Begon de “kerk”bij Pinksteren

23-06-2010 door Joop Neven

Gij weet, hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood; doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen.” (Hand.10:28).

Wat een bekentenis! En wat is dit volkomen onverklaarbaar als de algemene opvatting dat “de Kerk bij Pinksteren begon” waar zou zijn! Let op de woorden: “verboden”, “zich voegen bij”, “gaan tot”, “niet-Jood”, “onheilig en onrein”. Hoe kan men dan toch blijven beweren dat Petrus de deur van de Kerk opende voor de heidenen in Hand.2. We kunnen uit Petrus’ eigen gebruik van het woord ATHEMITOS (verboden, onwettig) opmaken wat voor buitengewoon sterk gevoel van afkeer hij daarmee uitdrukt. “de wil der heidenen,… onzedelijke afgoderij.” (I Petr. 4:3). Het woord dat vertaald is met “zich voegen bij“, KOLLAO, is bekend geworden door het gebruik dat scheikundigen er van maken wanneer zij spreken van colloïden, waaronder gom, stijfsel, gelatine, lijm en andere plakmiddelen vallen. Petrus kon zich niet alleen niet voegen bij een heiden tot op dit moment, hij had zelfs niet de vrijheid om het huis te betreden van iemand van een ander volk. Om aan te tonen dat deze houding niet typisch was voor Petrus, moeten we er even stilstaan bij het moment dat bekend werd dat de heidenen het Woord van God hadden ontvangen en dat Petrus niet alleen hun huis was binnengegaan, maar zelfs met hen had gegeten. Er werd geen moment getwijfeld, maar nota bene Petrus werd ter verantwoording geroepen voor deze kennelijk onwettige daad. “Hoe zou ik”, zei Petrus, “dan bij machte geweest zijn God tegen te houden?” (Hand.11 : 1-17). “God tegenhouden zou een eigenaardige uitdrukking zijn geweest, als Petrus de apostel der heidenen geweest zou zijn. Het is veelbetekenend omdat dezelfde uitdrukking wordt gebruikt in I Thes.2:16 als climax van de zonden der Joden. Dit verklaart ook het gebruik ervan in het laatste vers van Hand.28 “zonder enige belemmering.” Zelfs al verheerlijkte de gemeente in Judea God uiteindelijk met de woorden: “Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering ten leven geschonken” (Hand. 11:18). Dan nog laat de vorm waarin deze tekst is gegeven, zien dat het ongelooflijk moeilijk was voor de gemeente in die tijd om dit te erkennen. Het daarop volgende vers laat dan ook zien dat er geen evangelisatie onder de heidenen op volgde. “Zij dan, … trokken verder… zonder tot iemand het woord te spreken dan ALLEEN TOT DE JODEN.” (Hand. 11 : 19). De aanvaarding van de heidenen is op geen enkele wijze verzekerd, tenzij en niet eerder dan op het moment dat we de opdracht aan de apostel Paulus er in betrekken. Maar vanaf het ogenblik dat Saulus van Tarsus bekeerd is, begint de deur van het geloof open te zwaaien voor de heidenen.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391735 bezoekers sinds 07-06-2010