Brief aan de Kolossenzen

20-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Kolosse lag ergens in het westen van Klein-Azië, in het zuidelijke deel van Frygië, waar ook ver­schil­len­de rivieren het land doorsneden. Ko­losse was gelegen aan de Lykos, een zijrivier van de Meander. Er liep een grote han­dels­weg van Efeze over Magnesia, langs Kolosse en Apa­mea, naar Tarsus en vervolgens naar Syrië. Deze route liep door het noor­den van Karië langs verschillende steden, waar­onder ook Laodicea. Kolosse was een grote welvarende stad, gelegen in een streek die be­kend stond om zijn schapen­teelt. Zo omstreeks het jaar 65 vond er in de buurt van Kolosse – het was in de dagen van Nero – een hevige aard­be­ving plaats. In Kolosse was blijk­baar een ge­meente gesticht door Epa­phras, wiens naam in deze brief ook een keer wordt genoemd.

Brieven vanuit de gevangenschap

Paulus is nooit in Kolosse geweest. Zomaar op een dag krijgen de Ko­los­sen­­zen van hem een brief… Het is op zich merkwaardig om een brief te schrijven aan een gemeente waar je nog nooit geweest bent. De vraag is dan wàt je zult gaan schrijven, wààr je het over zult hebben. Wat voor the­ma, wat voor onderwerp roer je dan aan. Het is altijd al heel span­nend om ergens in een gemeente voor het eerst te mogen spreken. Je vraagt je af wàt je daar nu moet gaan zeggen en je ziet allemaal onbe­kende men­sen die je vol verwachting aankijken. Een zekere dominee van Boven zei ooit in zijn gebed: daar staan we weer voor een vreemde gemeente, ons vanouds be­kend. Misschien hadden de Kolossenzen wel iets over Paulus gehoord, want hij was wel in Efeze geweest, 150 km van Kolosse verwijderd. In die tijd was dat een flinke afstand. Het is Paulus’ eerste brief naar dat Klein-Azi­a­­­tische land. Als Paulus zijn schrijfgerei ter hand neemt, kun je je voor­stel­­len dat hij, alvorens te beginnen, nog wel even aarzelt… Zijn pen blijft zweven boven het papier of het perkament… Wat zal het on­der­werp worden…? Paulus schrijft zijn brieven vanuit de gevangenschap. Hij zat waar­schijn­lijk gevangen in Rome. Heb je dan misschien meer tijd of inspiratie om iets aan het papier toe te vertrouwen? Wat kun je schrijven in ge­van­­gen­schap? Er is verder geen afleiding. Je hoeft niet te reizen en er zijn geen dagelijkse bezigheden. Je kunt je helemaal concentreren. Er zijn hoog­stens wat wachtposten, wat Romein­se soldaten die in en uit­ lo­pen, maar verder kun je je gedachten de vrije loop laten. Het papier wordt je beste vriend, je compagnon. Mis­schien heb je nog een secretaris en samen zit je daar, helemaal bezig met wat het worden zal….. Die brieven vanuit de gevangenschap zijn kennelijk over vele mijlen, over eindeloze kilometers land en water overgebracht door boden of he­rauten, zoals dat in die tijd gebruikelijk was. Eindelijk kwamen ze dan aan in die on­bekende gemeente daar in Kolosse. Een gemeente die waar­­schijnlijk voor het grootste deel bestond uit mensen uit de plaat­se­lij­ke bevol­king, de Frygiërs. Een ge­meente ontstaan uit de gojim, uit de vol­kerenwereld. Ze worden trou­wens al ergens in het beroemde rijtje van Handelingen 2 genoemd: Fry­gië en Pamfylië…. Al die volken die in hun eigen taal zullen horen van de grote daden van de Eeuwige. In Han­delingen 2 staan de na­men van de volkeren die altijd weer voor­ge­lezen worden op de Pink­ster­dag. Voorgangers kunnen daar hun tong over breken: Kapadocië, Pamfylië, Kretenzen… en al­lerlei an­dere na­men. Een voorganger op Flakkee had ‘s morgens eens heel dap­per dat hele hoofdstuk voorgelezen. ‘s Avonds moest hij nog een preek over de­zelfde schriftlezing houden en zei toen: verder nog dezelfde he­ren van vanmorgen, gemeente. Hij had kennelijk geen zin om het nog een keer te wagen. Kolosse, een onbekende vreemde stad. Paulus had er nog nooit een voet ge­zet, maar hij zet er wel zijn pen, zijn schriftuur. Paulus heeft vanuit de ge­van­gen­schap geschreven en heeft zijn gedachten, zoals die in de Ko­los­senzen­brief verwoord zijn, daar op papier gezet. Gevangenschap kan kennelijk een plaats van openbaring zijn, van in­spi­ra­tie, van goddelijk licht. Het gaat tenslotte om het zuivere Woord, dat we met elkaar willen probe­ren te be­luisteren.

Misschien speelt hierbij ook een rol, dat juist in Paulus’ gevangenschap het Woord voor hem helemaal transparant wordt. Alle franje valt weg, alle ui­terlijke zaken doen er niet meer toe. Je actieradius wordt aan de ene kant beperkt, want je kunt niet meer op pad gaan om overal te pre­ken. Aan de andere kant wordt je gebied vergroot, want met je schrift kun je over grenzen heen gaan. Ook ga je je dan bezinnen over de kern­vraag, namelijk wat nu eigenlijk de boodschap inhoudt en waar deze om gaat.

De gemeente geplaatst in de bedding van de gebeden

Een kernthema in de Kolossenzenbrief heeft te maken met de hoop. Dat is een gegeven dat meteen in de aanhef al naar voren komt in het eerste gebed. Er zijn wel meer brieven die met een gebed beginnen, maar hier komt het toch ook wel heel duidelijk naar voren. De brief begint met een uitvoerig gebed. Je zou erboven kunnen zetten: ‘in­leidend gebed’. Dankzegging (1:3-8) en dan een inleidend gebed (1:9-23). Dan ben je al een heel eind gevorderd in deze brief. Dat geeft te den­ken. Dankzegging en voorbede samen genomen vult bijna al een kwart van de hele brief. Het lijkt enigszins op een oudgereformeerde kerk­dienst. Het gebed voor de opening van het woord duurt daar meestal vijf­tien tot twintig minuten. Zo’n gebed is al haast een preek op zichzelf. Het lijkt of het er hier in de Kolossenzenbrief ook op die manier aan toe gaat. In dat gebed wordt kennelijk al heel wat wezenlijks neergelegd. Daar gaat het dan vooral over de hoop. Allereerst is er een dankzegging. Deze dankzegging wordt meteen heel specifiek gericht.

Wij danken God, de Vader van onze Here Jezus Christus (Chouraqui: onze Adon Jesjoea, de Messias) te allen tijde bij ons bidden voor u.  Kol.1:3.

De vraag is of ‘te allen tijde’ hoort bij dat danken of bij dat bidden, want het staat er net tussenin. Je zou kunnen vertalen: ‘Wij danken te allen tijde’. Je kunt ook vertalen: ‘Wij danken, wanneer wij altijd voor u bidden’. In ieder geval zit er iets in van een bepaalde duurzaamheid. Blijkbaar wordt er in de gevangenschap in Rome voortdurend gedacht over en ge­­­be­den voor de gemeente van Kolosse. Het is een steeds terugkerend on­der­werp. Paulus draagt die gemeente op zijn hart. Hij is er vrijwel con­tinu mee bezig, zowel in dankzegging als in voorbede. Met andere woor­den: gemeente-zijn is blijkbaar toch ook een heel kwets­­baar gege­ven. Een gemeente moet als het ware voortdurend om­ge­ven wor­den met gebeden. Een gemeente is er niet zomaar vanzelf en bestaat ook niet zomaar automatisch wel voort, maar moet als het wa­re hele­maal om­kleed worden met gebeden, omhuld met smeking en met dank­zeg­ging.

Geloof, liefde en hoop

Daar wij gehoord hebben van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde, die gij al de heiligen toedraagt, om de hoop, die voor u is weggelegd in de heme­len. Kol.1:4,5a.  

‘Geloof, hoop en liefde’ is een trits, een drieslag die ons heel bekend voor­komt, namelijk uit 1 Korinte 13. Alleen is hier de volgorde ver­wis­seld. Analoog aan de volgorde van 1 Korinte 13 zou er moeten staan: ‘We heb­ben gehoord van uw geloof, we hebben gehoord van de hoop en we heb­ben ge­hoord van uw liefde’. Hier wordt de drieslag ‘geloof, hoop en liefde’ omgedraaid. Als er iets af­wijkt van het gangbare patroon, is het altijd goed om extra attent te zijn. Het is altijd de moeite waard om na te gaan waaróm iets afwijkt. Dat is niet alleen het geval wat betreft de ziel van de mens, maar dat is ook zo in de taal of in de structuur van een tekst. Er dient een lamp­je bij je te gaan branden als het opeens anders gaat dan het ver­wachte pa­troon. We dienen ons af te vragen waarom het hier nu andersom staat. Dat heeft een be­doeling. Hier is sprake van een anomalie, een soort door­breking van het gewoontepatroon, van de wetmatige gang van za­ken. Als er dan zo’n om­zet­ting staat, heeft de schrijver daar blijkbaar iets mee voorgehad. De volg­orde is nu niet geloof, hoop en liefde, maar geloof, liefde en hoop. Het woord hoop staat aan het eind en blijkbaar krijgt dat daardoor een extra ac­cen­tu­e­ring. De hoop wordt het zwaar­te­punt. Geloof is er, liefde is er ook al, want daar kan voor gedankt wor­den. En dan staat er: ‘vanwege de hoop’. Het zou dus heel goed kunnen zijn dat dit het specifieke thema wordt van de­ze brief. Als je de uitzon­de­ring op de regel volgt, kom je al iets op het spoor. Dat is net als bij spoorzoeken. Als er een pijl staat die aanduidt dat je van de gewone weg af moet wijken en je die aanwijzing volgt, kom je er­gens op een misschien nog onbetreden pad terecht. Je komt misschien wel op een open plek in het bos, waar je nog nooit geweest bent. Onbekend terrein… nieuw land ontginnen… de hoop… Dat woord hoop komt ook weer terug in vers 27. Daaruit blijkt dus wel dat de hoop kennelijk een belangrijke rol speelt in dit hoofdstuk.

Christus onder u, de hoop der heerlijkheid.  Kol.1:27.

Het Griekse woord voor hoop is elpis (Hebreeuws: tiqwah). Oorspronkelijk was het welpis en dat hangt nog samen met het Ne­der­land­se woord willen. In het Latijn is het volup (genot = voluptas). Dat is dus iets wat je graag wilt. Hoop hangt dus eigenlijk samen met wat je diep in je hart zou wil­len. Hoop en wil hangen in de oorspronkelijke taal met elkaar samen. Daaruit blijkt ook wel dat hoop niet zomaar iets vaags is, in de zin van: we zullen het beste er maar van hopen, of: ik help het je hopen. Hoop heeft in de oorspronkelijke talen dus te maken met willen. De gewilde toekomst is de toekomst die je diep in je hart zou wensen. Het Hebreeuwse woord voor hoop is tiqwah, de verwachting. Tiqwah is ook het ‘koord dat gespannen wordt’; dat is hetzelfde begrip. Tiqwah betekent eigenlijk: gespannen uitzien. Het gaat in de Kolossenzenbrief dus over die hoop. Je kunt ook zeggen: hoop is de blauwdruk voor morgen. Hoop is een blauwdruk voor de toe­­­­komst. Eerst bestaat er een bepaald beeld, een soort maquette, een mo­­del, een project. Zo toonde God aan Mozes op de berg het model van de ta­ber­na­kel en liet zien hoe alles gemaakt moest worden. Ook Ezechiël krijgt een model te zien, het model van het huis. Als je zo’n model te zien krijgt, wordt diep in je hart de hoop gewekt. Hoop moet wel er­gens op gegrond zijn. Je kunt niet zomaar in het wilde weg, ‘ins Blaue hin­ein’ hopen, in de trant van: kom, wat zullen we eens hopen. Hoop moet wel ergens in een kader, in een structuur gezet worden, an­ders wordt het wildgroei of het groeit helemaal niet meer. Hoop is iets heel wezenlijks. Ernst Bloch heeft het genoemd: ‘das Prinzip Hoffnung’.

Christus onder u, de hoop der heerlijkheid.  Kol.1:27.

Je kunt ook lezen: ‘Christus in u, de hoop der heerlijkheid’  Kol.1:27. Beide lezingen hebben in het tekstverband hun functie. In een verhaal wordt verteld over een Joodse man in een con­centra­tie­kamp, die nog een stukje boter heeft. Op een dag realiseert hij zich dat volgens de kalender het Chanoekafeest is aangebroken. Van dat stukje bo­ter modelleert hij een kaars en steekt deze aan. Zijn zoon zegt: vader, dat moet u toch niet doen, dit is het laatste beetje bo­ter dat we nog heb­ben en dat gaat u nu zomaar opbranden! Jongen, luister goed, ant­woordt de vader, als het moet, kun je drie weken zonder eten. Als het moet, kun je drie dagen zonder drin­ken. We kunnen echter geen drie mi­nuten zonder hoop leven. Daarom steek ik deze kaars aan als een te­ken van hoop, omdat dat het meest fun­da­mentele is voor het mens­zijn. Hoop doet leven. Dat is wat in deze brief naar voren komt. De auteur zit in zijn eenzame ge­vangenis en gaat schrijven over de hoop. De hoop als principe, de hoop als grondregel voor het leven, als basis voor je geest.

Zij varen op met vleu­ge­len als arenden

In Jesaja 40 wordt het beeld van een adelaar gebruikt.

Maar wie de HERE verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleu­ge­len als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar wor­den niet mat.  Jes.40:31.

Zij putten nieuwe kracht Letterlijk: ‘Zij zullen de kracht inwisselen’. Zij wisselen van kracht. ‘Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort en ie­der van hen zal verschijnen in dat zalig oord’. Volgens een oude le­gen­de gaat een oude adelaar zich baden in een bron, waar­uit hij dan verfrist weer te voorschijn komt; uit die bron heeft de adelaar kracht geput. Hij heeft dan ‘zijn jeugd vernieuwd’. Zij gaan hun kracht inwisselen. Zij leveren hun oude kracht in en ruilen die om voor nieuwe kracht. Dan zullen ze zijn als een arend die de vleu­gels uitslaat. Of als een prachtige valk die opstijgt en in de lucht stil blijft staan, wat dan ‘bidden’ wordt genoemd. Er zit een prach­tige sym­bo­liek in het beeld van die ‘biddende torenvalk’ of in het beeld van de konings­arend. Zo wordt in de gevangenis iets geboren van dat ‘arendschap’. Je kunt spreken over het priesterschap der gelovigen en het koning­schap van de gelovigen, maar je moet af en toe ook eens spreken over het ‘arend­­­­­schap’ der gelovigen. Je moet zo nu en dan aan elkaar de vraag stel­len: hoe is het met je arendschap, gaat het goed met je arend­schap?! Die hoop geeft ook de verbinding met het slot van Jesaja 40:31.

Om de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen.  Kol.1:4.

‘We danken en bidden vanwege de hoop die weggelegd  is in de hemelen’. Chouraqui: à cause de l’espoir (ter zake, of: ter oorzake van de hoop) Chouraqui: en réserve  (is gereserveerd, die is in reserve gelegd) De hoop is je reserve, je reservoir, je deposito, dat wat je als het ware er­gens op een rekening hebt staan (van een bank die niet omvalt!) en waar nie­mand bij kan komen. Die hoop is een veilig kapitaal. Kapitaal be­te­kent ‘hoofdsom’. Dat kapitaal is apart gezet, dat is je ‘appeltje voor de dorst’, je reserve, je provisie.

In de hemelen wordt je hoop bewaard

‘Weggelegd is in de hemelen’ De Kolossenzenbrief gaat specifiek denken vanuit de hemelen. De he­me­­­len, sjamajim (in het Hebreeuws is dit altijd een meervoud) is de ver­bor­gen plaats, de wereld achter de schermen. Het is het gebied waar je wor­tels liggen, waar je oorsprong ligt, waar je bronnen zijn. Daarom staat er ook in het Onze Vader: ‘Uw wil geschiede gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde’. Helaas heeft de NBV ervan gemaakt: ‘op aarde, zoals in de he­mel’; daar wordt de aarde voorop gezet. Maar het is de beweging van bo­ven naar beneden. De hemelen betekent vaak de wereld die niet betre­den werd, dat is de wereld waar je niet komen kon. Dat is het ge­bied dat buiten je gezichtsveld lag. Vanuit de hemelen gaat het ge­beu­ren, vanuit de hemelen komt het op gang. De hemelen is dus ook de plaats waar jouw hoop bewaard wordt.

Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensen­hart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen die Hem liefhebben. 1 Kor.2:9.

God heeft het geprepareerd, opzij gelegd. Je moest eens weten… het bes­te komt nog. Wat geen oog zag en wat geen oor hoorde en wat in geen men­senhart was opgekomen, heeft God toebereid en voorbereid voor de­genen die Hem beminnen. Dat heeft dus te maken met ‘de hoop die is weggelegd in de hemelen’. Dat is een van de fundamentele punten in de brief aan de Kolossenzen. Daar­mee wordt het thema in feite al in kaart gebracht en afgebakend. Het is als­of in die eerste verzen de bakens al worden uitgezet. Soms moet je terrein gaan verkennen en zeggen: dit gebied gaat het worden!

Daarvan hebt gij tevoren gehoord in de prediking der waarheid (al vernomen in het woord van de waarheid) het evangelie dat tot u gekomen is.  Kol.1:5.

Eigenlijk staat er: ‘de vreugdeboodschap, de goede tijding die present is, die naar u toekomt, of: die aankomt bij u’. Chouraqui vertaalt het ook zo: ‘Celle- ci vous est présente’. Dat evangelie is present, aanwezig bij u. Het woord evangelie heeft van­ouds de betekenis in zich van proclamatie. Het evangelie is eigenlijk een bood­schap die door een heraut gebracht wordt. Het woord eu an­ge­lion (evan­gelie) kan zelfs betekenen bodeloon. Als een boodschapper zijn tij­ding goed overbrengt, wordt hij daar ook voor beloond. In die zin komt dat woord ook voor in het boek Samuël. In 2 Samuël 18 wordt beschreven dat er boodschappers worden uit­ge­stuurd naar David. In de Griekse tekst van de boeken van Samuël staat er ook het woord eu angelion (evangelie). Op een gegeven moment moet iemand de bood­schap overbrengen dat Absalom dood is. Daarbij wordt dan wel gezegd: ik denk niet dat je voor die boodschap veel be­lo­ning krijgt. Als je aan David gaat melden ‘uw zoon Absalom is dood’ is dat geen evan­gelie. Dan zal je beloning ook niet groot zijn, dus zullen we maar een ander stu­ren. Niet elke boodschap is evan­ge­lie, zoals hier blijkt. Je moet wel selectief in je boodschap zijn. Je kunt maar niet alles gaan ver­kondigen en zeggen: daar zullen ze wel enthousiast van worden. Het kan ook je laatste preek zijn. Je moet altijd maar afwachten hoe iets valt. Als je niet meer gebeld wordt om een vol­gen­de afspraak te maken, kun je in ieder geval de conclusie trekken dat het geen ge­waar­deer­de preek was.

In de gehele kosmos draagt het vrucht

Immers, in de gehele wereld (kosmos) draagt het vrucht en wast het op.Kol.1:6.

Het is niet toevallig, dat het woord kosmos hier gebruikt wordt. Het woord kos­mos kan ook heelal betekenen. In het slot van Marcus 16 staat: ‘Verkondigt het evangelie aan alle creatuur, aan alle schepsel’. In de Kolossenzenbrief wordt heel de schepping, heel de kosmos, be­doeld en dat geeft een wijds perspectief. Het is alsof in de gevangeniscel de vensters wagenwijd opengaan. Paulus zit daar met zijn pen en zijn papyrusrol. Zijn ogen waren misschien niet meer honderd procent in or­de en hij werd al een dagje ouder, maar dan toch… dat vergezicht. Het kan gebeuren dat al schrijvend bepaalde woorden op een rij gaan staan. Het is net alsof die woorden zich gaan groe­pe­ren, zoals ook gebeurt bij een zangkoor waarbij iedereen op zijn plaats gaat staan. Het is de be­doe­ling dat als de dirigent zich voor het koor opstelt alle koorleden in har­monie met elkaar hun eigen plaats inne­men. Zo is het hier met de woorden. Het is net alsof de woorden van de eer­ste verzen één voor één in het gelid gaan staan. Eerst kwamen we de woorden ‘hoop, hemelen, waarheid en evangelie’ tegen en nu ook het woord kosmos. Dat wordt al een aardig koor als we ze op een rij zien staan. We kunnen in ieder geval meerstemmig zingen. Het wordt al een harmonisch geheel, het wordt al een symfonie, een ‘sa­men stem­men’. Met die vijf woorden wordt het terrein afgebakend. ‘In de hele kosmos’, staat er dus. Dat is een belangrijk gegeven, waaruit blijkt, dat je het niet te klein moet zien. Er is blijkbaar iets met die kos­mos. Misschien is dat wel het kernprobleem bij de Kolossenzen.

De rechte kennis

Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht.  Kol.1:9.

Het gaat in wezen om de rechte kennis, maar dan kennis met het hart.  Dat is die diepere laag. Het gaat niet om theorieën, want daar schiet je niet zoveel mee op. Het gaat om het innerlijke weten, het weten van­bin­nen. Je kunt beter één ding weten met het hart dan kennis dragen van vele theorieën. In het verhaal van de ‘genezing van de blindgeborene’ (Johannes 9) wordt er een hele discussie gehouden over de vraag of het wel goed was wat daar nu gebeurde. En dan staat er zo mooi in vers 25: ‘één ding weet ik’. De man die genezen is, staat daar te midden van alle tumult en dis­cus­sies. Ze zijn allemaal aan het bekvechten, maar het deert hem niet. Hij staat daar als een toonbeeld van rust en zegt: ‘één ding weet ik, ik was blind en nu kan ik zien!’ Dat is dat bewuste weten, dat innerlijke besef.

Dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijs­heid en geestelijk inzicht.  Kol.1:9.

Het woord sunesis (inzicht) begint met sun (samen). Het betekent dat je het samen gaat zien, dat je het verband, de samenhang gaat verstaan. Mis­schien is het zien van de samenhang, het verband van de dingen wel een van de kernpunten in heel de Kolossenzenbrief. Er kunnen zoveel frag­menten zijn en je kunt doodmoe worden van alle ‘brokstukjes’ die er zijn. Sommige mensen maken puzzels, waar ze misschien weken of zelfs maan­den mee bezig zijn. Het kan dan gebeuren dat een kind aan het tafel­kleed trekt waar de puzzel op ligt. De puzzelaar kan dan weer van voren af aan beginnen. Dan zit je met de frag­men­ten en hoe krijg je al die brokstukjes weer bij elkaar?! Dr. S.H. Spanjaard was aanvankelijk remonstrants theoloog, maar ging la­ter over naar de hervormde kerk. Hij doceerde Latijn en godsdienst op een gymnasium. Hij moest als jong kandidaat ergens preken en had zijn preek keurig uitgeschreven. Hij liet echter per ongeluk met een zwaai van zijn toga alle blaadjes naar bene­den fladderen. De koster raap­te alle blaadjes op en reikte ze aan. Maar alles lag nu door elkaar, dus had de predikant er niets meer aan. De Kolossenzen zaten met al die fragmenten van het leven, al die brok­stuk­ken van het bestaan. Waar begint het en waar eindigt het? Alle blaadjes lagen door elkaar, alle puzzelstukjes waren her en der ver­spreid. Er is ooit een boek verschenen, getiteld: ‘God in fragmenten’. Mis­schien is dat ook vaak de pijn van de mens van vandaag. Heb je nog het overzicht? De universele mens bestaat niet meer. Vroeger kon je nog van alles iéts weten. Vooral in de wetenschap weet men door spe­cia­li­sa­tie slechts van een heel klein onderdeel iets af. Wie overziet nog het ge­heel?! Zoals een gezegde luidt: Een specialist is iemand die steeds meer weet van een steeds kleiner wordend gebied, totdat hij bijna alles weet van bijna niets.

Dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijs­heid en geestelijk inzicht.  Kol.1:9.

In Kolossenzen 1:9 staat het woord epignosis, dat zoiets betekent als ‘ken­nis die het geheel overziet’. Dat is die rechte kennis. Sunesis betekent dat je het samen kunt brengen in een verband, dat je de samenhang gaat ontdekken. Dat heeft ook te maken met de kosmos. Die woorden vormen als het ware een koor dat zich op het podium op­stelt. Wat is het verband tussen God en de kosmos? Is dat dan misschien het evan­gelie, waar Paulus het over gaat hebben? Hoe ver reikt dat? Je kunt zo gauw het gevaar lopen ergens te blijven steken in jouw kleine stukje ken­nis. In een verhaal over blinden wordt verteld hoe ze een excursie naar een dierentuin maken en een olifant mogen betasten. Ze moeten vervolgens ieder onafhankelijk van el­kaar een definitie van een olifant geven. Er wor­den dan totaal verschil­lende beschrijvingen ge­ge­ven. De een zegt dat het een boomstam is. De ander zegt dat het een tuin­slang is. De der­de meent, dat het een touw is. Zo hebben ze al­le­maal hun eigen beeld gevormd van een olifant. Ze hebben echter allemaal alleen maar een on­derdeel betast en geen van hen heeft overzicht gehad van het hele beest. Dat kan ons ook overkomen. Misschien zijn er daarom zoveel ver­schil­len­de visies op de bijbel. De een staat bij de poot van de olifant en de an­der bij de staart en weer een ander bij de slurf. Wat heb je nu gevoeld? Heb je er greep op? Wat is het geheel? Wij zien maar een deel, een fragment. Maar om het geheel, het ver­­band te onderkennen, is wijsheid en geestelijk inzicht nodig. Wijs­heid om de waarheid te kunnen schouwen.

Waarheid – de verborgenheid wordt onthuld

Het woord waarheid komt twee keer voor in de eerste verzen.

‘De prediking der waarheid’ – v.5.

‘En de genade Gods in waarheid hebt leren kennen’ – v.6.

Waarheid betekent vanuit het Griekse woord alètheia, onverborgen­heid. Lètheia is verborgenheid. Alètheia betekent dan dat iets níet meer verborgen is. Je hebt de waar­heid leren kennen in onthulling, in onver­borgenheid. Alètheia komt van het werkwoord lanthanoo (verbergen). De woordstam is lath – leth. Dat komt ook voor in het woord lethe (ver­ge­­telheid).

Wijs mij de weg naar Lethe,

o, alles te vergeten

eer de avond valt. (P.C.Boutens)

De verborgenheid wordt onthuld, maar het is niet zo dat het dan op straat ligt. Het heeft te maken met een geheimenis, een mysterie, een mus­­­­tèrion. Als zo’n geheimenis onthuld wordt, dan wordt het ver­klaard aan degenen die het mogen weten, die het mogen verstaan. Het wordt verklaard aan de ingewijden. Kostbare dingen moet je nooit op straat werpen. ‘Werp uw paarlen niet voor de zwijnen’. Je gooit die niet zo­maar te grab­bel. Voor iets wat echt kostbaar is, moet je moeite doen om het te verkrijgen. Je moet je inspannen om het te zoeken. Dat is ook een geestelijk principe.

Het innerlijke weten

Een paar basiswoorden zijn nu in kaart gebracht. Het gaat over de hele kosmos. Paulus zit in de gevangenis in Rome en heeft de overtuiging dat de Kolossenzen kennis moeten hebben van dat innerlijke weten. Wat je vanbinnen weet, kunnen ze je vanbuiten niet afpakken. Uiterlijke ken­nis kan van je worden afgenomen. Bepaalde feiten kunnen achterhaald worden door nieuwe ontdekkingen. Toen Columbus Ame­ri­ka ontdekte, moest de wereldkaart worden bijgesteld. Eerst werd alge­meen aangeno­men dat de aarde plat was, totdat er iemand kwam met de ontdekking dat de aarde rond is. Het heersende wereldbeeld was radicaal veranderd. Wat je vanbínnen weet, is anders. Als je Gods­kennis hebt, is dat iets heel anders dan uiterlijke kennis. Jung zei: ik ben begonnen met ge­lóven en toen kwam het wé­ten. Dan ga je over van geloven naar weten. In Psalm 20 staat:

Nu weet ik, dat de HERE zijn gezalfde de overwinning geeft.  Ps.20:7.

Wat je vanbinnen weet, kan van buitenaf je niet ontnomen worden. Dat wordt vanbinnen bewaard, dat wordt in de hemelen bewaard. Dat is dan ook je belevingswereld en dat is die schat vanbinnen. Dat is die  kostbare parel. Als iemand tegen je zegt, dat God helemaal niet be­staat, geef je als antwoord: ja maar, ik wéét het! Ik weet dat mijn Ver­los­ser leeft! Dat gaat er nooit meer uit. Dat is een onwrikbaar fundament dat niemand kan wegredeneren. Dat is dat innerlijke weten.

Onwetendheid is de basiszonde

Je zou zelfs kunnen zeggen dat er in feite één zonde bestaat en dat is de onwetendheid, de eigenlijke zonde in de zin van ‘je doel missen’. Zonde be­tekent in wezen: je doel missen, je bestemming missen. De eigenlijke zon­de is de onwetendheid. De onbekendheid met de Vader bracht duis­ter­nis en dwaling. Mensen dolen en dwalen in wezen omdat ze het niet we­ten. Als ze zouden weten wie God is, zouden ze niet meer zo rond­zwer­ven. Je moest eens weten… Augustinus zei: heb God lief en doe wat je wilt. Als je God liefhebt, als je Hem kent, kun je doen wat je wilt, want dan ontspoor je niet. Je weet dan wat Hem welbehaaglijk is. Je weet wat zijn verlangen is. Vanuit dat we­ten vallen de dingen op hun plaats, dan komt alles met elkaar in har­mo­nie. Als je door middel van allerlei wetten tot het ken­nen van God pro­beert komen, blijkt dat niet te werken. Beginnen vanuit het kennen van God betekent, dat je van daaruit haast vanzelf ook gaat denken wat in har­monie is met zijn wil: het goede, het welgevallige en het volkome­ne. Je moet al­tijd aan de goe­de kant beginnen. Onwetendheid is de basiszon­de, want dan ver­dicht de dwaling zich tot nevel. Je loopt in de mist en hebt geen zicht meer. Dat is de onbekend­heid met de Vader. Je kunt alle mogelijke theorieën bedenken, totdat er iemand komt en zegt: ik wéét het! Aan het eind van hoofdstuk 42 zegt Job ten­slot­te:

Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd.  Job 42:5.

Daar kunnen al zijn vrienden niet tegenop. Zij zijn nog met hun dog­ma­tiek bezig en bij dogma nummer zoveel. Job zegt: al die stations ben ik ge­passeerd. Dat is niet hoogmoedig, maar hij weet het vanbinnen. Dat is die innerlijke wetenschap.

Losstaande theorieën zonder levenssappen

We willen gaan bezien met wat voor leringen de Ko­los­sen­­zen in aanra­king kwamen en waar ze mee te kampen hadden. Blijkbaar moet er iets rechtgezet worden. De brief aan de Kolossenzen gaat iets corrigeren, iets rechtzetten. Blijkbaar waren daar bepaalde beschouwingen en is deze brief nodig om alles in het juiste kader te zetten. Een theorie raakt op een gegeven moment los van de boom en gaat een eigen leven leiden. Er zijn theorieën die ‘voor zichzelf beginnen’. Zo zijn er ook ondernemers die voor zichzelf beginnen. Iemand werkt in een groot concern, in een groter verband en besluit om een eigen bedrijf op te richten. ‘Een eigen zaak is het einde van het vermaak’, is een zegs­wij­ze. Dat kan de ervaring zijn van iemand die een eigen winkel begint. Bij een werkgever kun je ’s middags om vijf uur naar huis gaan. Als je ech­ter voor jezelf werkt, moet je ‘s avonds nog de boekhouding doen en moet je alles zelf regelen en word je soms gekweld door sla­pe­loze nach­ten. Losstaande theorieën ontvangen hun levenssappen niet meer vanuit de boom. Ze lijken op takken die in een vaas gezet worden in de hoop dat ze daar gaan bloeien. Paulus gaat bezien hoe die takken nu weer in de boom kunnen worden geënt. We willen nog wat voortborduren op het thema ‘hoop’ en wat daar­­mee te maken heeft. Je kunt ook ‘valse hoop’ koesteren en dat ge­beurt als die hoop niet gebaseerd is op de Schriften. Je hoopt dat het bé­ter of ànders zal worden. Als deze hoop echter niet gefundeerd is in de bij­bel, wordt er alleen maar iets voorgespiegeld. Dat heeft misschien ook iets te maken met de Kolossenzenbrief. De Kolossenzen waren ook in aanraking gekomen met een dwaalleer. Er waren bepaalde dwa­lin­gen waarin ze verstrikt zaten. Dan vraag je je af wíe er nu eigenlijk ge­van­gen zit. Is dat de schrijver of zijn dat de lezers?! De schrijver zit in een aardse gevangenis, maar je kunt ook geestelijk in een gevangenis zitten. In wezen gaat het erom, in de vrijheid te komen, in de waar­heid, in de on­ver­bor­gen­heid. In verband met het gegeven van de hoop en ook met het begrip kosmos speelt het woord lichaam (sooma) in de Kolossenzenbrief een belang­rijke rol. Wij kennen dat woord wel uit de begrip­pen ‘somatische ziekte’ en ‘psychosomatisch’.

Sooma – het aardse lichaam

Het woord sooma wordt in de Kolossenzenbrief in drie betekenissen ge­bruikt. Soms kan het gewoon het aardse en natuurlijke lichaam bete­ke­nen. Kolossenzen 1:21 doelt daarop.

Heeft Hij thans weder verzoend, in het lichaam zijns vlezes.  Kol.1:21,22.

Daar wordt het aardse, natuurlijke lichaam, het lichamelijke bestaan van Je­zus bedoeld. Als de Kolossenzenbrief over dat lichaam spreekt, wordt er­bij gezegd ‘het lichaam van zijn vlees’, dus zijn stoffelijke aardse tent. In dat aardse lichaam heeft Jezus de verzoening tot stand gebracht door zijn dood aan het kruis. Van dat aardse lichaam is ook nog een keer sprake in hoofdstuk 2:

Het afleggen van het lichaam des vlezes.  Kol.2:11.

Hier staat ook weer dezelfde uitdrukking. De besnijdenis in het oude verbond werd verricht aan het aardse lichaam. De besnijdenis in het nieu­we verbond is de ‘besnijdenis des harten’, het afleggen van het vle­selijke bestaan, het afleggen van de oude manier van leven. In vers 11 heeft dat ook te maken met het aardse lichaam. Het aardse lichaam is een tent op aarde, waarin je tijdelijk mag vertoeven.

Sooma – de gemeente

De twee­de betekenis van het woord sooma (lichaam) is de gemeente. Dat zien we in Kolossenzen 1:18:

Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente (ecclesia).

Dat staat er expliciet bij, er is geen misverstand mogelijk. Jezus is het hoofd van het lichaam en dat lichaam is de gemeente. We komen dat woord ook weer tegen in Kolossenzen 1:24:

Ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente. 

Het is dus heel duidelijk dat de gemeente het lichaam van Christus wordt ge­noemd. De gemeente is het lichaam van de Messias, zijn gestalte op aarde, zijn manier om zich te manifesteren in deze wereld. Het is heel bijzonder dat een sa­men­voeging van mensen uit Joden en heidenen, uit Israël en uit de vol­ke­ren samen een heel nieuwe bestaanswijze vormen. Zij mogen met el­kaar de gestalte van God op aarde uitbeelden. Zij zijn als het ware een soort voorproefje van wat het kan worden. Dat lukt niet altijd of lukt vaak maar ten dele. De volmaakte gemeente is er nog niet helemaal, maar probeert wel vorm te krijgen. De gemeente is bezig te voorschijn te ko­men, ‘zoals de knop reeds bloem bevat en het zaad het trots ge­boomte’ (Jo­han­nes de Heer). In de knop zit reeds de bloem. Een eikel of een kas­tanje kan uitgroeien tot een machtige boom met een dak van scha­duw­rij­ke bladeren. Dat mi­nuscule be­gin groeit uit tot iets groots.

Sooma – de kosmos

De derde betekenis van sooma is niet zo bekend. Misschien wordt deze be­tekenis ook vaak maar helemaal weggelaten. Je kunt bij punt één en twee blijven staan. Dan heb je geen valse hoop, maar dan heb je mis­schien te weinig hoop. Met de eerste betekenis van sooma wordt bedoeld het lichaam van Jezus Chris­tus, Jezus zoals Hij rondwandelde op aarde. In dat lichaam heeft Hij al het kwaad weggedragen en heeft Hij de verzoening tot stand ge­bracht. In zijn striemen is ons genezing geworden.In zijn lichaam heeft hij alle ellende en duisternis op het hout gebracht. Ten tweede is de gemeente het lichaam (sooma) van de Messias. Dat geeft al heel wat verwachting. Er is al heel wat hoop te putten uit die eerste en tweede betekenis. Er is nog een derde snaar, een derde toon, zegt de Kolossenzenbrief. Het li­chaam heeft in de Kolossenzenbrief ook nog de betekenis van de kos­mos, het heelal. Groter kan het niet. Wat is er nu groter dan het heel­al?! Wat is er nu nog wijder dan de kosmos?! Godzelf…. Sooma heeft dus ook de betekenis van kosmos. Dat is niet alleen maar de planeet aarde, maar ook alles daar omheen. De kosmos is dat grote geheel, alles wat be­staat, de ganse schepping, zo groot als je maar kunt bedenken. In dit ver­band komen we op een bijzondere tekst, waar we later nog wel weer op te­rugkomen. Een tekst om eerst eens te laten be­zin­ken.

Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk (deel) van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is. Kol.2:16,17.

Feestdagen, nieuwe maansdagen, sabbatten, gedenkdagen, eten en drin­ken, al deze bepalingen worden achtereenvolgens opgenoemd. Wat eet je wel en wat eet je niet en welke voorschriften moet je wèl of niet in acht nemen. ‘Schaduw van hetgeen komen moest’ is één mogelijkheid tot vertalen, maar er komt nog iets bij. Dat komt later in deze studie aan de orde. Vers 17 eindigt met de woorden: ‘De werkelijkheid (sooma) is van Christus’. Hier staat het woord sooma en dus is de vertaling als volgt:

Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk (deel) van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl het lichaam van Christus is. Kol.2:16,17.

Deze gedachte moet langzaamaan een beetje helder worden en een  beet­­je ‘groeien’ in ons. Paulus zit daar in zijn gevangenis de openbaring die hij van God krijgt, te overpeinzen. Het is op zich heel fascinerend om je dat te realiseren. ‘Het lichaam is van Christus’. De hele kosmos is het lichaam van Christus!  Wijder kan het niet!

Dieper dan alle zeeën zijn, reikt Gods erbarmen,  

wijder dan alle zeeën zijn, strekt Hij zijn armen.

De hele kosmos is het lichaam van Christus. Het ligt het meest voor de hand om te vertalen: ‘maar het lichaam is van Christus’, want het is een te­gen­stelling tussen de schaduw van wat komen zou (dat gaat daaraan voor­af) en alle andere dingen die een schaduw zijn van wat komen moest. Tegenover die schaduw staat dan: ‘maar het lichaam is van Chris­tus’. Je kunt ook wel – zoals de NBG vertaling doet – zeggen: ‘de werkelijkheid is van Christus’. Met werkelijkheid wordt dan heel de geschapen wereld bedoeld, alles wat bestaat, heel die kosmische werkelijkheid, planeten en sterren, melk­wegen en het ganse uitdijende heelal. Een sterrenkundige heeft gezegd dat we nu vier procent van het heelal ken­nen. De rest, 96 procent, is onbekend. Daar weten we nog weinig van. De ganse kosmos tot in alle uithoeken is allemaal van de Christus, de Ma­sji­ach. Het is goed om dat derde punt erbij te bedenken en erbij te be­trekken. Dit gegeven komt weer terug in Kolossenzen 2:19, waar het gaat over ‘vleselijk denken’.

Terwijl hij zich niet houdt aan het hoofd, waaruit het gehele lichaam, door pe­zen en banden ondersteund en samengehouden, zijn goddelijke wasdom ont­vangt.  Kol.2:19.

Het gehele lichaam ‘groeit de groei van God’

‘Het gehele lichaam’, dat betreft de kosmos. Dat totale lichaam (pan to sooma), dat ganse sooma wordt bij elkaar ge­houden door pezen en banden en dan ‘groeit het de groei van God’. (letterlijk vertaald). De vertalers hebben deze zin enigszins soepel willen overzetten, maar er staat eigenlijk: ‘groeit het de groei van God (de Godsgroei, de goddelijke groei)’. Als er een groei van God komt, is deze niet te stuiten. Het lukt je soms niet om in de natuurlijke wereld een plantje tot wasdom te laten ko­men, ondanks alle goede verzorging. In vers 19 is er echter sprake van de groei die van Gòd komt. Deze ‘Godsgroei’, deze spirituele was­dom is niet tegen te houden, maar groeit dwars tegen alles in.

In een gedicht dat gaat over al­lerlei on­kruid, dat dwars door as­falt en be­ton heen zich een weg baant naar het licht, staat de vol­gende re­gel: ‘Godlof dat onkruid niet vergaat’. Bij de gelijkenis over ‘het onkruid in de akker’ wordt gezegd: laat alles samen opgroeien tot de oogst. Hierbij moeten we trouwens wel beden­ken, dat de definitie van onkruid maar betrekkelijk is. Onkruid is vaak al­leen maar iets dat groeit op een plaats waar wij iets anders hadden ge­plant en gepland. Als een tuin vol paardenbloemen, zevenblad of aller­lei an­dere leu­ke planten komt te staan, is dat meestal niet onze bedoe­ling. Deze plan­ten groei­en niet op de plaats van onze planning. Dat be­te­kent dus dat on­kruid een subjectief verschijnsel is. Bovengenoemd gedicht eindigt zo prachtig met de woorden: ‘Het on­kruid wint het laatste gevecht’. Die kleine plantjes komen dwars door het as­falt heen. Zo is het ook met ‘de groei des Heren’, de goddelijke was­dom die niet is te­gen te houden. De derde betekenis van het woord lichaam (sooma) is dus heel de kos­mos. Het is goed om dat eens te laten bezinken. Heel de kosmos is zijn li­chaam, zijn gestalte. Alles is van Hem: de Melkweg en alle ster­ren­stel­sels, de Grote Beer, Orion, de Morgenster en al die planeten. Alles in het heelal is van en voor Hem. Het is goed om deze drie betekenissen van sooma in ons hart te bewa­ren. Jezus heeft Zichzelf gegeven, Hij heeft zijn lichaam gegeven als los­prijs.

De drie betekenissen gaan in elkaar over.

De eerste betekenis: Hij gaf zijn lichaam (sooma) aan het kruis. Dat wordt de basis voor de verzoening. Vanuit de eerste betekenis van sooma gaat de verzoening naar sooma in de tweede zin, want dan wordt de gemeente gekocht. De gemeente heeft Hij betaald met zijn eigen bloed. Hij heeft zich een volk gekocht. Jezus zegt: dit volk is van Mij. Dit is mijn sooma. Van daaruit gaat het naar de derde betekenis van sooma, want heel de kos­mos wordt gerehabiliteerd, teruggehaald. Daar valt niets buiten.

De gedachten van de Kunstenaar

Dat laatste punt was van grote betekenis voor de gemeente van Kolosse. In Klein-Azië leefden allerlei gedachten over de geestelijke we­reld. In de brief aan Kolosse wil de schrijver zijn lezers nader on­der­wij­zen over de wereld àchter deze wereld. Paulus wil hen op het hart binden om niet alleen maar tegen de zichtbare dingen aan­ te kijken, maar te beseffen dat er ook een geestelijke we­reld is. Plato was daar ook al mee bezig. Hij heeft begrepen dat boven deze we­reld zich een andere wereld welft. Wat je ziet, is niet het laatste. De we­reld waar je tegenaan kijkt, is alleen maar de buitenkant. Wat in de krant te le­zen is en op het journaal wordt getoond, is de we­reld van de buiten­kant, de we­reld van de fenomenen, de verschijnselen. Deze zinnensfeer is echter niet het laatste, want er is ook een sfeer van de geest. Plato heeft begrepen dat er de ‘ideeën’ zijn, de ‘Godsgedach­ten’, die de din­gen vor­men zoals ze zijn. Je zou het kunnen vergelijken met het vervaardigen van een product uit be­paalde materialen. Daaraan ten grondslag ligt het plan van de kunste­naar. Een arbeider maakt bijvoorbeeld in een fabriek een onderdeel van een auto, maar de ontwerper heeft dit voertuig bedacht. Hij heeft zich niet bezighouden met schroefjes en boutjes, maar hij heeft een model in zijn gedachten. Hij ziet in de geest die prachtige sportwagen al voorbij sui­zen en hij weet hoe hij zo’n gestroomlijnd exemplaar moet ontwer­pen. Als je een aantal schroefjes en plaatwerk op een hoop ziet liggen, zeg je niet: kijk, daar ligt een auto! Daar ligt alleen maar wat materiaal. De bouw­tekening van de ontwerper is nodig om die auto te maken, want anders komt er niets tot stand. Zo is het ook in de geestelijke wereld. Er zijn ideeën nodig, Gods­ge­dach­ten, de gedachten van de Kunstenaar. Plato heeft gezien dat de god­de­lij­ke Kunstenaar dat geweten heeft. Dat was zijn visie, hij zag dat geheel. Zo is er achter deze wereld een andere wereld, de wereld achter de scher­men. Dat is de wereld van de geest.

Het probleem van de fragmentarisatie

Het probleem bij de Kolossenzen was vooral dat ze in aanraking kwa­men met allerlei los van el­kaar staande opvattingen. Ze waren in feite op zoek naar het ver­band tussen al die ‘losse onderdelen’. De wereld lijkt vaak alleen maar uit ‘los zand’ te bestaan. Er gebeurt van alles, waar­van je je af­vraagt of het zin heeft. Vaak zit er kop noch staart aan, lees de krant er maar op na. Op de voor­pagina staan allerlei berichten die niets met el­kaar te maken hebben. On­langs ging tijdens een bespreking in de Tweede Kamer het alarm af, waar­door ie­dereen wegrende. Achteraf bleek het loos alarm te zijn. Dat is vaak de symboliek van het leven: allemaal mensen die rennen. Als je vraagt waar­om ze zo rennen, geven ze als antwoord dat er alarm ge­slagen is en dat het niet goed gaat. Heel de wereld bestaat uit los van el­kaar staande gebeurtenissen. Hier gebeurt een ramp en daar is iemand ja­rig en dat ook nog op dezelfde dag. Is er wel enige structuur te vinden in al die ge­beurtenissen? Mensen die allemaal verschillende kan­ten op­rennen. Zouden al die mensen nu wel beseffen waar­óm ze op deze we­reld zijn? Al die mensen… vaak met hun tragiek, met hun blindheid. In de Kolossenzenbrief gaat Paulus terug naar het begin. Dat wordt het lied van Kolossenzen 1:15. Het is net alsof Paulus zegt: daarvan moet je zin­gen, daarop moet je een lied aanheffen!

Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schep­ping, want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem gescha­pen.  Kol.1:15,16.

Paulus gaat hier terug naar het begin, want als je alleen maar de frag­men­ten ziet, kun je behoorlijk in de war raken door die fragmentarisatie, door die ver­brok­ke­ling. Misschien is die ver­brokkeling ook vaak de pijn van de post­moderne mens. Wat is dan jouw leven… ook zo’n klein stuk­je ergens in dat grote heelal…. Wat is de mens… De ge­dach­te kan dan ont­staan dat de mens niet veel bijzonders is vergeleken met het oneindi­ge. Een mens is maar een heel klein stofje aan de weeg­schaal, een drup­pel aan de emmer. Is er nog wel een verband, is er een ge­schie­de­nis, is er een verhaal?!

De eerstgeborene der ganse schepping

Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping (kti­sis).  Kol.1:15.

Hier zie je dat het gaat over de hele kosmos. Dat is zijn lichaam en Hij is de bekhōr, de eerstgeborene. De eerstgeborene, niet alleen maar van de ge­meente, maar van de ganse schepping! Het woord bekhōr is een van de ba­sis­woor­den uit het boek Genesis, want daar gaat het steeds over de eerst­ge­bo­re­ne. In Kolossenzen 1:15 staat het woord ktisis. In het Hebreeuws wordt het woord schepping dan beri’ah (van het woord ba­ra’ – scheppen). Het woord ktisis wordt ook gebruikt in 2 Korinte 5:17: ‘Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping’. Je moet je eens voorstellen wat hier gebeurt! In Genesis 5 staat een hele op­somming van de verwekkingen van de eerstgeborenen. Adam verwekte zijn eerstgeborene, Seth verwekte zijn eerstgeborene…. Zo gaat dat door… steeds wordt de eerstgeboren zoon, de bekhōr, op­ge­noemd. In Romeinen 8:29 wordt Jezus genoemd ‘de eerstgeborene on­der ve­le broederen’. De Kolossenzenbrief gaat echter nog een stap verder. Het is net als bij het beklimmen van een berg. Iedere keer als je een plateau hoger komt, wordt het vergezicht indrukwekkender. Beneden in het dal was daar niets van te zien. Op het ene plateau zie je de gemeente, het lichaam van Christus. Op het volgende plateau zie je, dat Hij de eerstgeborene is van de hele schep­ping, de hele kosmos. Dat is ook zijn lichaam, daar valt niets bui­ten, dat is inclusief. Dat is inderdaad bij de prijs inbe­grepen, bij de prijs die Hij betaald heeft. De hele kosmos wordt ook verzoend, wordt ook gerehabiliteerd, wordt teruggekocht.

De kos­mos – het ‘weidsch ornaat’ van God

Het woord kosmos betekent ook sieraad. Het Griekse werkwoord kos­meoo betekent tooien, sieren of versieren. Dus de kosmos is eigenlijk het sie­raad van God. Vandaar dat Van den Bergh van Eysinga de kosmos het ‘weidsch ornaat’ noemt. Een van zijn boeken is ook zo getiteld. Het woord ornaat is de Latijnse vertaling van kosmos. Kosmos betekent dus sieraad, maar het is ook het kleed dat je draagt. De kos­mos is het kleed van God, het sieraad van God. Als de Eeuwige iets aantrekt, is dat niet zomaar een kleed, maar de ‘crème de la crème’, het beste van het beste. Dat ‘weidsch ornaat’ is dus de kosmos, waarvan God de bouwmeester en Kunstenaar is. Een kunstenaar is pas kunstenaar als hij wat schept. De beeldhouwer neemt een ruwe klomp steen of marmer waarin hij gaat beitelen en hak­ken. Uiteindelijk komt er dan iets moois tot stand. Aan een beeldhouwer werd eens gevraagd, hoe hij een leeuw maakte. Het antwoord was: uit een bonk steen hak ik alles weg wat niet-leeuw is. Beeldhouwen blijkt dus niet zo moeilijk te zijn! De kunstenaar neemt het ruwe materiaal en daaruit wordt een beeld ge­hou­wen en dat is zijn ‘heerlijkheid’. Hij is bij de officiële onthulling aan­wezig, waarbij de burgemeester aan een koord trekt, zodat het doek van het kunst­werk afvalt. Iedereen slaakt kreten van bewondering als het beeld te voorschijn komt. De kunstenaar staat daarbij in stilte te ge­nieten en denkt: dit is mijn heerlijkheid, hier heb ik iets van mezelf in gelegd. Dat is zijn mees­ter­schap, want een kunstenaar die nooit iets maakt, is geen kunstenaar. ‘Gij gelooft niet aan de dichter die nooit een gedicht publiceerde’. Aan de vruchten kent men de boom. Het goddelijke wordt gekend uit de natuur als uit een schoon boek’, zegt de Ne­derlandse Geloofsbelijdenis. Zo is daar dat lichaam en ‘Hij is de eerstgeborene van de ganse schepping’. Dat gaat nog veel verder terug dan wat Genesis vertelt. Er wordt in Ge­ne­sis 2:4 wel gesproken over ‘de verwekkingen van hemel en aarde’. Heel de kosmos is zijn meesterwerk, zijn beeldhouwwerk, waarin Hij Zich­zelf heeft uitgebeeld.

Hij is het beeld van de onzichtbare God

We zien dus dat de Kolossenzenbrief helemaal teruggaat naar het begin. Dat was zo belangrijk, omdat de Kolossenzen met al die fragmenten in aanraking kwamen en zich afvroegen of er nog eenheid in te bespeuren viel. Je kunt als het ware lijden onder al­le ‘veelheid’. De mens wordt vaak geconfron­teerd met de vele dingen die op hem afkomen en de vele dingen die móe­ten. Zoals we gelezen hebben, kenden de Ko­los­sen­zen dat verschijnsel ook: feestdagen, nieu­we maan, spijswetten… Vanouds speelde daar een geschil in mee tussen de scholen van de filo­sofen. Wat is nu de essentie: het ene of het vele? Je kunt lijden aan de veelheid van de dingen, de veelheid van indrukken. Daar kun je dood­moe van wor­den zoals de dichter zei: ‘Nu wil ik liever slapen gaan bij mijnen lieven Here’. Ik wil niets meer zien en niets meer horen. Ik draai de knop om en wil geen uit­zen­ding meer beluisteren. Er is tegenwoordig een scala aan keu­ze­mo­ge­lijk­heden en een mens kan daarvan in de war raken. Alleen al het kopen van tandpasta bijvoorbeeld, betekent een keus maken uit een grote hoeveelheid soorten. Dat zien we bij de meeste producten. Je kunt moe wor­den van het vele, van de vele dingen.

Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping (kti­sis – Hebr: beri’ah).  Kol.1:15.

Daarom gaat Kolossenzen 1:15 terug naar het begin, toen God er nog al­leen was.

Alleen was God in stilte ongebroken,

volmaakt Zichzelf, onnoembaar, onweersproken.

Toen heeft Hij in zijn hart gehoord,

de klank en aandrift van het Woord.

Nog voor hij enig mens gewon,

nog voor het opgaan van de zon.

Voor zonsopgang…..  eerstgeborene…..

De oude Egyptenaren zeiden al: elke zonsopgang is een schepping. Dan be­­gint de schepping, dat is de eerste dag. Wat doet God vóór de zons­op­gang…? Straks ga Ik tafel dekken voor mijn mensen, ‘s morgens heel vroeg. Zoals een kind zei: ik weet wat God ‘s morgens in de vroegte doet. Dan zet hij koffie voor de engels. Kinderen weten dat…. Nog vóór het opgaan van de zon, nog voordat de dageraad komt….

Alleen was God in stilte ongebroken.

Toen heeft hij in zijn hart gehoord

de klank en aandrift van dat Woord.

‘In den beginne was het woord’.

Dat woord was de eerstgeborene.

Dat Woord stond hem met raad en daad ter zijde,

toen Hij het licht, de zee, de aarde spreidde.

Het werd zijn liefste gezellin.

Het spreekt Hem moed en liefde in,

opdat niet ooit zijn hart bezwijkt,

zijn naam van deze wereld wijkt.  (Huub Oosterhuis).

Er vindt vanbinnen een gesprek plaats in God met zijn eigen Woord. Dat Woord staat Hem met raad en daad ter zijde. Dat Woord was zijn raad­ge­ver nog vóór de schepping. Dat is de blanco bladzijde vóór Ge­nesis 1. Dan komt de eerste dag en het licht begint te wandelen door het huis. De tafel wordt gedekt, want straks komen mijn mensen. Ik zal alvast wat voor hen gereedmaken. Dan voel je, dat daar dat oerbegin is; het Woord als de eerstgeborene, als de bekhōr van de ganse schepping. Eerst was er het ene en van daaruit kwam het vele. Daarom wil de Kolossenzenbrief in hoofdstuk 1:15 ons zeggen, dat we dáár moeten beginnen, naar dat begin moeten we terug. Héél de schep­ping is het li­chaam van Christus. In vers 16 staat:

Want in Hem zijn alle dingen geschapen. 1 Kol.1:16.

Zijn lichaam, ‘in Hem geschapen’. Dat is dat ene, dat aan alle vele dingen voorafgaat. Dat is het monisme. In het begin was er één (monos) en die ene gaat uit in vele vormen. Het ene, dat de vele dingen, de bonte ver­schei­­denheid in zich verenigt. Dus het gaat om één en om vereni­ging. Al­les wordt verenigd in dat lichaam van Christus. Daar gaat heel de Ko­lossenzenbrief over. Hoe krijg je alles bij elkaar? Hoe krijg je alle frag­men­ten weer tezamen? Hoe maak je de puzzel weer tot één geheel?

Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte

In Kolossenzen 2:8 staat nog een bijzonder woord, waar we de aandacht op willen vestigen. Professor J.C. Hoekendijk placht te zeg­gen: wat ge niet ge­ëtaleerd vindt, vraag dat binnen. Dat is ook het doel van gemeen­te­-zijn. Wat niet in de etalage hangt, daar vraag je binnen maar naar. Soms is er iets geëtaleerd wat aanleiding geeft om naar binnen te gaan. Dan krijg je alvast de smaak te pakken.

Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten (stoi­­­­cheia-meervoud, stoicheion-enkelvoud) en niet met Christus.  Kol.2:8.

Hier staat dus dat je je niet moet laten meevoeren ‘als een roof’ (let­ter­lijk), dat je je niet ten buit moet laten voeren door de filosofie van men­­sen. Daarbij is het goed te bedenken dat Paulus tegenover de filosofia, de filosofie van de mensen, een betere filosofie gaat stellen. Hij zegt niet, dat alle filoso­fie waar­deloos is. Het is niet de bedoeling op te houden met denken! Dan heb je vandaag dus voor het laatst gedacht! De schrij­ver zegt dus ook niet dat we moeten op­houden met filosofie, maar wel dat we de juiste filosofie moeten zoe­ken. Als je denkt, moet je het góed doen. Er komt een moment waarvan je kunt zeggen: dan ‘ga je over’. Je gaat over van het aardse naar het he­mel­se denken. Er komt een moment, waarin de ziel geest geworden is. Dit is de wijsheid, de aan­bidding en de kunst. Dan wordt een mens ge­adeld. Het begin echter is het weten, dat God het mid­del­punt is van die kos­mische cirkel, die alles omvat. Maar dat niet alleen, de stralen die vanuit het middelpunt uitgaan, komen ook uit God, en God is ook de omtrek. Dat is dat ene. Over­al waar je heen kunt gaan vind je God. Je kunt gaan op allerlei wegen maar je hoeft nooit bang te zijn dat je God niet zult tegenkomen. Heel de schep­ping is vol van zijn heerlijkheid. ‘Des Heren is de aarde en haar volheid’, zegt Psalm 24.

Aan een rabbijn werd de vraag gesteld: waar is God?

Zijn antwoord was: waar is God niet!

We kunnen hierbij het begrip van een cirkel hanteren, een cirkel waar­van God het middelpunt en waarvan God ook de omtrek is. Dat bete­kent ook dat de stralen die van die cirkel uitgaan, in feite van God uit­gaan. Er is een wereldboom (een ‘waereldesch’, zegt Van den Bergh van Eysinga) en de eeuwigheid is zijn wortel. Daar staat als het ware een boom die dat groot­se geheim vertegenwoordigt en waar de volkeren zul­len schuilen onder het bladerdak.

Stoicheia – bouwstenen van de kosmos

De Kolossenzen, de Efeziërs, de oude Grieken en ook latere ge­ne­ra­ties hebben zich intensief beziggehouden met de stoicheia. Het NBG vertaalt het met ‘de wereldgeesten’, maar stoicheia betekent eigenlijk elementen. Oor­spron­kelijk betekent het woord stoicheia: streep, rijtje, of de scha­duw­­streep van een verticale stift. Je kunt allemaal streepjes zetten en dan van die streepjes letters maken. Van­daar dat stoicheia ook letter kan be­tekenen. Die letters vormen dan dus weer woorden. Stoi­cheia zijn dus de elemen­taire deeltjes, de elementen waaruit alles is op­ge­bouwd, alle kleine be­stand­delen van de schepping. De oude Grieken zeiden: heel de kosmos is opgebouwd uit elementen. Vaak werden er dan vier elementen onderscheiden: aarde, water, vuur en lucht. Die vier elementen vor­men de componenten, de samen­stel­len­de delen waarmee je al­les maken kunt. Het zijn de basisgegevens (daar zien we weer het begrip ‘vele’) waarmee je kunt componeren en samen­stellingen kunt ma­ken. Een musicus kan met één toonladder al zijn mu­ziekstukken com­poneren. Een schilder kan met allerlei kleuren verf prachtige veel­kleurige composities maken. We zien dan dat het ve­le tot een harmonie komt. De tragiek is echter, dat de mens vaak de eenheid en het verband is kwijtgeraakt. Vandaar dat er in al die oude godsdiensten vele goden zijn. De veelheid vanuit de levenservaring vertaalt zich dan in een on­ein­dig aantal goden. Er wordt wel gezegd dat er in het hindoeïsme net zo­veel goden zijn als Hindoes. Hoeveel goden waren er al niet bij de ou­de Grieken en Romeinen?! Dat gegeven vind je later ook weer terug in de grote hoeveelheid heiligen in de rooms-katholieke kerk. Telkens is er weer spra­ke van de veelheid. Wat moet je nu met al die stoicheia, met al die elementen, zegt de Kolos­sen­zen­brief. Die elementen kunnen zich op allerlei manieren manifes­teren. Wat is nu het verband? Het grote doel is, dat je verlost wordt van de leu­gen en in de waarheid komt. Dan komt de grote stilte. Miskotte heeft dat genoemd: ‘Als de goden zwijgen’.

Als de goden zwijgen

God staat aan het begin. Voordat de zon opgaat, wandelt Hij door het huis om alles gereed te maken. God is echter ook de laatste, Hij is er ook ’s avonds laat. Als de laatste zender stopt en het laatste programma zwijgt, vraagt God: is er niemand meer die nog wat zeggen wil…? In 1 Koningen 18 staat daar een prachtig verhaal over. Eerst komen al die 450 Ba­äl­priesters op het toneel. Daar heb je weer die veelheid. Wat een ver­za­me­ling priesters! Ze roepen en ze dansen! Een heel dagvullend programma! Ze staan daar te programmeren tot de avond, doodver­moei­end. Heb je wel eens 450 priesters bij elkaar gezien, compleet met dans en zelfkastijding, met rituelen voor en na? Elia doet de hele mid­dag niets anders dan wachten tot de goden zwij­gen. Dat is een konink­lijke hou­ding! Elia wacht, net als God. Het is net alsof Elia en God daar sa­men op de achtergrond staan, elkaar een knipoog ge­ven en met een blik van verstandhouding tegen elkaar zeggen: laat ze maar, ook dit gaat voorbij. Het houdt vanzelf een keer op. Wie het laatst bidt, bidt het best. Uiteindelijk zijn alle Baälpriesters moe. Om het met de woorden van Isaac da Costa te zeggen: ‘Moe geworsteld en ontwapend,tot geen afval meer in staat’. Dan zegt Elia: ik geloof dat ik aan de beurt ben! Dan wordt het heel stil en kun je een speld horen vallen. Elia maakt van twaalf stenen een altaar dat hij met veel water overgiet, twaalf kruiken vol, tot gans Is­raël door­weekt is. ‘Zullen we bidden’, zegt Elia op het uur van het avondoffer. Dat is precies op het juiste tijdstip. Dat is Kolossenzen 2. Al die elementen, al die goden, waardoor je soms de tel kwijt raakt… Ach, zegt God, wacht maar even… Goden komen en gaan, maar dan is daar de Eeuwige, de Absolute, de On­veranderlijke. Dan is daar de koele eenzaamheid en de ontroering, dan is daar de troost. Het is net alsof Elia en God daar staan en daar­ach­ter zien we Paulus in de gevangenis in Rome en hij zegt: ik ben getroost. “Daar was de ellende en de breuk en de ziel had dorst en honger, maar dan komt de troost. Daar komt de zuivere blik en de kosmos wordt pa­radijs. Dan is daar te midden van dat vele de Ene”. In de Oudoosterse wereld, in de antieke gedachtegang, hield men zich in­­tensief bezig met die elementen. Ze raakten vaak ook ge­van­gen in die gedachtegang. De kern­vraag was, wat nu de bindende factor was te midden van al die elementen. Dat wordt ook de kernvraag voor de Ko­los­senzen. Wat bindt ons samen, wat bindt die hele kosmos samen? Of is het alleen maar iets dat uit elkaar gaat vallen en vervolgens naar alle kanten door de wind wordt verstrooid?

Christus zal zijn ‘alles in allen’

Men ging die ele­menten – zon, maan, sterren, vuur, lucht, aarde – ook vaak aanbidden en noemde dat dan goden. De Kolossenzenbrief waarschuwt om daar niet in mee te gaan. Er is er maar Eén en die Ene is de Christus. Alles wordt samengevat in Hem. Bui­ten Hem is er helemaal niets. Heel die kosmos is het lichaam van Chris­tus. Dat is hèt centrale thema van de Kolossenzenbrief: Christus al in al­les. Een lied van Johan de Heer zegt: ’Hij alleen, daar wil ik heen. Vroeger was het de zegen, nu is het de Heer’. Dan blijft er niets anders meer over. We zullen het niet over de ele­men­ten gaan hebben, zegt de Kolossenzenbrief. Want al die ele­men­ten wor­den omvat in Christus, het zijn allemaal ledematen van Christus. Het zijn al­le­maal leden van het lichaam. Er is er maar Eén die overblijft en dat is de Chris­tus. Niets is er buiten Hem en alles is in Hem. Je gaat je dan niet meer bezighouden met al die fragmenten. Ze zijn wel aar­dig, maar uiteindelijk geeft het je alleen maar een deelvisie. Dat is misschien vaak ook de pijn van veel dogmatiek. Het geheel is weg en men blijft bij een bepaald facet stilstaan. Je kunt van elk facet een dogma maken. Je kunt bij elk facet een gemeente oprichten. Kijk maar eens naar al­le namen van kerkgenootschappen. Dat gegeven kun je op allerlei ma­nie­ren terugvinden.

De elementen zullen brandende los­ge­maakt worden.

In 2 Petrus 3 wordt ook het woord stoicheia gebruikt.

Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan, en de aarde en de wer­ken daarop zullen gevonden worden.  2 Petr.3:10.

Letterlijk: ‘Komen zal de dag des Heren als een dief, waarin de hemelen bran­den­­de zullen voorbijgaan. De elementen (stoicheia) zullen brandende los­ge­maakt worden’

‘Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de he­melen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden’. – SV. ‘De dag van de Heer zal komen als een dief. De hemelsferen zullen die dag met luid gedreun vergaan, de elementen gaan in vlammen op, de aarde wordt blootgelegd en al­les wat daarop gedaan is komt aan het licht’ – NBV. Het gaat hier niet over een vernietiging van de schepping. God zal zijn eigen schepping niet vernietigen. Het gaat hier meer over een situatie van uiteenvallen. Je moet je ook afvragen wat er in dit verband bedoeld wordt met die elementen. Dat kunnen ook de elementaire delen zijn, de structuren van de samenleving. Het zou dus kunnen betekenen dat de structuren ontbonden worden. Er staat ook ‘van de hemelen’, dat is van de geestelijke wereld.

Hij voleindigt wat zijn hand begon

We hebben gesproken over het begin. Alle dingen zijn geschapen in Chris­tus. We hebben gesproken over het einde, wanneer alles wordt sa­men­gevat in Hem, in Christus. Niets valt daar buiten. Daartussen zit heel die weg van ups en downs, heel die reis, vaak door de wildernis en soms door de woes­tijn. Bij alle omzwervingen van de mensen en van de gemeente heb­ben we uiteindelijk maar één doel voor ogen: Christus zal alles zijn in allen. Wat is nu het samenbindend element, was de vraag van de gemeente te Kolosse. Daar hebben de Grieken heel wat over na­ge­dacht en ook in Ko­losse – dat midden in Klein-Azië was gesitueerd – kwam die vraag vaak aan de orde. Als je in Kolosse een ge­sprekskring ging hou­den en aan de Kolossenzen, de Frygiërs, vroeg waar­over ze met elkaar van gedachten wilden wisselen, dan kwam dat onderwerp met­een naar voren. We we­ten wel van al die elementen, maar wat is nu de samen­bindende factor. Dat was hun stok­paardje en hun geliefkoosde thema. En daar gaat nu de heel de Ko­los­sen­zenbrief over. Berkhof, ooit hoogleraar in Leiden, heeft eens gezegd: elke voorganger heeft als het erop aankomt één preek. Daar kan hij op variëren en daar krijg je wat verschillende toonsoorten van te horen. Maar als het erop aan­­komt, heeft el­ke prediker maar één preek, waar hij steeds op terug­komt. Dat is als het ware zijn grond­the­ma. Er zijn een paar heel knappe predikers die twee preken hebben. Dan zijn er nog enkele genieën die drie preken hebben. De meesten heb­ben er één, waar ze wat varianten op maken. Een prediker bekijkt het on­derwerp van verschillende kan­ten, maar als je goed luistert, merk je dat hij zijn thema weer te pakken heeft. Dat geeft ook niets. Zalig is de mens die één preek heeft. Dat is beter dan geen preek. Uiteindelijk zeg je al­tijd hetzelfde, maar dat geeft niet, als dat ene wat je zegt maar goed is. Welbeschouwd heeft de Ko­lossenzenbrief ook maar één preek.

Barthold van Ginkel heeft in zijn leven zestig jaar gepreekt en zei: ik ben een mandoline met drie snaren. Veel mensen zeiden: we horen er de laatste tijd maar één klinken. Zijn preken kwamen allemaal neer op de­zelf­de grondtoon. Laat dan die ene snaar maar klinken. ‘Christus al in al­les’, meer hoeft niet. Dan hoef je niet in verwarring te raken door allerlei wind van leer. Een gemeente in Emmen had drie broeders die respec­tie­velijk heetten: Storm, Wind en Voordewind. Broeder Wind had zo nu en dan nogal af­wij­kende ideeën en men zei dan tegen elkaar: je moet niet met elke leer van Wind meegaan. Houd je dan maar te midden van alle stormen vast aan Hem en dan word je ook nog vastgehouden. Dan houd je vast aan dat ene woord: Hij is de Schepper vanaf het begin en Hij is ook de Voleinder. En Hij spant zijn koord van schepping naar voleinding.

En ginds, aan gindse stergewelven,

daar speuren we Uw aanwezigheid.

Maar kerend in onszelve,

vinden we U ook.

Daar vinden we zijn spoor terug, ook daar is God. Christus in ons. Dan zijn we ook een deel van die grote kosmos, een deel van dat grootse li­chaam. Dan mogen we op onze eigen vierkante meter ervaren, dat God daar ook is. Die hoop is niet vals, want die hoop is gegrond. Als dat dan on­ze enige preek is, is dat genoeg. Dan mogen we die melodie eindeloos her­halen. Dan schrijven en herschrijven we nog de naam van God. Zo gaat God voor ons uit, zo is Hij om ons heen en is Hij ook in ons. Zo is Hij de Geest die leven doet. Zo brengt God ons vanuit de ziel in de geest. Zo is Hij degene die ons draagt, vandaag en alle dagen. Hij voleindigt wat zijn hand begon.

Het tijdsbeeld van de eerste eeuw na Christus

De eerste eeuw na Christus is een wonderlijke tijd geweest, want in die dagen vonden er nogal wat ingrijpende gebeurtenissen plaats. Het is de periode waarin de Romeinse keizers regeerden, een gegeven dat vaak sterk meespeelde. Als je in Klein-Azië woonde, zoals bij­voorbeeld in Ko­losse, kwam er ook heel wat op je af. Daarbij is het goed te be­denken dat het nieuws dat men in die tijd te horen kreeg, natuurlijk vaak alleen maar fragmentarisch overkwam. Vaak vernam men pas van gebeur­te­nis­­sen, als die al lang geleden hadden plaatsgevonden. Men had toen niet de beschikking over de media, zoals wij die hebben. Je zat niet – zo­als heden ten dage – als het ware op de eerste rang. Nu kun­nen we het nieuws direct via radio, TV en internet volgen. Berichten kwa­men vanuit het grote Ro­meinse Rijk vaak fragmentarisch binnen en slechts af en toe kreeg je daarvan iets te horen. Je wist dat ergens in het verre Rome de touwtjes werden aangetrokken of gevierd. Je was een klein radertje in de grote politieke constellatie van het Romeinse wereld­rijk. En dan zat je daar in je kleine stadje, in Kolosse, Efeze of Laodicea… Zo ging dat er in de eerste eeuw aan toe. De ene keizer kwam en de an­de­­re keizer ging. Nero (54-68) was ook een van die machthebbers en be­paald niet iemand om over naar huis te schrijven! Tacitus, een Romeins historicus, die ook in die tijd leefde, heeft daarover een boekje open­ge­daan. Misschien dacht je in die dagen: Gelukkig, Rome is ver weg! Het is ten­slotte heel wat mijlen te gaan van Kolosse naar Rome. Gelukkig woont de keizer hier niet om de hoek! Afstand kan op zich dan wel eens prettig zijn. Op een gegeven moment ging er echter het een en ander ge­beu­ren dat níet op een afstand plaatsvond. Zo vond er op een gegeven moment in Klein-Azië een aardbeving plaats. Laodicea, Efeze en ook Kolosse wer­den hierdoor getroffen. Die aard­be­ving was wèl heel dichtbij. Volgens som­mige bronnen vond deze aardbeving in het jaar 60 plaats. De latere kerkhistoricus Eusebius zegt, dat die aardbeving in het tiende jaar van Nero’s regering Klein-Azië teisterde. Dat was dus in het jaar 64, want Ne­ro werd in het jaar 54 keizer. Je kunt je voorstellen dat een aardbe­ving verregaande consequenties heeft voor het hele maatschappelijke le­ven en ook heel wat angst en onzekerheid met zich meebrengt. Mis­schien was die aardbeving ook wel een weerspiegeling van wat er zich in de geestelijke wereld afspeelde. Zoals het innerlijk van de mensen werd geschokt, werd ook de aarde geschokt. Wat gebeurt er met je als je in een soort shock leeft? Alles waarvan je dàcht dat het vaststond, blijkt niet langer vast te staan. De aarde, waarvan je het gevoel hebt dat díe in elk geval solide is, wordt geschud.

Zo min de aarde ooit uit hare stand zal wijken,

zo min zal uwe trouw ooit wankelen of bezwijken.

Dat zijn twee regels uit een psalmvers. Als echter regel één niet meer blijkt te kloppen, hoe gaat het dan met regel twee…? Wat houd je dan nog over?! In Rome was de situatie ook niet meer zo stabiel. In het jaar 64 vond de aardbeving plaats en in 68 begint ook in Rome het een en an­der te wan­ke­len. De regeringsperiode van keizer Nero is dan ten ein­de en intussen had toen ook die beruchte brand zich voltrokken. Daarvan kre­gen natuurlijk de Joden of de chris­tenen of beiden weer de schuld. Joden en christenen werden in de hei­den­se optiek over één kam gescho­ren. Nero had dat vlammende Ro­me eigenlijk wel een fas­cinerend ge­beu­­ren gevonden. In elke kei­zer zit ken­nelijk altijd nog een kind. In het jaar 68 begint het dus nogal te rommelen in het Romeinse kei­zer­rijk. Eerst ko­men er drie soldatenkeizers aan de regering: Galba, Otho en Vitellius. Zo zijn er ook ooit nog eens tegelijk drie pausen geweest. Drie weten tenslotte meer dan één! Tel uw zegeningen… Af en toe zou je haast zeggen: ‘Tel uw leiders, tel uw machthebbers, tel ze per dozijn en ge zult verwonderd zien hoeveel het er wel zijn’. Dit rijm is trouwens afkomstig van de oude, inmiddels alweer legen­da­risch geworden broeder Gerrit Ernste, indertijd een markant prediker. Hij had de gewoonte om op zijn brommer vanuit de Betuwe naar allerlei plaatsen te rijden, om daar het woord te bedienen. Dat waren nog eens tijden! Aan alle kanten begint het dus te schokken in Klein-Azië. De aarde is geen vast gegeven meer en de politiek is ook al geen stabiele factor. Aan alle kanten is er tumult. Het lijkt een beetje op on­ze dagen, waarin ook allerlei zaken beginnen te wankelen. Allerlei toe­standen blijken geen be­staan en geen bestand meer te hebben.

De kosmos heeft een hart

Je kunt je daarom heel goed indenken dat juist in die tijd de Kolossen­zen­­brief op papier wordt gezet. Dan ga je schrijven… een brief, geschre­ven vanuit de ge­van­ge­nis in Rome. Wonderlijk, daar in het hart van het Romeinse Rijk, hoe is het mogelijk…! Bij de keizer om de hoek – bij wijze van spreken – ligt de keizerlijke ge­van­­­­genhof, waar een man van Joodse origine in zijn eigen gehuurde wo­ning een brief gaat schrijven. Wat doe je als je niets anders meer kunt doen? Dan neem je de pen ter hand, dat is je laatste wapen. Hoewel hij wel eni­ge bewegingsvrijheid heeft, zit Paulus toch opgesloten. Geestelijk echter heeft hij alle ruimte. Hij is in de geestelijke wereld zo vrij als een vo­gel in de lucht. De muren van de keizerlijke gevangenis deren hem niet, want innerlijk wordt zijn ruimte steeds wijder. Daar in het hart van het Romeinse Rijk gaat hij schrijven, want wie schrijft die blijft. Schrijven als wapen tegen de tijd, schrijven als wapen tegen het wankelende be­stel. In het hart van het Romeinse Rijk denkt Paulus na over wát hij zal schrijven. ‘Het hart van alle dingen’, is dat mis­schien een mooi thema? Heeft de kosmos een hart? Heeft dat ganse be­stel een ‘lef (hart)’? Terwijl iedereen het gevoel heeft dat er in de kosmos alleen maar een gat is – we denken in dit verband aan dat beeld van Zadkine – schrijft in de gevan­ge­nis een man: in de kosmos is een hart, er is een innerlijke dimensie!

De kernvraag in de Kolossenzenbrief

De kernvraag in de Kolossenzenbrief is namelijk: wat is er nog stabiel, wat blijft er nog overeind? Schrijven kan veel betekenen en een brief kan ook heel wat teweeg­bren­gen. Langza­mer­hand is de kunst van het brieven schrijven bijna ver­dwe­nen. Schrijven wordt een zeldzame bezigheid. Vroeger werden ‘De ver­zamelde brieven van Ro­sen­zweig’ en ‘De verzamelde correspon­den­tie van Miskotte’ uit­ge­geven. Dat waren dikke bundels brieven met ge­dachten die ze ooit in hun leven aan het papier hadden toevertrouwd. Zal dat straks nog kun­nen? Je moet er toch niet aan denken dat er straks een boek verschijnt ge­titeld: ‘De verzamelde sms’jes’ of: ‘De verzamelde mailtjes’ van een of andere min of meer beroemde auteur. Wie wil ze nog lezen? Zalig is de mens die nog een brief kan schrijven. Jeremia schreef brieven aan de ballingen in Babel. Paulus schrijft een brief vanuit Rome in het vertrouwen dat die woorden gedragen zullen wor­den op de vleugels van de Geest over de chaos heen. Het lijkt Genesis 1 wel: ‘De Geest zweeft over de wateren’. De Geest, de Ru­ach zweeft naar de overzijde van de oceaan, naar de overzijde van de Middellandse Zee. De kernvraag is: ‘Wat blijft er nog overeind, wat houdt stand te midden van alles wat er zich af­speelt’. De mensen in Kolosse hebben persoonlijk het gevoel gehad, dat hun le­ven geschud werd. Kunnen we het nog begrijpen, kunnen we het nog bevatten, laat staan dat we het nog kunnen doorgronden! Ze kon­den het wereldbestel en ook zichzelf niet meer begrijpen. Ze zaten daar met de fragmenten van het bestaan. Wat heeft er dan nog zeggingskracht?!

Paulus’ openingsgebed

Het is wel frappant dat de brief aan de Kolossenzen begint met een nog­al lang ge­­bed. Hoofdstuk 1:3 is een dankzegging en in hoofdstuk 1:9 gaat deze over in een gebed.

Wij danken God, de Vader van onze Here Jezus Christus, te allen tijde bij ons bidden voor u.  Kol.1:3.

Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht…  v.9.

Dat gebed komt niet in alle vertalingen zo duidelijk tot uiting. De NBG vertaling uit 1951 begint bij vers 15 met een nieu­we pe­ri­koop en het lijkt dan net alsof het gebed ten einde is. Vanuit de grond­tekst gelezen is vers 15 in feite een bijzin en geen nieuwe zin.

De Statenvertaling laat dat ook duidelijk uitkomen, want daar staat ach­ter vers 14 een puntkomma en vers 15 begint met de woorden: ‘Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods’.

In Denwelken wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de ver­ge­ving der zonden; (v.14) Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerst­ge­borene aller krea­tu­ren.  v.15 – SV.

De zin loopt gewoon door. De Statenvertaling heeft dus tussen vers 14 en 15 alleen maar een leesteken, maar zelfs die puntkomma stond er in de oorspronkelijke handschriften niet. Daar liep de tekst non-stop door, dus dat gebed gaat ook door. Kolossenzen 1:3 begint met een dank­zeg­ging en in vers 9 is de overgang van dankzegging naar gebed en dat loopt door tot vers 24. De kernvraag die daarin naar voren komt is: ‘Wat bindt nu samen?’ Wat is het bindmiddel tussen alle fragmenten?

Is er iemand die er iets van maken kan, die heel dat verwarrende, ver­bijs­terende, uiteengevallen leven weer kan samenvoegen. Is er nog een rode draad te vinden in dit leven? Zijn alle fragmenten op de een of an­dere manier nog in elkaar te voegen? Daarvoor is een bouw­meester, een architect nodig, iemand die de samenhang weer terugbrengt. Vandaar dat lange gebed.

De basispunten van het leven met God

Als we kijken naar de manier waarop dat gebed is opgebouwd, ont­dek­ken we nog wel een paar belangrijke aspecten. Hoofdstuk 1:9-23 begint met de vier kwaliteiten, de vier basispunten van het leven met God te noemen.

1. Vervuld worden met de rechte kennis van zijn wil.

2. Waardig wandelen tot alle welbehaaglijkheid.

3. Vrucht dragen in alle goed werk.

4. Groeien en bekrachtigd worden tot alle volharding en geduld.

Kolossenzen 1:11 eindigt heel typerend met de woorden ‘tot alle volhar­ding en geduld’. Volharding, geduld en lankmoedig­heid zijn kwaliteiten die de mens het meest nodig heeft en het zijn ook typisch goddelijke hoedanigheden.

Lankmoedigheid is een prachtig woord, dat ‘lang van moed’ betekent.

Dat is wat God van Zichzelf heeft gezegd in Exodus 34 als hij zijn eigen naam uitroept: barmhartig en genadig (‘èrekh ‘appajim).

De HERE ging aan hem voorbij en riep: HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw.  Ex.34:6.

Lang van moed of langzaam tot toorn om de tijd te kunnen doorstaan.

‘Gij doorwaakt de tijd’, zoals in een prachtig lied wordt gezegd.

God doorwaakt de nacht, Hij houdt het vol.

Dat is een van de meest grandioze kwaliteiten van de Eeuwige. Hij door­­­­­­­waakt elk seizoen dat Hem belaagt. God doorwaakt de seizoenen, de lente en de zomer, maar ook de herfst en winter. Die seizoenen kun­nen er ook zijn in een mensenleven en ook in het wereldbestel. Dan heb je op een gegeven moment het gevoel, dat het herfst is in de wereld, of dat het op een bepaald moment winter is in het wereldseizoen. Daar spreekt Jesaja 34 ook over. Als het gericht over Edom plaatsvindt, zal het zijn ‘als een vijgenboom die geschud wordt, waarvan de bladeren en de vruchten ter aarde vallen’. Die boom blijft echter staan te midden van alle wisselende seizoenen, te midden van vóór en tégen, te midden van alle stormen. Die boom is de boom van de lankmoedigheid. Bomen verduren de ge­ne­ra­ties. Ze gaan soms wel duizend jaar mee. Bomen hebben een zekere tijdloosheid in zich. Ook al staan ze daar naakt en stram:

 God maakt zijn boom weer groen,

Hij geeft bloesem in de lente.

‘Gewoon doorgaan!’ zegt God tegen die boom. Er komen elke keer wel wat jaarringen bij en de stam wordt hoe langer hoe dikker, maar die boom trotseert alles. Als je aan die boom vraagt wat hij de hele winter doet, zegt hij: ik sta hier te trotseren! Ik ben lank­moedig. De seizoenen komen terug, maar de jaren niet. Zo is de lankmoedigheid van de Eeuwige als een eikenboom van ge­rech­­tig­­heid (tsedaqah) die door de seizoenen der jaren heen blijft staan.

De kennis van God

Twee keer wordt er in Kolossenzen 1:9-11 over kennis gesproken.

1. Kennis van zijn wil (v.9).

2. Groeien in de rechte kennis van God (v.10).

Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. Zo wordt gij met alle kracht bekrach­tigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld.  Kol.1:9-11.

Vers 11 spreekt over ‘alle wijsheid en geestelijk inzicht’. Dat is veelbe­te­ke­nend, want straks zal blijken dat juist daar in dat Klein-Aziatische ge­bied er nogal wat dwaalleringen voorkwamen. Het is noodzakelijk om daar wat tegenover te stellen. Je kunt natuurlijk zeggen: we hebben last van al­ler­lei dwaalleringen en daarom gooien we al die ketterijen het raam uit! Die ben je dan kwijt, maar je moet er dan wel wat voor in de plaats stel­len, want an­ders ontstaat er een vacuüm.

Kennis!

De Kolossenzenbrief geeft niet de raad om op te houden met denken, maar geeft aan dat er wat ànders, wat béters moet komen. Het huis moet niet leeg blijven, want anders komen er zo weer zeven dwalingen voor terug, om het met een gelijkenis van Jezus te zeggen. Je gooit er eentje uit en ze komen met zeven anderen weerom. Tegenover de dwaling, dat verwarde denken, dat geshockeer­de gedach­tepatroon stel je dat woord kennis, het staat er zelfs twee keer: De kennis van zijn wil (v.9), inzicht (v.9), kennis van God (v.10) en dat loopt dan uit op de lankmoedigheid (v.11).

Lankmoedigheid

Over lankmoedigheid wordt ook gesproken in Spreuken 19.

Des mensen verstand maakt hem lankmoedig, het is zijn eer een overtreding voorbij te zien.  Spr.19:11.

Hoe meer je iets gaat begrijpen, althans iets gaat verstaan, des te meer be­­­­gint er ook iets te komen van ‘de lange adem’, zoals God die heeft.

De Geest zweeft over de wateren.

Syrische vertaling: ‘De Geest broedt op de wateren’. Een vogel die gaat broeden neemt daar de tijd voor. Zij heeft voorlopig niets anders in de agenda staan dan: maandag: broeden, dinsdag: broe­­­­den, woensdag: broeden, donderdag: broeden. Moet je niet af en toe een dag vrijaf nemen? denk je dan. Moet je niet eens eventjes wat va­ria­tie in je programma aanbrengen? Nee, zegt de moedervogel, voorlopig is dit mijn bezigheid! Sommige vogelsoorten houden dat dágen en an­de­re soor­ten wéken vol, misschien zelfs zonder te weten wanneer de broed­­­­­periode afgelopen zal zijn en het doel bereikt is. Dat is de goddelijke Ruach, broeden op dat innerlijke geheim. Broeden misschien op die ene gedachte, net zolang totdat je hoort: er wordt van bin­nenuit geklopt. Daar wil iets naar buiten treden. Een van de betekenissen van bara’, het Hebreeuwse woord voor schep­pen, kan vanuit het Aramees ook ‘naar buiten’ betekenen. Scheppen be­tekent dat er iets naar buiten gebracht wordt. Dat kan soms een hele tijd du­ren, maar dan op een dag hóór je het, dan hoor je dat kloppen van de an­­­dere kant. Ida Gerhardt geeft dat zo mooi weer in een gedicht over de tunnel van Si­­loam. Aan twee kanten waren de tunnelbouwers begonnen om die tun­nel te graven en toen kwam het moment waarop ze het kloppen van de andere kant hoorden. Toen wisten ze dat ze heel dicht bij elkaar wa­ren geko­men. ‘Ik hoor U aan de andere zijde kloppen’.

God doorwoont de schepping

Misschien heeft Paulus dezelfde ervaring gehad toen hij de Ko­los­sen­zen­­brief schreef. Hij was bezig om die tunnel te graven en dan hoort hij het kloppen van de andere zijde. God Zelf komt naar mij toe.

De tunnel breekt door…  het licht breekt door….  lankmoedigheid….

Hij doorstaat de tijd, Hij doorwaakt de tijd, Hij doorwoont de tijd. Het woord ‘doorwonen’ kent bijna niemand meer. God doorwoont het heelal, Hij doorwoont de tijd. Je kunt wel vragen waar iemand woont, maar je vraagt nooit: waar woon je nu dóór? Welk huis doorwoon jij? Een huis kan wel helemaal uit­­ge­woond zijn. Is je huis al helemaal doorwoond? Het betekent dus dat je in alle kamers en in alle hoeken en gaten van dat huis bent ge­weest. Ik heb dit huis helemaal doorwoond en er zit geen verborgen hoek meer in, maar alles is totaal doorgelicht. Zo wordt er van God gezegd dat Hij heel de schepping doorwoont, dat Hij in alle uithoeken en gaten, ook in alle uithoeken van ons bestaan, in al­­le gaten van ons levenshuis is geweest. Hij weet wat daar te vinden is en Hij heeft er kennis van. Dat is ook wat er in een aantal prachtige ver­zen van Psalm 139 wordt weergegeven. HERE, Gij doorgrondt mij en Gij kent mij.  Ps.139:1. Steeg ik ten hemel – Gij zijt daar, of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde – Gij zijt er; nam ik vleugelen van de dageraad, ging ik wonen aan het uiterste der zee (de achterste zee) ook daar zou uw hand mij geleiden uw rechterhand mij vastgrijpen.  Ps.139:8-10.

De psalmdichter gaat alle dimensies van deze aarde door en komt tot één conclusie: mijn hele bestaan is doorwoond. ‘Ik kan nergens komen waar U niet bent. Ik kan nooit buiten uw bereik zijn’, zegt hij. Er is geen bui­tengebied waar God niet is. Er is geen niemandsland, waar God niet zou zijn. Daarom wordt er van­ouds in de Joodse traditie gezongen: ‘Nooit zonder U’. Dat is de lankmoedigheid van God. Hij doorwoont de tijd, Hij is het hart van alle dingen. Dat is Kolossenzen 1:9-12.

Overgezet in het Ko­nink­rijk van de Zoon

In Kolossenzen 1:12 wordt gesproken over de Vader en in vers 13 over de Zoon. Daar zie je hoe prachtig dat is opgebouwd.

En dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht. Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en over­gebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde.  Kol.1:12,13.

In vers 12 gaat het over de eeuwige Vader en in vers 13 over de Chris­tus, de Masjiach, die ons heeft overgeplaatst (met estèsen). Dit wordt een metastase genoemd. Hij heeft ons overgezet (met estèsen). Estèsen is afkomstig van het woord histèmi, dat tellen, zetten, plaatsen (ei­genlijk: doen staan) betekent. Op een bepaald specifiek tijdstip gaat dat gebeuren. Hij heeft ons overgebracht, overgezet. Het Griekse woord kan het begin aanduiden van een handeling. Het kan ook de betekenis van ‘effectief’ hebben, dus het voltooien, het resul­taat van een handeling be­­­tekenen. Hij heeft ons doen staan, Hij heeft ons gesteld (met estèsen). Het woord meta dat ervoor staat, duidt op een overgang, een trans­po­si­tie, een overgaan naar de andere kant. Meta kan ook nà betekenen: er komt iets nà dit. Eerst krijg je dít en daarna krijg je dàt. Meta kan echter ook een omwenteling betekenen: na het een komt het ander. Meta komt voor in allerlei woordcombinaties. Metataal is taal waarachter nog een andere taal zit. Een Metafoor is een beeld waar ook weer iets anders achter zit. In Kolossenzen 1:13 wordt gesproken over een metastase, wat inhoudt dat je wordt overgezet in een andere wereld, in een andere toestand, in een andere fase, in een ander Rijk. De oude Grieken kenden de over­gang naar het dodenrijk over een ri­vier, de Styx. Daar zit wel een be­paald beeld in, maar er moet wel een over­tocht plaatsvinden. Dat over­zetten ligt wel enigszins in dezelfde sfeer. De ou­de Grieken kenden dus wel een bepaalde symboliek waaruit blijkt, dat God zich ook aan de gojim, de heidenen niet onbetuigd heeft gelaten. ‘Overgaan’ is in het Hebreeuws ‘abar. Met Pésach is er ook het overgaan van­uit het doodsgebied naar het gebied van het licht en van het leven. Dat is wat hier dan beschreven wordt in het 13e vers. ‘Hij heeft ons overgezet in de basileia’. David Flusser heeft in zijn Hebreeuwse weergave van de Kolossen­zen­brief ook een vorm van het woord ‘abar. ‘Hij heeft ons doen overtrekken’. Da­vid Flusser heeft het net zo aangevoeld als wij en bij hem vinden we de­­ze opvatting dus ook terug.

In het Koninkrijk van de Zoon

Eerst gaat het over de Vader en dan over de Zoon. Het is goed om te be­den­­ken dat veel gebeurtenissen in de Kolossenzenbrief, zoals die aard­be­­ving, die verschillende Romeinse keizers en alles wat zich daar verder af­­speelt, kosmische afmetingen krijgen. Het Koninkrijk van de Zoon is wereldwijd, kosmoswijd – dat is zo groot als het heelal – en daar word je in geplaatst. Hij beheert de hele kosmos, het ganse heelal. Dat gaat onze gedachten ver te boven.

Terug naar de eenwording

Jezus zegt in Johannes 10: ‘Ik ben de goede herder’- Joh.10:11. Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.  Joh.10:16.

Dat is nu weer oer-Hebreeuws gedacht: het eindigt bij de één, de alef! Hoe­­veel kudden? Alef! Hoeveel herders? Alef, één. Het loopt altijd weer uit op de eenwording. Het woord één speelt in de brieven aan de Kolos­senzen en de Efeziërs een belangrijke rol.

Eén lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roe­­ping, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is bo­ven al­­­len en door allen en in allen.  Ef.4:4,5.

Alles weer terug naar de eenwording. Als je terug bent bij de één, ben je weer thuis, ben je weer terecht. Alles gaat terug naar je eerste huis. Dat wordt hier genoemd: ‘het Koninkrijk van de Zoon’.

Schepping en herschepping

En dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der hei­­ligen in het licht.  Kol.1:12.

Letterlijk: ‘Hij heeft ons toereikend gemaakt voor het erfdeel der heiligen in het licht’. Het gebed in Kolossenzen 1 gaat verder met de verzen 15-20. Daarin is een bepaald ritme, een patroon te herkennen. Het is een soort alter­ne­rend patroon, een elkaar aflossend ritme.

Kol.1:15-17: schepping.

Kol.1:18: herschepping.

Kol.1:19: schepping.

Kol.1:20: herschepping.

Creatie en recreatie, schepping en herstel, oftewel schepping en ver­los­sing, houden kennelijk met elkaar verband. Ze zijn als de twee schalen van een weegschaal. Wat Hij geschapen heeft, gaat Hij ook herscheppen. Het één is niet minder dan het ander. Dat versterkt ook weer je geloof, want wat Hij geschapen heeft, zal Hij ook recreëren. Zou het denk­baar zijn, dat de herschepping minder mooi zou zijn dan de schepping? Zou het mogelijk zijn dat de schepping honderd procent was en de herschep­ping maar vijftig procent? Je kunt niet alles hebben en je krijgt in de loop van de eeuwen wat inflatie! De Kolossenzenbrief zegt hier echter, dat het ritme van schepping en her­schepping in balans is. Voorlopig zeggen we: wat God begonnen is, zal Hij ook voleinden. Bij de finish is Hij nog Dezelfde als bij de start. Zo­als Hij begonnen is, zo zal Hij het ook voltooien. Hij verlaat niet wat zijn hand begon. Hij zal niet laten varen de werken zijner handen. De her­schepping wordt in elk geval net zo goed als de schepping. Als het be­gin volmaakt is, is het eind ook volmaakt.

Getransformeerd van heer­lijk­heid tot heerlijkheid

Metamorfose – waar ook het woord meta in zit – is een begrip dat een bijzondere betekenis heeft. Het woord morfose heeft te maken met mor­phè, dat gestalte of gedaante betekent. Een metamorfose is dus een ge­daante­ver­an­dering, een gedaanteverwisse­ling. Metamorfose betekent, let­­­terlijk vertaald, transformatie. Een rups on­der­gaat bijvoorbeeld ook een transformatie. Als je aan een rups vraagt wat hij daar doet, kruipend over een blaadje, dan zegt die rups: ik ben op reis van ge­daan­te A naar gedaante B en het is mij nog niet geopenbaard wat ik zijn zal. Zo is de mens ook op weg naar een an­dere gedaante, naar een ande­re gestalte, een andere vorm. Je bent onder­weg, maar het is nog niet geopenbaard wat je zijn zult. Een rups heeft maar een beperkt gebied, leeft in een klein wereldje, waar hij opgesloten zit als in een soort gevangenis. Zo zit ook Paulus gevan­gen in een kleine beperkte wereld, van waaruit  hij schrijft aan dat klei­ne stadje Kolosse daar ergens in die Klein-Azi­a­ti­s­che wereld, waar aller­lei ingrijpende gebeurtenissen plaatsvinden. Als de rups tenslotte in een co­con zit, heeft hij helemaal geen uitzicht en be­­­wegingsdynamiek meer. De rups zit dan ook in een kleine kerker, in een soort gevangenis met wei­nig ruimte en weinig mogelijkheden. Op een dag echter komt het nieuwe leven te voorschijn en heeft zich een me­­­­­tamorfose voltrokken. De oude Grieken hadden dat ook begrepen, want het woord psychè be­te­kent niet alleen vlinder, maar ook ziel. Er vindt dus een gedaante­ver­wis­seling plaats en er breekt een nieuwe fase aan. Paulus zegt ook: ‘Wij zullen allen veranderd worden, getransformeerd’.

Dat staat ook in 2 Korinte 3:

En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heer­lijk­­­heid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heer­lijk­heid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is.  2 Kor.3:18.

Hier wordt gesproken over een verandering die plaats gaat vinden. ‘Wij treden met vrijmoedigheid op, niet meer met een bedekking, niet meer met een sluier’ staat er dan ook in het 12e vers van ditzelfde hoofdstuk. In het Ara­mees heeft ‘zonder bedekking’ dezelfde betekenis als ‘met vrij­moe­dig­­­­heid’. Zonder sluier optreden betekent met vrijmoedigheid optreden. Dit proces is dus aan de gang hoewel je soms het gevoel kunt hebben nog in de fase van de rups te verkeren. Je kunt je af en toe nog sterk be­klemd voelen en een ‘rupsgevoel’ hebben. Je voelt je opgesloten in een kleine wereld, je voelt je beperkt en dan overheerst die ‘rups­ge­dach­te’.

De herschepping is mooier dan de schepping

De schepping en de herschepping zijn in balans. Wat God geschapen heeft, gaat Hij ook herscheppen. De herschepping wordt niet minder dan de schepping, maar heeft in feite een surplus. De herschepping is mooier dan de schepping. De eschaton (het eind, de eindtijd, de finale) heeft een plus bo­­ven het proton (de eerste schepping, Genesis 1). In Genesis 1 staat die prachtige zinsnede: ‘God zag: dat het goed was (ki tov)’. Dat staat er zelfs zeven keer. Vanuit de eschaton terugkijkend naar het proton, zien we dat alles de moeite waard is geweest, want heel de ge­schiedenis is er bijgekomen met zijn diepten en dalen, maar toch ook met alle kostbare verworvenheden. Als God uiteindelijk gaat in­za­melen, is de oogst meer dan het zaad. Het zaad wordt vermenigvuldigd, dertig, zestig- en honderdvoud. De es­­chaton heeft dus een surplus. Alles wat er in de loop van de eeuwen is gezaaid aan liefde, aan troost, aan barmhar­tig­heid, was er in Genesis 1 nog niet. Toen was er nog geen barm­hartige Samaritaan geweest en ook geen Ebed-Melek, die Jeremia uit de put trok. Al die mensen die in de loop van de eeuwen iets hebben laten zien van het hart van God, waren er nog niet. Dat zegt de rabbijnse traditie ook. Alle goede hoedanigheden zaten al in de eerste Adam, maar God had miljoenen mensen nodig om die te ont­vouwen. Het kon nooit allemaal in één mens en ook niet in één men­sen­le­ven tot uiting komen, ook al werd Adam dan nog 930 jaar. Adam moest aan het eind van zijn leven zeggen: wat was het leven kort! Ik heb geen tijd ge­noeg gehad. We doen er nog wel een paar eeuwen bij, zegt God. Alle eeuwen bij elkaar vormen als het ware de ontvouwing, de uit­waai­ering van de lank­moe­digheid, van de barmhartigheid en van alle prach­tige eigenschappen, van alle goede kwaliteiten.

Verzadigd worden met Gods beeld

Aan het eind van Psalm 17 staat zo mooi: Maar ik zal in gerechtigheid uw aangezicht aanschouwen,  en bij het ontwaken mij verzadigen met uw beeld (temunah = gestalte). Ps.17:15.

De psalmdichter zegt hier eigenlijk, dat het erom gaat verzadigd te wor­­den met de gestalte, met de morphè van God Zelf. Hoe meer je dus ver­za­digd wordt met de gestalte, de gedaante van God Zelf, des te meer word je dus gemetamorfoseerd, des te meer ga je veranderen van ge­daan­te. Die verandering begint dus al op het moment dat je tot geloof komt. Dan begin je tot inzicht te komen, tot innerlijk weten, dan begin je te ontwaken.

God is de Dageraad, de Opgang uit de hoge

In de nieuwe berijming staat zo mooi:

Maar mij doet Gij uit boze dromen

ontwaken, o mijn Dageraad. 

Ik zie de glans van uw gelaat,

uw zonlicht komt mij overstromen.   (Psalm 17:6, Liedboek’.

Dat ondervonden de Kolossenzen ook. Ze ontvangen Paulus’ brief, ze lezen met elkaar zijn gebed en beginnen dan te ontwaken uit boze dro­men. Dan zien ze de dageraad. De Dageraad is ook een naam van God. God is de Opgang uit den ho­ge, de opgang van de zon. God is de Dageraad. Aan het eind van Lucas 1 staat, dat Hij het ochtendgloren is, het aanbreken van de nieuwe dag.

Door de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmede de Opgang uit de hoogte naar ons zal omzien.  Luc.1:78.

De Kolossenzen beginnen wakker te worden uit de boze nachtmerries van die aardbeving en van de problematiek van het Romeinse Rijk. Om hen heen en misschien ook van­bin­nen begint van alles te wankelen. Wat staat er nu nog overeind en wat is de zin van alles waar je mee bezig bent en wat je niet meer kunt overzien?! In Lucas 1:78 staat het woord omzien, maar letterlijk kun je ook vertalen: ‘Hij zal overzien’. Dat werkwoord betekent dus eigenlijk overzien. Het is ook het woord voor opzichter (episkopos).

De hemelse liturgie

Als je het lichaam verlaat, ben je helemaal los van het aardse, dus dan krijg je helemaal een helder zicht. Bij de opstanding krijg je ook nog een ander lichaam. Je mag echter alvast je intrek nemen bij Hem, want je hebt ‘een gebouw in de hemelen’ zegt 2 Korinte 5. Je verlaat je aardse tent en je hebt een huis in de hemelen. Onlangs was er een organist overleden, een zeer begaafd musicus die zelf ook veel had gecomponeerd en daarbij nog dirigent was van een can­­torij. Hij was ook doorkneed in de Engelse muziek. In 2 Korinte 5 staat dat je ‘uit de aardse tent gaat naar het hemelse huis’. Op de be­gra­fenis werd toen gezegd: hij is overgegaan naar een andere ere­dienst. In de tijd van Mozes en Aäron en ook daarna vond de liturgie plaats in een aardse tent, de tabernakel. In de tabernakeldienst zongen de pries­ters de lof van God en dat kunnen we de aardse liturgie noemen. Dan ga je over naar het ‘hemelse huis’ en daar is sprake van de hemelse liturgie. Dus je gaat over naar een andere vorm van lofzang, van aanbid­ding, ook dat wordt getransformeerd. Je gaat van het aardse Liedboek naar het hemelse Liedboek. Je gaat van de aardse liturgie naar de god­de­lijke liturgie. Van een tent naar een huis, het komt op een ander plan. Ook dat is een metamorfose.

Alle dingen hebben hun bestaan in Hem

In Kolossenzen 1:15-17 wordt gesproken over de schepping.

Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schep­ping, Ø want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, het­zij over­heden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem gescha­pen; Ø en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem. Kol.1:15-17.

Hier wordt dus gezegd, dat Hij, de Messias, de Zoon, de eerstgeborene is van de ganse schepping. In Kolossenzen 1:18 wordt gesproken over de herschepping.En Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente. Hij is het begin, de eerstge­borene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is.  Kol.1:18.

In Kolossenzen 1:19 is er weer sprake van de schepping. Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken.

Letterlijk: ‘neder te wonen, naar beneden te wonen, af te da­len en te gaan wo­nen, zich daar te vestigen’ Kol.1:19. In vers 20 gaat het weer over de herschepping. En door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle din­gen we­­­der met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de he­­melen is. 

Letterlijk: ‘En door Hem te verzoenen het heelal (ta panta) naar Hem toe, vre­de gemaakt hebbende door het bloed van zijn kruis, door Hem, hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen’ Kol.1:20.

Schepping – Kolossenzen 1:15-17.

Herschepping – Kolossenzen 1:18.

Schepping – Kolossenzen 1:19.

Herschepping – Kolossenzen 1:20.

De verzoening van heel de kosmos

Middenin, op de grens van vers 18 en 19, staat een klein zinnetje: Opdat Hij zou worden in alles de eerste (proteuoon = de voorganger, de eer­ste­­­ling).  Dat is de scharnierregel, de sleuteltekst.

‘In alles’ betekent zowel in de schepping als in de herschepping. ‘De eerste’ in de ganse tijd, maar ook in de hele kosmos, dus in de tijd en in de ruimte. Dit gebed in de Kolossenzenbrief gaat over de verlossing van de mens, maar ook over de verzoening van de hele kosmos. Het heeft God behaagd dat Christus, de Masjiach zou wonen in de gan­se schepping en dat daarmee dan ook de hele schepping zou worden tot lichaam van Christus. De gemeente is het lichaam van Christus, maar ook de kosmos is li­chaam van Christus. Ook de hele kosmos wordt op die manier gereha­bi­li­teerd. De hele kosmos wordt op die manier ‘doorwoond’, zodat er geen plaats meer is voor iets anders. Daar zit de gedachte achter, dat er ook in de kosmos het een en ander verstoord was, dat daar ook chaos en wanorde was. Daarom moet ook de kosmos weer op orde gebracht wor­den. Die verstoring is voor een deel ook gekomen met de zond­vloed. Er zijn allerlei verschijnselen waar die chaos aan te herkennen is, zo­als aard­bevingen en stormvloeden, allerlei gebeurtenissen die plaats­vin­den en op ontwrichting wijzen. Als de herschepping voltooid is, dan wordt de hele geschapen werkelijkheid ook weer gaaf. Grote delen van de aardbodem zijn onbewoonbaar, omdat het daar te koud, te heet of te droog is. Slechts een be­perkt gedeelte van de aardbol is geschikt voor menselijk leven. Zo moest iemand eens zijn reis in Alas­ka bijstellen, omdat de temperatuur daar naar 52 graden onder nul was ge­daald. Door die ex­treme koude was het on­mogelijk om daar nog lan­ger te blij­ven. Er moet nog heel wat worden gerestaureerd. Je kunt zeggen dat in het be­gin alles goed en gaaf was. De schepping was puur en onbedorven, onaangetast. Daar was alles inderdaad zoals het scheppingsbericht ook ver­klaart: ‘goed ten zeerste (tov me’od)’.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

1 comment on “Brief aan de Kolossenzen”


  1. henrico says:

    ik vind een erg lange tekst maar voorderest is het een handige tekst

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410820 bezoekers sinds 07-06-2010