De achtergronden van het Godsbeeld

31-05-2010 door Dr. K.D. Goverts

Als je over het Godsbeeld spreekt, of over godsbeelden, wat stel je je dan daarbij voor? Wat hebben mensen daarbij gedacht? Het Gods­beeld is vaak heel wezen­lijk voor wat je gelooft en ook voor je hele menszijn. Je kunt vaak zeggen: ‘Zeg mij hoe uw Godsbeeld is en ik zal zeggen hoe gij zijt’. Het Godsbeeld heeft enorm veel in­vloed ten goede of ten kwa­de. Een verkeerd Godsbeeld is ook vaak de achtergrond van veel pijn en van ver­borgen verdriet. Er zijn heel wat voorstellingen over God. En dan kun je je af­vra­gen: hoe kom je eraan? Of ook: hoe kom je eraf? Soms is het ook een gene­zings­pro­­ces, dat het beeld dat je van God hebt, héél wordt en dat het tot ge­ne­zing komt. God wil ons hierin ook nabij ko­men, want Hij is groter dan ons hart, groter dan al onze ge­dach­­­ten en beel­­den.

De Zoon heeft de Va­­der uitge­legd

«Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boe­zem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen».  Joh.1:18. Een poosje geleden las ik een klein fragment van Nico ter Linden, waarin hij zegt: “Als ik een pastoraal contact heb met mensen, dan vraag ik vaak: vertel nu eens, wat was je eerste ervaring met God. Wan­neer heb je voor het eerst over God gehoord en hoe. Wat was je eerste indruk ron­dom het woord, rondom het begrip God?” En dan ge­beurt het nog al eens, dat wanneer mensen teruggaan en hun eerste im­pressie, hun eerste indruk aangaande God gaan ver­­tellen, er heel wat boven komt. Waar denk je aan bij het woord God? Misschien aan een oude dorps­kerk met heel zijn sfeer er ron­d­om heen. Johannes 1:18 is het slot van de proloog van het Johannes-Evan­gelie. Die eer­ste 18 verzen worden op bovenstaande manier door Jo­han­nes sa­men­­­gevat. «De eniggeboren Zoon». Eigenlijk: «De enige Zoon, de unieke Zoon». «De boezem des Vaders».      

Of: «Schoot des Vaders».

«Die heeft Hem doen kennen». Dat is een heel unieke uitdrukking. Dit woord heeft een heel bre­de reik­wijd­te, dat kun je op verschillen­de manieren beluisteren. Hierin zit ons woord exe­gese. De Zoon heeft de Vader geëxe­ge­ti­seerd, de Zoon heeft de Va­­der uitge­legd. Dat is één mogelijkheid. Toen Jezus kwam, is Hij gaan uit­­­leg­gen wie de Vader is.

Hij heeft tekst en uitleg gegeven. De tekst was er al en toen kwam de uit­leg erbij. Gelukkig geen ‘korte verklaring’, maar een uitge­brei­­­de ver­kla­ring, een diep­­gaande verklaring. Een verklaring ook in de oor­spron­ke­lijke zin van het woord; een ver­klaring, dan wor­den de dingen helder ge­maakt, klaar en dui­delijk. Dat is dus het eer­ste aspect, Jezus heeft uit­ge­legd wie de Vader is. Er zit nog een tweede aspect in. Dat woord heeft ook te maken met: een weg laten zien. Jezus heeft de weg van de Vader getoond. En als je Jezus zag wande­len, wist je: zo is de weg van Vader, zo is de weg van de Eeuwige. In Hèm kreeg de Torah han­den en voeten, vlees en bloed. In Hèm werd de Torah een weg, een wan­delweg, een bewandelbare weg, een menselijke weg. Dat was die To­rah trouwens altijd al, maar in Jezus is dat nog meer versterkt naar vo­ren gekomen. Het derde aspect.Dr. F.de Graaff zegt dat zo mooi: dat woord betekent ook naar bui­ten brengen. Jezus heeft het wezen van de Vader naar buiten ge­­­bracht, ge­pre­senteerd, te voorschijn geroepen. Het wezen van de Vader werd in de ge­stalte van de Messias naar buiten ge­bracht. Vandaar ook dat Jo­han­nes in hetzelfde verband in vers 14 kan zeg­gen en dat is dan ook de ver­ruk­king over wat hij heeft mee­­ge­maakt: «Het Woord is vlees geworden».

De Torah is mensenbestaan geworden

«Het Woord is vlees geworden».  Joh.1:14. Je zou ook kunnen zeggen: de Torah is menselijke gestalte ge­wor­den. De Torah is mensenbestaan geworden. De Torah werd vlees en bloed, her­ken­­­baar. De Torah heeft zijn spoor getrokken op de aarde. Jezus was, om zo te zeg­gen, de wandelende Torah. Dus als we het we­zen van God willen leren ken­nen, kijken we naar die Ene, naar Je­zus. Hij is het wezen van God ten voeten uit. «En heeft onder ons gewoond». Joh.1:14. Letterlijk: «Het heeft onder ons zijn tent opgeslagen». Het heeft onder ons getent, getabernakeld.

Daar stond die ene tent te midden van al die andere tenten. In dat menselijke bestaan werd het hart van God, de tederheid van God zichtbaar. Een lied zegt:

Hoe dicht kwam Gij

ons met uw tederheid nabij.

Sommige dingen kun je het beste alleen maar zingen. Soms is zin­­gen beter dan uitleggen.

Herinneringen van een kind

Je eerste ervaring over God. Waar dacht je aan, toen je dat woord hoorde. ‘t Was Oma Jo, die mij van God vertelde. Een nacht dat ik bij haar sliep in de Olofspoort. En dat was het hoogste: liefde, naar zijn woord, geschiede… Slaap je al? De bedbank helde naar mijn kant over. In een hoek gerold lag ik te wachten tot zij zou gaan snurken. Toen stapte ik om haar heen, een trom­mel vol oublies at ik leeg, in het donker op mijn hurken, terwijl ik nadacht over God. “Het kwaad was tijdelijk”,wat zou zij daarmee bedoelen? De wekker tikte, ze­ker was het al laat. Maanlicht zat doodstil op de trijpen stoelen. Iets om ein­de­loos over door te denken, herinnering aan een logeerpartij bij Oma Jo. En Oma vertelde over God, ja, dat heb je soms met oma’s. Dat kan gebeu­ren, dat je bij je grootmoeder logeert, en die grootmoeder, ‘t is al avond, die ligt daar samen met haar kleindochtertje op de bedbank. Ze begint te ver­tellen over God. Misschien omdat ze het idee heeft, dat er thuis niet zo veel aan gebeurt. Dan denkt ze, want dat denken oma’s dan wel eens, laat ik het maar doen. Eens iets vertellen, mijn kleinkind moet toch wat weten. Oma’s, die hun klein­kinderen op het hart dragen en dan denken: wat zal ik tot het kind gaan zeggen. Herinnering van een kind. De trommel en de stoelbekleding suggereren een grote afstand in de tijd. ‘t Is heel lang gelden. Er valt iets voor te zeggen, dat die her­in­ne­ring na de dood van Oma is opgehaald, ‘t zou kunnen. Want heel wat jaren later gaat dat kind, dat inmiddels vrouw ge­wor­den is, terugden­ken. Hoe was dat vroeger, toen Oma er nog was. Want ‘Liefde’, dat heeft ze ont­houden en ‘zijn woord geschiede’. Verleden tijd; het was de tijd van de trij­pen stoelen en de oublies. Woor­­den als ‘obligaat’ en ‘vergeten’ klin­ken er on­gemerkt in mee. Ou­blies, oublier, vergeten. Een vergeten tijd, heel lang gele­den. Oma, zo­­als zij in de herinnering voortleeft, sober, maar uit dui­zen­den her­ken­baar, ge­tekend. Een oma zoals kinderen die graag heb­­ben, knus en ge­zien de bed­bank, klein behuisd. Anders dan thuis en toch vertrouwd. Oma is lief, zoals oma’s dat vaak zijn. Soms mag er thuis niet zo veel als daar. Alle strengheid is geïn­ves­teerd in pa­pa of mama. Lief vooral ook, omdat alle ver­halen en pro­gramma’s moei­­­te­loos kunnen worden omgebogen naar wat zoet en lekker is. ‘t Is maar één stap van God naar de koek­trommel. ‘t Klinkt zo onschuldig: “De nacht dat ik bij Oma sliep”, maar onder­­tus­sen…, want zeg nu zelf: geloof jij, dat Oma boos is als ze mor­gen ziet, dat de trom­mel leeg blijkt te zijn? Nou dan! Achteraf gezien was het de­ze oma, die mij van God vertelde. Thuis was het er nooit zo van geko­men. Als nie­mand het doet, zorgt Oma dat de schade wordt ingehaald. Rustig wacht ik tot de bui is overgetrokken, mijn kans komt nog. Het ver­­­­haal zelf is volkomen onbegrijpelijk. Want als je als kind het nu moet na­­­vertellen, want wat bedoelde Oma nu precies? Ja, ze zei iets over God: Hij was liefde en zijn woord geschiede. Kun je het begrijpen? Nee. Moet een kind dat allemaal kun­nen begrij­pen? Och, misschien hoeft dat ook niet. Begrijpen volwassenen het allemaal? Waarschijnlijk ook niet. Die eerste indruk kan toch heel belangrijk zijn. Oma valt straks vanzelf in slaap bij haar eigen verhaal. Al ver­tellend over God hoor je haar op een gegeven ogenblik snurken. God en Oma ho­­­ren bij elkaar. Later hoorde ik, dat zelfs haar naam naar God ver­wijst: Jo, Johannes, Jochanan, in zo veel bijbelse namen terug te vin­den. Wat wil je ook bij een huurhuis bij een poort, de Olofspoort, waar­door mensen van nu en van vroe­­­ger elkaar tegenkomen. Echt zo’n poort in de tijd tussen verleden en he­den. Ik luister maar half. Eerst God en dan de koek. Vreemd genoeg komt het verhaal in het donker terug, God en de oublies. Is er dan toch…. en wat zei Oma ook alweer… tijdelijk kwaad. Wat zou zij daarmee bedoelen, wat zou dat wezen: ‘het kwaad is tijde­lijk’? Overdag hoor je die wekker nooit. De wekker tikte, zeker, het was al laat. In het bleke maanlicht zien die stoe­len er echt eng uit.  Geen idee hoe laat het is, jij wel?

Naar een gedicht van Eva Gerlach.

Uit de bundel “Verder geen Leed”.

Een gedicht over God. Waar dacht je aan? Hierin kun je toch wel van jezelf iets her­ken­nen.

In de werkplaats van de schoenmaker

Ik denk, bij ons thuis, daar was het toch vaak wel wat streng, mis­schien zelfs op het grimmige af. De sfeer… een hoogste au­­to­ri­teit, die alles voor het zeg­gen had, die je ook niet na kon re­ke­nen. Soms toch wel een beet­je dreigend. Misschien bewust of on­be­wust een bepaalde angst. Wat hangt er boven je hoofd, je weet het niet of soms wel. En dan, als ik er­aan terugdenk, de va­kan­­ties bij Opa. Daar was het toch an­ders. Daar had je een gevoel van vei­ligheid. ‘t Was milder, niet zo streng, niet zo af­ge­meten, iets meer men­se­lijk. Weinig woorden en de sfeer deed het ‘m. Het klimaat was anders. Vakanties daar in dat verre Winschoten. Net als­­of daar toch iets was van de aan­we­zigheid van God zelf. Mis­schien wel. Achter­af gezien misschien meer dan ik toen kon bevroeden. Want daar in die werkplaats van de schoenmaker waren mensen, die er hun hele verhaal vertelden en er hun hart uitstortten. Ter­wijl de hamer ge­han­teerd werd en de zolen en hakken werden her­­steld, gebeurde er meer dan al­leen dàt. Mensen kwamen daar en vonden daar een luis­te­rend oor. Zo zelfs, dat Oma zei: ik be­grijp niet wat ze in jou zien, waar­om komen ze bij joù en vertellen ze hun hele heb­ben en houwen? Zou dáár iets in te vinden zijn, wat doorschijnend was, trans­pa­rant tot op God? Een schoenmakerswerkplaats, waar niet alleen schoe­­nen wer­den her­steld, maar waar misschien ook wel harten wer­­den hersteld. Waar mensen eindelijk op verhaal kwamen. Waar vind je God? Misschien wel tussen de zolen en de hakken.

Het godsbeeld, his­to­­risch en cultureel bepaald

En dan ontdek je, dat het godsbeeld vaak in de eerste plaats his­to­­risch is bepaald. In de tweede plaats is het misschien cultureel be­­­paald. En hoe kunnen die diverse factoren samengaan? Een mens is maar al te vaak kind van zijn tijd. Wat speelt er allemaal mee als je aan God denkt? Het kan vaak zo zijn als een stem die je hoort, maar met allerlei ge­ruis op de ach­tergrond.

In de eerste brief van Johannes vind je een ba­sistekst. «Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben, het­geen wij gezien hebben met onze (eigen) ogen, hetgeen wij aan­schouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens». 1 Joh.1:1 Hier is het alsof Johannes de balans gaat opmaken. De balans van wat hij gezien heeft en ervaren. De balans van misschien ook een lan­ge weg. Want soms is het een zwerftocht als mensen op zoek zijn naar het hart van God.

«Vanaf den beginne»

Beresjit…...

Dat is dat oer-Hebreeuwse woord, waar Genesis mee aanvangt.

Johannes zegt: ik ga terug naar het begin, naar het principe, het grond­­­be­ginsel, de oorsprong. Waar kom je vandaan? Daar begint de Bijbel ook mee. Iemand zei eens zo mooi: de Torah is het boek van onze oorsprong. Die vijf boeken van Mozes vormen het boek van je oorsprong. En als een mens weer teruggaat naar het begin, dan komt hij weer thuis. Dat is een hereniging, een herkenning. «Het leven toch is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en ver­kon­­digen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons ge­o­pen­baard is». 1 Joh.1:2. «Het eeuwige leven». Hierbij moet je bedenken, dat eeuwig leven altijd nu is. Dat is het leven van de ‘olam, het leven van de eeuw, het leven dat de eeuw verduurt. Het is het leven van de toekomst. Dat is de toe­komst, die je vanbinnen krijgt.

God, enkel licht

«Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, op­dat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben. En ónze gemeen­schap is met de Va­der en met zijn Zoon Jezus Christus. En deze din­gen schrijven wij, op­dat onze blijdschap volkomen zij. En dit is de verkondiging, (sommige hand­schriften zeggen: dit is de belofte) die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen:  God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis» 1 Joh.1:3-5. Je kunt ook zeggen: God is goed! Enkel goed!! Goed, dat is God op het hart geschreven. Daarom staat er ook meteen op de eerste bladzijde van de Bijbel ze­­­­­ven keer het woord tov. En God zag: het was goed. En de ze­ven­de keer: “Het was goed ten zeerste”. «Doe mij toch uw heerlijkheid zien». Ex.33:18 Dat vraagt Mozes aan God. En dat vraagt hij pal na de ge­schie­de­nis met het gouden kalf. Doe mij toch uw lichtglans zien. En dan is het ant­woord van God:

 «Ik zal mijn luister aan u doen voorbijgaan».  Ex.33:19.

In de Hebreeuwse tekst staat: «Ik zal al mijn goedheid aan u laten voor­­bij­gaan». God is enkel goed, enkel licht. Duisternis is er in Hem niet. Dat is op zich al een uitspraak met heel vèrstrekkende conse­quen­ties. Het kwaad komt niet bij God vandaan. Hij is niet een God met een dubbel aan­ge­zicht. God is één. God is onverdeeld, Hij heeft één hart, één plan, één doel. Hij houdt niet een slag om de arm.   

God enkel licht,

voor wiens gezicht

niets zuiver wordt bevonden.

Dit lied begint zo mooi, maar dan is het zo jammer, dat het met­een in de vol­gende regels weer ontspoort. Men heeft dan meteen de ge­dachte in­ge­vuld: als Hij dan enkel licht is, is de rest zeker en­­­kel duisternis. Dat geeft dit lied dan ook meteen een dreigende la­­­­ding. Een lied geboren uit het hart, maar ingevuld vanuit een be­­­­­paald beeld, een bepaalde beeld­vor­ming. Als Hij enkel licht is, dan is dat in die gedachtegang onheilspellend. Jezus heeft de Vader laten zien. Jezus heeft het hart van de Vader dicht­­bij gebracht. Geen dreigement, maar een uitnodiging: kom maar! Komt allen tot Mij. Komt tot Mij, als je vermoeid en beladen bent. Mensen zijn zo vaak zwaar belast, kom maar, Ik zal je rust geven, Ik zal je sjabbath geven, verademing. Je mag weer op adem komen. Je zou boven de hele Bijbel drie woorden kunnen zetten:

God is anders !

Voorbij al die godsbeelden vind je Hèm

Vaak moet je allerlei godsbeelden voorbij. Zoals Gerrit Achterberg zegt: voorbij de laatste stad. Zoals die bruid in het Hooglied, die de wachters voorbij gaat. En als ze al de wachters gepasseerd is, die haar haar klederen willen af­­­pakken, dan voorbij de wachters vindt ze de bruidegom. Dat is ook vaak de weg voor òns. Soms moet je al die wachters voor­­bij. En vul voor die wachters maar in: allerlei dogma’s, allerlei leer­stellingen en wellicht ook mensen, die die dogma’s vertegen­woor­digen. En voorbij al die wachters, voorbij al die dogma’s vind je Hèm. Voorbij dat laatste sta­tion, waar al die wachters staan, die proberen om de mens te blok­ke­ren en tegen te houden, voor­bij dat laatste station, daar woont Hijzelf, daar wordt zijn heil ver­kre­gen en leven tot in eeuwigheid. Voorbij al die angsten. Die godsbeelden zijn vaak geladen met angst. De mens moet zien te ont­ko­men aan al die beelden, die vaak zo dreigend zijn.

De dubbele uit­verkiezing

Zo ongeveer bij Augustinus, een kerkvader uit de vierde eeuw, ligt het be­gin van de leer van de zogenaamde dubbele predes­tinatie, de dubbele uit­verkiezing. Dat is vaak een heel grimmige leer ge­wor­­den. Er zijn heel wat mensen en gemeenten, die hun hele le­ven lang gebukt gaan onder dit godsbeeld. Er zijn er ook, die er niet meer onder gebukt gaan en van­daar uit terechtkomen in een to­­tale berusting. Laat dan maar, als God dan zo is….Augustinus leerde dus die dubbele verkiezing ten leven en ten do­de. Deze gedachten zijn omstreeks het jaar 800 verder uitgewerkt door een monnik, Gottschalk genaamd. Bij Calvijn komt het ook weer heel sterk terug.

Godsbeelden, projecties vanuit het bestaan

In de populaire gedach­te­gang is Calvijn de grote vertegenwoor­di­ger ge­wor­den van dit gods­beeld. En dan denk je: is er een be­paal­de voe­dings­bo­dem voor deze gedachten? Komt dat ergens van­daan? Heel vaak komen gods­beelden niet zomaar uit de lucht val­len. Heel veel godsbeelden zijn ook niet bedacht in een studeer­ka­mer. Ze zijn vaak geboren vanuit de praktijk, vaak ook vanuit de pijn van het leven. Cultureel bepaald, cultureel-historisch beïn­vloed. De mens stáát ergens in het leven op het veld van de tijd, en wat er­vaart hij daar? Hoe ervaart de mens het bestaan, hoe beleef je de dingen? Bij een godsbeeld is toch ook vaak een heel stuk projectie. Wat je voelt, wat je ervaart, projecteer je op de een of andere manier terug op God. Beelden, geboren vanuit het le­ven. Vaak is het ook een wisselwerking.

De Farao, top van de piramide

Hoe hebben ze bijvoorbeeld in de tijd van Mozes gedacht over God? Ze heb­ben daar die Farao meegemaakt. Hoog verheven zat hij daar als macht­hebber op zijn troon, regerend vaak als een des­­poot. Zodra de Fa­ra­o begon te regeren, werden duizenden ar­bei­­ders aan het werk gezet om een piramide voor hem te bouwen. In die piramide zou de Farao na zijn dood eeuwig voortleven. Er werd dus gewerkt aan het voortbestaan van deze machtige vorst. Al die arbeiders waren voort­durend bezig met het hiernamaals van die ene. Zo kun je je ook voorstellen, dat de men­sen gedacht heb­ben: zo is God ook, zoals de Farao zit op zijn troon. Hij werd ook de zoon van de Zonnegod genoemd, de zoon van Re. Hij zag zich­zelf als de zoon van de goden, hij vertegenwoordigde de on­zien­­lij­ke wereld. Dus als die arbeiders wilden zien hoe God was, dan ke­ken ze naar de Fa­rao. En dan dachten ze: zo is hij! De Farao beschikte over leven en dood. Hij hoefde maar met zijn vin­­gers te knippen, of mensen werden op­­geschreven ten leven of ten dode. De Farao had het voor het zeggen. Als de Farao zegt in het begin van het boek Exodus, dat al die kinderen in de Nijl moeten ver­dwij­­­nen, gebeurt dat ook. Zijn woord was wet en zijn wil werd niet te­­genge­sproken. Toch was er in Egypte een heel diep religieus besef. Mensen wa­­ren heel diep op zoek naar de zin van het leven. Het gaat er dus niet om om heel die Egyptische cultuur af te kraken en zonder meer te zeggen dat het alleen maar duisternis was. Daar waren on­­getwij­feld oprechte men­sen, die ernstig hebben gezocht. Hun gods­­beeld werd be­paald door de structuur van de maatschappij.

De Farao stond aan de top en de piramide en daar was hij ook een beeld van. De sa­menleving werd gesymboliseerd door een pi­ra­mi­de. Alles liep uit op één punt, op één hoogte. Onderaan werk­ten al die ar­beiders en waren hun hele leven bezig voor die éne aan de top. En keihard wer­ken mòes­ten ze: stenen bakken en stro ver­zamelen. Ze hadden maar één keer in de tien dagen een dag vrij, geen sjab­bath, maar één keer in de tien dagen een dag rust. Zo moesten ze keihard be­zig zijn, kromliggen voor die ene. Dat de Farao mag le­ven in eeuwigheid! En in hèm leven wij voort…De Farao zal de dood overwinnen, zoals de zon de nacht overwint. De ar­bei­der was klein en de Farao was groot. Je kunt je voorstellen dat dit een stempel heeft gezet op het den­ken van heel wat mensen, hun denken ook over God. Martin Bu­ber heeft dat zo mooi ge­zegd: elke cultuur wordt bepaald door dé­ze vraag: hoe zie je God en hoe zie je dan het leven? En dan zet hij twee beelden naast elkaar.

Piramide of kampvuur

Egyp­te werd gesymboliseerd door de pira­mi­de. De Israëlieten wa­ren van­ouds no­maden, die rondtrokken met hun kudde en overal op zoek gingen naar wei­degronden, gras voor de schapen. Ze wa­ren herders vanaf de tijd van Abraham. Zo zijn ze vanaf oeroude tijden begonnen, steeds maar bezig om le­ven te zoeken voor de schapen en de lammetjes, aan­dacht voor het kleine, aandacht voor het zwakke. Zo werd het symbool voor Is­raël het kampvuur. Nomaden bouwen geen piramides, maar bou­wen een kampvuur. ‘s Avonds zitten de herders rondom het kamp­­vuur, daar is geen top, maar daar is een kring. Als ze rond­om het vuur zitten, kan iedereen bijschikken en zich war­men. Bij het kamp­­vuur komen de verhalen los; herders leven van verha­len. Israël, het volk van het kampvuur, het volk van de verhalen. Een van de oudste afbeeldingen van een koning in het oude Oos­ten was dat van een herder met een schaap op zijn schouders. Dan begrijp je ook, dat wanneer God Zich aan Mozes gaat open­ba­ren in de woestijn van Midian, dat in een vuur gebeurt, een kamp­­­­vuur. Een klein struikje, dat in brand staat, maar door het vuur niet wordt ver­teerd; het brandende braambos. Later staat daar een heel volk bij de berg en ze zien het vuur, bron van warm­te en gloed. Soms moet je door al die beelden heen om bij dat vuur te komen dat verwarmt, om te komen bij die gloed, die je hart in vlam zet.

Want ‘t einde is in uwe hand

Door uwe donk’re sluier heen

zoekt U mijn hart met zijn gebeên.

O eeuwige bron van al wat is,

o groot, o diep geheimenis.

 

Gelijk een bloem naar zonnegloed

zo neigt mijn ziel naar ‘t hoogste goed;

ze is voor altijd aan U geboeid,

o liefde, die het al doorgloeit.

 

De vonk die God aan U ontsprong,

en diep in mijne ziele drong,

die bron van mijne reinste lust

blijft gloeien en wordt nooit geblust.

 

Dat is er, die me aan U ontrukt,

uw merk, mijn ziele ingedrukt.

Uw zegel in de edelsteen

wijst altijd naar haar oorsprong heen.

 

Gelijk aan’t verre vreemde strand

gedachten gaan naar ‘t vaderland,

zo midden in dit aards gewoel

vraagt mijne ziel naar ‘t eeuwig doel.

 

 De draad, die in de donkerheid

mij door des doolhofs gangen leidt,

brengt mij tot U, Gij trekt, Gij spant,

want ‘t einde is in uwe hand.

 

In ‘s levens droom en schemerschijn

Houdt mij omklemd, o eeuwig zijn.

Wees in de schaduw van de tijd

mijn licht, o liefdes werkelijkheid.

Een prachtig lied.

Oorspronkelijk stond het in de bundel van de Nederlandse Pro­tes­tan­­tenbond. Het is geschreven door Johannes Helder, die ooit pre­­­dikant was in Zierikzee en die het daar meer dan vijftig jaar heeft uitge­zongen. Hij leefde van 1834-1933; in Zierikzee kun je oud worden. Soms moet je inderdaad door een sluier heen, door een donkere sluier. Dat is ook vaak de vraag, het zoeken, de worsteling, dat wij mensen soms zo tegen die sluier aankijken. Dóór die sluier heen ga je God zoeken. Hij is de bron van al wat is, geheimenis, verborgen. Die liefde doorgloeit alles. Deze dichter heeft er heel veel van begrepen. Mijn ziel is voor eeuwig gehecht aan U.Dit lied is ook later overgenomen in het Liedboek van de Kerken, maar het derde couplet hebben ze toen weggelaten. Die vonk die van­uit Hèm komt in jouw hart, wordt nooit geblust. Zo is het bij Mo­zes toen ook ge­gaan, toen hij daar gestaan heeft bij het bran­den­de braambos. Die vonk is bij Mozes ook nooit meer uitgegaan, on­uitblusbaar vuur!

Uw zegel in de edelsteen

wijst altijd naar haar oorsprong heen.

Er is een draad in het doolhof

Deze man heeft het vertolkt.

Je godsbeeld hangt weer samen en heeft weer invloed op je mens­beeld. Elk mens een edelsteen! Wat komt er uit een negatief godsbeeld ook niet een heel stuk ver­wer­­ping, zelfverwerping; jijbent ook niks, je bent eigenlijk maar waar­de­loos; waarom ben je er eigenlijk !

Er is een draad in het doolhof. Soms is het leven net een doolhof. Je gaat door al die gangen en door heel dat doolhof heen, door al die mysteriën en raad­sels van het leven. Maar er is een draad door al die gangen. Hij trekt, Hij spant. God blijft trekken, net zolang tot Hij jou heeft, net zolang tot je ge­­von­den wordt. In de schaduw van de tijd. Dat is vaak het punt. De dichter begint met die don­ke­­re sluier en eindigt met de schaduw van de tijd. Wij als mensen zitten daar vaak tussen. Doordat er allerlei scha­duwen val­len vanuit de tijd, heb je vaak maar ten dele zicht op de werkelijk­heid. Je ziet al die feiten, maar de mens wordt vaak neergeslagen door de feiten. Je gaat proberen om vanuit de feiten te beden­ken wie God is. De fei­ten brengen je echter vaak niet bij God. Er kun­nen allerlei feiten op je af ko­men, rampen, ge­weld. En dan vraag je je misschien af: hoe ìs God dan, àch­ter die feiten? Achter al die feiten is Hij.

God is geen toeschouwer

Ik ben! 

Zo sprak God tot Mozes in Exodus 3:14. Daar staat Mozes met die vraag: hoe is uw naam? Dat is ook de vraag, die Israël steeds weer gesteld heeft in tijden van donkerheid en ballingschap. Die donkere sluier is ook vaak de ballingschap. Ze hebben toen gevraagd: hoe is nu zijn naam?

Ik ben die Ik ben. Ik zal er zijn, concreet.

Ik zal er zijn voor jou. Ik ben er bij; Ik ben er bij betrokken. Immanuël – God met ons. Deze God is in ieder geval één ding niet, Hij is geen toeschouwer. Hij is niet een God op afstand, steriel en onbewogen. Misschien ligt daar ook een belangrijk punt voor genezing, want het Griekse den­ken is vaak heel statisch. Het Hebreeuwse denken is meer dy­na­misch.

God ge­beurt!

Enige tijd geleden had ‘De Tijd’ (de vroegere ‘Haagse Post’) een heel num­mer gewijd aan God. God blijkt weer in te zijn. Er is een tijd ge­weest dat er in veel kringen niet meer over God werd ge­spro­ken. Zelfs de N.R.C. schrijft weer over God, dat is ook wel eens an­ders geweest. In dat nummer van ‘De Tijd’ was een interview op­ge­­nomen met A.van Nieuwpoort, maatschappelijk me­dewerker aan de uni­­versiteit van Amsterdam. Er werden hem een aantal vragen ge­steld over God.

Op een gegeven ogenblik kwam daar de vraag: kun je zeg­­gen, dat God bestaat? Hij geeft dan ant­woord helemaal vanuit het He­­breeuwse denken, als hij zegt: God ge­beurt! Op het moment, dat God zich bekend- maakt, dat Hij toe­nadering zoekt tot de mensen, dat Hij zijn hart laat zien, op dàt moment gaat God gebeuren. Dat interview is zó in­geslagen, dat de auteur daarop van drie uit­gevers het verzoek heeft gekregen om daar een boek over te schrij­­­­ven. Blijkbaar is er weer ‘vraag naar God’. Diep in het hart van elk mens is dat verborgen heimwee. Heimwee naar Hem, o Hem te kennen, hoe zou Hij zijn. Laat mij gaan, Heer geef mij vleugels, dat ik rijs, voorbij die sluier, om te gaan ontdekken hoe Hij is.

Met voorbijzien van de tijden der on­we­tend­heid

«God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der on­we­tend­heid, he­den aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moe­ten komen». Hand.17:30 Daar zie je iets van de barmhartigheid van God, dat Hij die tijden van on­wetendheid voorbijziet, dat Hij de mens daarop niet veroor­deelt. God ziet daar overheen. Hij verkondigt aan de mensen, dat ze allen overal zul­len omkeren, veranderen van denken, dat ze bij Hem terug zul­­len komen, terug tot hun oorsprong. Mensen zitten soms middenin de tijden der on­wetendheid. Om dan te komen tot het kennen van Hèm!

«Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de HERE ken­nen». Hosea 2:19

Dat is kennen met het hart, dat is één zijn mèt.

Dan komt de mens vanuit die hunkering tot Hèm, dan kan hij zeg­gen: eindelijk gekend! In de schaduw van de tijd, in het licht van de eeuwigheid, het eeuwig nu. In een gemeenteblad las ik een paar uitspraken van kinderen. En één van die uitspraken was toch wel heel treffend. Bart: ‘Beste God, hoe wist U eigenlijk, dat U God bent?’ Ook heb ik wel eens de vraag van een kind gehoord: Waar is Gòd nou vandaan gekomen? Ja, hoe is God begonnen, voordat al die godsbeelden er waren. Beelden, die mensen soms zo bang kunnen maken. Vooral als je komt bij heel dat complex van de uitverkiezing. En hoe kom je voor­bij die angst? En dat kan soms heel diep liggen, want godsbeelden zijn meestal niet alleen een zaak van het hoofd, maar ook van het hart.

Het dogma en de ervaring

En bij dat godsbeeld zie je vaak twee takken. Je zou kunnen spre­ken van een boom met twee hoofdtakken. De ene tak is de tak van het dogma en de andere tak is de tak van de ervaring. Je hebt de leer en je hebt de ervaring, en die spelen op elkaar in. Soms kun­nen ze elkaar niet altijd bijhouden, soms loopt de een harder dan de an­der. En soms, dat heb je dan gelukkig ook nog wel, is het hart sterker dan de leer. Dan kun je dus ook nog hebben, dat men­sen hun hele leven gebukt gaan on­der een leer en op een be­paald moment toch nog boven die leer uit­stijgen. Dat ligt een beet­je in de sfeer van dat lied:

Over bergen en door dalen

U tegemoet gesneld.

Dan ga je over al die dogma’s en leringen heen.

We zouden het land zien van ons hart.

Dan kom je er bovenuit.

Maar die angst kan soms heel diep zitten.

Soms lijken dat net twee lagen.

Daar heb je de laag die vervangen wordt. Je krijgt een nieuw gods­­­beeld. Je gaat ontdekken, dat God barmhartig is, be­trouw­­baar en goed. Je ont­dekt ook dat je niet bang hoeft te zijn. Dat ou­de beeld kan heel lang door­werken. Zo was er een predikant, die uit een gemeente kwam, waar elke ker­­­ken­raads­vergadering een verschrikking was. Toen hij in zijn vol­gen­de ge­meen­te kwam, moest de ouderling af en toe tegen hem zeg­gen: dominee, als we vanavond vergadering hebben, hoeft u echt niet bang te zijn. Hij zat dan te trillen van de zenuwen op zijn stoel. Soms krijg je dus in de bo­venlaag dat nieuwe beeld en in de onderlaag werkt dat oude beeld nog door. Dan zit de mens als het ware met twee aardlagen in zijn hart. Je hebt de bo­ven­laag, waar dat nieuwe gods­beeld wordt aangebracht, maar dan heb je die onderlaag, waar nog de fossielen van dat oude beeld zit­­ten, versteend. En het kost soms heel wat tijd om van dat oude den­ken te genezen. Dan moet je soms net doen zoals er staat in: «Maar ik zal in gerechtigheid uw aangezicht aanschouwen, en bij het ontwaken mij verzadigen met uw beeld».   Ps.17:15 Net zolang dat nieuwe godsbeeld indrinken, tot het gaat zakken in je hart. Dat is een genezingsproces, waarbij je soms over een dood punt heen moet.

Komaf

Vertoeven in familie voor een keer,

Wij zitten om de tafel bij elkaar.

Hetzelfde woordgebruik en handgebaar

Komen nog altijd op hetzelfde neer.

Ik mag wel oppassen, of ‘ben al weer geworteld’,

en voortdurend in gevaar

dupe te worden van de evenaar,

die alles afweegt op een vast ‘weleer’.   (Gerrit Achterberg)

Waar is de komaf van je hart.

Je zit zo weer in de familie.

Je krijgt weer die oude waarheden over je heen.

Het is weer allemaal afgepast en afgemeten. Je bent weer in gevaar, dat je weer terug bent bij af. Dat oude beeld komt weer boven. Die angst zit daar nog ergens en die schuift daar onderdoor als een soort kruipend gedierte. Ik zal mij verzadigen met uw beeld… Bij God zíjn. Tot je hart warm wordt. Dat heeft soms veel tijd nodig. Je mag jezelf die tijd ook gunnen. Tijd om te genezen. Dat oude godsbeeld stukje bij beetje uit je hart zien te krij­gen, als wortels die moeten worden uitgegraven en uit­­­geroeid. Soms is het net als onkruid, je denkt dat je het uit je tuin hebt, maar die wortels zit­ten vaak zo vertakt…

Het godsbeeld in de Mid­del­­eeuwen

We zeiden, dat het oude godsbeeld bij Augustinus vandaan komt.

Waar en wanneer is het vooral gaan wortelen?

Dat gebeurde in de Mid­del­­eeuwen. We zullen eens enkele dingen citeren van wat naar mijn idee een prach­­­ti­ge beschrijving is van dat Middeleeuwse denken en voelen, beschreven door Henry v.d.Berg v.Eijsinga. Hij was ooit Her­vormd predikant in Stiens en later in Zutphen. Hij schreef een prach­tig boek: “De Ziel der Mens­heid”. Hierin gaat hij over de Mid­deleeuwen spreken. “Als wij in dit tweede deel de Middeleeuwen binnengaan, de Mid­del­eeu­wen van het Westen, dan is hier voor ons een in zichzelf ge­schei­den we­reld….” We horen hier de taal van 1915. Hij schrijft heel ontroerend, ook heel po­ë­tisch. Je hoort hier de taal van een generatie terug. Het is toch wel mooi, want dan ga je zien dat het veel wijdser en groter is dan de vraag van nu. Ze hebben daar al zo lang mee ge­wor­steld. En dan voel je je ook ver­bonden met al die generaties voor ons.

“Een in zichzelf gescheiden wereld”….

Daar heb je meteen het hele probleem, dat die wereld in zichzelf ge­­sple­ten was. En dat herken je vandaag ook nog. Mensen krijgen vaak hun gods­beeld vanuit een gespleten en gesplitste wereld. Die gespletenheid zit vanbinnen, de gespletenheid van het hart. Van­daar dat Psalm 86 zegt: «Verenig mijn hart». “Een wereld van contrasten, van diepe schaduw, van zuiver schitterend licht. En dan hebben we het over het Germaan­se oervolk, dat in zich borg de wil…”

Dat Germaanse oervolk waren mensen van de wil. Dan ga je dus een beet­je in op de wortels van onze beschaving. Dan ga je ook een beetje be­grijpen, hoe Europa geworden is, hoe Neder­land ge­wor­den is. Waar komt dat dat ultra-Calvinisme nou vandaan. Het lijkt soms wel, of dat ook iets typisch Nederlands is. In het zui­den, zoals Spanje en Italië heeft het nooit wortel kunnen schieten. Die Germanen hadden de wil. Dat Germaanse oervolk, dat trots de tragiek der dingen sterk stond in de le­vens­strijd. De Germanen hadden de tragiek ervaren van het leven en toch ston­­­den ze sterk. “Maar toen kwam over dat Germaanse oervolk een oosterse cultuur, die in zich verzameld heeft het beste van het Hellenisme.” Dan krijg je dus die combinatie als de Romeinen komen. Die com­bi­na­tie van Germaans en Grieks denken. De Griekse cultuur, het Hel­le­nisme komt daarover heen. “Terwijl de rijken (de koninkrijken), waar de oude mythe is geboren zijn ge­­val­­len met het Griekenland van kunst en wetenschap, met het Rome van politiek en recht.” De Grieken brachten de kunst en de wetenschap. De Romeinen brach­­ten politiek en recht; we hebben nog steeds het Romeinse recht. Van de Grie­ken hebben we de wetenschap en de kunst ge­erfd. En van de Ro­meinen hebben we de politiek en het recht ge­erfd. Het Griek­se rijk was gevallen en het Romeinse rijk valt ook. “En dan wordt op de grond van het Germaanse wezen ge­sticht een nieu­we bouw. En het verbaast ons niet, dat daar ontstond een tweespalt, die eerst op de duur zich opheft tot verzoening.”

Hoe krijg je die tweespalt nu weer heel?

Hoe maak je daar weer één geheel van?

“Alles was anders geworden sinds Homerus zòng; dat waren de Grieken met hun schoon­­heid, de mèns was ontdekt. En het was niet de mens meer van de hoogste fantasie, van het schone, maar het was de mens van de er­va­ring, de zoeker, de geplaagde, de door­wonde. Voorbereid door Prome­theus, die was vastgeklonken aan een rots, door He­ra­cles, de rusteloze zwoe­ger, door de zwer­­ver Odysseus, maar ook door de lij­den­de mens, de mens met zijn pijn en zijn tranen, de mens van Jesaja en Job. Wat komt daar dan uit voort? In het nuchtere Romeinse rijk wordt deze visie dan het erfgoed van een kerk. Er komt een eenheid, een alomvattende, een ka­tholieke eenheid. Maar dat wil dan ook zeggen: een overwinning van het betrekkelijke vul­gaire.” Iedereen wordt lid van de kerk in de Middeleeuwen. Je krijgt een staats­kerk vanaf Constantijn de Grote. En wat is het resultaat als je een staats­kerk krijgt? Dan krijg je de massa. Ze worden ook inder­daad en mas­se lid van de kerk. Vanaf Constantijn de Grote moet je ook in­der­daad lid van de kerk zijn om een ambt te kunnen bekleden in de staat. De mensen la­ten zich dus bij honderden, bij duizenden dopen. Soms wor­den ze zelfs gedwòngen gedoopt in de Middeleeuwen. Je hebt geen keus, je moet toch ergens bij horen en je wilt toch brood op de plank? En als je er niet bij hoort, heb je ook geen in­komen. Het is trou­wens nog niet zo heel lang geleden, dat dit een rol speelde. Soms wer­den de men­sen lid van de kerk om, als ze in armoede terecht- kwa­men, toch nog bij de diakonie te kunnen aanklop­pen. Wat een verheven argument: ik wil ook lid worden, want je kunt nooit we­ten. Een vader zei tegen zijn zoon, die theologie wilde gaan studeren: dat zou ik niet doen, want dan heb je je hele leven met kruide­niers te maken. Dat was zijn visie op het Christendom, allemaal krui­deniers, de massa. En zo komt daar dus die eenheid tussen kerk en staat. “De letter zegeviert en het begrip wordt prijsgegeven”.

Waar blijft het begrip? Begrijp je wat je leest, begrijp je wat je hoort? Och nee, en tot in deze tijd kun je dat nog tegenkomen. In een verhaal over Brabant, gaat het over Breurke van Nimwegen, die daar in een dorpje woonde. Breurke was een heilig mens. En dan zeiden de mensen: ja, wij kunnen niet bidden, dat is veel te moei­lijk, maar wij gaan af en toe wel naar Breurke, die zal wel voor ons bidden, die begrijpt het wel. Het begrip is dan veel te moeilijk. Och ja, God is ook veel te moei­lijk voor gewone mensen. Maar dan ga je maar naar meneer pastoor of je gaat naar de do­mi­nee. Dominee zal het wel weten, die heeft er toch voor ge­leerd! En in de Achterhoek zeiden ze dan: dominee, wilt u even mooi bid­­den over het kindje?

En dan kun je de uitspraak horen: met begrijpen zal ‘t niet gaan, neem het onbegrepen aan….

Lever je verstand maar in, want dat is allemaal veel te zwaar voor jou. En bovendien: die mens had vaak ook geen tijd om te den­ken. Het werk was hard in de veenkoloniën en op het boerenland. Zes da­gen zwoegen. Je enige afleiding was dan, dat je op zon­dag­mor­gen een uur of anderhalf ging lopen naar de kerk. Radio en TV waren er niet en ander amusement was ook niet aan­we­zig. En dat naar de kerk gaan, anderhalf uur heen en an­der­half uur terug, was je enige ontspanning naast al dat zwoegen.

“Het begrip wordt prijsgegeven. Voor de oude symboliek treedt op het pro­za, als men aanvaardt als feit wat dichterlijk ge­duid had de god­de­lij­ke idee.” Dus oorspronkelijk waren daar de gedachten van God, daar was het lied, de lofzang, maar nu werden het allemaal feiten, harde fei­­ten. Het werd steriel, statisch. “Verzwakking dus, verval. Maar hoe zou het Christendom hebben kun­nen in­­gaan tot de volkeren van het Westen, tot onontwik­kelden, als het fi­lo­so­fisch was gebleven.”Het moest haast wel, het Christendom moest de gestalte aan­ne­men van de massa om overal ingang te kunnen vinden.“ Juist nu werd het: verhaal, het ontroerde en het dwong tot luisteren en ge­lo­ven.”

Van de gedachte kwam het verhaal. En mensen hoorden het ver­haal. En dat verhaal ontroerde, dat verhaal ging men geloven. “En dus bracht het aan de Kelten en de Britten, de Saksers en de Fran­ken in kin­derlijke vorm, dat hogere leven.” Deze mensen in de Middeleeuwen, ze kenden de tragiek. En hier heb je denk ik ook een sleutel. “Ze voelden in zich al de nood en de schuld, waarvan de Edda­liederen (oude IJslandse liederen) zin­gen. Ze zongen hun liederen van noodlot en pijn. Grie­­ken­­land was daarmee geëin­digd. Het visioen van de ge­krui­sig­de, die gestrekt is aan het hout, en hier wordt het een begin. De lan­ge winternacht, de sneeuw­­vlucht over steppen, het kreunend loofbos en de wol­ken, die als mis­ten rusten over kille droeve landen. Het pre­dis­po­neert de mensen tot die som­berheid.” Het klimaat heeft ook een grote invloed op de geestesgesteldheid van de mens. Als je in een zonnig zuidelijk land leeft, is dat heel an­ders. Neder­land en vooral Engeland met altijd zijn mist. Skan­di­na­vië met zijn ein­de­loze donkere winters. En dan altijd maar weer die regen, die storm en die sneeuw over de toendra’s. “De kille, droeve landen. Somberheid, die gij weervindt in de poëzie van By­­ron en Schopenhauer, in de vrezen van het Puriteins gemoed.” Dan krijg je de Puriteinen. Zij zeiden: zo is het leven; het leven is net als het land. Ergens wordt dan gezegd: “De aarde had geen va­­der­land meer en de hemel had geen wapenen meer”.

“Nee, het is niet nieuw, dit van het gekrijt, dit van weedom om de ge­stor­ven God. Het was ook al in Babel, in Assur: Attis en Adonis. Men had ge­plengd zijn tra­nen in de godsdienst van de Grieken; maar daar was de natuur milder en min­der ge­nadeloos dan in het Westen, waar de storm zwiept door het pijn­bos en neerbuit donkere regenluchten.” Je zou haast zeggen: misschien hebben we in die Middeleeuwen een soort ‘wintergeloof’, het geloof wordt winters. Rutger Kopland heeft in dit verband een gedicht geschreven; hij heeft de dingen vaak heel diep aan­gevoeld. Hij was ook één van de dichters, die on­langs een gedicht mocht voordragen uit zijn eigen werk op de 4 mei-herdenking in Am­ster­dam, waar ook Koningin Beatrix aan­we­­zig was. Rutger Kopland heeft een gedicht of zelfs een ge­dich­ten-­cyclus geschreven onder de titel “Het verwinterde Eden”, het ver­winterde paradijs. Dat is in de Middeleeuwen begonnen; dat paradijs werd ver­win­terd, koud en kil. En de zon scheen niet meer en de bloemen bloei­­den niet meer, dat werd het verwinterde Eden. En dan begint hij in één van die gedichten als volgt: Ik lig hier in dat vreemde bed

en ik zou willen zeggen:

Laat mij niet alleen.

Ik kan niet,

ik kan dat uit mijn mond niet meer horen,

Hij zou willen zeggen:

Laat mij niet alleen.

Maar hij kan het niet meer over zijn lippen krijgen

om dat te zeggen.

Laat mij niet alleen.

Laat dat niet meer horen,

zeg het maar niet.

Verwinterd paradijs. Zit dat er misschien achter?

 

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384027 bezoekers sinds 07-06-2010