Bijbelse termen

22-05-2010 door Aren van Waarde

Om de leer van de verzoening te kunnen begrijpen is het noodzakelijk om een helder inzicht te hebben betreffende de verschillende termen, die in de Bijbel in dit verband worden gebruikt. We zullen meteen tot een beschouwing van deze termen overgaan, te beginnen met het woord.

Verzoening (Engels: reconciliation)

Het oorspronkelijke Griekse woord betekent: “door en door veranderen”,

“een persoon van een vijand in een vriend veranderen”. Deze definitie is woordelijk ontleend aan het Lexicon. Wie deze betekenis in gedachten houdt, kan onmiddellijk inzien dat de verzoening volkomen ten bate van de mens geschiedt: hij is degene wiens vijandschap in vriendschap moet worden veranderd. Natuurlijk behoeft God niet te worden veranderd, maar de méns; God bevindt zich niet in een toestand van vijandschap jegens de mens, maar de mens staat vijandig ten opzichte van God, en teneinde harmonie tussen die twee tot stand te brengen moet er iets gedaan worden om de mens te veranderen. Dit moet voor iedereen duidelijk zijn, en toch spreken de geloofsbelijdenissen over Christus die stierf om God met de mens te verzoenen, alsof God degene was die verandering nodig had. De verzoening is dus de regeling of de voorziening in Gods plan waardoor de mens vanuit een toestand van vijandschap en vervreemding in een toestand van volmaakte eenheid en harmonie met zijn Schepper wordt gebracht.

Zoenmiddel

Dit woord houdt in het oorspronkelijk verband met kalmeren, sussen of verzoenen. Het komt voor in Rom.3:25, waar de apostel verklaart dat God Christus als zoenmiddel heeft voorgesteld. Wie is het voorwerp en wat is de bedoeling van dit zoenmiddel? Stellig heeft God Christus niet voorgesteld om zichzelf tot bedaren te brengen! Zo’n gedachte zou buitengewoon ongerijmd zijn: de mens was beslist degene die gesust, gekalmeerd of verzoend moest worden. Laat ook opgemerkt mogen worden dat hetzelfde woord dat in Rom.3:25 als “zoenmiddel” is vertaald, in Hebr.9:25 met “verzoendeksel” is weergegeven. Voor wie is dit verzoendeksel bestemd? Voor de mens of voor God? Is het niet duidelijk, dat de geloofsbelijdenissen de waarheid op dit punt precies hebben omgedraaid? Zij leren dat God degene is die moet worden verzoend, alsof het verzoendeksel voor Hem zou zijn bestemd, terwijl het vanzelfsprekend is dat het zoenmiddel of verzoendeksel er uitsluitend is ten bate van  de mens. Christus is het zoenmiddel, of de verzoening, voor “de gehele wereld” (1Joh.2:2). Er is één passage waar dit woord voorkomt, die de gedachte schijnt uit te drukken dat God wordt verzoend, te weten Heb.2:17: “Daarom moest Hij in alle opzichten aan Zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen”.

Deze passage schijnt op het eerste gezicht de gedachte over te brengen dat Christus iets doet teneinde God bereidwillig te maken om de zondaar te vergeven, of Hem te bewegen om de straf kwijt te schelden; maar een weinig overdenking zal ons ervan overtuigen dat deze gedachte niet juist kan zijn, aangezien God de zondaar liefheeft, en zélf een volledige voorziening heeft getroffen – niet alleen voor zijn vergiffenis maar ook voor zijn bevrijding uit de macht der zonde – bovendien heeft God dit uit eigen  vrije beweging gedaan, ongevraagd, eenvoudigweg tijdens de uitvoering van Zijn scheppingsplan. Daarom kan het niet waar zijn, dat Hij verzoend of gekalmeerd moet worden, en toch stellen de geloofsbelijdenissen het zo voor, en deze grote leugen, dat Gods vergiffenis en welwillendheid kunnen worden gekocht, heeft de basis voor veel schandelijk misbruik en veel onzuiver bijgeloof gelegd. De Roomse kerk bouwt op deze leugen haar verkeerde leerstellingen van het vagevuur, gebeden voor de doden, de voorspraak van de maagd Maria en de heiligen, aflaten, absolutie en dergelijke. De

Protestantse kerk heeft deze dogma’s verworpen, maar zij behoudt nog steeds de kern ervan – in de gedachte dat een deel van het ambt van Christus bestaat uit het verzoenen of gunstig stemmen van de Vader ten opzichte van de zondaar; zo wordt de verkeerde indruk gewekt dat Gods gunst en welwillendheid niet spontaan en onveranderlijk zijn, maar dat die wisselen afhankelijk van de verdienste of het gebrek van het individu, en toe of af kunnen nemen naarmate er meer of minder wordt

gedaan om Hem te verzoenen. Ik beweer niet dat de geloofsbelijdenissen het bovenstaande met zoveel woorden uitdrukken, maar dit is de gedachte die ze inhouden, en dit is in de praktijk het geloof van degenen die hen aannemen. Deze overwegingen voeren mij tot de volgende term, te weten

Voorspraak

De gangbare opvatting aangaande de betekenis van dit woord is dezelfde als wij in verband met de voorgaande term hebben opgemerkt. In de algemeen aanvaarde theologie wordt Christus afgeschilderd als staande voor de Vader, terwijl Hij zijn

wonden toont en voor de zondaar pleit; het orthodoxe gezang dat in de kerk zo dikwijls klinkt drukt deze gedachte uit :

“ Vijf bloedende wonden draagt Hij

die Hij op Golgotha ontving;

Krachtige gebeden gaan daarvan uit

Zij pleiten sterk voor mij.

‘Vergeef hem, o vergeef’, roepen ze,

‘Laat de verloste zondaar niet omkomen!’

De Vader hoort Hem bidden,

Zijn Gezalfde waar Hij een welbehagen in heeft:

Hij kan zich niet afwenden

van de aanblik van zijn Zoon…

Mijn God is verzoend,

Zijn stem van vergiffenis mag ik horen…”

Hier is de gedachte van Christus die bij de Vader pleit opdat Hij de zondaar mag vergeven; de onwilligheid van de Vader (die uiteraard onwillig is want anders zou de Zoon niet behoeven te pleiten) wordt tenslotte overwonnen door de vasthoudendheid van de Zoon en zo wordt God met de mens verzoend. Het is even verkeerd om een leugen te zingen dan om een leugen te prediken; het is even slecht om God door middel van een gezang te lasteren dan door middel van een preek. Het

liedboek van de kerk moet net zo goed onder handen worden genomen als haar theologie; beiden zijn het spoor verschrikkelijk bijster. Wat is nu de waarheid met betrekking tot deze term? Het oorspronkelijke woord betekent eenvoudigweg “ontmoeten, converseren met, omgaan met”

Hetzelfde woord komt in Hand.25:24 voor, waar het met “zich wenden tot” is weergegeven. Wat voor soort transacties heeft Christus nu met de Vader vanwege ons? Ons antwoord op die vraag zal afhangen van het soort beeld dat wij van God

hebben; als we de gedachte koesteren die door de gangbare opvatting wordt onderwezen, dan zullen we menen dat Christus pleit met een strenge en onverzoenlijke God, om Zijn gestrengheid te verzachten en Hem de zondaar gunstig

gezind te maken. De grote prediker Spurgeon licht dit punt in één van zijn preken op de volgende wijze toe: hij vertelt een verhaal over een man in Cuba die enkele van de wetten van het eiland had overtreden en tot het vuurpeloton was veroordeeld; hij was in Engeland geboren en genaturaliseerd als Amerikaan, daarom trachtten de consuls van beide landen voor hem tussenbeide te komen, maar de plaatselijke overheid was hardnekkig en wraakgierig, en weigerde om hem los te laten, maar verklaarde dat hij moest sterven; derhalve werd de man op de vastgestelde tijd vanuit de gevangenis naar de plaats van executie geleid en een reeks van soldaten werd opgesteld om het dodelijke werk te doen; doch voordat het fatale salvo gelost had kunnen worden, verschenen de twee consuls op het toneel en nadat zij zich een weg naar de veroordeelde hadden gebaand wierpen zij de plooien van de Engelse en de Amerikaanse vlag over hem heen, en daagden de autoriteiten uit om op hem te schieten nu hij op die manier bedekt was. Die durfden dat niet, de man werd losgelaten en zijn leven was gered. Nu, zegt de heer Spurgeon, zolang ik bedekt ben met de mantel van Christus’ gerechtigheid kan God de schalen van Zijn gramschap niet op mij uitstorten, maar onbeschermd sta ik bloot aan de verschrikkelijke straffen voor een overtreden wet die uitgaan van een terecht vertoornde God; buiten Christus is er voor mij geen genade. Maar wanneer Christus tussen mij en de wet instaat – en ik door Hem wordt beschermd – (d.w.z. tegen God wordt beschermd), dan ben ik veilig. De preek gaat in deze lijn door.

Denk toch eens over dit beeld na, hoe verschrikkelijk wordt Gods karakter hier gesmaad! In het voorbeeld wordt Hij met de Cubaanse autoriteiten vergeleken die dorstten naar het bloed van de overtreder van hun wetten; en Christus wordt afgeschilderd als de humane en dappere consuls die hun eigen levens riskeerden om het leven van een medemens te redden. Is zo’n voorstelling van zaken waarachtig? Nee, nee, duizendmaal NEE! Hoe onbedachtzaam en blind moeten mensen zijn om

Christus op zo’n beestachtige manier tegenover God te stellen, Hij die juist de “glans van Zijn heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn wezen” is! Maar als we God kennen, dan zullen we inzien dat Christus’ transacties met de Vader helemaal niet van dien aard zijn, maar dat de gedachte van een voorspraak geheel ten bate is van de mens. Het feit dat wij een vriend aan het hof hebben is tot onze troost en bemoediging; de Koning zelf heeft ons lief; maar dat is wel het laatste dat wij willen geloven, en om ons te helpen om deze gezegende waarheid in te zien, is Christus gegeven als middelaar, om de liefde van de Vader bekend te maken (1Joh.4:8)

Middelaar en voorspraak

De mens heeft iemand nodig die hem bij God introduceert; hij zou nooit rechtstreeks naar Hem toegaan. Gods onuitsprekelijke heerlijkheid en volmaakte heiligheid stoten de zondige mens af, nooit kan hij geloven dat zo’n God hem liefheeft, behalve wanneer een derde partij die liefde op de een of andere manier aan hem openbaart. Die derde partij is de middelaar, “de Mens Christus Jezus” (1 Tim.2:5). Wij “komen tot God door Hem, daar Hij altijd leeft om voor ons te pleiten” (Heb.7:25). Hij is onze “voorspraak bij de Vader” (1 Joh.2:1) – niet omdat de Vader een advocaat of helper nodig heeft — zo’n gedachte is godslasterlijk, en toch stellen de geloofsbelijdenissen het zo voor – maar de mens heeft een helper nodig, en daarom heeft God “aan een held hulp toebedeeld” (Ps.89:20), iemand die “machtig is om te verlossen” (Jes.63:1), en zo zijn wij, die “eertijds verre waren, nabijgekomen door het bloed [d.w.z. het leven] van Christus” (Efe.2:13). Zo zien we dat de Voorspraak, Middelaar of Advocaat er alleen maar is ten behoeve van de mens om hem tot God te brengen. Wij willen vervolgens kijken naar de term

Verlossing

Het woord in de grondtekst betekent het loskopen of vrijkopen van een slaaf of een gevangene, door een prijs te betalen zodat hij vrijuit mag gaan. Wat is nu verlossing in het geval van de gevallen mens? Hoe is hij verlost? Van wat of van wie is hij verlost? Dit leerstuk wordt gewoonlijk uitgebeeld met het vrijkopen van een slaaf uit de macht van een wrede heer, door aan die heer een prijs te betalen; maar wie zou in zo’n geval door de heer worden voorgesteld? En wat zou de prijs vertegenwoordigen? We moeten in ons gebruik van zulke voorbeelden voorzichtig zijn, of we zullen in onze theologie geheel op een dwaalspoor raken, zoals we in het bovenstaande aan het voorbeeld van Spurgeon hebben kunnen zien. De gevallen mens is een slaaf, dat is beslist bijbels, maar een slaaf van wie of van wat? Een slaaf van de zonde (Joh.8:34, Rom.6:16 e.d.), of, zo u wilt, een slaaf van de satan aangezien hij de persoonlijke Voor het probleem van de zonde en het missen van het doel is door Christus gezorgd, en toch zijn er vele christenen die Christus wekelijks opnieuw menen te moeten kruisigen. Hun ongeloof staat hen niet toe om een “opstandingsleven” te leiden. belichaming van de zonde is. Goed dan, hoe kan deze slaaf der zonde in vrijheid worden gesteld? Hoe kan hij uit zijn gevangenschap worden verlost? God heeft de mens aan de vruchteloosheid onderworpen in de hoop dat hij eens zou worden bevrijd, en de mens wacht op de “openbaring van de zonen Gods” die hem uit de “slavernij aan de vergankelijkheid” zullen bevrijden (zie Rom.8, vgl. met Rom.11). Zo wordt de mens bevrijd, verlost of vrijgekocht. Maar wat is de prijs die voor zijn verlossing is betaald? Deze vraag voert ons tot de beschouwing van de term.

Losprijs

Wat is de prijs waarmee de mens is verlost? Het is “het kostbare bloed van Christus” (1 Pet.1:18-19). Wat betekent dit? Bloed is een symbool van leven (Deut.12:23), derhalve betekent het leven van Christus; en dit stemt overeen met Christus’ eigen woorden, dat Hij “niet is gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen en om zijn leven te geven tot een losprijs voor velen” (Mat.20:28). Christus’ leven vormde dus de losprijs. Welk leven? vragen we ons nu af. Zijn fysieke, aardse bestaan, of het hemels leven dat Hij daarvoor bezat? Zeer zeker het laatste, de eenvoudige waarheid is dus dat Jezus het leven opgaf, dat Hij tevoren had: de rijkdom en heerlijkheid die Hij bij de Vader bezat eer de wereld was, opdat Hij één met de gevallen mensheid mocht zijn en op die manier als “Leidsman” de weg mocht banen, waarlangs “de ganse schepping” uiteindelijk zou worden bevrijd 4. Dit was het offer van Christus; dit was de losprijs en daardoor is de mens verlost. Er is geen sprake van het betalen van een prijs aan de duivel voor de redding van de mensenziel of iets van dien aard. De mens is op

precies dezelfde manier verlost als het kind van wijze, liefhebbende en opofferende ouders verlost mag worden genoemd: zo’n kind is gered, en in zekere zin verlost van vele van de kwaden, narigheden en zonden van andere kinderen, die zich in minder

gunstige omstandigheden bevinden. De ouders moeten hiervoor een prijs betalen: de prijs van voortdurende lankmoedigheid en zorg, dikwijls het offer van persoonlijk plezier en gemak, en soms nog veel grotere offers dan deze; maar dit alles wordt

blijmoedig en zelfs vrolijk gedaan vanwege de liefde van de ouders. Zo heeft ook God de wereld zozeer liefgehad, dat Hij zijn Zoon heeft gezonden om haar in de ware en volmaakte zin te verlossen – om Zichzelf aan haar te openbaren en de weg naar de

vrijheid door de Leidsman te laten banen. Natuurlijk behoorde dit alles tot Gods plan, het was van tevoren bekend en verordineerd. De verzoening was geen gedachte achteraf, waarmee God de gevolgen van een onvoorziene samenloop van

omstandigheden probeerde tegen te gaan. Wat wij “de val van de mens” noemen, met zijn gevolgen van zonde en dood, maakte deel uit van Gods oorspronkelijke Vgl. Joh.17:5, Fil.2:6-8, Heb.12:2, Rom.8:19-23. scheppingsplan, en zodoende was ook de verlossing onderdeel van dat plan. Christus kwam de menselijke situatie geheel en volkomen binnen om de mens te verlossen, opdat Zijn bevrijding uit diezelfde situatie het onderpand en de garantie van de bevrijding van de mens zou kunnen zijn (Hand.17:31). Christus kwam de gevallen staat van de mens zelfs zó grondig binnen, dat Hijzelf eerst verlost moest worden alvorens Hij de mens kon verlossen. God moest Hem eerst verlossen, door “Hem uit de dood te verlossen” (Heb.5:7), voordat Hij ons kon verlossen; of om het nauwkeuriger uit te drukken: door Hém te verlossen verloste God óns. God is de grote, oorspronkelijke Verlosser, die Jezus, de Verlosser der wereld, verloste, opdat Jezus de wereld zou mogen verlossen. Het werk der verlossing is dan het hele werk van de bevrijding van de mens uit “de slavernij aan de vergankelijkheid” en het herstel van de harmonie met God; het is niet slechts het werk der bevrijding, maar het omvat ook het werk van de ontwikkeling, liever gezegd: het ontwikkelingswerk is de bevrijding. Het proces waardoor de “oude mens” wordt vernietigd, is tegelijk het proces waardoor de “nieuwe mens” wordt “aangedaan”. Het proces van verlossing bestrijkt het hele terrein van het verloren paradijs tot het herwonnen paradijs, het omvat het totale werk van de proeftijd: d.w.z. beproeving, opvoeding, training en vervolmaking, totdat wij gereed zijn om de laatste stap in het grote plan te zetten: de bekleding met de onsterfelijkheid; en de losprijs is volgens deze opvatting al wat het de Vader en de Zoon kost om dit plan te formeren en het ten uitvoer te brengen. Nu wordt dit alles als type voorafgeschaduwd in het voorbeeld van Mozes, die de kinderen Israëls uit Egypte heeft bevrijd. We weten dat Mozes een type van Christus is (Hand.7:37); we weten ook dat de bevrijding van Israël uit Egypte een verlossing en dat Mozes een verlosser was; het woord dat in Hand.7:35 op Mozes wordt toegepast en dat dikwijls als “bevrijder” is vertaald betekent werkelijk verlosser, en wordt vanuit de grondtekst meestal zo overgezet. Nu wat was dan de losprijs die Mozes betaalde om Israël te kunnen verlossen? En hoe werden zij verlost? Geen geld, of iets van dien aard, werd aan de Egyptenaren als losprijs betaald waardoor zij werden bewogen om Israël te laten gaan; en toch werd er een losprijs betaald, waaruit bestond die dan? Het was het leven dat Mozes in Egypte had kunnen leiden als zoon van de koningsdochter, en als prins in het huis van de Farao’s. Mozes gaf dit alles op, en vereenzelvigde zich met een tot slavernij gebracht, vernederd volk, om hen uit hun wrede onderdrukking te kunnen verlossen (vgl. Heb.11:24-26). Hier is het hele werk der verlossing in een type voorafgeschaduwd. Zo verliet Christus het koninklijke hof van zijn Vader, en gaf die “rijkdom” en “heerlijkheid”. Hij vereenzelvigde zichzelf  met een gevallen mensheid, die tot slavernij was gebracht, opdat Hij hen uit de slavernij aan de vergankelijkheid zou mogen bevrijden. Zo werd de losprijs betaald, en zo werd de mens verlost. Deze overwegingen verklaren ook de woorden

Gekocht en betaald

Voor deze termen kunnen we 1 Kor.6:20 en 2 Pet.2:1 raadplegen. Jezus kocht de mensheid net zoals Mozes Israël kocht, en Hij betaalde een vergelijkbare losprijs, zoals we reeds hebben opgemerkt. We hebben nu de voornaamste termen onderzocht die met dit onderwerp verband houden en hebben in hen geen leer van plaatsvervanging aangetroffen; géén van deze termen vooronderstelt de dwalingen van de algemeen aanvaarde theologie; de gedachte van een onschuldig slachtoffer dat lijdt in plaats van de schuldige partij en waardoor aan het Goddelijk recht wordt voldaan druist evenzeer in tegen ons gevoel voor billijkheid en eerlijk spel, als tegen de ware betekenis van de bijbelse termen die in verband met deze leer worden gebruikt. Wie zo’n gedachte aanvaarden moeten dat ofwel doen vanuit blinde, onnadenkende eerbied voor menselijke traditie, of tegen het protest van de rede, het gezond verstand en de Schrift ingaan. De waarachtige leer van de verzoening is zowel redelijk als kostbaar. De verzoening is Gods middel om de mens uit zijn gevallen staat te redden, zij is door “God in Christus” ten bate van de mens verricht; niet om God op de een of andere manier te sussen of te kalmeren, maar om de mens te verzoenen en hem “in Christus” naar God terug te brengen. Er is geen behoefte aan het beginsel van plaatsvervanging in deze waarachtige leer van de

verzoening; dat beginsel veronderstelt een toornige God, onverzoenlijk en ongenadig, evenals Saulus van Tarsus “blazende dreiging en moord” tegen de mens, en deze toornige God wordt veranderd (dat wil zeggen: verzoend) door het vrijwillige lijden

van een onschuldig slachtoffer in plaats van de schuldige mens; zo wordt God vanuit de positie van een boze en onbuigzame Rechter in een genadige en liefdevolle Vader omgetoverd, bij wie de schuldige en dat niet verdienende mens vergeving en behoud kan vinden. Zo’n opvatting is zó totaal verkeerd, naar we hebben gezien, dat ze de waarheid precies omdraait, en “duisternis voorstelt als licht, en licht als duisternis”. Ze rukt in Gods grote scheppingsplan alles uit zijn verband, en ontwricht en verwart totaal de wonderlijke huishouding van wijsheid en genade waarin God de mens tot Zijn eigen beeld en gelijkenis voert. We hebben ook gezien, dat de bevrijding van de kinderen Israëls door Mozes de waarheid bevestigt, en plaatsvervanging geheel weerlegt; de kinderen Israëls, het vleselijk zaad, waren een beeld van Gods geestelijke Israël, het ware zaad der belofte (zie Gal.4:28-29; vgl. Rom.9:8 en zie ook 1 Kor.10:6). Mozes was Israëls verlosser, en in zijn opoffering van “de schatten van Egypte” zien we (geen spoor van plaatsvervanging, maar) een type en schaduw van het offer van Christus en van de verlossing en losprijs van de gevallen mens. Bij deze opvatting is er harmonie in heel Gods plan, en in de hele Schrift; bovendien beveelt deze opvatting zichzelf aan bij een verlicht verstand. Zij verhoogt de liefde Gods, en staaft en bevestigt Zijn gerechtigheid, wijsheid en rechtvaardigheid in het uiteindelijk in orde maken van alle kwaad, en in het volkomen welslagen van Zijn oorspronkelijke plan.

Aan het tijdschrift The Spirit of The Word, dat tussen 1885 en 1925 in de Verenigde Staten werd uitgegeven, is onderstaande reeks artikelen ontleend. Over de schrijver van dit materiaal, A.P.Adams, is vrijwel niets bekend. Hij woonde in de omgeving van Boston (Massachusetts). Voor Gods Woord had hij een heilig ontzag, maar kerkelijke tradities lieten hem volstrekt koud. Na zijn dood zouden zijn geschriften verloren zijn gegaan, ware het niet dat een abonnee van zijn tijdschrift, George Hawtin, het materiaal heeft gebundeld en uitgegeven.

bijbelse termen

 

 

Om de leer van de verzoening te kunnen begrijpen is het noodzakelijk om een helder inzicht te hebben betreffende de verschillende termen, die in de Bijbel in dit verband worden gebruikt. We zullen meteen tot een beschouwing van deze termen overgaan, te beginnen met het woord.

Verzoening (Engels: reconciliation)

Het oorspronkelijke Griekse woord betekent: “door en door veranderen”,

“een persoon van een vijand in een vriend veranderen”. Deze definitie is woordelijk ontleend aan het Lexicon. Wie deze betekenis in gedachten houdt, kan onmiddellijk inzien dat de verzoening volkomen ten bate van de mens geschiedt: hij is degene wiens vijandschap in vriendschap moet worden veranderd. Natuurlijk behoeft God niet te worden veranderd, maar de méns; God bevindt zich niet in een toestand van vijandschap jegens de mens, maar de mens staat vijandig ten opzichte van God, en teneinde harmonie tussen die twee tot stand te brengen moet er iets gedaan worden om de mens te veranderen. Dit moet voor iedereen duidelijk zijn, en toch spreken de geloofsbelijdenissen over Christus die stierf om God met de mens te verzoenen, alsof God degene was die verandering nodig had. De verzoening is dus de regeling of de voorziening in Gods plan waardoor de mens vanuit een toestand van vijandschap en vervreemding in een toestand van volmaakte eenheid en harmonie met zijn Schepper wordt gebracht.

Zoenmiddel

Dit woord houdt in het oorspronkelijk verband met kalmeren, sussen of verzoenen. Het komt voor in Rom.3:25, waar de apostel verklaart dat God Christus als zoenmiddel heeft voorgesteld. Wie is het voorwerp en wat is de bedoeling van dit zoenmiddel? Stellig heeft God Christus niet voorgesteld om zichzelf tot bedaren te brengen! Zo’n gedachte zou buitengewoon ongerijmd zijn: de mens was beslist degene die gesust, gekalmeerd of verzoend moest worden. Laat ook opgemerkt mogen worden dat hetzelfde woord dat in Rom.3:25 als “zoenmiddel” is vertaald, in Hebr.9:25 met “verzoendeksel” is weergegeven. Voor wie is dit verzoendeksel bestemd? Voor de mens of voor God? Is het niet duidelijk, dat de geloofsbelijdenissen de waarheid op dit punt precies hebben omgedraaid? Zij leren dat God degene is die moet worden verzoend, alsof het verzoendeksel voor Hem zou zijn bestemd, terwijl het vanzelfsprekend is dat het zoenmiddel of verzoendeksel er uitsluitend is ten bate van  de mens. Christus is het zoenmiddel, of de verzoening, voor “de gehele wereld” (1Joh.2:2). Er is één passage waar dit woord voorkomt, die de gedachte schijnt uit te drukken dat God wordt verzoend, te weten Heb.2:17: “Daarom moest Hij in alle opzichten aan Zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen”.

Deze passage schijnt op het eerste gezicht de gedachte over te brengen dat Christus iets doet teneinde God bereidwillig te maken om de zondaar te vergeven, of Hem te bewegen om de straf kwijt te schelden; maar een weinig overdenking zal ons ervan overtuigen dat deze gedachte niet juist kan zijn, aangezien God de zondaar liefheeft, en zélf een volledige voorziening heeft getroffen – niet alleen voor zijn vergiffenis maar ook voor zijn bevrijding uit de macht der zonde – bovendien heeft God dit uit eigen  vrije beweging gedaan, ongevraagd, eenvoudigweg tijdens de uitvoering van Zijn scheppingsplan. Daarom kan het niet waar zijn, dat Hij verzoend of gekalmeerd moet worden, en toch stellen de geloofsbelijdenissen het zo voor, en deze grote leugen, dat Gods vergiffenis en welwillendheid kunnen worden gekocht, heeft de basis voor veel schandelijk misbruik en veel onzuiver bijgeloof gelegd. De Roomse kerk bouwt op deze leugen haar verkeerde leerstellingen van het vagevuur, gebeden voor de doden, de voorspraak van de maagd Maria en de heiligen, aflaten, absolutie en dergelijke. De

Protestantse kerk heeft deze dogma’s verworpen, maar zij behoudt nog steeds de kern ervan – in de gedachte dat een deel van het ambt van Christus bestaat uit het verzoenen of gunstig stemmen van de Vader ten opzichte van de zondaar; zo wordt de verkeerde indruk gewekt dat Gods gunst en welwillendheid niet spontaan en onveranderlijk zijn, maar dat die wisselen afhankelijk van de verdienste of het gebrek van het individu, en toe of af kunnen nemen naarmate er meer of minder wordt

gedaan om Hem te verzoenen. Ik beweer niet dat de geloofsbelijdenissen het bovenstaande met zoveel woorden uitdrukken, maar dit is de gedachte die ze inhouden, en dit is in de praktijk het geloof van degenen die hen aannemen. Deze overwegingen voeren mij tot de volgende term, te weten

Voorspraak

De gangbare opvatting aangaande de betekenis van dit woord is dezelfde als wij in verband met de voorgaande term hebben opgemerkt. In de algemeen aanvaarde theologie wordt Christus afgeschilderd als staande voor de Vader, terwijl Hij zijn

wonden toont en voor de zondaar pleit; het orthodoxe gezang dat in de kerk zo dikwijls klinkt drukt deze gedachte uit :

“ Vijf bloedende wonden draagt Hij

die Hij op Golgotha ontving;

Krachtige gebeden gaan daarvan uit

Zij pleiten sterk voor mij.

‘Vergeef hem, o vergeef’, roepen ze,

‘Laat de verloste zondaar niet omkomen!’

De Vader hoort Hem bidden,

Zijn Gezalfde waar Hij een welbehagen in heeft:

Hij kan zich niet afwenden

van de aanblik van zijn Zoon…

Mijn God is verzoend,

Zijn stem van vergiffenis mag ik horen…”

 

Hier is de gedachte van Christus die bij de Vader pleit opdat Hij de zondaar mag vergeven; de onwilligheid van de Vader (die uiteraard onwillig is want anders zou de Zoon niet behoeven te pleiten) wordt tenslotte overwonnen door de vasthoudendheid van de Zoon en zo wordt God met de mens verzoend. Het is even verkeerd om een leugen te zingen dan om een leugen te prediken; het is even slecht om God door middel van een gezang te lasteren dan door middel van een preek. Het

liedboek van de kerk moet net zo goed onder handen worden genomen als haar theologie; beiden zijn het spoor verschrikkelijk bijster. Wat is nu de waarheid met betrekking tot deze term? Het oorspronkelijke woord betekent eenvoudigweg “ontmoeten, converseren met, omgaan met”

Hetzelfde woord komt in Hand.25:24 voor, waar het met “zich wenden tot” is weergegeven. Wat voor soort transacties heeft Christus nu met de Vader vanwege ons? Ons antwoord op die vraag zal afhangen van het soort beeld dat wij van God

hebben; als we de gedachte koesteren die door de gangbare opvatting wordt onderwezen, dan zullen we menen dat Christus pleit met een strenge en onverzoenlijke God, om Zijn gestrengheid te verzachten en Hem de zondaar gunstig

gezind te maken. De grote prediker Spurgeon licht dit punt in één van zijn preken op de volgende wijze toe: hij vertelt een verhaal over een man in Cuba die enkele van de wetten van het eiland had overtreden en tot het vuurpeloton was veroordeeld; hij was in Engeland geboren en genaturaliseerd als Amerikaan, daarom trachtten de consuls van beide landen voor hem tussenbeide te komen, maar de plaatselijke overheid was hardnekkig en wraakgierig, en weigerde om hem los te laten, maar verklaarde dat hij moest sterven; derhalve werd de man op de vastgestelde tijd vanuit de gevangenis naar de plaats van executie geleid en een reeks van soldaten werd opgesteld om het dodelijke werk te doen; doch voordat het fatale salvo gelost had kunnen worden, verschenen de twee consuls op het toneel en nadat zij zich een weg naar de veroordeelde hadden gebaand wierpen zij de plooien van de Engelse en de Amerikaanse vlag over hem heen, en daagden de autoriteiten uit om op hem te schieten nu hij op die manier bedekt was. Die durfden dat niet, de man werd losgelaten en zijn leven was gered. Nu, zegt de heer Spurgeon, zolang ik bedekt ben met de mantel van Christus’ gerechtigheid kan God de schalen van Zijn gramschap niet op mij uitstorten, maar onbeschermd sta ik bloot aan de verschrikkelijke straffen voor een overtreden wet die uitgaan van een terecht vertoornde God; buiten Christus is er voor mij geen genade. Maar wanneer Christus tussen mij en de wet instaat – en ik door Hem wordt beschermd – (d.w.z. tegen God wordt beschermd), dan ben ik

veilig. De preek gaat in deze lijn door.

Denk toch eens over dit beeld na, hoe verschrikkelijk wordt Gods karakter hier gesmaad! In het voorbeeld wordt Hij met de Cubaanse autoriteiten vergeleken die dorstten naar het bloed van de overtreder van hun wetten; en Christus wordt afgeschilderd als de humane en dappere consuls die hun eigen levens riskeerden om het leven van een medemens te redden. Is zo’n voorstelling van zaken waarachtig? Nee, nee, duizendmaal NEE! Hoe onbedachtzaam en blind moeten mensen zijn om

Christus op zo’n beestachtige manier tegenover God te stellen, Hij die juist de “glans van Zijn heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn wezen” is! Maar als we God kennen, dan zullen we inzien dat Christus’ transacties met de Vader helemaal niet van dien aard zijn, maar dat de gedachte van een voorspraak geheel ten bate is van de mens. Het feit dat wij een vriend aan het hof hebben is tot onze troost en bemoediging; de Koning zelf heeft ons lief; maar dat is wel het laatste dat wij willen geloven, en om ons te helpen om deze gezegende waarheid in te zien, is Christus gegeven als middelaar, om de liefde van de Vader bekend te maken (1Joh.4:8)

Middelaar en voorspraak

De mens heeft iemand nodig die hem bij God introduceert; hij zou nooit rechtstreeks naar Hem toegaan. Gods onuitsprekelijke heerlijkheid en volmaakte heiligheid stoten de zondige mens af, nooit kan hij geloven dat zo’n God hem liefheeft, behalve wanneer een derde partij die liefde op de een of andere manier aan hem openbaart. Die derde partij is de middelaar, “de Mens Christus Jezus” (1 Tim.2:5). Wij “komen tot God door Hem, daar Hij altijd leeft om voor ons te pleiten” (Heb.7:25). Hij is onze “voorspraak bij de Vader” (1 Joh.2:1) – niet omdat de Vader een advocaat of helper nodig heeft — zo’n gedachte is godslasterlijk, en toch stellen de geloofsbelijdenissen het zo voor – maar de mens heeft een helper nodig, en daarom heeft God “aan een held hulp toebedeeld” (Ps.89:20), iemand die “machtig is om te verlossen” (Jes.63:1), en zo zijn wij, die “eertijds verre waren, nabijgekomen door het bloed [d.w.z. het leven] van Christus” (Efe.2:13). Zo zien we dat de Voorspraak, Middelaar of Advocaat er alleen maar is ten behoeve van de mens om hem tot God te brengen. Wij willen vervolgens kijken naar de term

Verlossing

Het woord in de grondtekst betekent het loskopen of vrijkopen van een slaaf of een gevangene, door een prijs te betalen zodat hij vrijuit mag gaan. Wat is nu verlossing in het geval van de gevallen mens? Hoe is hij verlost? Van wat of van wie is hij verlost? Dit leerstuk wordt gewoonlijk uitgebeeld met het vrijkopen van een slaaf uit de macht van een wrede heer, door aan die heer een prijs te betalen; maar wie zou in zo’n geval door de heer worden voorgesteld? En wat zou de prijs vertegenwoordigen? We moeten in ons gebruik van zulke voorbeelden voorzichtig zijn, of we zullen in onze theologie geheel op een dwaalspoor raken, zoals we in het bovenstaande aan het voorbeeld van Spurgeon hebben kunnen zien. De gevallen mens is een slaaf, dat is beslist bijbels, maar een slaaf van wie of van wat? Een slaaf van de zonde (Joh.8:34, Rom.6:16 e.d.), of, zo u wilt, een slaaf van de satan aangezien hij de persoonlijke Voor het probleem van de zonde en het missen van het doel is door Christus gezorgd, en toch zijn er vele christenen die Christus wekelijks opnieuw menen te moeten kruisigen. Hun ongeloof staat hen niet toe om een “opstandingsleven” te leiden. belichaming van de zonde is. Goed dan, hoe kan deze slaaf der zonde in vrijheid worden gesteld? Hoe kan hij uit zijn gevangenschap worden verlost? God heeft de mens aan de vruchteloosheid onderworpen in de hoop dat hij eens zou worden bevrijd, en de mens wacht op de “openbaring van de zonen Gods” die hem uit de “slavernij aan de vergankelijkheid” zullen bevrijden (zie Rom.8, vgl. met Rom.11). Zo wordt de mens bevrijd, verlost of vrijgekocht. Maar wat is de prijs die voor zijn verlossing is betaald? Deze vraag voert ons tot de beschouwing van de term.

Losprijs

Wat is de prijs waarmee de mens is verlost? Het is “het kostbare bloed van Christus” (1 Pet.1:18-19). Wat betekent dit? Bloed is een symbool van leven (Deut.12:23), derhalve betekent het leven van Christus; en dit stemt overeen met Christus’ eigen woorden, dat Hij “niet is gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen en om zijn leven te geven tot een losprijs voor velen” (Mat.20:28). Christus’ leven vormde dus de losprijs. Welk leven? vragen we ons nu af. Zijn fysieke, aardse bestaan, of het hemels leven dat Hij daarvoor bezat? Zeer zeker het laatste, de eenvoudige waarheid is dus dat Jezus het leven opgaf, dat Hij tevoren had: de rijkdom en heerlijkheid die Hij bij de Vader bezat eer de wereld was, opdat Hij één met de gevallen mensheid mocht zijn en op die manier als “Leidsman” de weg mocht banen, waarlangs “de ganse schepping” uiteindelijk zou worden bevrijd 4. Dit was het offer van Christus; dit was de losprijs en daardoor is de mens verlost. Er is geen sprake van het betalen van een prijs aan de duivel voor de redding van de mensenziel of iets van dien aard. De mens is op

precies dezelfde manier verlost als het kind van wijze, liefhebbende en opofferende ouders verlost mag worden genoemd: zo’n kind is gered, en in zekere zin verlost van vele van de kwaden, narigheden en zonden van andere kinderen, die zich in minder

gunstige omstandigheden bevinden. De ouders moeten hiervoor een prijs betalen: de prijs van voortdurende lankmoedigheid en zorg, dikwijls het offer van persoonlijk plezier en gemak, en soms nog veel grotere offers dan deze; maar dit alles wordt

blijmoedig en zelfs vrolijk gedaan vanwege de liefde van de ouders. Zo heeft ook God de wereld zozeer liefgehad, dat Hij zijn Zoon heeft gezonden om haar in de ware en volmaakte zin te verlossen – om Zichzelf aan haar te openbaren en de weg naar de

vrijheid door de Leidsman te laten banen. Natuurlijk behoorde dit alles tot Gods plan, het was van tevoren bekend en verordineerd. De verzoening was geen gedachte achteraf, waarmee God de gevolgen van een onvoorziene samenloop van

omstandigheden probeerde tegen te gaan. Wat wij “de val van de mens” noemen, met zijn gevolgen van zonde en dood, maakte deel uit van Gods oorspronkelijke Vgl. Joh.17:5, Fil.2:6-8, Heb.12:2, Rom.8:19-23. scheppingsplan, en zodoende was ook de verlossing onderdeel van dat plan. Christus kwam de menselijke situatie geheel en volkomen binnen om de mens te verlossen, opdat Zijn bevrijding uit diezelfde situatie het onderpand en de garantie van de bevrijding van de mens zou kunnen zijn (Hand.17:31). Christus kwam de gevallen staat van de mens zelfs zó grondig binnen, dat Hijzelf eerst verlost moest worden alvorens Hij de mens kon verlossen. God moest Hem eerst verlossen, door “Hem uit de dood te verlossen” (Heb.5:7), voordat Hij ons kon verlossen; of om het nauwkeuriger uit te drukken: door Hém te verlossen verloste God óns. God is de grote, oorspronkelijke Verlosser, die Jezus, de Verlosser der wereld, verloste, opdat Jezus de wereld zou mogen verlossen. Het werk der verlossing is dan het hele werk van de bevrijding van de mens uit “de slavernij aan de vergankelijkheid” en het herstel van de harmonie met God; het is niet slechts het werk der bevrijding, maar het omvat ook het werk van de ontwikkeling, liever gezegd: het ontwikkelingswerk is de bevrijding. Het proces waardoor de “oude mens” wordt vernietigd, is tegelijk het proces waardoor de “nieuwe mens” wordt “aangedaan”. Het proces van verlossing bestrijkt het hele terrein van het verloren paradijs tot het herwonnen paradijs, het omvat het totale werk van de proeftijd: d.w.z. beproeving, opvoeding, training en vervolmaking, totdat wij gereed zijn om de laatste stap in het grote plan te zetten: de bekleding met de onsterfelijkheid; en de losprijs is volgens deze opvatting al wat het de Vader en de Zoon kost om dit plan te formeren en het ten uitvoer te brengen. Nu wordt dit alles als type voorafgeschaduwd in het voorbeeld van Mozes, die de kinderen Israëls uit Egypte heeft bevrijd. We weten dat Mozes een type van Christus is (Hand.7:37); we weten ook dat de bevrijding van Israël uit Egypte een verlossing en dat Mozes een verlosser was; het woord dat in Hand.7:35 op Mozes wordt toegepast en dat dikwijls als “bevrijder” is vertaald betekent werkelijk verlosser, en wordt vanuit de grondtekst meestal zo overgezet. Nu wat was dan de losprijs die Mozes betaalde om Israël te kunnen verlossen? En hoe werden zij verlost? Geen geld, of iets van dien aard, werd aan de Egyptenaren als losprijs betaald waardoor zij werden bewogen om Israël te laten gaan; en toch werd er een losprijs betaald, waaruit bestond die dan? Het was het leven dat Mozes in Egypte had kunnen leiden als zoon van de koningsdochter, en als prins in het huis van de Farao’s. Mozes gaf dit alles op, en vereenzelvigde zich met een tot slavernij gebracht, vernederd volk, om hen uit hun wrede onderdrukking te kunnen verlossen (vgl. Heb.11:24-26). Hier is het hele werk der verlossing in een type voorafgeschaduwd. Zo verliet Christus het koninklijke hof van zijn Vader, en gaf die “rijkdom” en “heerlijkheid”. Hij vereenzelvigde zichzelf  met een gevallen mensheid, die tot slavernij was gebracht, opdat Hij hen uit de slavernij aan de vergankelijkheid zou mogen bevrijden. Zo werd de losprijs betaald, en zo werd de mens verlost. Deze overwegingen verklaren ook de woorden

Gekocht en betaald

Voor deze termen kunnen we 1 Kor.6:20 en 2 Pet.2:1 raadplegen. Jezus kocht de mensheid net zoals Mozes Israël kocht, en Hij betaalde een vergelijkbare losprijs, zoals we reeds hebben opgemerkt. We hebben nu de voornaamste termen onderzocht die met dit onderwerp verband houden en hebben in hen geen leer van plaatsvervanging aangetroffen; géén van deze termen vooronderstelt de dwalingen van de algemeen aanvaarde theologie; de gedachte van een onschuldig slachtoffer dat lijdt in plaats van de schuldige partij en waardoor aan het Goddelijk recht wordt voldaan druist evenzeer in tegen ons gevoel voor billijkheid en eerlijk spel, als tegen de ware betekenis van de bijbelse termen die in verband met deze leer worden gebruikt. Wie zo’n gedachte aanvaarden moeten dat ofwel doen vanuit blinde, onnadenkende eerbied voor menselijke traditie, of tegen het protest van de rede, het gezond verstand en de Schrift ingaan. De waarachtige leer van de verzoening is zowel redelijk als kostbaar. De verzoening is Gods middel om de mens uit zijn gevallen staat te redden, zij is door “God in Christus” ten bate van de mens verricht; niet om God op de een of andere manier te sussen of te kalmeren, maar om de mens te verzoenen en hem “in Christus” naar God terug te brengen. Er is geen behoefte aan het beginsel van plaatsvervanging in deze waarachtige leer van de

verzoening; dat beginsel veronderstelt een toornige God, onverzoenlijk en ongenadig, evenals Saulus van Tarsus “blazende dreiging en moord” tegen de mens, en deze toornige God wordt veranderd (dat wil zeggen: verzoend) door het vrijwillige lijden

van een onschuldig slachtoffer in plaats van de schuldige mens; zo wordt God vanuit de positie van een boze en onbuigzame Rechter in een genadige en liefdevolle Vader omgetoverd, bij wie de schuldige en dat niet verdienende mens vergeving en behoud kan vinden. Zo’n opvatting is zó totaal verkeerd, naar we hebben gezien, dat ze de waarheid precies omdraait, en “duisternis voorstelt als licht, en licht als duisternis”. Ze rukt in Gods grote scheppingsplan alles uit zijn verband, en ontwricht en verwart totaal de wonderlijke huishouding van wijsheid en genade waarin God de mens tot Zijn eigen beeld en gelijkenis voert. We hebben ook gezien, dat de bevrijding van de kinderen Israëls door Mozes de waarheid bevestigt, en plaatsvervanging geheel weerlegt; de kinderen Israëls, het vleselijk zaad, waren een beeld van Gods geestelijke Israël, het ware zaad der belofte (zie Gal.4:28-29; vgl. Rom.9:8 en zie ook 1 Kor.10:6). Mozes was Israëls verlosser, en in zijn opoffering van “de schatten van Egypte” zien we (geen spoor van plaatsvervanging, maar) een type en schaduw van het offer van Christus en van de verlossing en losprijs van de gevallen mens. Bij deze opvatting is er harmonie in heel Gods plan, en in de hele Schrift; bovendien beveelt deze opvatting zichzelf aan bij een verlicht verstand. Zij verhoogt de liefde Gods, en staaft en bevestigt Zijn gerechtigheid, wijsheid en rechtvaardigheid in het uiteindelijk in orde maken van alle kwaad, en in het volkomen welslagen van Zijn oorspronkelijke plan.

Aan het tijdschrift The Spirit of The Word, dat tussen 1885 en 1925 in de Verenigde Staten werd uitgegeven, is onderstaande reeks artikelen ontleend. Over de schrijver van dit materiaal, A.P.Adams, is vrijwel niets bekend. Hij woonde in de omgeving van Boston (Massachusetts). Voor Gods Woord had hij een heilig ontzag, maar kerkelijke tradities lieten hem volstrekt koud. Na zijn dood zouden zijn geschriften verloren zijn gegaan, ware het niet dat een abonnee van zijn tijdschrift, George Hawtin, het materiaal heeft gebundeld en uitgegeven.

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384917 bezoekers sinds 07-06-2010