenis en geloofs­strijd van Abraham gaat samenvatten, dan slaat hij al die inzinkingen over. Paulus zegt niet: zo nu en dan twijfelde hij nog wel, soms heeft hij uit ongeloof verkeerde stappen gedaan, nee: niet getwijfeld! En als God dan uiteindelijk de balans opmaakt, dan kijkt God naar je uiteindelijke resultaat. Die moeilijke momenten in Abrahams leven, die momenten van twijfel en misschien wel ongeloof, worden niet in de uit­ein­delijke ‘beoordeling’ meegeteld, die worden uitgewist. Niet: de eeu­wige twijfelaar, maar: Geloofsheld! God kijkt waar je naar toe gaat, God kijkt naar dat einddoel. «Doch hij werd versterkt in zijn geloof»

Naarmate Abraham losgemaakt werd, en ook actief: naarmate hij zich los­maakte van het zichtbare, werd hij ook versterkt in zijn geloof. Dat is een wisselwerking. En naarmate je je geloof gaat versterken, gaat rich­ten, naar die mate ga je ook weer steeds verder loskomen van die zicht­ba­re wereld. «En gaf Gode eer»

Daarin wordt God verheerlijkt. Je geeft God de eer door te geloven. Hoe groter je geloof, hoe groter Gods eer.

  • Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons…. (2 Kor.1:20)

In deze tekst gaat Paulus spreken over die beloften. Hoeveel zijn het er? Nou, dat getal is niet het belangrijkste; volgens sommigen zijn het er 32 468. Het is wel belangrijk, waar je die beloften vandaan haalt. Waar haal­den ze in die tijd de beloften van God vandaan? Alleen uit het ‘Ou­de Tes­tament’. Paulus heeft het hier dus over al die profetische woorden van het ‘Oude Testament’. Dat hele ‘Oude Testament’ vat Paulus samen in één woord: beloften! In feite is het héle ‘Oude Testament’ profetisch. Paulus zegt ook:

  • Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden. (Rom.15:4)

Al wat geschreven is. Al die beloften worden vervuld in Hem. Dat is een zeer belangrijk punt: in Hem! Meestal wordt 2 Korinthe 1:20 maar ge­deel­telijk geciteerd:

‘Prijs de Heer, alle beloften zijn ja en amen’. Maar er staat nog wel iets heel belangrijks achter:  tot eer van God …. en: … door onsTot eer van God’ zegt Paulus in 2 Korinthe 1:20. En Gods eer wordt gere­a­­li­seerd door het geloof in Hem. Als aan Jezus wordt gevraagd:

  • Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? (Joh.6:28)

Dan antwoordt Jezus:

  • Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft… (v.29)

Je eert God door je te hechten aan zijn beloften, door te geloven in Hem, die Hij gezonden heeft. Hij nu, die ons met u bevestigd in de Gezalfde en ons heeft gezalfd, is God….  (2 Kor.1:21)In de Gezalfde worden al die beloften vervuld.

Abraham verwachtte dus het zaad, dat was die belofte. Dat was voor Abra­­ham dus in feite de sleutel. Eigenlijk maakt het dan ook niet zoveel uit hoeveel beloften er zijn. Voor Abraham was het één belofte, terwijl Paulus zegt: Hoeveel er ook zijn. Het zit hem dus niet in het getal. In fei­te kun je al die beloften samenvatten in die ene, in de belofte van die zoon, in de belofte van het zoonschap. Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud; en aan zijn zaad, dat wil  zeggen: aan Christus…. (Gal.3:16) Hier hebben we een kerngedachte: Hét zaad waar de belofte over spreekt, is de Christus. Alle beloften worden dus vervuld in de Christus. En Christus betekent dus ‘Gezalfde’.

En in 2 Korinthe lazen we zojuist: ‘Hij bevestigt ons in de Gezalfde’. De Statenvertaling zegt: ‘Hij bevestigt ons in Christus’, dat is dus hetzelfde. Abrahams gedachten waren voortdurend bezig, waren steeds weer ge­richt op de Christus, dat was het zaad, dat hij verwachtte. Dat heeft Abra­ham dus in zijn leven nog niet allemaal meegemaakt. Isaak was een voorafschaduwing van wat er zou komen. Met zijn geloof was Abraham er al wel mee bezig, was hij bezig met ‘de Christus’. In onze tijd gaat het om dezelfde verwachting, het gaat om ‘de Christus’. Daarmee krijgen we dan ook een heel duidelijk zicht op wat God be­doelt met de gemeente. De gemeente is eigenlijk ‘de Christus’, dat is dat zaad. God zendt vandaag zijn woord in ons, met het doel, dat het iets zal gaan voortbrengen. Dat woord brengt ‘de Christus’ voort. De Bijbel spreekt heel vaak van ‘de Christus’, dan gaat het dus over de Gezalfde, en dat is de Gemeente. ‘De Christus’ is dus heel speciaal een aanduiding van dat zaad. Paulus spreekt vrijwel altijd over Christus. Hij spreekt niet zo veel over ‘Jezus’. Hij zegt zelfs: Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer… (2 Kor.5:16) Paulus legt dus sterk de nadruk op ‘Christus’. In Kolossenzen 1 komt dat heel duidelijk tot uiting. Daar gaat Paulus spreken over het geheimenis. En dan doet de vraag zich voor: wat is nu dat geheimenis?

Toen Jezus op aarde wandelde, was er ook een geheimenis. Er zijn heel wat mensen geweest, die wel Jezus hebben gezien, maar die nooit het ge­heimenis hebben gezien. Waar komt Hij vandaan? Uit Nazareth, wij ken­nen Hem wel, de zoon van die timmerman; en verder hadden ze het wel bekeken. En ze hadden het zo gauw bekeken, omdat ze het gehei­me­nis niet zagen. De mensen hebben ook Abraham zien lopen, maar verder hebben ze ook niets gezien, ze zagen niet het geheimenis. En toch, de Hethieten had­den er iets van in de gaten, die zeiden: ‘Het is een vorst Gods’. Omdat de belofte Gods in Abraham was, was hij tot op zekere hoogte ook al een geheimenis. Als de mensen Jezus zien rondwandelen, zien de meesten ook niets bij­zon­ders. Misschien kon je een beschrijving geven van zijn uiterlijk, maar daarmee heb je nog niets gezegd. Daarom staat er ook niet in de Bijbel, hoe Jezus er heeft uitgezien. De Bijbel is niet geïnteresseerd in het signa­le­ment, de Bijbel is geïnteresseerd in dat geheimenis. De discipelen, die drie jaar lang met Hem hebben opgetrokken, gingen er iets meer van zien en gingen iets ontdekken van dat geheimenis. En verschillende keren hebben de discipelen gezegd: Wie is toch deze? (bijvoorbeeld Marcus 4:41)

Toen Jezus rondwandelde, was Hij dus een geheimenis. En als de disci­pelen er iets van gaan ontdekken, dan komt daar de belijdenis van Pe­trus:

  • Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God… (Matt.16:16).

Petrus zegt niet: Gij zijt Jezus, maar Gij zijt de Christus. Dat Hij Jezus was, wist iedereen wel, maar als Petrus zegt: Gij zijt de Christus, geeft Pe­trus daarmee aan, dat hij het geheimenis had begrepen. Zo is het ook met de gelovigen. Je bent niet wat de burgerlijke stand zegt dat je bent; je bent niet wat je bent in de zichtbare wereld, maar het gaat erom, wat je in de geestelijke wereld bent. Het merkwaardige is, dat de eersten die dat geheimenis in de gaten kre­gen, de demonen waren. Zoals bijvoorbeeld:

  • En terstond was er in de synagoge een mens met een onreine geest en hij schreeuwde luid, zeggende: Wat hebt Gij met ons te maken, Jezus van Na­za­reth? Zijt Gij gekomen om ons te verdelgen? Ik weet wel, wie Gij zijt: de heilige Gods… (Marc.1:23-24)

En ook in Marcus 5:7:

  • Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de aller­hoogste God?

Jezus was iets in de geestelijke wereld, en dat wordt ook vanuit die gees­telijke wereld bekend gemaakt. Jezus legt die demonen terstond het zwijgen op; van dergelijke reclame is Hij niet gediend. Jezus wist: dat ge­heimenis moet nog even een geheimenis blijven, en dat geheimenis wordt niet openbaar door het rond te bazuinen, maar dat wordt alleen openbaar door de Geest. Het geschreeuw van de demonen wekt geen geloof. Het gaat erom: wat komt er vanuit de Geest in ónze geest? Paulus gaat die lijn dan doortrekken en zegt in Kolossenzen 1:25:

  • Haar (namelijk de gemeente) dienaar ben ik geworden krachtens de bedie­ning, die mij door God is toevertrouwd, (met het doel:) om onder u het woord van God (of: de belofte van God) tot zijn volle recht te doen komen.

Paulus zegt: Ik werk eraan, om dat woord tot zijn recht te laten komen. Omdat dat woord ‘zaad’ is. En dat zaad moet wat gaan voortbrengen.

  • Het geheimenis dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest maar thans geopenbaard aan zijn heiligen… (vers 26)

Daar was Paulus mee bezig. Hij wist: dat woord is een geheimenis. Er zit wat in dat woord, wat je nog niet ziet. Het was verborgen in dege­nen, die het geloofden. Het was tot op zekere hoogte al verborgen in Abra­ham. Het was verborgen in mensen zoals David. Daar zat het – er­gens verborgen – al in, want die waren bezig met dat woord. En dan komt het:

  • Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit gehei­me­nis is onder de heidenen: Christus onder u, de hoop der heerlijkheid. (v.27)

En dat geheimenis kun je in drie woorden samenvatten: Christus onder u. Letterlijk staat er: Christus in u. Het geheimenis is dus: Christus in u. Dus waar ga je de Christus ver­wach­ten: in u. Als je Christus dus buiten je gaat verwachten, word je alleen maar een toe­schouwer. Dan ga je op allerlei tekenen letten, op allerlei uiterlijke te­kenen. Dat is weer die verschuiving, dan gaat het afhangen van allerlei uiterlijke, zichtbare verschijnselen. Maar het gaat om dat teken van de Zoon des mensen, dat is: Christus in u. Christus gaat openbaar worden in de gemeente. En dat wordt dan ‘de Chris­tus’, de Gezalfde. En dan staat er nog iets moois bij: de hoop der heer­lijkheid. Daar heb je de hoop. Als Christus in ons is, geeft dat verwachting, name­lijk de verwachting (hoop is verwachting) dat er heerlijkheid openbaar gaat komen. Wat erin zit, komt eruit. Het fundament, het houvast van een Christen is, dat Christus in je is.

Dat is ook de sleutel, dat is ook de garantie, dat die heerlijkheid gaat ko­men, dat Christus in je is. Paulus gaat dus helemaal niet zijn verwachting stellen op iets buiten hem. Hij zegt niet: er gaat misschien wel eens een keer iets komen, dat ma­ken we dan wel een keer mee als het zover is. Niet: op een keer ge­beurt er wel wat, dan gaan die wolken vaneen scheuren of zoiets, of er komt wel de één of andere eindtijd-gebeurtenis. Nee, onze hoop is, dat Christus in ons is en in ons openbaar komt. Daarom zal de gemeente open­baar wor­den als ‘de Christus’. Paulus is hier ook helemaal los van het zichtbare, we kennen niemand meer naar het vlees. Dan zegt hij ook in vers 28 en 29: 

  • Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens IN CHRISTUS volmaakt te doen zijn. Hiervoor span ik mij ook in, onder zware strijd, naar zijn wer­king, die in mij werkt met kracht.

Die kracht die werkt is de kracht van de Geest. Daarom is het dan ook zo veelzeggend, dat Petrus zegt: Gij zijt de Christus. Petrus had dat ge­hei­menis gezien. In deze tijd gaat het erom, dat in ons dat geheimenis is, en dat dat ook in óns gestalte gaat krijgen. Dan wordt ook gerealiseerd wat we lezen in Openbaring 10:6:

  • Er zal geen uitstel meer zijn.

Een andere vertaling zegt: «Er zal geen tijd meer zijn». Als er geen tijd meer is, is de eeuwigheid aangebroken. Dan is al het tijde­lijke voorbij. De tijd kan heel wat problemen veroorzaken. Als iets te lang duurt, als de vervulling van de verwachting op zich laat wachten, dan steekt ongeduld de kop op. Abraham had ook zo zijn problemen met de tijd. Hij moest ook vijfentwintig jaar op de vervulling van die be­lofte wachten.

  • Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God… (Op.10:7)

Alles loopt uit op de zevende bazuin; meer komen er ook niet. Dan is het getal van de volheid vervuld. Dan is het geheimenis voleindigd. Dat geheimenis wil zeggen: het zaad, dat is die belofte. Dat geheimenis is de Christus. Daarom ben je ook gezalfd met de Geest, opdat die zalving ook zal gaan doorwerken.

  • Gelijk Hij zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd.  (Op10:7)

 Dus die profeten wisten het al. Dat zijn die beloften, waar de profeten al mee bezig waren. Die Oudtestamentische profeten waren er ook al mee bezig. Die waren het al aan het naspeuren. Het hele eindtijdgebeuren loopt dus uit op dat geheimenis. Dat is nu het geweldige, dat is ook de basis van je geloof, dat je weet: dat geheimenis is reeds in mij. Daarom hoef je ook niet te zeggen, zoals Paulus dat be­schrijft in de Romeinenbrief in 10:6-8:

  • Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen. Maar wat zegt zij? (namelijk dat geloof uit vers 6): Nabij u is het woord (de belofte van het zoonschap) , in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken.

Dat is dus iets om je over te verheugen, dat dat geheimenis in je is. Christus in u, de hoop der heerlijkheid. En dan staat er zo mooi in Ro­mei­nen 10:4

  • Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder die ge­looft.

Christus is het einde der wet. Paulus zegt niet: Jezus is het einde der wet, maar Christus! Het geheimenis: Christus in u, is het einde der wet. «Tot gerechtigheid voor een ieder die gelooft»;  Geloof is dus de sleutel! Vers 5 en 6 gaan dan verder: 

  • Want Mozes schrijft: De mens, die de gerechtigheid naar de wet doet, zal daardoor leven. Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen om Christus te doen afdalen.

Dat geheimenis kun je niet naar beneden halen. Dat geheimenis ‘Chris­tus’ kun je niet op aarde laten afdalen, want dan zit je weer op aarde. Dan glipt het als het ware weer door je vingers heen. Het is dus niet een kwestie van afdalen, maar het is een zaak van ‘zijn in Hem’! Vers 7 en 8:

  • Of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken.

Het WOORD, die belofte, daar gaat het om, om dat woord in mensen tot ont­wikkeling te doen komen. Waar is dat geheimenis: in je mond en in je hart. Het gaat om dat geheimenis: de Christus. Waar is het: in u. Hoe gaat het openbaar worden: door geloof. En dat is onze hoop, dat is onze verwachting. Dat is het geweldige wat God in deze tijd aan het doen is. Zoals God in Abraham iets legde, zo gaat God door en legt Hij ook iets in ons, een geheim. Zo’n gedachte Gods is ook een geheimenis. Die geheimenissen waren eerst in God. Daarom zijn ze vol van kracht. En daarom zijn ze Geest en le­ven. En Jezus vertrouwde zijn geheimenissen toe aan zijn discipelen.

Jezus heeft ook tegen zijn discipelen gezegd:

  • Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen…. (Matt.13:11)

 In Marcus 4:11 staat het in het enkelvoud:

  • U is gegeven het geheimenis van het Koninkrijk Gods

Mattheüs: geheimenissen te kennen.

Marcus: geheimenis gegeven.

Het gaat er dus niet alleen om het te kennen, maar ook om het te bezit­ten, om het in je te hebben. Dat gaat nog een stap verder. Het gaat er ook om: drager te zijn van dat geheimenis. Christus in u. En dat begint met de Geest van Christus. Dan ben je een ge­zalfde door de Geest. Dat is het plan van God. In Openbaring 11:15 staat daarom:

  • En de zevende engel blies de bazuin zeggende: Het koningschap over de we­reld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde.

‘Aan zijn Gezalfde’, dat wil zeggen: aan de Christus, dat wil zeggen: aan de gemeente! Dat zaad gaat zonen voortbrengen. En net als Abraham, worden we steeds verder losgemaakt van het zichtbare. En dat is ook een totale keu­ze. En als je dan metterdaad die keuze doet – en soms móet je op be­paalde punten een keuze doen – dan breekt je heerlijkheid steeds verder door, dan ga je van heerlijkheid tot heerlijkheid. En als je dan helemaal loskomt van het zichtbare, dan gaat je geloof opbloeien en dan ga je le­ven vanuit dat geheimenis. En dan gaat dat geheimenis groeien. Dat zaad gaat zich ontwikkelen, dat gaat worden tot een boom. Dat wordt een planting des Heren. Dat wordt die boom der gerechtigheid.

 De vreze des Heren

  • Mijn zoon, indien gij mijn woorden aanneemt en mijn geboden bij u be­waart.  (Spr.2:1)

In het Hebreeuws heb je twee begrippen, die vertaald worden met woord. Het woord, dat hier gebruikt wordt: rma (emer), betekent eigen­lijk verheldering. Dit is een uitspraak van God, maar dan heel speciaal waarin Hij iets helder maakt, waarin Hij iets verheldert van Zichzelf. Je zou hier dus kunnen vertalen: indien gij mijn ‘zelfmededeling’ aanneemt. God gaat iets vertellen vanuit zijn hart, God gaat iets vertellen van wat in Hem is. Hier gaat het dus speciaal om die innerlijke verheldering.

«Mijn geboden bij u bewaart»

Dat woord ‘bewaren’, Npu (tsafan), betekent eigenlijk opsparen. De grond­regels van God opsparen, dan wordt je hart als het ware een provisiekast, een bewaarplek. Je gaat die woorden van God diep in je hart opbergen. Je hart wordt een soort brandkast, waar je al die juwelen, al die kostbare schatten heel zorgvuldig gaat opbergen. Juwelen en edelstenen leg je ten­slotte niet voor het raam, die berg je zorgvuldig op.

  • Zodat uw oor de wijsheid opmerkt en gij uw hart neigt tot de verstandigheid, ja, indien gij tot het inzicht roept en tot de verstandigheid uw stem verheft; indien gij haar zoekt als zilver en naar haar speurt als naar verborgen schat­ten, dan zult gij de vreze des Heren verstaan en de kennis Gods vinden. (Spr.2:2-5)

De ‘vreze des Heren’ betekent: de eerbied. Vrees betekent hier niet, dat je bang bent, dat is vaak een misverstand. De ‘vreze des Heren’ is de eer­bied voor God, maar ook de eerbied van God. Het is het respect, waardoor je eerbiedig met elkaar omgaat, maar dat je ook eerbiedig met jezelf omgaat. Het is ook belangrijk, dat je respect hebt voor jezelf. En dan zul je de kennis van God vinden zegt vers 5.

  • Want de Here geeft wijsheid, uit zijn mond komen kennis en verstandig­heid; Hij bewaart hulp voor de oprechten, Hij is een schild voor wie onbe­ris­pelijk wandelen. (Spr.2: 6,7)

‘Hij bewaart’; hier heb je weer hetzelfde woord ‘bewaren’, Npu (tsafan), als in vers 1: opsparen, opbergen. Het Hebreeuwse woord hySwt (toesjijah), dat hier vertaald is met hulp, gaat eigenlijk nog een laag dieper. De Statenvertaling heeft dat ook heel mooi: Hij bewaart voor de oprechten een bestendig wezen. Dat betekent dus, dat je ‘bestendig wordt’, dat je stabiel wordt, dat je van­binnen iemand gaat worden. Dan krijg je identiteit. Je zou dus ook kun­nen zeggen: Hij bewaart voor de oprechten innerlijke identiteit. Zo krijg je innerlijke samenhang, zo kun je jezelf worden. «Voor wie onberispelijk wandelen»

Eigenlijk: die in eenvoud wandelen. Eenvoudig, gewoon jezelf zijn. En dan gaat Spreuken 2 verder met de ontwikkeling van die wijsheid. En dan gaat het in vers 16:

  • Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende die gladde woor­den spreekt,

 Die ‘vreemde vrouw’ is een belangrijke figuur in het boek Spreuken. Dat is eigenlijk de afgoderij. En dan is het punt waar het om draait in het boek Spreuken: als je achter die vreemde vrouw aan gaat, kun je niet meer jezelf zijn. Dan word je ook een vreemde voor jezelf «Van de onbekende die gladde woorden spreekt»

‘De onbekende’ is eigenlijk: de buitenlandse. Dat is diegene die je tracht te beïnvloeden, die je aftrekt van de eenvoud en die je aftrekt van de Heer Zelf. Dan ga je anders worden dan je eigenlijk bent; dan raak je je­zelf kwijt en je raakt God kwijt. En dan denk je: waar ben ik nu mee be­zig; je bent innerlijk in de war. Interessant is dat ook in deze tekst voor woorden het Hebreeuwse woord rma (emer) wordt gebruikt. Dus ‘de onbekende’ deelt ook iets van zich­zelf mee, openbaart zichzelf wie zij is. Er staat dan in vers 17 wat die vreem­de vrouw doet:

  • Die de echtvriend van haar jeugd verlaat en het verbond van haar God  ver­geet…

 De Statenvertaling zegt: «De Leidsman van je jeugd».

Het Hebreeuwse woord Pwla (aloef), dat hier dan vertaald is met ‘echt­vriend’ of ‘Leidsman’ hangt samen met de eerste letter van het He­breeuwse alfabet, de alef  (a). En de alef representeert ook de één, het ge­tal 1. Het betekent dus, dat je de eenheid kwijt bent. Het betekent ook, dat je Degene kwijt bent met wie je van je jeugd af aan verbonden bent. En dat is toch wel heel bijzonder, want als je bij God bent – en het is goed om daar eens even over na te denken – als je bij de Heer bent en met Hem wandelt, dan ben je bij je oorspronkelijke Vriend. Dan ben je bij de God bij wie je van huis uit hoort.

De kern van dit verhaal is dus: een mens hoort van huis uit bij God. Het is goed om dat eens even op je te laten inwerken. Als je tot geloof komt, kom je terug bij je begin. Het begin van elk mens is uit God. En dan kun je in je leven een heel eind gaan zwerven en een hele omweg maken, maar als je dan tot bekering komt, kom je niet bij een vreemde, maar dan kom je bij de vanouds bekende God. Dan kom je bij Degene, die jou al kent vanaf het begin. Al die andere goden horen niet bij je. Jouw begin is uit God, en je bent wezenlijk verwant met Hem! Je hoort he­lemaal bij Hem. Hij heeft je gemaakt, je bent uit Hem voortgekomen. In jou is een goddelijke vonk. In jou is die goddelijke Geest. En zo mag je gaan als drager van die goddelijke aanwezigheid. Dat is die verborgen schat binnen in jou. Er wordt vaak zo negatief ge­daan over mensen; ach ja, we zijn maar mensen. Maar zo spreekt de Bij­bel niet, dat zegt God niet. God zegt: Ik heb iets van Mijzelf in jou ge­legd. Dat is ook het verschil tussen godsdienst en religie. Godsdienst bestaat uit al­lerlei regels, allemaal wetten. En dan kun je proberen volgens die wet­ten te leven, dan loop je in de maat en je volgt de massa; je doet wat ‘men’ vindt of wat ‘men’ denkt. Maar jij mag op jouw manier gaan geloven; jouw eigen manier. Niet om­dat een ander het zegt, niet omdat iedereen om je heen het zo doet, maar jij met jouw geloof en met jouw eigen aard. Jij hebt jouw roeping, je hebt jouw opdracht temidden van al die andere mensen en jij mag jouw eigen opdracht en jouw eigen roeping gaan ont­dekken. In het begin hadden ze maar één God; dat was de God van Israël, hun eigen God. En dan staat er in Deuteronomium 32:17:

  • Zij offerden aan de boze geesten, die geen goden zijn, aan goden, die zij niet hebben gekend, nieuwe goden, die kort tevoren opgekomen waren, voor wel­ke uw vaderen niet gehuiverd hadden.

 Al die andere goden zijn dus nieuwkomers, vreemden, ingevoerd uit het buitenland. Het woord religie betekent eigenlijk: verbinding. Je hebt diep in je hart een verbinding met God. In het Christendom is misschien wel eens te vaak gepredikt dat we deel zijn van een kudde. Dan moet je wel oppassen, dat je geen kuddedier wordt. Als er één schaap die kant op gaat, rennen alle schapen er achter­aan. Soms is het wat schaapachtig om een schaap te zijn. In een oud verhaal van het Thomas-evangelie wordt dit gegeven in een gelijkenis uitgewerkt. In dit evangelie staan woorden van Jezus, die niet in de Bijbel zijn terechtgekomen, althans voor een gedeelte niet. In logion 107 staat dan: 

  • Het Koninkrijk is gelijk aan een herder, die honderd schapen had. Eén ervan verdwaalde. Dat was de grootste. (Deze gelijkenis kennen wij ook; alleen dat laatste staat er nu juist niet bij). Hij liet de negenennegentig achter en zocht die ene, totdat hij hem vond. Omdat hij zich veel moeite getroost had, zei hij tot het schaap: Ik heb je meer lief dan de negenennegentig.

Hier wordt dus een heel bijzonder accent gelegd: dat ene, die niet met de massa meegaat is speciaal het lievelingsdier van de herder. En nu staat er in dit verhaal niet: kom nu zo gauw mogelijk bij de kud­de. Dat ene schaap had een speciale verbinding met de herder, de Leids­man van de Jeugd. Verbondenheid: je eigen weg gaan met de Heer, omdat er in jou een god­delijk geheim is. Jij bent een drager van de genade van God. Dat mag je ook heel diep in je hart bewaren. Je hoeft niet te worden net als iedereen. Je hoeft geen kopie te worden van anderen. Het Koninkrijk der hemelen bestaat niet uit het aankweken van allerlei gedragspatronen. Jij mag op jouw manier tot ontplooiing komen, tot ontwikkeling met de gaven en de talenten, die jij hebt gekregen. Je mag jezelf zien als een prachtige bloem. Zoals bijvoorbeeld de waterlelie, die dan voor het grootste deel onder de waterspiegel ligt verborgen. Je ziet in eerste instantie alleen maar een beetje groen blad. Zo’n prachtige waterlelie bloeit niet op commando. Dat deed Jezus ook nooit. Hij ging met heel veel respect om met de men­sen. Dat was ook één van de unieke aspecten in de bediening van Jezus. Hij keek de mensen aan met heel veel tederheid en zorg. Hij liet de men­sen te voorschijn komen, Hij forceerde nooit. Elk mens bloeit op zijn manier en op zijn tijd, en daar heeft een ander niets over te commanderen. Als daar op een gegeven moment voldoen­de warmte is en voldoende zonlicht, dan gaat die bloem vanbinnen uit open. Als je aan de buitenkant aan die bloemblaadjes gaat trekken en frunniken, maak je alleen maar iets kapot. Ik las het verhaal van een Marokkaanse schrijfster, die als motto in haar boek had gezet: “Aan allen die op zoek zijn naar een eigen weg”. Dat is het! Op zoek naar jouw eigen weg. Dan wordt de gemeente ook heel mooi. De één is een harp, de ander een gitaar, weer een ander een dwarsfluit. En zo heb je allerlei instrumenten. Maar elk instrument mag een eigen klank hebben en een eigen toon. En samen wordt het een harmonie, een symfonie.In Marcus 10:46 lezen we:

  • En zij kwamen te Jericho. En toen Hij met zijn discipelen en een talrijke scha­re uit Jericho vertrok, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, een blinde be­­delaar, aan de weg.

Aan de weg, altijd maar aan de weg. Let op het contrast met wat er staat in vers 52:

  • En terstond werd hij ziende en volgde Hem op de weg.

Eerst langs de weg, alleen maar aan de buitenkant, er niet bij betrokken. En iedereen gaat dan voorbij, altijd maar passanten.

  • En toen hij hoorde, dat het Jezus van Nazaret was, begon hij te roepen en te zeggen: Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij! En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou. Doch hij riep des te meer: Zoon van David, heb medelijden met mij! (vers 47,48)

Het publiek zegt: mond dicht! Als Bartimeüs dus geluisterd had naar de meerderheid, naar de massa, dan was dit wonder wellicht niet gebeurd. Dat is zo mooi van Bartimeüs: hij blijft roepen, dwars tegen de massa in.

      Mensen, komt u lot te boven,

      wacht na dit een ander uur,

      gij moet op het wonder hopen…. (Liedboek 300).

Bartimeüs kwam zijn lot te boven. Er zijn nogal wat gehandicapten, die moeten vechten om hun lot te boven te komen. En dan denken ze soms: ik mag er eigenlijk niet zijn, waarom ben ik er eigenlijk? Trouw zijn aan jezelf; dat is heel belangrijk. Trouw zijn aan wat diep in je hart gelegd is, iets wat je niet mag verloochenen. Niet alleen maar trouw zijn aan een groep of trouw aan wat iedereen wel goed vindt, maar trouw zijn aan je eigen hart. Trouw zijn aan je eigen hart en de stem van je hart weer leren terug­vin­den; soms is een mens dat kwijtgeraakt. In de tijd van de profeet hier na de ballingschap speelde dat ook. En dan komt de Heer weer terug bij zijn mensen en dan zegt Hij: Ik, Ik ben de Here, en buiten Mij is er geen Ver1osser. Ik heb verkondigd, verlost en doen horen, en ben geen vreemde onder U; gij toch zijt mijn ge­tui­gen, luidt het woord des Heren, en Ik ben God. (Jes. 43:11,12)  «Ik ben geen vreemde» Je kent MIJ toch? Je hoort toch bij MIJ? Je bent – om het zo te zeggen – uit hetzelfde hout gesneden. Je hebt deel aan de goddelijke natuur. Je bent een deel geworden van Hem; in jou die goddelijke vonk, in jou die god­de­lijke kern. Veracht jezelf niet; denk niet te klein over jezelf. Dat wordt immers al zo vaak gedaan. Je bent een koninklijk mens; een koninklijk kind, door de Vader bemind. De rabbijnen zeggen: de ergste zonde is, om te vergeten dat je een koningskind bent. Af en toe mogen we dat weer tegen elkaar zeg­gen. Op een tentoonstelling ‘Foto’s van vluchtelingen’ sprak ook een Iraanse vluchtelinge, een dichteres. Ze droeg voor ‘uit eigen werk’.

Drie Nullen

 

Drie keer begon ik opnieuw

drie keer begon ik bij nul.

 

Ik bouwde een nieuw huis,

maar het stortte in.

Ik legde een nieuwe weg,

maar die liep dood.

Ik maakte een nieuw nest,

in de hoogste boom.

Maar het viel omlaag, door een jager.

 

Nu wil ik geen huis meer,

geen weg meer, geen nest meer.

Ik ga vliegen.

En ik vlieg tot mijn vleugels geen kracht meer hebben.

Tot mijn longen geen zuurstof meer krijgen.

Tot mijn hart niet meer pompt.

Deze vrouw heeft haar eigen geloof, haar eigen verhaal. Zij heeft de weg gevonden tot haar eigen hart. Ondanks alles geeft ze het niet op. Dat is het geheim. Daarvoor wil de Heer ons de kracht geven, de inspi­ratie. Vergeet het niet: jij hebt die vonk van binnen. Het Koninkrijk is in je.

De Geestelijke shabbath

  • Verlos ons, Here, onze God, verzamel ons weder uit de volken, opdat wij uw heilige naam loven,  ons beroemen in uw lof  (Ps. 106:47)

 Deze psalm geeft een stuk geschiedenis. Hierin wordt heel uitvoerig de uittocht uit Egypte beschreven en de reis door de woestijn. En dan ein­digt deze psalm met een bede, en dat lezen we in vers 47. En deze regels zijn toch ook wel heel actueel voor de gemeente in deze tijd. Let erop, dat er staat: verzamel ons weder. Dat gaat dus blijkbaar niet over die uittocht uit Egypte, maar dit gaat weer een stap verder. Hier wordt dus kennelijk verondersteld, dat het volk van God op een gege­ven moment verstrooid geraakt is, en daarom staat er: «Verzamel ons opnieuw». Het volk van God moet dus uit de ballingschap komen; er staat immers: uit de volken. Het volk van God moet dus uit de volken vandaan komen. Het moet dus een volk apart worden. Als je erop gaat letten, merk je dat dit een thema is, dat je door heel de Bijbel tegenkomt. Het volk van God moet een volk zijn, dat anders is dan de volken rondom. Vandaar dat dit ook zo’n belangrijk gebed is: ver­zamel ons uit de volken. Door de eeuwen heen is het altijd een probleem geweest, dat het volk van God wilde opgaan in die volken. Eén van de dieptepunten lees je dan in 1 Samuël 8:5: Stel nu een koning over ons aan om ons te richten, als bij alle andere volken. Dat was een ernstige zaak. Niet zozeer in de eerste plaats het feit, dat ze een koning wilden hebben, maar hun motief! Hun motief was: wij wil­len zijn als de volken. Daar zat vanuit de geestelijke wereld heel duide­lijk iets achter. Hier kwam dan ook heel speciaal naar voren: wij willen iets hebben in de zichtbare wereld. We willen een koning hebben, dan kunnen we ten­minste ook ergens mee voor de dag komen. Het oog wil ook wat. Maar als het oog ook wat wil, wordt het meestal knap gevaarlijk. Als motief van de bede in Psalm 106 vers 47 lezen we dan: Opdat wij uw heilige naam loven, ons beroemen in uw lof.

Vanuit die positie – van weder verzameld volk – komt dan de lof voor God. Dan wordt inderdaad door dat volk van God Gods naam geëerd. Daar zit een verband in: het volk van God moet inderdaad een volk apart zijn, om de lof van God te kunnen verkondigen.

  • Want van der rotsen top zie ik hem, van de heuvelen aanschouw ik hem. Zie, een volk, dat alleen woont en onder de natiën zich niet rekent. (Num. 23:9)

Wat is het verschil tussen het volk van God en de volkeren? Dat is altijd de bedoeling van God geweest, dat het volk van Hem uniek zou zijn. Vandaar ook, dat die wetten – ook in het Oude Verbond al – vrij uniek waren. Zelfs als je de tien geboden gaat bestuderen, merk je, dat die toch ook uniek waren. Vroeger werden ze natuurlijk elke zondag in de kerk als het ware ‘plat gelezen’. Op het laatst hoorde je dan ook niet meer wat je hoorde. Maar als je ze goed gaat horen, ga je ook geheimenissen ont­dekken vanuit de gedachten van God.

«Want van der rotsen top zie ik hem»

Je moet dus wel hoog staan om dat volk te kunnen zien. Het geheim van dat volk: ‘ze wonen alleen’ en ze ‘rekenen zich niet on­der de natiën’. Dat geldt ook heel duidelijk voor het volk in het Nieuwe Verbond. Dat is ook een volk, dat alleen woont, namelijk in de hemelse gewesten. En dat volk rekent zich niet onder de natiën. Het zoekt zijn kracht niet in de zichtbare wereld.

Waaruit blijkt nu, en hoe gaat dat dan tot stand komen, dat dat volk van God een uniek volk wordt? Een eerste kerngedachte is: dat volk is uniek, omdat het een unieke God heeft. Dat blijkt ook al uit de geloofsbelijdenis van dat volk, een citaat uit Deuteronomium: ‘De Here onze God is één’. De Statenvertaling zegt: ‘De Here, onze God is een enig God’. God is enig, uniek ‘in zijn soort’. Het verschil tussen het volk Gods en de volken kun je weer herleiden tot het verschil tussen God en de goden. Vooral in het ‘Oude Testament’ kom je heel wat goden tegen wanneer er over de volken werd gespro­ken. Het was voor andere volken een raadsel, dat de Israëlieten aan één God genoeg hadden, en dan bovendien ook nog een God, die je niet kon zien.

De heidenen stelden daarom ook af en toe de vraag: ‘Waar is uw God’?

Als je ook alleen maar een tent had met een gordijn. En daarachter, ja, daar stond dan nog een kist. Maar toch zeggen ze: Onze God is een enig God. Hij is uniek. En waarin zit hem dat nou: in zijn karakter. Hij onderscheidde Zich van al die go­den door zijn wezen.

Als je nu al die wetten en principes uit het Oude Testa­ment gaat bestu­deren, zul je ontdekken, dat die vaak heen wijzen naar het karakter van God. Dan zie je ook een bepaalde lijn. Het gaat in de eerste plaats om het karakter van God. Dat krijgt dan ook gestalte in het karakter van Jezus. En de derde stap is, dat dit dan ook openbaar moet worden in het karakter van ons, het karakter van de ge­meente. Die afgoden hadden meestal niet zoveel karakter. En de volge­lin­gen van die afgoden weerspiegelen dit dan. Het is goed de Here te loven, uw naam psalmen te zingen, o Allerhoogste, in de morgenstond uw goedertierenheid te verkondigen,  en uw trouw in de nachten. (Ps 92:2,3)

De psalmist houdt zich hier vooral bezig met Gods trouw en Gods goe­dertierenheid. En dat vertegenwoordigt nu juist het karakter van God. Zijn betrouwbaarheid en zijn goedertierenheid zijn juist die eigenschap­pen, die in de Bijbel ook genoemd worden om het karakter van God te typeren. En dan zegt de psalmist: daar wil ik mee bezig zijn in de mor­gen­stond, dat wil ik verkondigen in de nachten. En hij zegt dan ook:

 Hoe groot zijn uw werken, o Here; zeer diep zijn uw gedachten (vers 6)

Hij zegt: ik wil mij gaan bezighouden met de werken en met de gedach­ten van God, met zijn wezen, met zijn karakter. Want daar eindigt die psalm dan ook mee: Om te verkondigen, dat de Here waarachtig is, mijn rots, in wie geen onrecht is (vers 16) En dat bezig zijn met het karakter van God, daarvan zegt hij dan in vers 2: ‘Het is goed’.

Als er nu in de Bijbel het woord goed wordt gebruikt, is het zaak om ex­tra op te letten. Het zou de moeite waard zijn om eens een studie te ma­ken over de verbanden waarin dat woord ‘goed’ wordt gebruikt. In het scheppingsverhaal wordt dat woord ‘goed’ verschillende keren ge­bruikt. God maakt het licht en God zag, dat het licht goed was. God zegt van de duisternis niet: het is goed. Die duisternis heeft Hij trou­wens ook niet gemaakt. En dan staat er aan het eind van het scheppings­verhaal: En God zag alles wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed.

Dus het woord goed doet altijd weer denken aan het scheppingswerk van God. In dat woord zit dus altijd weer de lijn van de schepping en van de herschepping. Die worden altijd weer getypeerd door dat woord ‘goed’. En dan is het verrassend om te ontdekken in welke verbanden je dat woord ‘goed’ tegenkomt. Als Jozua en Kaleb terugkomen van het verspieden van het Beloofde Land, komt er een heleboel tumult en er komen allerlei negatieve gelui­den. En dan is het merkwaardig om te horen wat Kaleb zegt: het land, dat wij zijn doorgetrokken om het te verspieden, is buitengewoon goed. Dat is een heel diepe uitspraak van Kaleb. Hij zegt niet: nou, het valt toch wel mee hoor, of: het is toch wel een aardig land, hoor. Je kunt er in ieder geval beter zitten dan in Egypte en zeker beter dan in de woestijn. Nee, het land is buitengewoon goed. Daarmee zegt hij in feite: het is een ‘scheppingsland’.

Het is in feite een nieuw paradijs.

Het is een land in de orde van Genesis 1.

Goed is dus eigenlijk het sleutelwoord van Gods scheppingswerk.

En de schepping is weer uitbeelding van Gods karakter.

 «Het is goed de Here te loven»

Dat woord ‘goed’ speelt ook een kardinale rol in het gesprek tussen Je­zus en die rijke jongeling. Die rijke jongeling vraagt:

  • Wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te beërven (Matt. 19:16)

Hij zit dus voortdurend aan allerlei goede dingen te denken. En Jezus speelt dat meteen terug naar: Hij zeide tot hem: Wat vraagt gij Mij naar het goede? Eén is de Goede. Jezus wil zeggen: het zit hem niet in allerlei goede dingen, er is er Eén die goed is, en dat is God. Jezus speelt dat dus meteen terug naar het ka­rakter van God. In het Evangelie van Marcus komt het woord goed maar driemaal voor. Maar bij die drie keren staat het wel op een heel bijzondere plaats. Dan moet er dus wel ergens een lampje gaan branden. Bij die rijke jongeling moest er ook een lampje gaan branden. Die moest ook iets gaan ontdekken over het karakter van God.

En nu staat er hier, in Psalm 92:2: Het is goed de Here te loven, uw naam psalmen te zingen, o Allerhoogste

Die psalmist gaat zich nu bezighouden met Gods karakter, met zijn wer­ken, met zijn gedachten. Alleen nu is de vraag: Wanneer doet hij dat? Boven deze psalm staat: ‘Een lied voor de sabbatdag’. De opschriften boven de psalmen moet je niet overslaan, die zijn vaak heel betekenisvol. Psalm 92 werd dus op de sabbat gezongen. En dit is ook de enige psalm waar dit opschrift boven staat.

Als we deze psalm goed willen begrij­pen, moeten we dus in de eerste plaats een duidelijk begrip hebben van de sabbat. Op de sabbat moet je dus bezig zijn met het karakter van God, met zijn werken en met zijn gedachten. Wat is nu de geestelijke betekenis van de sabbat? In het Nieuwe Verbond is geen sprake meer van een bepaalde dag. Paulus zegt: de één stelt de ene dag boven de ander en een ander stelt alle dagen gelijk. Daar moet je geen ruzie over maken, dat is geen probleem. De Zevendedags Ad­ven­tisten denken daar natuurlijk anders over. Je kunt natuurlijk zeggen: die sabbat was iets van het Oude Verbond, maar dan moeten we wel gaan ontdekken: wat is nu de geestelijke zin van de sabbat. Welke geestelijke werkelijkheid bevindt zich achter de sab­bat. En de werkelijkheid is van Christus. Die sabbat bevat een geheimenis. De sabbat is ten diepste een uitbeelding van Gods karakter. God heeft de sabbat gegeven aan de mens om zijn ka­rakter te kunnen leren kennen.

  • Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer. Toen God op de ze­vende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de ze­vende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht. (Gen. 2:1-3)

De Statenvertaling vertaalt hier:

«Dat God geschapen had om het te volmaken».

Hier is dan voor het eerst sprake van de zevende dag als rustdag. Zeven is hier ook het getal van de volheid.

Een opmerkelijk punt is ook, dat de sabbat er dus reeds was vóór de zon­deval (Genesis 3). Je kunt de vraag stellen: waar werd Adam dan zo moe van, dat hij moest uitrusten, terwijl er nog geen zonde was. Je hebt vaak het idee: die rustdag was pas nodig na de zondeval; toen moest de mens immers in het zweet zijns aanschijns zijn brood verdie­nen?

  • Zwoegende zult gij daarvan eten (Gen.3:18)

De sabbat hoort dus bij de scheppingsorde, die hoort bij het schep­pings­werk. De sabbat is dus geen noodmaatregel voor vermoeide men­sen, maar het is een scheppingsprincipe. Jezus ging ook heel anders met de sabbat om dan de mensen in zijn tijd gewend waren. De haren van de Farizeeën rezen voortdurend ten berge. Jezus genas bij voorkeur zieken op sabbat.

Het is trouwens merkwaardig, dat de mensen, die door Jezus op de sab­bat werden genezen, allemaal chronische patiënten waren. Het waren geen acute gevallen. Als dat nu het geval was geweest, hadden de Fari­zee­ën en de Schriftgeleerden er misschien nog min of meer vrede mee kunnen hebben. Er is sprake van een man die al 38 jaar in Bethesda had gelegen. Daar was een vrouw, die al achttien jaar kromgebogen door het leven was ge­gaan. Verder een man met een verschrompelde hand, wat toch ook niet zo’n acute zaak was. Bovendien liepen ze ook nog aren te plukken op de sabbat. Dat was nou ook niet zo dringend. De discipelen hadden het best uitgehouden tot ‘s avonds zes uur, want dan was de sabbat al weer voorbij. Jezus nam echt wel zo nu en dan rust, maar kennelijk niet perse op de sabbat. Soms zegt Hij tegen zijn discipelen: Kom eens hier, en rust een weinig.

Waarom deed Hij dat nou niet een beetje tactvol, dat Hij zegt: Dat doen we dan maar op de sabbat, want dan houden de Farizeeën ook rust. Dan rijden we elkaar tenminste niet in de wielen. Je moet tenslotte toch ook een beetje geven en nemen. Je moet toch ook geen aanstoot geven. Als die mensen op dat punt nou gevoelig zijn, dan hoef je ze toch niet perse tegen de haren in te strijken? En toch gaat Jezus bij voorkeur uitgere­kend op de sabbat mensen genezen. We zagen dus, dat Adam al sabbat had, voordat er zonde was. In het pa­radijs hield hij al sabbat. De sabbat was voor God de zevende dag. En voor Adam was het de eerste dag van zijn leven. Als hij de eerste dag van zijn leven zijn ogen opslaat, zegt God niet: nou, eerst maar gauw aan het werk, nee, je eerste dag is een rustdag!

Zo hadden wij het nooit aangepakt; op die manier kweek je luie mensen.

Waarom laat God nu Adams leven beginnen met een rustdag?

Gods or­de is blijkbaar anders dan die van de natuurlijke mens. Het enige wat Adam tot op dat moment gedaan had was: ‘geschapen wor­den’. Daar word je nou niet zo verschrikkelijk moe van. Geschapen worden kun je lang volhouden; dat is een zeer ontspannende bezigheid. En daar begint God nu bij ons ook mee. God is bezig te scheppen in ons; Hij is bezig die nieuwe mens tot ontwikkeling te brengen: Laat Ons men­sen maken; dat is die zesde dag. En dan volgt daar meteen op bij de zevende dag: en God rustte; en dan mag Adam ook rusten. En dan de vraag: waarom? Waarom stelde God dit in en wat moest Adam die hele dag dan doen? En dan zien we het principe uit Psalm 92. Adam moest op de sabbat be­zig zijn met het karakter van God. Dan zie je, hoe belangrijk dat is. God zegt: jij moet eerst eens mijn karakter en mijn heerlijkheden en mijn we­zen en mijn gedachten indrinken. Daar moet je je eerst eens in verdie­pen, voordat je aan het werk kunt.

En dan krijgt Adam een drievoudige opdracht:

Adam was begonnen op de aardbodem en daarna wordt hij overge­plaatst in de hof. Dat was de tweede fase in zijn leven. En de Here God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren. (Gen. 2:15) Hij moet die hof bewerken, cultiveren. Ook moest hij de hof bewaren; je kunt ook vertalen: bewaken. Adam krijgt dus drie opdrachten:

1. Hij moet bewerken

2. Hij moet bewaken

3. Alle dieren moet hij namen geven

Je ziet hier dus, dat Adam creatief wondt; hij krijgt heel duidelijk een taak. De toekomst van het paradijs wordt in de handen van Adam ge­legd. God zegt: Ik heb die hof gemaakt en nu ben jij en verder verant­woordelijk voor. Jij moet die hof verder tot ontwikkeling brengen. Jij moet ook die hof beschermen tegen invloeden van buitenaf. Adam moest over de dieren regeren. Hij begint dus met in de zichtbare we­reld te regeren. Adam wordt creatief vanuit de sabbat. Hij kan zijn drievoudige opdracht vervullen vanuit de sabbat, waarmee hij zijn leven begint. Dat is Gods volg­orde: eerst de sabbat, en van daaruit de werken Gods doen. Eerst be­zig zijn met de gedachten en het karakter van God. Trouwens, het is ook geen wonder: Als je kersvers in zo’n geweldig stuk schepping wordt geplaatst, dan heb je eerst wel een dag nodig om eerst eens je ogen uit te kijken. Dan heb je wel even de tijd nodig, om al die heerlijkheden van God in je op te nemen.

Als Adam zijn geest daarmee gaat voeden en mee gaat vullen, wordt hij van daaruit bekwaam om medearbeider te worden in de hof. We zien dus, dat die sabbat een geestelijk principe is. Daarom komt dat in psalm 92 ook naar voren: het bezig zijn met Gods karakter en met zijn gedachten. Van daaruit wordt de mens ‘mens’!

Van daaruit wordt Adam tot ontwikkeling gebracht.

Adam en sabbat horen bij elkaar.

Zesde en zevende dag horen bij elkaar. Wij hebben vaak een wat statische indruk van de sabbat: rustdag, alles ligt stil, en gebeurt niets. Velen hebben vanuit hun jeugd ook minder prettige herinneringen aan de zondag, aan de rustdag. Aan die dag was vaak niet zo veel vreugde te beleven. De enige troost van de zondag was: hij is tijdelijk, ook dit gaat voorbij. Ook de Farizeeën hadden van de sabbat nou niet direct een fijne dag ge­maakt. Die hadden en ook een heel vertekend beeld van. De Farizeeën had­den er een eindeloos aantal uiterlijke bepalingen bij gemaakt. Het eni­ge wat je uiteindelijk nog mocht, was: stilzitten en kijken of een ander niet per ongeluk iets deed. Daar vulden ze dan meestal hun sabbat mee. Het is heel merkwaardig – dat lees je telkens in de evangeliën – dat als Jezus ergens met zijn disci­pelen was, de Farizeeën er ook prompt waren. Zo ver mochten ze op sabbat kennelijk wel lopen. De Farizeeën hadden van de sabbat een dag ge­maakt – alleen maar van veroordeling, van voortdurend kijken, of en niet iets fout ging. Het woord sabbat heeft eigenlijk twee betekenissen. En dan zie je dat het veel meer dynamisch is, dan alleen maar rust. Adam was trouwens he­le­maal niet zo verschrikkelijk aan rust toe. Maar hij was wel toe aan iets anders. Het woord sabbat heeft eigenlijk de twee betekenissen van ons woord vieren, namelijk: 

1. Feest vieren.

Daaraan zie je al, dat het bedoeld was als een vreugdevolle zaak.

2. De teugels vieren.

Dat betekent dus: een stuk ontspanning.

Ook hieraan zie je duidelijk, dat de sabbat een uitbeelding was van het karakter van God. God is ook ontspannen, God is niet krampachtig. God jakkert zijn programma niet af, maar Hij neemt en de tijd voor. 

  • De Israëlieten zullen de sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een altoosdurend verbond (Ex. 31:16)

De sabbat moest gevierd worden, dat is dus heel iets anders dan een juk, dat je wordt opgelegd.

  • Tussen Mij en de Israëlieten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept  (vers 17).

De sabbat was dus een teken! En een teken wijst altijd ergens heen. De vroegere vaderen, Calvijn en anderen, spraken dan over het teken en de betekenende zaak. Dat teken wees naar een bepaalde zaak heen. Bijvoorbeeld: de besnijdenis; deze wijst heen naar de besnijdenis van het hart, dat is de wedergeboorte. De offers in het Oude Verbond waren te­ke­nen die heen wezen naar de betekenende zaak: het offer van Jezus. Zo is ook de sabbat een teken. En de betekenende zaak was het karakter van God. De sabbat was een teken voor altoos. Het is een uitbeelding van een geestelijke werkelijkheid. «En op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept»

Is God dan wel eens buiten adem? Dat niet, maar dat beeldt wel iets uit. Het beeldt uit, dat God ontspannen is en dat God tijd neemt om te recre­eren. Dat woord recreatie betekent letterlijk: herschepping. God neemt dus tijd om adem te scheppen; God neemt tijd om de dingen eens te over­zien en te overdenken. God neemt als het ware de tijd om weer nieuwe inspiratie op te doen.

  • Zes dagen zult gij uw werk doen, maar op de zevende dag zult gij rusten, opdat uw rund en uw ezel uitrusten, en de zoon van uw slavin en de vreem­deling adem scheppen. (Ex. 23:12)

 Deze tekst heeft direct met het voorgaande te maken. Uit deze tekst kun je opmaken, hoe uniek die wetten zijn, die God geeft. God denkt aan de dieren; Hij houdt zijn hele schepping in het oog. Hieruit zie je ook de barmhartigheid van God. God jaagt niemand op. In deze tekst zie je weer dat woord ademscheppen, dat we ook zagen in 31:12. Hier wordt het dus gezegd over de zoon van de slavin en over de vreemdeling. Dat zijn dus de geringsten. En de vreemdeling was in heel het oude Oosten rechteloos, behalve in Israël; daar telden de vreem­de­lin­gen mee. En God zegt van die vreemdeling, dat hij adem mag schep­pen.

God schept immers ook adem; die vreemdeling wordt dus navolger van God. Dat is een geweldig geestelijk principe. Zelfs de vreemdeling, die in de wereld niet in tel is, die mag navolger worden van God. God zegt: Ik schep adem, dan mag de vreemdeling dat ook. Daar zit een diepgaand geestelijk principe achter. God zegt tegen de mens: Wat Ik doe, dat mag jij ook. Als Ik adem schep, mag jij het ook doen. Als God de schepping in zes dagen voltooid heeft, neemt Hij één dag spe­ciaal helemaal voor Adam. Zoals een goede vader, die af en toe een dag helemaal besteedt voor zijn zoon. God zegt: Ik ga adem scheppen, en Adam mag dat ook; dan hebben we een dag helemaal voor ons twee­en. Dat is het principe van de sabbat: God neemt tijd voor de mens. Hoe ging Jezus met de sabbat om?

  • En Hij ging wederom een synagoge binnen en daar was een MENS met een verschrompelde hand  (Marc. 3:1)

Drie keer wordt er in dit korte stukje gesproken van ‘een mens’.

«En Hij zeide tot de MENS».  (vers 3)

«Zeide Hij tot de MENS».  (vers 5). Er staat dus niet ‘de man’. Met nadruk wordt hij driemaal genoemd met ‘de mens’. In dit hele verhaal gaat het dus om de MENS. Het gaat om het herstel van de MENS.

  • En zij letten op Hem, of Hij hem op de sabbat genezen zou, om Hem te kun­nen aanklagen. (vers 2)

 Er werd dus goed OPGELET in die samenkomst.

  • En Hij zeide tot de mens met de verschrompelde hand: Kom in het midden staan. En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op de sabbat goed te doen of kwaad te doen, een leven te redden of te doden.  (vers 3 en 4)

Jezus stelt hier de kernvraag. Jezus zegt dus in feite: Er zijn op sabbat maar twee mogelijkheden: of je doet goed of je doet kwaad. Het is op­mer­kelijk, dat Jezus niet vraagt: Is het geoorloofd op de sabbat iets te doen of niets te doen? Het gaat er dus niet om, of je iets of niets doet, het gaat er om: doe je goed of kwaad! Het goeddoen heeft dus te maken met het scheppingswerk. Goed is een woord uit Genesis 1. Dat is het woord, dat maar driemaal in Marcus voor­komt. En hier dus uitgerekend in verband met de sabbat. Goeddoen betekent: de werken Gods doen. Dat zijn de werken, waarvan God zegt: Hij zag alles wat Hij gemaakt had en zie, het was (zeer) goed. Jezus zegt dus eigenlijk: Is het op de sabbat geoorloofd scheppend bezig te zijn of niet. En als je dat dan niet doet, dan is er maar één andere mo­gelijkheid: dan doe je kwaad! Als je alleen maar bezig bent met het let­ten op de ander, met kritiek in je hart, dan ben je bezig met het kwade te doen. En dan wordt die man genezen; uitgerekend op de sabbat. 

  • En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat. Alzo is de Zoon des mensen heer ook over de sabbat. (Marcus 2:27,28)

Dat is het BASIS—PRINCIPE. Sabbat en mens horen bij elkaar. Zesde dag en zevende dag. Adam en sabbat zijn onlosmakelijk met elkaar verbon­den. De sabbat is gemaakt om de mens.

En wat deed Jezus op de sabbat: Laat ons mensen maken. Jezus was op de sabbat voortdurend bezig met Genesis 1. Jezus was bezig het schep­pings­program van God af te werken. Jezus was bezig om op sabbat de MENS weer MENS te laten worden. Jezus was bezig met de ‘menswording van de mens’. Dat was uitein­de­lijk het doel van God. Dan wordt die mens weer ontspannen. De Fari­zee­ërs maakten er juist een krampachtige en gespannen zaak van.

De sabbat is er om de mens! Boven Johannes 5 staat: ‘Een genezing op sabbat’. Een genezing, en uitgerekend weer op de sabbat.

  • En daar was een man, die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was. (Joh. 5:5)

Achtendertig jaar lang, bijna veertig jaar lang. En veertig is het getal dat symbool staat voor een generatie. Er was bijna een generatie voorbijge­gaan en nog was de man ziek. En dan schijnt toch wel alle hoop vervlo­gen. 

  • Hem zag Jezus liggen en daar Hij wist, dat hij daar reeds lange tijd was, zeide Hij tot hem: Wilt gij gezond worden? De zieke antwoordde Hem: Here, ik heb geen mens om mij, zodra er beweging komt in het water, in het bad te werpen; en terwijl ik onderweg hen, daalt een ander vóór mij af.  (Johannes 5:6,7)

‘Heer, ik heb geen mens’. Een mens, die geen mens heeft. Een mens, die geen mens heeft. Een mens zonder mens is toch wel het meest trieste wat je kunt bedenken. Het is niet goed dat de mens alleen is, staat er al in Ge­ne­sis 1. Er liepen genoeg Farizeeërs, maar een waarachtig mens was zeldzaam. Daarom is dit de dag van zijn leven, want nu staat er eindelijk een mens voor hem. Voor hem staat de mens Gods.

  • Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw matras op en wandel. (vers 8

Letterlijk staat er in de grondtekst nog één woordje meer, dat hier in de vertaling helaas wegvertaald is: Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw matras op en wandel rond.

Maar dat is toch pure provocatie! Jezus zei niet: het is vandaag sabbat, mor­gen kom Ik terug om je te genezen. Die ene dag kan er toch ook nog wel bij. Achtendertig jaar plus één dag maakt dan toch ook niet meer uit. Jezus zegt ook niet tegen die man: Haal je matras nou maar morgen op. Hij zegt ook niet: neem nu maar de kortste weg naar huis, maar ‘wandel rond’. Ga maar eens fijn met dat matras paraderen. Achtendertig jaar heeft dat matras jóu gedragen, nou ga jij dat matras maar eens dragen. Op sabbat mocht je een bepaalde afstand afleggen, maar je mocht geen las­ten dragen. Later waren er zelfs bepalingen, die voorschreven hoe breed de rand van je hoed mocht zijn. Een te brede rand betekende im­mers, dat je een last droeg. Dat is dus pure uitdaging van Jezus. Laat het nu maar eens goed zien.

Dit moet weten iedereen.

Die man begint zijn nieuwe leven ook meteen met een con­flict. Hij heeft meteen onenigheid met de Farizeeërs. Die zeggen: weet je wel wat voor dag het vandaag is! Nou, zegt die man, ik heb voor het eerst in achten­dertig jaar weer sabbat! Ik ben de sabbat aan het vieren! Ik ben vrij van het juk! Nou kan ik mijn hoofd weer opheffen en ik kan mijn matras op­hef­fen. Jezus herstelt de sabbat naar zijn oorsprong. Die man moest hersteld wor­den, maar de sabbat moest ook hersteld worden. De sabbat wordt her­steld naar zijn geestelijke zin; de sabbat was er om de mens. Namelijk, opdat die mens tot ontplooiing zou kunnen komen, die man wordt weer creatief, die gaat zich ontwikkelen, die wordt weer ‘mens Gods’. Hij gaat zich verlustigen in de gedachten van zijn Schepper. De Farizeeërs snapten dat niet en zeiden: wat gebeurt hier! Zij keken al­leen maar met hun natuurlijke oog en zeiden: maar hier klopt iets niet! Dit is tegen de regels! Jezus brengt de oorspronkelijke betekenis van de sabbat terug. De sab­bat is er voor de mens, en op sabbat dient de mens weer uit de verf te ko­men. De mens krijgt weer tijd en gelegenheid om bezig te zijn met de gedachten van God. Deze man gaat adem scheppen, hij wordt een na­vol­ger Gods. Mens en adem scheppen horen bij elkaar. Adam en adem val­len eigenlijk samen. En dan komt er een heleboel kritiek van de Farizeeërs, maar Jezus ant­woordt dan:

  • Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.  (vers 17)

Wat doet God nou op de sabbat: werken of rusten? Hij doet goed. Dat is het geheim. God doet goed en Hij heeft tijd voor de mens. Jezus had op de sabbat tijd om de mens te herstellen. De Farizeeërs hadden geen tijd voor de mensen, die hadden alleen maar tijd voor alle regeltjes. Jezus heeft tijd voor de mens. Hij had tijd voor de mens die zei: Ik heb geen mens. De geestelijke betekenis van de sabbat is: de menswording van de mens, van de mens Gods. Ontspannen leven; in het Koninkrijk van God ont­span­nen worden. God zegt: Ik ben ook ontspannen; dan mogen jullie het ook zijn. Mens, je mag adem scheppen, dat doe Ik ook. Je mag weer nieuwe adem opdoen, je mag weer nieuwe inspiratie opdoen vanuit de Geest van God. Hij geeft adem, Hij geeft zijn Geest, Hij geeft zijn levens­adem. Zo wordt die mens ‘mens Gods’, doordat hij adem mag scheppen met God. In het Nieuwe Verbond heb je alle dagen sabbat.

  • Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn wer­ken, evenals God van de zijne. Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val kome door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen.  (Hebr. 4:10,11)

Terug naar het begin

  • In den beginne schiep God de hemel en de aarde(Gen. 1:1)

God is degene, die begint; niet de duivel. God gaat in den beginne de he­mel en de aarde, de zichtbare en de onzichtbare wereld tot stand bren­gen. In verband met dat scheppen van God zijn er een paar heel be­langrijke principes. Telkens wordt er in de Bijbel weer gesproken over God als Schepper. Met name komt dat in het boek Jesaja sterk naar voren. 

  • De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren.  (Gen. 1:2)

Je kunt misschien ook vertalen: «De aarde nu was woest en ledig geworden». Vers 2 is toch wel een zeer belangrijke tekst, ook in verband met het hele plan van God. Als we spreken over de schepping kunnen we meteen een lijn doortrekken naar de herschepping. Het is trouwens opvallend, hoe sterk de verbanden zijn tussen het begin van Genesis en het einde van het boek Openbaring.

In Genesis komen we in het begin de hof tegen, en aan het eind van Open­baring is er weer een hof. In Genesis zien we de boom des levens, en aan het eind van Openbaring zien we het geboomte des levens. In verband met de herschepping kun je dus heel wat leren uit het begin. Zoals het begin was, zo gaat ook het einde weer worden. Alleen al de titel van het boek is veelzeggend. Genesis betekent wording; het kan ook betekenen: geboorte. Dan zie je ook, in wat voor tijd we nu zitten. Je zou kunnen zeggen: we zitten in een Genesistijd, we zitten in een tijd van wor­ding, in een geboortetijd. In Openbaring is er ook weer sprake van een geboorte. Daar lezen we in Openbaring 12 van die vrouw, die het mannelijk kind gaat voortbrengen. Als God gedachten heeft, dan zijn dat altijd ‘Genesisgedachten’. God is in zijn gedachten altijd bezig met wording, met geboorte. Heel wat basis­principes van het Koninkrijk van God vind je terug in het boek Genesis. Wat dat betreft is het boek Genesis een uniek boek. Wat wordt er nu geboren? Dan moeten we het boek Genesis als één groot thema gaan beschouwen. Het boek Genesis is geen verzameling los­se verhalen. Op allerlei manieren heeft men vaak geprobeerd het boek Genesis op te splitsen. De theologen komen trouwens wat terug van dat ‘bron­­nen splitsen’.

HÈT thema van Genesis is: de wording van het volk van God. Hoe gaat dat volk van God tot aanzijn komen? Daar gaat het ook om in deze eindtijd. Ook nu gaat het om de wording van het volk van God. Nu kunnen we dat thema wat nauwkeuriger omschrijven: het gaat om de wording van het volk van God te midden van de volkeren. In Gene­sis draait eigenlijk alles om het ontstaan van het volk Israël. Vandaar ook, dat het hoogtepunt in het boek Genesis is, wanneer voor het eerst de naam Israël wordt genoemd. Dat is ook het hoogtepunt in het leven van Jakob. Alles in het boek Genesis is toegespitst naar dat stra­tegische mo­ment, als daar de naam Israël gegeven wordt. Voorlopig is dan het doel bereikt. Al het andere wat dan nog in het boek Genesis wordt beschreven, vormt dan het decor waartegen deze gebeurtenissen zich afspelen. Eerst moe­ten de coulissen gereed zijn. Daarom schiep God in den beginne de he­mel en de aarde. Dat doet God dus eigenlijk al met een bepaalde bedoe­ling. Dan heeft God dat volk al in zijn gedachten. Alle decors moeten klaar zijn, als de voorstelling begint. Als de decors gereed zijn, kunnen de hoofdfiguren op het podium te voorschijn komen. In Genesis 10 staat die lijst van al die volkeren. Die volken uit Genesis 10 vormen de achtergrond, waaruit het volk van God heel duidelijk te voor­schijn gaat treden. Uiteindelijk loopt dat boek Genesis uit op de ge­schiedenis van Jozef te midden van zijn broeders.

Daar heb je weer het beeld: het volk van God te midden van de volke­ren. Dat beeld zie je steeds weer terug in het boek Genesis. Dan zie je ook, dat het volk van God niet zomaar staat te midden van de volkeren, maar heel duidelijk ook met een bepaalde roeping. Jozef had ook een roeping voor de volkeren. Uiteindelijk geeft Jozef zijn broeders te eten. Ze hebben het aan Jozef te danken, dat ze nog in leven blijven. Wat dat betreft is Jozef een sleutelfiguur.

  • Toen Hij hongersnood opriep over het land en alle staf des broods verbrak, zond Hij een MAN voor hen uit(Ps. 105:16,17)

Daarin zit ook een geheimenis in verband met de gemeente. Ook in deze eindtijd gaat God weer een man vooruit zenden. Die man is de gemeen­te. Vaak wordt over de gemeente gesproken als de VROUW, maar in dit geval wordt het uitgebeeld als de MAN. In de Efeze-brief (4:13) staat ook, dat de gemeente gaat worden: een volwassen MAN. In onze verta­ling staat dan: ‘mannelijke rijpheid’, maar eigenlijk staat het net andersom: de gemeente zal worden ‘een rijpe MAN’.

De gemeente als verzameling van gelovigen moet dus één man worden, één mannelijke gestalte gaan vormen. Daar werkt God aan. Daar is God ook door heel het boek Genesis mee aan het werk, om die man te voor­schijn te brengen. Die man wordt dan vooruit gezonden, en die man is dan gereed alvorens die hongersnood uitbreekt, voordat die tijd komt van beproeving en verdrukking. God heeft een MAN gereed voordat die grote verdrukking komt. Die MAN Jozef wordt ook heel duidelijk vanuit de geestelijke wereld ge­reed gemaakt. In feite is zijn hele statuur gegrond op twee dromen. Jozef heeft jarenlang ‘geteerd’ op die twee dromen. Toen hij al die jaren in de zichtbare wereld niets meer had, hield hij die twee dromen vast. Genesis 1 is in feite een themahoofdstuk voor heel Genesis. Als je de lijn in Genesis 1 ziet, zie je hem voor heel Genesis; dan ga je ook de lijn zien van het hele eindtijdgebeuren. In Genesis 1 worden zeven scheppingsdagen genoemd, waarvan de ze­ven­de een rustdag was. Zeven is het getal van de volheid. Er is hier dus sprake van een afgerond tijdsbestek.

Op de eerste dag schiep God dus het licht en dan eindigt de schep­pings­periode op de zesde dag met de schepping van de mens. Het begint met licht en het eindigt met de mens. Zo werkt God ook nu. Als je weder­ge­boren wordt, krijg je licht, dan gaat het licht voor je op. Dan komt er schei­ding tussen licht en duisternis. Dan heb je je eerste dag.

  • Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag. (Gen. 1:5)

Letterlijk staat er: toen was het avond geweest en het was morgen ge­weest: één dag. In de eindtijd zal het ook weer worden: één dag. Dat staat ook in Zacharia 14:7: Ja, het zal één dag zijn. God begint in jouw leven door licht te geven. Maar God werkt toe – ook in ons leven – naar die zesde dag. Dan komt die ‘mens Gods’ te voor­schijn. Dat is die gestalte, die beeld en gelijkenis is van Hem. Dat is het hoogtepunt van de hele schepping. En dan kunnen we uitrusten, zegt God.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384682 bezoekers sinds 07-06-2010