Bomen langs het water

21-09-2015 door Joop Neven

Door Thorgeir Thorkelsson

Inleiding

Het boek Openbaring eindigt met een visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde,die de Here God zal scheppen nadat de “eerste dingen”, de hemel en de aarde zoals wij de kennen, voorbij zijn gegaan {Openb. 21 vers 1} In dat slotvisioen komen allerlei objecten voor die de ziener bij zijn lezers bekend veronderstelt. Behalve de heilige stad” {Openb.21 vers 2,9} “het water des levens” {Openb.21 vers 6} en “het geboomte des levens”  {Openb.22 vers 2,14,19} vermeldt hij de angstaanjagende werkelijkheid van de “poel des vuurs” {Openb 20 vers 14-15}, “de poel die van vuur en zwavel brandt” {Openb.20 vers 10, en 21 vers 8}

Johannes noemt deze objecten zonder er een voorafgaande uitleg van te geven. Ze komen in zijn verhaal zomaar “uit de lucht vallen “ en wij, die twintig eeuwen later leven, vinden het maar moeilijk te begrijpen. Onze moeite is voor een belangrijk deel te wijten aan het feit, dat wij – in tegenstelling tot de oorspronkelijke hoorders –  niet erg vertrouwd zijn met de oudtestamentische profetie. De verhalen over aartsvaders, richters en koningen kennen we al vanaf onze kinderjaren. Van de levensloop van Elia en Elisa zijn we ook nog wel op de hoogte. Maar de profeten vinden we maar zware kost.

Bij het lezen van het laatste Bijbelboek speelt die onkunde ons parten. Wanneer we oudtestamentische achtergrond van de apocalyptische symbolen niet kennen, dan zullen we geneigd zijn om aan die symbolen een verkeerde betekenis te hechten. Een betekenis die afbreuk doet aan wat God heeft willen openbaren. In dit verband zou ik uw aandacht willen vragen voor de bomen en de rivier, die in Openb. 22 vers 2 worden genoemd.

Levend water

In het slot van de Openbaring wordt driemaal over “het water des levens” gesproken. In 21 vers 6 belooft Hij, die op de troon zit: “Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens, om niet”. In 22 vers 1 blijkt het een “rivier” te zijn van “water des levens”, blinkend als kristal, ontspringend uit de troon van God en van Het Lam. En tenslotte vinden we in 22 vers 17 een uitnodiging van de Here Jezus: “Wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet”.

Blijkbaar vond de ziener het niet nodig om aan zijn hoorders uit te leggen waar dat levenswater nu precies voor diende. Hij richtte zich tot mensen die het Oude Testament bijzonder goed kenden. En daar wordt op drie plaatsen gezegd, dat Jeruzalem in de toekomst de bron van een rivier zal zijn. In chronologische volgorde luiden die profetieën als volgt: “Een bron zal ontspringen uit het huis des Heren en zal het dal van Sittim drenken” {Joël 3 vers 18}. “Toen bracht hij mij terug naar de ingang van het huis; zie, er stroomde water onder de drempel van het huis uit, oostwaarts….Hij zeide tot mij: Dit water stoomt naar de oostelijke landstreek, vloeit af naar de Vlakte en komt in de zee; in de zee wordt het uitgestort, zodat haar water gezond wordt. En alle levende wezens, die er wemelen, zullen leven, overal waar de beek komt, en er zal zeer veel vis zijn, want als dit water daarheen komt, dan wordt het water van de zee gezond. Overal waar de beek komt, zal alles leven {Ezech. 47 vers 1-11}. De derde profetie vinden we in het boek Zacharia: “ Te dien dage zullen levende wateren uit Jeruzalem vlieten, de helft daarvan naar de oostelijke en de helft naar de westelijke zee; in de zomer zowel als in de winter zal dat geschieden” {Zach.14 vers 8}.

Eens zal het voor iedereen zichtbaar worden, dat de Here God “de bron van levend water” is {Jer. 2 vers 13}. Van de plaats die Hij heeft uitgekozen om er te wonen, zullen rivieren uitgaan. Volgens de profeet Zacharia zal de ene rivier naar het oosten stromen en in de Dode Zee uitmonden, terwijl de andere naar het westen zal vloeien en in de Middellandse Zee uitkomen. De oostelijke rivier is ook door Joël en Ezechiël beschreven. Het dal Sittim ligt vanuit Jeruzalem gezien in het oosten, nabij het land Edom. Ezechiël vertelt hoe het water van de rivier de Dode Zee zal ontzilten, zodat er weer vis in komt. Overal waar de beek komt zal de woestijn tot leven komen. Haar water maakt een einde aan de eeuwenlange gevolgen van het oordeel, dat de Here over Sodom en Gomorra heeft voltrokken {vlg. Ezech. 16 vers 44-63}.

Bekend en toch nieuw

In zijn beschrijving van de rivier van het water des levens heeft de schrijver van het boek Openbaring beslist aan de oudtestamentische tempelbeek gedacht. Hij hoefde niet uit te leggen wat hij bedoelde, maar kon dit thema bij zijn lezers bekend veronderstellen. Tussen de visioenen van Johannes en die van de oudtestamentische profeten bestaan echter een aantal verschillen. Kort samengevat komen die op het volgende neer.

  1. Volgens Joël 3 vers 18 en Ezech. 47 vers 1 ontspringt de rivier uit het huis des Heren, d.w.z aan het tempelgebouw in Jeruzalem. Maar van het nieuwe Jeruzalem, dat Johannes beschrijft, zegt hij; “een tempel zag ik in haar niet, want de Heer, God de Almachtige, is haar tempel, en het Lam” {Openb.21 vers 22} De rivier van het water des levens gaat uit “van de troon van God en van het Lam” {Openb.22 vers 1}. Op de nieuwe aarde is die troon echter niet meer door een tempelgebouw van de bevolking gescheiden.
  2. Volgens Ezech. 47 vers 8 en Zach. 14 vers 8 storten de rivieren hun water uit de Dode Zee en in de Middellandse Zee. Maar op de nieuwe aarde, die Johannes beschrijft, is er geen zee meer {Openb. 21 vers 1}. De ziener dacht daarbij aan de oceanen en niet aan de figuurlijke “volkerenzee”, want in Openb. 20 vers 13 had hij opgemerkt: “De zee gaf de doden die in haar waren”. Hij sprak over een zee waarin je verdrinken kunt. Volkeren zullen er volgens hem ook op de nieuwe aarde nog zijn, zo blijkt in Openb.21 vers 24, 21 vers 26, en 22 vers 2. Dat Johannes over de oceanen sprak, blijkt mede uit het feit, dat hij in Openb. 21 vers 1 hemel, aarde en zee in één adem noemt. Dezelfde driedeling treffen we aan in Genesis 1 vers 9-10.
  3. De oudtestamentische profeten beschrijven een gedeeltelijke opheffing van de vloek doe God over de aardbodem heeft gebracht. Ezechiël zegt, dat het water van de Dode Zee gezond wordt en dat waar de beek komt, alles zal gaan leven. Maar blijkbaar zal de tempelbeek niet elk stukje van de Vlakte bereiken, want de profeet merkt op, dat de moerassen en de poelen rond de Dode Zee “aan het zout zijn prijsgegeven” {Ezech.47 vers 11}. Johannes daarentegen schets een herstel dat uiteindelijk volkomen is, want zegt hij zegt: “Er zal geen enkele vervloeking meer zijn” {Openb. 22 vers 3}.

Deze verschillen zijn eenvoudig te verklaren. De profeten zagen uit naar het toekomstig herstel van Israël. De situatie die zij schetsen moeten we binnen het boek Openbaring plaatsen in hoofdstuk 20. Op dat moment zijn alleen de heiligen nog maar opgestaan {20 vers 4-6}. De oude schepping heeft rust maar de vloek is nog niet geheel opgeheven{vgl.20 vers 8-9}. Johannes heeft verder mogen zien en behalve het duizendjarig rijk ook Gods nieuwe schepping mogen aanschouwen. De situatie die in Openb.21-22 wordt beschreven, zal aanbreken wanneer álle doden zijn opgestaan, het oordeel van de grote witte troon heeft plaatsgevonden en de eerste hemel en de eerste aarde definitief zijn voorbijgegaan {vgl. Openb.20 vers 11 en 21 vers 1}.

Waarheen stroomt de beek

In het Oude Testament heeft de rivier van het water des levens ten doel om een dorre woestijn {het dal van Sittem, de Vlakte} en een dood meer de oostelijke zee} te doen leven. Het gebied waarover de Here God eens vuur en zwavel heeft doen regenen en dat daar ligt als voorbeeld {Judas:7}, zal door het water des levens worden gedrenkt. De rivier ontspringt in de stad Jeruzalem en heeft haar oorsprong in het heiligdom, maar ze stroomt naar een gebied búiten de stad, een dor en dorstig land waar het leven – menselijkerwijs gesproken – onmogelijk is. Toch zal waar de beek komt, alles gaan leven.

In het boek Openbaring wordt verteld, dat de rivier van het water des levens aan de troon van God en van het Lam ontspringt{22 vers 1}, maar waar de rivier heengaat, is op het eerste gezicht niet duidelijk. Of is het eigenlijk wél duidelijk, maar zijn onze ogen verblind?

Op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde is er geen dor en dorstig land meer, zo menen wij en ook geen Dode Zee die nog tot leven gewekt moet worden: het water uit de rivier zal wel bedoeld zijn om de inwoners van het nieuwe Jeruzalem te drenken en hen voor altijd in leven te houden. Want in een eerder visioen had Johannes van de grote schare die niemand tellen kan gezegd: “Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, Want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens” {Openb.7 vers 16-17}. En in Openb.21 vers 6-7 belooft de Her: “Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens, om niet. Wie overwint, zal deze dingen beërven”. Mensen die in het hier en nu door het geloof de wereld hebben overwonnen, zo denken wij, díe zullen straks het nieuwe Jeruzalem mogen binnengaan en van het levenswater mogen drinken.

En dat is stellig waar. Het lijden dat Gods kinderen in de tegenwoordige tijd hebben moeten verdragen, weegt niet op tegen de heerlijkheid die straks over hen geopenbaard zal worden {Rom 8 vers 18}. Ook is waar, dat wie nog niet van de zonde is bevrijd het nieuwe Jeruzalem niet zal mogen binnengaan. Want van de Godsstad geldt: “In haar zal niets onreins binnenkomen, en niemand, die gruwel en leugen doet, maar alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam” {21 vers 27}.

Maar is daar alles mee gezegd? Rivieren stromen normaliter vanaf een hoogte naar een lager gelegen gebied – zo heeft de Here God de dingen gemaakt. Jeruzalem is gelegen op het hoogste punt van de nieuwe aarde, zo blijkt in Openb, 21 vers 10. Water zal dus de neiging hebben om naar het land rondom de stad af te vloeien. En wie bevinden zich daar? Johannes heeft het ons verteld; “Buiten zijn de honden en de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder, die de leugen liefheeft en doet” {22 vers 15}. Wie behouden is, is binnen. Wie nog een zondige natuur heeft, is buiten. Zou dat levenswater nu alleen bestemd zijn voor degenen die zich binnen de muren van de stad bevinden? Dan zou dat water een heel andere functie hebben dan de rivier waarover de oudtestamentische profeten hebben gesproken. Dát water was immers bedoeld om het gebied buiten de heilige stad, waarover de Here in Zijn rechtvaardig oordeel vuur en zwavel had doen regenen, tot leven te wekken. Zo’n gebied zal er ook op de nieuwe aarde nog zijn: het meer dat van vuur en zwavel brandt{21 vers 8}, het terrein van de tweede dood.

Zou het levenswater, gezien de oudtestamentische parallellen, niet aan de landstreek waar de dood nog heerst ten goede kunnen komen? Dan zou de zaligsprekingen van Christus in een nieuw licht komen te staan: “Zalig zij, die hun gewaden wassen” {22 vers 4}. En ook de uitnodiging van de Geest en de bruid: “Wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet “ {22 vers 17}. Gods genade zou dan inhouden dat doden door het water tot leven worden gewekt. Dan zouden zondaars die zich buiten de stad bevinden, hun kleren kunnen wassen en rechtvaardigen kunnen worden

Geboomte des levens

Dat zou me wat moois wezen”, zegt u misschien. “Het kan onmogelijk waar zijn, want als dát in de Bijbel stond, dan hoefden we niet meer te evangeliseren. Als de mensen zelfs op de nieuwe aarde nog behouden kunnen worden, dan kunnen we vanaf nu wel met onze armen over elkaar gaan zitten”. Het gaat echter niet om wat wij vinden, maar wat de Here God heeft gesproken. We moeten evangeliseren omdat het Hem heeft behaagd om door de dwaasheid van de prediking te redden, wie geloven {1Kor.1 vers 21}. We evangeliseren niet omdat we ervan uitgaan dat we de wereld zouden kunnen behouden als we maar goed ons best zouden doen. Door menselijke activiteiten kan geen énkele zondaar behouden worden, maar wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God {Matth. 19 vers 25-26}.

We kunnen onze eigen gedachten beter laten rusten en onderzoeken, wat God heeft gezegd. Johannes heeft niet alleen “water des levens”, maar ook “geboomte des levens” mogen zien. Die bomen worden in zijn slotvisioen eveneens driemaal genoemd. De eerste tekst beschrijft groeiplaats en vrucht van het geboomte: “Midden op haar straat” {gezien 21 vers 21 is dit de straat van het nieuwe Jeruzalem} “en aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende {22 vers 2a}. De tweede vermeldt de functie van het loof: “De bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren” {22 vers 2b}. En de derde bevat een zaligspreking: “Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad” {22 vers 14}.

Net als het water kennen we de boom des levens vanuit het Oude Testament. In het boek Genesis wordt hij driemaal genoemd. Van de hof van Eden geeft Mozes de volgende beschrijving: “Ook deed de Here God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de boom des levens in het midden van de hof, benevens de boom der kennis van goed en kwaad” {Gen 2 vers 9}. Nadat de mens in zonde was gevallen lezen we, dat de Here God zei: “Zie, de mens is geworden als Onzer een door de kennis van goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven” {Gen.3 vers 22}. Hoe de Here dit verhinderde, staat in Gen. 3 vers 24: “Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaren

Tenslotte vinden we de levensboom nog in het boek Ezechiël. Van de tempelbeek zegt de profeet: “Toen ik terugkeerde, zie, langs de oever van de beek stonden aan weerszijde zeer veel bomen” {Ezech.47 vers 7}. Daarna merkt hij op: “Langs de beek zullen op haar oevers aan weerszijde allerlei vruchtbomen opschieten, waarvan het loof niet verwelkt en de vrucht niet opraakt; elke maand zullen zij vrucht dragen, omdat hun water uit het heiligdom komt, hun vruchten zullen tot spijze zijn en hun loof tot geneesmiddel” {Ezech. 47 vers 12}. Het verband met Openb.22 vers 2 is onmiskenbaar.

Genezing van de volken

Het is opmerkelijk, dat het geboomte des levens – zowel in het boek Ezechiël als in de Openbaring – niet alleen vrucht draagt maar ook bladeren heeft. Blijkbaar hebben loof en vrucht een verschillende functie. Van de vrucht mag men zomaar eten. Toen de mens in zonde was gevallen, heeft de Here God hem de toegang tot de levensboom ontzegd om te voorkomen dat hij van haar vrucht zou eten en zijn zondigen bestaan tot in het oneindige zou verlengen {Gen.3 vers 22,24}. Door te verhinderen dat de gevallen mens de boom des levens kon bereiken en daarvan kon eten, heeft de Here paal en perk aan het kwaad gestald. Na de zondvloed heeft Hij de levensduur van de mens om dezelfde reden nog verder beknot {Gen.6 vers 3}.

Alleen wie van de zonde is bevrijd, mag zijn hand uitstrekken, de vrucht van het geboomte des levens plukken en van die vrucht eten {vgl. Gen.3 vers 22} met Openb. 22 vers 14}. Daarom prijst Jezus de mensen zalig, die hun gewaden wassen. “opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad”. “Recht hebben op het geboomte des levens” wil in dit verband zeggen: het recht om haar vruchten te plukken, vruchten die zij gedurende het hele jaar voortbrengt en die nooit opraken {Openb. 22 vers 2a. Ezech. 47 vers 12}.

Behalve vruchten heeft het geboomte echter ook bladeren, en die bladeren zijn er altijd. Ezechiël vertelt dat het loof niet verwelkt omdat de bomen hun water ontvangen vanuit het heiligdom. Het loof is niet “tot spijze”, maar “tot geneesmiddel”{Ezech.47 vers 12}. Johannes knoopt daarbij aan, en zegt: “De bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren” {Openb. 22 vers 2b}. Over zulke korte zinnetjes lezen we gemakkelijk heen. We hebben niet in de gaten, dat het revolutionaire uitspraken zijn. Want wie zijn die volken? Welke rol speelden ze in het verhaal? Gedurende duizend jaren hadden ze mogen leven onder rechtvaardig bestuur van Christus en de Zijnen {Openb.20 vers 1-6}. Maar toen de satan aan het eind van die periode voor korte tijd werd losgelaten, hadden ze massaal zijn kant gekozen{20 vers 7-8}. Ze hadden geprobeerd om de “geliefde stad”, het oude Jeruzalem, aan te vallen {20 vers 9}. Toen had de Here God vuur uit de hemel doen regenen en hen verteerd {20 vers 9}. Als Johannes nu opmerkt, dat er op de nieuwe aarde voor de volken een geneesmiddel bestaat dan is dat op zijn zachts gezegd opmerkelijk. Het waren immers partijgangers van satan en aartsvijanden van God. Mensen die Gods wegen gedurende duizend jaren hadden mogen leren {Jer. 2 vers 1-5}, die de zegeningen van het Messiaanse rijk hadden mogen genieten en die desondanks tegen hun Koning in opstand waren gekomen {ps. 2}. Waaruit bleek dat gunstige omstandigheden en goed onderwijs hun harten niet hadden kunnen veranderen.

De Bijbel spreekt over twee vormen van “genezing”. Allereerst genezing van ziekte. Van de Here Jezus wordt gezegd, dat Hij het evangelie van het Koninkrijk verkondigde en “alle ziekte en kwaal genas onder het volk”.{Matth.4 vers 23}. Maar er bestaat ook een diepere vorm van genezing, waarbij de óórzaak van de ziekte wordt weggenomen. Over die vorm van genezing is gesproken door de profeet Hosea. Van het ontrouwe, schuldige Israël dat met ondergang en ballingschap was bestraft, heeft de Here gezegd: “Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want Mijn toorn keert zich van hen af” {Hos 14 vers 4}. Afkerige mensen, die met God niets te maken willen hebben, kunnen worden veranderd in personen die de Here liefhebben. Gezien het tekstverband gaat het in Openb. 22 vers 2 om de diepste vorm van genezing. De rebellen uit Openbaring20 vers 7-9 {en de rebellenleiders uit Openb. 19 vers 19} worden de rechtvaardigen uit Openbaring 21 vers 24-26. Mensen die het nieuwe Jeruzalem vanwege hun onreinheid niet mogen binnengaan {21 vers 27} worden door de bladeren van de levensboom genezen en daarna rein verklaard.

Einde of begin?

De meeste theologen gaan ervan uit, dat Openbaring 21 vers 22 een schildering is van zogenaamde “eeuwige toestand”, de permanente en onveranderlijke situatie van Gods schepping na het laatste oordeel. Er zijn echter gegronde redenen om die uitleg in twijfel te trekken.

Als de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn verschenen, dan hoort Johannes een luide stem zeggen: “Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgaan” {21: vers 3-4}. In commentaren wordt beweerd, dat zodra de nieuwe aarde er is, de volken Gods eigendom zijn, de tranen zijn afgewist, de dood is verdwenen en alle verdriet en moeite voorgoed zijn weggedaan. Maar is dat eigenlijk wel juist? Want het vers bevat een opmerkelijke wisseling van de tegenwoordige en de toekomende tijd. De stem zegt: De tent van God IS bij de mensen… Dat is zo, omdat het nieuwe Jeruzalem uit de hemel is neergedaald. Maar de rest van het vers staat in de toekomende tijd: Hij ZAL bij hen wonen, en zij ZULLEN Zijn volken zijn…Ligt het gezien de spreekwijze niet voor de hand om aan te nemen dat de Here hier een programma beschrijft dat nog uitgevoerd moet worden, maar waar de basis voor is gelegd, nu het nieuwe Jeruzalem op aarde is verschenen?

Als we verder lezen, dan dringt die conclusie zich stads sterker aan ons op. De Here roept uit: “Zie, “Ik maak alle dingen nieuw!” {21 vers 5}. Zijn “alle dingen” op dat moment al nieuw gemaakt, of geeft Hij hier de richting aan waarin de nieuwe schepping zich vanaf dat moment zal gaan bewegen? De Schepper zegt niet: “Ik HEB alle dingen nieuw gemaakt!” maar: “Ik MAAK alle dingen nieuw!”. Het is alsof Hij zeggen wil: Kijk eens, Ik ben bezig alle dingen nieuw te maken, het begin is er!

En inderdaad zijn op dat moment nog niet “alle dingen” nieuw gemaakt. De poel des vuurs is er bijvoorbeeld nog, en dat is een element dat uit de oude schepping afkomstig is. De vuurpoel bestond al vóór het laatste oordeel. Hij was er zelfs al vóór het duizendjarig rijk. Het beest en de valse profeet werden er immers in geworpen, toen het vrederijk een aanvang nam {19 vers 20}. Zolang er nog gestraften in verkeren, is de vuurpoel nog niet “voorbij gegaan” en ook nog niet “nieuw gemaakt”. Maar als de Here God “alle dingen” nieuw zal maken, dan zal die vuurpoel ook eens verdwijnen. Een stem roept: “De dood zal niet meer zijn” {21 vers 4}. Maar als het nieuwe Jeruzalem net uit de hemel is neergedaald, dan is de dood er nog wel. Want direct daarna lezen we: “De lafhartige, de ongelovige, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood” {21 vers 8}.

Het is waar, dat “dood en dodenrijk in de poel des vuurs zijn geworpen” {20 vers 14}, zodat de dood zoals wij die kennen op de nieuwe aarde niet meer bestaat. Maar er is nog wel een andere toestand, die met het woord “dood” wordt aangeduid. Er bestaat nog steeds een bepaalde vorm van dood. Uit de “getrouwe en waarachtige woorden” van hem die op de troon zit blijkt echter, dat zij er eens niet meer zal zijn {21 vers 4-5}. De heraut geeft de bestemming van de mensheid aan:”Zij zullen Zijn volken zijn” {21 vers 3}. Dát is Gods grote doel. Maar op het moment van spreken is dat doel nog niet gerealiseerd. Want de bladeren van het geboomte des levens zijn “tot genezing der volken” {22 vers 2}. Er moet, met eerbied gesproken, nog heel wat aan die volken gesleuteld worden voor ze de naam van de Koning kunnen dragen en in Zijn tegenwoordigheid kunnen verkeren. Als ze het nieuwe Jeruzalem eenmaal zijn binnengegaan, dán zullen ze geen genezing meer nodig hebben. Want van de stad geldt: “Geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek; het volk dat daar woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben” {Jes.33 vers 24}. De volken zijn echter nog grotendeels búiten. Daarom heeft de Here in middelen voorzien, die hen van hun ongerechtigheid kunnen genezen. De stem belooft: “Hij zal álle tranen van hun ogen afwissen” {21 vers 4}. Van wiens ogen? Van de ogen van Zijn gemeente of Zijn volk Israël? Zeer zeker, maar dat is al veel eerder geschied, bij de eerste opstanding {20 vers 4-6}. Neen, van de volken, diezelfde volken die in hun rebellie hadden volhard en waarop Hij vuur had doen regenen! {20 vers 9}. De stem zegt ook: “De dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag” {21 vers 4}. Maar als Hij dat zegt is er nog geklaag genoeg. Want wie niet van de zonde is bevrijd bevindt zich in de poel des vuurs {21 vers 8}. En wat zal daar, volgens Jezus’ eigen woorden zijn? Het “geween en het tandengeknars”. Toch zijn Gods woorden “getrouw en waarachtig”, Hij zal alle tranen afwissen. Dat deze beloften worden vervuld, staat vast. De Here heeft Johannes gezegd: “Zij zijn geschied!” {21 vers 6}. Voor Hém is dat zo, want Hij de Alfa en Omega, het begin en het einde {21 vers 6} – Hij overziet de wereldgeschiedenis en werkt alle dingen naar de raad van Zijn wil {Efe.1 vers 12}. Maar voor ons is het nog toekomst. Het is een gegronde hoop waar wij ons aan mogen vastklampen.

Eeuwige toestand?

Als het laatste oordeel heeft plaatsgevonden, zo menen de commentatoren, dan zal “de eeuwigheid” zijn aangebroken. Tijd zoals wij die kennen zal er dan niet meer zijn. Alles zal zijn eindbestemming hebben bereikt.

Hoewel deze gedachte gemeengoed is en velen als een onomstotelijke waarheid geldt, is ze niet in overeenstemming met de Schrift. In het bovenstaande zagen we al dat het “water des levens” op een levendbrengend werk wijst dat nog verricht moet worden. Ook zijn er op de nieuwe aarde nog volken die moeten worden genezen, waartoe God in Zijn wijsheid de “bladeren van het geboomte des levens” heeft bestemd.

Er zijn nog meer gegevens, waaruit blijkt dat “de eeuwigheid” niet aangebroken is. De poorten van het nieuwe Jeruzalem zullen “overdag geenszins gesloten worden” {21 vers 25}. Het geboomte des levens zal twaalf verschillende vruchten voortbrengen en “elke maand zijn vrucht” geven {22 vers 2}. Ook in het nieuwe Jeruzalem wordt de tijd dus nog in dagen, maanden en jaren gemeten, want een jaar bestaat uit twaalf opeenvolgende maanden.

Uit allerlei zaken blijkt bovendien, dat de schepping haat eindbestemming nog niet heeft bereikt. “De koningen der aarde brengen hun heerlijkheid in haar”, d.w.z. in het nieuwe Jeruzalem {21 vers 24}. “De heerlijkheid en eer der volken zullen in haar gebracht worden” {21 vers 26}. Er zijn mensen die van búiten de stad komen. Zij verlaten het terrein van de dood {21 vers 8, 22 vers 15} en gaan de stad binnen, omdat ze hebben overwonnen, hun klederen hebben gewassen {21 vers 7, 22 vers 14} en door de bladeren van het geboomte zijn genezen {22 vers 2}. Álle overwinnaars waren eens “dood in zonden en misdaden”! {Efe. 2 vers 1-10}. De poorten van de stad staan voortdurend open om zulke mensen binnen te laten.

De bruid des Lams is dan allang met blinkend linnen bekleed {19 vers 8}, omdat zij zich eerder gereed had gemaakt en haar kleren had gewassen in het bloed van het Lam {7 vers 14}. Zodra de heerlijkheid van die bruid was verschenen {21 vers 2}, ging zij ánderen werven en nodigen. De redding van de bruid was in Gods oog slechts een begin, ook de volken moesten nog toegebracht worden. De Geest en de bruid begonnen te roepen: “Kom” {22 vers 17}. “Kom naar de Godsstad, wend je van je eigen wegen af, keer je naar je Schepper toe, was je kleren en laat je door de bladeren genezen. Het is gratis! Hier is het Licht, bij jullie de duisternis!” En hun roep zal gehoor vinden {21 vers 24 vgl. Jes. 45 vers 22-25}.

In Paulus’ brief aan de Efeziërs staat, dat God gelovigen {hoewel ze dood waren door de overtredingen} mede levend heeft gemaakt met Christus, en hen mede heeft opgewekt en mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, “om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van Zijn genade te toenemen {Efe.2 vers 6-7}. Er is niet één toekomende eeuw, maar er zijn meerder toekomende eeuwen, te weten die van het duizendjarig rijk {Openb.20} en die van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde {Openb. 21 vers 22}. Gedurende die eeuwen of tijdperken zal de Here de overweldigende rijkdom van Zijn genade tonen aan de hand van de gelovige, die dan verheerlijkt zullen zijn. Buitenstaanders zullen aan hén kunnen zien, wat de Vader door middel van Zijn Zoon, Jezus Christus, uit zondaren kan maken.

Johannes en Paulus stemmen met elkaar overeen. In dit verband mogen we ook Joh. 17 vers 20-23 en Rom. 8 vers 19-21 op ons laten inwerken. Als de gelovige van alle tijden verenigd en verheerlijkt zullen zijn, dán zal de wereld gaan geloven. Eens zal de hele schepping in de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods mogen delen.

Uitverkoren?

“Dat geloof ik niet”, zegt u misschien. Die “koningen der aarde” uit Openb.21 vers 22, zijn dat niet de goede en rechtvaardige koningen die de volken in de loop van hun geschiedenis hebben gehad? Mensen zoals Melchizedek en Abimelech? En de “volken” uit Openb. 21 vers 3, en 21 vers 24, en 21 vers 26 en 22 vers 2, zijn dat niet de uitverkorenen? In oude vertalingen van Openb. 21 vers 24 staat immers: “de volken, die zalig worden”! Blijkt daar niet uit, dat sommige “volken” zalig worden, terwijl andere “volken” verloren gaan?

Zulke vragen kunnen alleen maar opgeworpen worden door christenen die het boek Openbaring nog nooit in één ruk hebben uitgelezen. Want in de eerste negentien hoofdstukken van dat boek wordt de term “koningen der aarde” uitsluitend in ongunstige zin gebruikt. Toen de grote dag van Gods toorn was gekomen, hadden die koningen tegen de bergen en de rotsen gezegd: “Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?” {6 vers 15}. Zij hadden zich door demonen laten verleiden tot de oorlog op de grote dag van de Almachtige {Openb. 16 vers 12-14 en 19 vers 19}. Zij hadden met Babylon gehoereerd {17 vers 2 en 18 vers 3-9}. Zij hadden hun macht en hun gezag aan het beest gegeven{17 vers 12-13, 18}. En van diezelfde koningen wordt nú gezegd, dat ze hun “heerlijkheid en eer” in het nieuwe Jeruzalem zullen brengen {21 vers 24}. Is dat niet wonderlijk? Zoiets is alleen mogelijk bij God. Wat voor mensen onmogelijk is, is mogelijk bij Hem. Ook de volken komen er in Openb. 1-19 niet best vanaf. Zeker, er is sprake van een grote schare uit alle volken en talen, die uit de grote verdrukking komt en die voor de troon van God en van het Lam mag staan {7 vers 9}. Maar de volken zelf speelden in het verhaal een duistere rol. Ze hadden zo’n enorme hekel aan Gods profeten, dat ze niet toelieten dat iemand hen begroef {11 vers 9}. Ze waren in grote toornigheid tegen God opgestaan {11 vers 18}. Ze hadden állemaal van de bedwelmende wijn van Babylon gedronken {14 vers 8 en 18 vers 3} en waren door haar toverij misleid {18 vers 23}. En nadat ze duizend jaar lang onder het rechtvaardige bestuur van Christus en de Zijnen hadden verkeerd en gedurende die tijd niet meer door de boze waren misleid {20 vers 3}, waren ze nog geen haar beter geworden. Zodra ze er de kans voor kregen, waren ze wéér tegen God opgestaan {20 vers 8-9}.

Maar nu de eerste dingen zijn voorbijgegaan en het nieuwe Jeruzalem uit de hemel is neergedaald, nu is alles anders geworden. Nu zullen de volken bij het licht dat van die Godsstad uitgaat, gaan wandelen {21 vers 24}. Ze zullen door de bladeren van de levensboom worden genezen {22 vers 2} en werkelijk Góds volken worden {21 vers 3}. Onvoorstelbaar? Voor ons misschien wel, maar toch zijn deze woorden “getrouw en waarachtig” {21 vers 5}. Die volken zijn aan Gods rechtvaardig oordeel onderworpen. Nu zullen ze komen en zich vrijwillig voor Hem nederbuigen, omdat Zijn gerechtigheden openbaar zijn geworden {15 en 44}. Elk schepsel zal de Almachtige gaan prijzen {6 vers 13}. Wat een schitterend vooruitzicht!

Kom, Here Jezus.

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391859 bezoekers sinds 07-06-2010