Aangenomen en achterblijven

31-05-2010 door Dr. K.D. Goverts

Zo willen we dan iets gaan bekijken over die twee teksten:

twee in het veld; één wordt aangenomen, één blijft achter. Twee vrouwen bij de molen; één wordt aangenomen, één blijft achter.

Aangenomen en achterblijven.

Nu worden deze verzen heel vaak gebruikt in verband met wat dan genoemd wordt: ‘de opname van de gemeente’. Deze opvatting dateert in feite uit het begin van de negen tiende eeuw (± 1830). In die tijd was er een jonge vrouw, die een beeld zag. In dat beeld zag zij de gestalten van al de heiligen in witte gewaden hemelwaarts zweven. Dat beeld werd toen geïnterpreteerd als de opname van de gemeente. Deze vrouw heeft dat beeld doorgegeven. Dat beeld is door een bekende leraar uit die tijd, Irving, overgenomen. Toen heeft dit beeld en de verdere interpretatie ervan zich ontwikkeld tot een bepaalde leer. In deze leer werd een duidelijk standpunt ingenomen, wat in de Engelse taal dan genoemd wordt de wegrukking, de rapture. In het Nederlands werd dat dan vertaald met de opname. En dan ging het dus om de opname van de gemeente. Dit werd toen een in brede kringen aanvaard standpunt. Edward Irwing is toen de tolk, de woordvoerder, geworden van deze gedachtegang. Van daaruit is dit gedachtegoed toen in heel veel studies terechtgekomen. Nu is de tragiek weer, dat deze gedachtegang zich langzamerhand heeft ontwikkeld tot een heel systeem. Dat is dan meestal in dit verband de gang van zaken: het begint met een beeld, dan wordt het een leer en tenslotte een heel systeem. Het is op zich heel intrigerend, om daar eens over door te denken. Misschien zijn dat wel de drie stadia, waarin zaken zich meestal ontwikkelen. Ik heb dat in mijn eigen leven ook wel herkend. Als kind had ik een bepaalde droom, maar ik had er nog geen woorden bij. Later kwamen de woorden, maar toen was de droom weg. Dan krijg je het derde stadium: je gaat op zoek om de droom weer terug te vinden. Je begint ergens bij je hart. Vanuit je hart ga je naar je verstand. En via je verstand moet je uiteindelijk toch weer terugkomen bij je hart. Dat lijkt dan een hele omweg, maar toch kan het waarschijnlijk niet korter.

Je gaat dus van je hart via je verstand weer terug naar je hart. Je zou ook kunnen zeggen: je begint bij de één, om via de twee weer uit te komen bij de één.

Je begint vanuit de eenheid, de alef (a), dan ga je naar de beth (b), dat is de twee en uiteindelijk kom je dan weer bij de alef (a). Als je dat dan samenvoegt, krijg je het woord ABBA (aba).

Zo gaat dat dus vaak in een mensenleven; misschien gaat het ook wel zo in de kerkgeschiedenis. Je zou een hele kerkgeschiedenis kunnen schrijven vanuit dit principe: één – twee – één.

In deze gedachtegang zit toch ook een heel stuk tragiek. Heel veel zaken worden geboren in het hart, maar dan gaat vervolgens het verstand er mee op de loop. Het hart begint, het verstand neemt het over. Het gevaar ligt dan op de loer, dat het hart het niet meer kan bijbenen. Om het met een variant op een Afrikaans spreekwoord te zeggen: het verstand gaat te paard en het hart gaat te voet. Het verstand gaat dan steeds sneller en neemt een hoge vlucht, en dan krijg je wetenschap, het wordt steeds technischer, ook steeds spitsvondiger; het hart blijft echter achter. Een rabbijn zei tegen een voorganger: je bent nu herder geworden, maar af en toe moet je eens even omkijken om te zien, of de schapen je nog wel kunnen volgen. Dat is dan een verwant beeld: het verstand kan zo op de voorgrond gaan treden en voortvliegen, dat het hart het niet meer meemaakt. Misschien is dat ook de pijn van de geschiedenis van de dogmatiek. In de loop van de tijd zijn er op dat punt heel wat dogmatieken ontstaan. Dr.F.de Graaff zei een keer over een collega: hij heeft zoveel geschreven, dat hij in feite alles op papier gezet heeft. En nu is er geen ruimte meer voor het hart. Zoveel dogmatiek, zoveel op papier gezet; maar dan loop je gevaar, dat het een massief gebouw wordt, een gebouw zonder deur. Je komt er moeilijk in, en als je erin bent, kom je er haast niet meer uit. Waar is de ingang? En als je erin zit, vraag je je vertwijfeld af: waar is de uitgang?! Zo gaat het dus vaak: een droom wordt een leer en een leer wordt een systeem. In het hart van de Eeuwige was een droom. Mensen nemen die droom van God en maken er een leer van: zo moet je het geloven en zo moet je het zien. Maar het oog wordt vermoeid en het oor wordt afgemat en waar blijft de vraag van het hart? De ziel blijft leeg en wordt niet meer verzadigd. Zo is er ook een heel systeem gebouwd rondom het punt: toekomst, eindtijd, opname. We gaan nu eerst maar eens proberen die verzen 40 en 41 opnieuw te gaan horen: één wordt aangenomen, één wordt achtergelaten. We moeten dan eerst eens naar de grondwoorden kijken en ons afvragen: wat zou er in wezen in deze woorden verborgen kunnen zijn? Dat woord aannemen, kan onder andere ook betekenen: meenemen. Zo komt het bijvoorbeeld al voor in de Septuagint in Genesis 31:23:

 nam hij zijn verwanten met zich mee, achtervolgde hem zeven dagreizen ver, en haalde hem in …

Dat meenemen kan een positieve betekenis hebben en een negatieve.

 Nu had hij vijf mannen uit zijn broeders meegenomen, en hij stelde die aan de Farao voor … (Genesis 47:2)

Neemt uw vader en uw huizen … (Genesis 45:18)

Neemt u … brengt uw vader mee … (Genesis 48: 19)

Zo kom je heel wat van die regels tegen, waarin telkens gezegd wordt: meenemen. Zie bijvoorbeeld ook in 1Samuël 17:31:

Hij liet David halen …

Je kunt ook zeggen: hij nam David mee.

 De woorden die David gesproken had, werden opgemerkt en men bracht ze aan Saul over. Deze liet hem halen … (1Samuël 17:31)

Er zijn dus heel wat van die verzen, waarop dat op die manier wordt aangeduid. Er staat dan het woord para-lambanō (paralambanw), wat betekent: opnemen, meenemen, en andere aanverwante woorden. Er zijn ook teksten, waarin dat woord meenemen een wat ongunstiger klank heeft. Zo kun je op een gegeven moment worden meegenomen door de vijand, meegenomen worden in ballingschap. Je kunt denken aan mensen, die worden meegenomen door de zorgen, door de zorgvuldigheden van het leven. Zo wordt verteld in het verhaal van Mattheüs 12 vanaf vers 43 van die ene boze geest, die zeven anderen meeneemt. Ook daar staat het woord ‘para-lambanō’, maar dan krijgt het een wat somberder, een wat dreigender klank.

 Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren … dorre plaatsen … vindt hij het leegstaan … neemt zeven andere geesten mede … boze geslacht … (Mattheüs 12:43 en volgende)

In Jeremia 49:1 vind je ook een dergelijke aanduiding, in de Septuagint. In dat vers wordt dan verteld over Milkom, de godheid van de Ammonnieten, die Gad heeft meegenomen, zoals er dan in de Septuagint letterlijk staat. Eén van de stammen van Israël wordt op sleeptouw genomen, gedeporteerd. Meenemen krijgt daar dus de betekenis van wegvoeren.

 Over de Ammonieten: Zo zegt de Here: Heeft Israël geen kinderen, heeft het geen erfgenamen? (Jeremia 49:1 en volgende)

 Zo kom je het ook weer tegen in Klaagliederen 3:2:

 Mij heeft Hij gevoerd en doen gaan in duisternis en donkerte …

 Zo wordt het gezegd in het lijdensverhaal in Mattheüs 27:27:

Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus mede naar het gerechtsgebouw …

In een daarmee verwante paralleltekst, Johannes 19:16, wordt gezegd:

 Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij dan namen Jezus …

 Zo kom je heel wat van die verschillende uitspraken tegen, en op die manier krijg je langzamerhand een beeld van hoe een woord in diverse tekstverbanden wordt gebruikt.

Eén wordt achtergelaten.

In de grondtekst staat het woord ap-hiēmi (afihmi). Ook dat woord kan weer heel verschillende gedachten oproepen. Het woord ap-hiēmi kan betekenen: wegzenden, vrijlaten, achterlaten. Het kan zelfs betekenen: vergeven, zonden worden weggestuurd, worden ontbonden. We zien dat woord bijvoorbeeld in Mattheüs 4:11. We hebben hier de afsluiting van het verhaal van de verzoeking in de woestijn.

Toen liet de duivel Hem met rust en zie, engelen kwamen en dienden Hem …

 Hier staat dus ook dat woord ap-hiēmi. Hij liet Hem achter. De duivel, de uiteenwerper, de stoorzender liet Hem met rust, liet Hem achter.

Hetzelfde woord komt ook voor in Mattheüs 3:15, waar Jezus zegt tegen Johannes de Doper:

 Jezus echter antwoordde en zeide tot hem: Laat Mij thans geworden … Toen liet hij Hem geworden …

Laat Mij geworden, laat Mij begaan. Hetzelfde woord wordt ook gebruikt bij de herder, die de negenennegentig schapen achterlaat.

 zal hij dan niet de negenennegentig op de bergen laten en heengaan om het dwalende te zoeken? (Mattheüs 18:12)

Negenennegentig schapen laat Hij achter om dat ene schaap te zoeken. Als je dergelijke tekstverbanden in gedachten houdt, dan blijkt al, dat het niet zo vanzelfsprekend is, dat degene die achterblijft per definitie in de verkeerde hoek zich bevindt. Die negenennegentig blijven achter, omdat die ene nog gevonden moet worden.

De verzoeking van Jezus in de woestijn wordt beschreven als een periode van veertig dagen. Veertig dagen lang wordt Jezus verzocht door de saboteur, de hinderaar. Aan het eind van die veertig dagen ‘blijft Jezus achter’. De stoorzender is weg, en het Goede blijft achter. De Gezegende des Vaders blijft over. Hij is daar als laatste, als Degene die het tot het einde toe heeft volgehouden, die de strijd heeft voldragen. Hij heeft de veertig dagen lang volhard. Hij komt daar glansrijk doorheen en kon zeggen: Ik ben overgebleven. Een van de oermotieven in het boek Jesaja is: er is een rest. Zalig zijn degenen, die overblijven. Eén van de kinderen van Jesaja had ook een symbolische naam:

 Ga Achaz tegemoet, gij en uw zoon Sear-Jasub, naar het einde van de waterleiding … (Jesaja 7:3)

En de naam van dat jochie betekende: een rest keert om of een rest zal terugkeren, een overblijfsel wordt behouden. Het begrip rest is dus één van de basisgedachten in het boek Jesaja. Jesaja krijgt dan de opdracht om naar de koning te gaan, naar Achaz. Achaz had te kampen met diepe politieke problemen. De koning had de zenuwen. Dat staat ook in het vers, dat daaraan voorafgaat.

 beefde zijn hart en ook het hart van zijn volk, zoals de bomen van het woud beven voor de wind … (Jesaja 7:2)

De koning is in paniek. Zijn naam Achaz (= hij houdt vast) deed hij dus geen eer aan. Temidden van het politieke geweld en de draaikolk van gebeurtenissen is Achaz helemaal de draad kwijt. Dan zegt God tegen Jesaja: je moet eens naar de koning gaan. Ga eens bij de koning langs, want dat heeft hij wel nodig. En dan staat er merkwaardigerwijs bij, dat Jesaja zijn zoontje mee moet nemen. Dat is toch wel vreemd: waarom zou je je kind meenemen, als je naar de koning gaat? Het eerste wat de koning zal vragen, als Jesaja daar met zijn zoontje staat, zal zijn: hoe heet jij? En als dat joch dan zal zeggen: een rest keert om, heeft de koning zijn eerste preek al binnen. Daar kan geen prediker tegenop, dat spaart je uren werk. Voordat Jesaja heeft verteld wat nu in wezen de kern is van zijn boodschap en het thema waar het om draait, heeft dat knulletje al antwoord gegeven. De naam van dat jochie sprak voor zichzelf; hij was een wandelende boodschap. Als dat ventje zijn naam noemde, was dat een getuigenis op zich. Een rest keert om. Dat is de rode draad door het verhaal van Jesaja, de koning der profeten. Er is altijd een rest, die terugkomt. Dat is het hele verhaal van de ballingschap, dat is heel de gang van de weg door de geschiedenis heen. Een overblijfsel zal terugkeren. En dat kan betekenen: zal zich bekeren. Het kan betekenen: zal omkeren. Het kan betekenen: zal terugkeren uit de ballingschap.

Een rest keert om. Het is net alsof die woorden doorklinken, alsof die woorden een draagkracht hebben, niet alleen vanuit het boek Jesaja en in zijn dagen, maar ook in de dagen van Jezus en in al die tijden, steeds komt dat woord weer naar voren. Mozes is met het volk Israël door de woestijn gegaan. Hij heeft veertig jaar met ze gelopen door het woeste land. En een hele generatie is toen omgekomen. En een rest bleef over: Mozes met Jozua en Kaleb. Zo eindigt het boek Deuteronomium. En Mozes staat daar als een laatste rest mèt Jozua en Kaleb. En Jozua en Kaleb vormden als het ware de twee getuigen. Het motief van de twee getuigen zie je ook steeds weer in de Schrift terugkomen, zoals ook in Openbaring 11.

 En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren … (Openbaring 11:3)

Mozes staat daar en moet heel diep in zijn hart gevoeld hebben: ik ben een rest. Als Mozes daar aan het eind van Deuteronomium is gekomen, zegt hij als het ware: ik zal nog één keer een lied voor jullie zingen en ik zal je de zegen geven. Dat is het laatste wat ik voor jullie kan doen.

Een tweede voorbeeld zien we in het boek Jeremia. Als je het bekijkt in de geschiedenis van Jeremia, zie je dat principe opnieuw. Jeremia heeft het meegemaakt, dat ze in ballingschap werden weggevoerd. Eerst waren de tien stammen al gegaan, weggenomen, meegevoerd, ver weg in Assur. Daarna waren de twee stammen aan de beurt: Juda en Benjamin. De eerste deportatie vond plaats in 597, de tweede deportatie geschiedde in 586. Jeremia is daar dan als de rest, die overblijft. Hijzelf en nog een kleine groep van overgeblevenen. Jeremia heeft het aan den lijve ondervonden en meegemaakt; hij heeft het als geen ander doorleefd en gevoeld.

Jeremia blijft over in het ontmantelde Jeruzalem als een laatste getuige, als een laatste stem. En tenslotte wordt hij dan met die laatste groep weggevoerd naar Egypte. Mozes bleef achter als een rest. Jeremia bleef over als een rest. Een derde voorbeeld zien we in de figuur van Noach. Heel die generatie in de dagen van Noach werd meegesleurd door de vloed, maar Noach bleef over. Noach met die kleine groep van ‘acht zielen’ in de ark; tezamen met al die vertegenwoordigers van de schepping uit de dierenwereld. Noach bleef over.

Een vierde voorbeeld komen we tegen in de dagen van Elia. Er waren zovelen op drift geraakt. Daar was de Baäldienst met Achab en Izebel als pleitbezorgers. De grote meerderheid bood geen weerstand; ze werden meegenomen. Alleen Elia en die 7000 bleven over.

 Doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl … (1Koningen 19:18)

Een rest bleef over, een onooglijke rest. Tom Naastepad heeft eens gezegd: 7000, te weinig voor een politieke partij en te gering om een omroep mee te beginnen. Maar voor God is het genoeg, deze kleine selecte groep. Het was die kleine groep van mensen, die dat geheim in hun hart hadden bewaard. Zij hadden het geloof behouden en zich niet vermengd in de Baäldienst, met de goden van de eeuw. Deze kleine groep had zich zuiver bewaard temidden van alles wat er in die tijd op hen afkwam. Zo wordt het verteld in het verhaal van 1Koningen 19. Zij zijn getrouw gebleven, terwijl Elia zegt:

zodat ik alleen ben overgebleven … (1Koningen 19:14)

Elia had het gevoel: ik ben de rest, ik ben het overblijfsel. Maar dan zegt God: er zijn er nog 7000. Zevenduizend worden er overgelaten. Dat is dan ook weer dat wezenlijke geheim, dat achter al die woorden besloten ligt. Hier staat ook weer datzelfde werkwoord sja’ar (raS), dat we ook tegenkwamen in de naam van dat zoontje van Jesaja. Die zevenduizend zijn dan degenen, die door het woord bewaard worden. Het woord zal u bewaren.

Wat blijft er over? Wat wordt niet meegenomen, meegesleurd door de stroom van de tijd? ‘De vijand zal komen als een stroom’. Zo wordt het gezegd in oude beelden, zoals in Jesaja 59.

 als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des Heren de banier tegen hem oprichten … (Jesaja 59:19, Statenvertaling)

Wat wordt er door die stroom meegevoerd en wat blijft er over?

In een oude preek van 12 augustus 1917 wordt in dit verband hier het één en ander over gezegd. Deze preek werd gehouden door Henry van der Bergh van Eysinga in de Grote Kerk te Zutphen. In deze preek geeft hij een terugblik op de vijfentwintig jaar dat hij in het ambt is geweest. Hij begint dan zijn toespraak met de tekst:’Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt en het kind des mensen, dat Gij het zoekt’. Wat is de mens? En dan zegt hij: dit is de uitkomst van alles, dit is het allerwaarste en het allerdiepste. Dit wordt gevonden in moeizame uren. Dit is van het denken en van de harde ervaringen. Wat zijn de ervaringen, die je over houdt, als je terugkijkt? Zo is het immers: wat is de mens! De mens is vluchtig, geboren in het eindige. Er is in hem een zoeken en een trachten en vele zijn de wanen. En wat vindt de mens dan? Maar dan stijgt boven die mens uit: zijn onvergankelijke zelf. Zoals de vonken wegvliegen in de nacht en het vuur voort brandt, zo beseft de mens het eeuwige, het ware. Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt? God alleen zij de eer. Er is niets in de diepte dan God. Wat blijft er over: uiteindelijk alleen Hij. Al het andere is de buitenkant, dat is de omtrek van de cirkel, dat is het wildbewogen rad, dat is het vonkenspel. Maar hier is de vrede, hier is de wortel. En die wortel groeit, ook als de twijgen gebroken worden door de storm, ook wanneer de bladeren genadeloos worden afgerukt. Dit is het leven, dat het leven zichzelf ontdekt, dat het alles verliest, om zo zichzelf te vinden. Het dient uit de waan te ontwaken, de ogen op te heffen en het wonder te zien. Het wonder, dat geen wonder meer is, want het is zo vertrouwd. Het is in het fluisteren van de avondwind, het is in het licht, dat over het landschap vloeit. Het is in de dingen en het is in de harten, die we liefhebben. Het wonder, het is ook in onze gebrokenheid. Want uit deze striemen is ons genezing geworden. Als ik vertel over die vijfentwintig jaren, is er in mij een aarzeling, want dan moet ik vertellen over mijn eigen zelf, over mijn eigen innerlijk. Moet ik dan getuigen van mijzelf? Dan is daar toch ook de eeuwigheid, die door een mens ademt en door een mens leeft. God alleen zij de eer. Dat hebben ze verstaan, zij die bouwden de kathedralen, dat hebben begrepen de dichters, die zongen de psalmen, ook in de nacht. Wat heeft de mens nodig: de rust, de stilte. Er is een breuk door het leven heengegaan, de oneffenheid, de bewogenheid.

Daar is de smart en de uitputting. Ik weet niet, of ge dat hebt gekend, dat het nooit in u jubelde en nooit in u zong. Er was daar een donkere wolk en de mensen om u heen begrepen het niet. De mensen begrijpen niet, dat je op zoek bent naar het licht, dat je op zoek bent naar het hart. De mensen om je heen denken: je moet je niet zo druk maken, je moet niet zo achter alle dingen willen kijken, je moet niet zoveel vragen.

 Wat blijft er over?

Uiteindelijk blijft Hij alleen over, de Eeuwige. Alleen dat oorspronkelijke geheim blijft over. Mozes heeft ook de tranen gekend in de woestijn. Maar uiteindelijk blijft over: het lied en de zegen. Jeremia heeft de tranen gekend en de eenzaamheid, maar uiteindelijk blijft over: de droom van God. Noach heeft het verdriet gekend, maar uiteindelijk blijft over: de ark, het woord. Jezus heeft de tranen gekend, Hij heeft de verzoeking gekend, maar uiteindelijk blijft over: niemand anders dan Jezus. ‘En ze zagen niemand dan Jezus alleen’. Hij is de rest. Er kan heel wat worden weggenomen en meegevoerd. Op den duur kun je het gevoel hebben, dat je heel veel kwijtraakt, dat je kwijt bent. Dat is ook wel de ervaring. Zo’n tekst moet je ook lezen als een ervaring, als een weg.

Wat houd je over? Vraag het maar eens aan mensen, die een hele weg zijn gegaan, die heel veel hebben meegemaakt. En als je het zou vragen, zouden ze wellicht zeggen: ik heb uiteindelijk niet zo veel overgehouden, heel veel is gekomen en gegaan, ook heel veel gedachten zijn gekomen en gegaan. Twee zijn er op een bed. Maar waar vind je de rust? Die ene gaat er weer uit, die kan de rust niet vinden. Twee zijn er bij de molen, en maar malen! Maar wat houd je uiteindelijk over? Eén gaat er weg, heeft die het brood gevonden? Eén blijft er over, zoveel gaat er voorbij. Mensen die de rust niet vinden, mensen die het brood niet vinden. Let op die beelden: het bed als de plaats van de rust, de molen als de plaats waar je het brood vindt. Als vijfde voorbeeld zou je kunnen noemen: het verhaal van Ruth. Het hele gezin van Naomi woonde in Bet-lechem (Mxltb), in het broodhuis. Maar het brood was niet meer voorhanden, de honger kwam. Ze gaan naar de velden van Moab, maar daar kunnen ze het uiteindelijk ook niet vinden. En dan blijft er één over: Naomi. Een rest keert om; het is weer hetzelfde verhaal. Wat was er eerder: Jesaja of Naomi? En als Naomi terugkeert, zegt ze: ik ben vol gegaan en nu ben ik leeg teruggekomen. En als je al die mensen vraagt, die jarenlang door het leven gewandeld hebben, door goede en kwade dagen, dan zingen ze misschien wel dat lied, dat oude lied van Guido Gezelle.

Het leven is een strijd alhier,

het leven is een krijgsbanier

tot in Gods handen dragen.

Gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,

kloekmoedig voorwaarts dragen.

En als je ze dan voorwaarts ziet gaan en ze vraagt: heb je nu veel, dan zullen ze wellicht zeggen: nee, niet zo veel. Uiteindelijk heb ik maar één boek. Ik heb in mijn leven al zoveel boeken gehad, af en toe heb ik er ook nog één gelezen.

Prediker zei ook al: (dat is dan het zesde voorbeeld):

er is geen einde aan het maken en lezen van veel boeken … (Prediker 12:12)

en wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart … (Prediker 1:18)

 Kom, laten we eens wat gaan studeren; moet je vooral doen! Natuurlijk is het goed om te studeren en nog meer en nog meer.

Prediker heeft daar toch iets van begrepen. Ook Prediker heeft zich afgevraagd: wat blijft er over? Wat is de sluitrede, wat is de slotsom van alles? Prediker heeft een boek geschreven als iemand, die de balans opmaakt. De Hebreeuwse titel van het boek Prediker is kohèlet (tlhq). Dat ‘kohèlet’ is bij ons dan vertaald met ‘Prediker’, maar dat woord betekent eigenlijk: iemand, die samenroept, de verzamelaar. Prediker heeft zoveel ervaringen gehad, zoveel ondervonden, zoveel uitgeprobeerd in het leven, maar wat is dan de slotsom, wat houd je over? Wat is de laatste gedachte, als zoveel gedachten voorbijgegaan zijn? Overgebleven, achtergelaten, meegenomen, meegesleurd. Een paar verzen uit Mattheüs 24, maar een wereld van gedachten! Het lijkt zomaar even, heel kort, in beeld te komen, maar dan merk je, dat het goed is, om daar eens wat dieper over na te denken. Je hebt in het leven misschien heel veel gezien en heel veel gehoord, maar dan komt de vraag: wat heb je daarvan overgehouden?

Er is een oud Joods verhaal, dat vertelt van een rabbijn, die altijd les gaf aan de mensen. Daarnaast had die rabbi dan ook nog spreekuur. Ook dan kwamen de mensen weer bij hem met allerlei vragen over heel veel kwesties. Vragen over het leven, over de maatschappij en hoe ze zich in de praktijk moesten gedragen, hoe ze bepaalde wetten uit de Torah moesten toepassen. Zo was die rabbijn dag in dag uit bezig om vragen te beantwoorden en om de wetten te verklaren. Op een keer zei de rabbijn: ik heb er geen zin meer in, ik kom niet eens meer aan studie toe. Altijd maar weer al die vragen uitpluizen en proberen om te zeggen wat de mensen moeten doen en hoe de mensen moeten leven; dat is toch geen leven!

Weet je wat ik doe, zei de rabbijn, ik ga verhuizen en ga op een eenzaam plekje wonen in het bos!

Nu had die rabbijn een kleermaker, die altijd voor hem zorgde, zelf had hij immers geen tijd om eten te koken en zijn kleren te verzorgen. Dus die rabbijn zei tegen die kleermaker: ik ga in het bos wonen, ga je mee? Nou, zegt die kleermaker, dat is goed, maar dan wel op één voorwaarde: ik wil wel zorgen voor eten en ik zal zorgen, dat uw kleren er netjes uitzien, maar dan moet u mij elke dag één uurtje les geven. De rabbijn ging hiermee akkoord.

Zo betrokken ze een klein huisje in het bos, waar de kleermaker een kamertje apart kreeg. Elke dag kreeg de kleermaker nu één uur les. Dat liep allemaal goed, tot op een dag de rabbijn zei: je stelt zoveel vragen, dat ik geen zin meer heb om je les te geven, ik houd ermee op.

Die kleermaker zat toen heel verdrietig op zijn kamertje. Hij begon te bidden en zei: Here God, ik ben maar een eenvoudig man en ik wil zo graag antwoord hebben op de vragen van het leven, maar de rabbijn wil geen les meer geven. Hij zat daar en begon te huilen. En dan zegt het oude Joodse verhaal: toen kwam Elia. Elia kwam van de hemel en ging naar dat kamertje van de kleermaker en zei: beste jongen, vertel maar, wat zijn je vragen? Ik zal je les geven. Die eenvoudige kleermaker kreeg dus les van Elia. De rabbijn loopt langs het kamertje van de kleermaker en ziet daar licht branden. Hij ziet, dat het niet zomaar licht is, maar dat het een bovenaards licht is. Hij zegt de volgende morgen tegen de kleermaker: wat was dat gisteravond voor een licht daar bij jou? Ja, zegt de kleermaker, ik krijg les van Elia. Nou, zegt de rabbijn, dat wil ik ook wel. Wel, zegt die kleermaker, ik zal het voor je vragen. En de kleermaker brengt het verzoek van de rabbijn over naar Elia. Maar Elia zegt: nee, dat doen we niet. Maar als de rabbijn via de kleermaker blijft aandringen, zegt Elia: nou, de rabbijn mag dan ook komen, maar hij moet wel buiten zitten, hij moet buiten voor het raam gaan zitten. Hij mag voor het raam zitten en wat hij dan kan horen, mag hij horen; en wat hij verstaan kan mag hij verstaan; en wat hij niet kan verstaan, daar moet hij dan maar genoegen mee nemen, dat zal hij dan later wel begrijpen. Zo ging het dan voortaan elke nacht: de kleermaker kreeg les van Elia en de rabbijn zat buiten voor het raam. Hij probeerde ook iets op te vangen van die kostbare geheimenissen van het hart en van de vragen van het leven. Af en toe begreep de rabbijn er iets van, soms ook niet. Soms mocht hij dan even iets zien van dat hemelse schijnsel. Dan had hij het gevoel: ik ben eigenlijk buiten, maar toch hoor ik er ook een beetje bij. Is dat nou niet precies het verhaal van: de laatsten worden de eersten! Die eenvoudige kleermaker, die helemaal geen boeken gelezen had, krijgt les. Hij mag het geheim verstaan van het hart. Wie is er nu buiten en wie is er nu binnen? Vaak weet je dat niet van tevoren. Wie zal het verstaan en wie zal het niet begrijpen. Die geleerde rabbijn moet genoegen nemen met zo nu en dan éven iets op te vangen, een fluistering, een woord. Ergens is die rabbi een buitenstaander, maar toch hoort hij er bij. Dit verhaal leert ons, dat de dingen vaak toch anders liggen dan je zou denken. Wie wordt er nu binnengelaten en wie blijft er buiten? Wie is er nu buiten en wie is er nu binnen? En dan wordt er wel gezegd: wie binnen binne, binne binnen. Of dat nou zuivere taal is, blijft de vraag. Het wordt dan zo gauw: ons kent ons. Als je nou maar rabbi bent, dan hoor je er wel bij. Maar veel kleermakers gaan de rabbijnen voor. Het zou zo een verhaal kunnen zijn uit het Evangelie. Kleermakers gaan u voor. Misschien iemand op dat bed, die de rust heeft gevonden. Iemand bij de molen, die het geheim van het brood heeft begrepen. Misschien is het er maar één. Er zijn er twee op dat bed en twee bij die molen, maar je weet niet welke van de twee zal worden meegesleurd en welke zal overblijven.

Wees waakzaam.

Dat is de les die je kunt trekken uit Mattheüs 24; zorg dat je niet in slaap valt. Het is geen automatisme; het is niet zo, dat als je nu maar het goede systeem hebt, of het goede bed of de goede molen, dat je dan zult overblijven. Het sluit in feite aan bij dat andere woord van Jezus: Het Koninkrijk komt niet zo, dat je het kunt berekenen. Het komt niet met uiterlijk gelaat, zegt de Statenvertaling. Het Koninkrijk van God past niet in een systeem.

Het Koninkrijk Gods komt niet zo, dat het te berekenen is; ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u … (Lucas 17:20,21)

Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat … (Statenvertaling)

 Al die systemen gaan voorbij en al die boeken ook. Mozes hield aan het eind nog over: een lied en een zegen. Misschien houd je aan het eind alleen nog een lied over, een laatste lied, net als Mozes had. Mozes had ook veel gelopen. En hij stond altijd maar weer klaar voor de mensen. Dan stonden ze ook weer in de rij om hem te spreken; dan kwamen de opmerkingen, de moeilijkheden, het commentaar. Jakob had ook heel wat gezworven in zijn leven. (voorbeeld zeven). Hij kon met Frederik van Eeden zeggen: ik heb op aarde wonderlijk gewankeld her en der, toch leidde mij ootmoediglijk één stille, vaste ster. Frederik van Eeden was arts geweest; hij had gezocht naar therapieën voor de ziekten van de ziel. Hij heeft ook een kolonie gesticht om mensen op te vangen, een soort leefgemeenschap, een soort commune. Hij heeft van alles geprobeerd, maar dan komt ook voor hem: Moede kom ik, arm en naakt, tot de God die zalig maakt. Wat heb je overgehouden: één boek, één verhaal, één lied. Toch leidde mij ootmoediglijk één stille, vaste ster. Een ster in de nacht. Dat is dan eigenlijk het verhaal van al die heiligen. Die zouden dat allemaal op hun manier kunnen vertellen.

H.W.P.H.E. van der Bergh van Eysinga zegt aan het eind van zijn preek ter gelegenheid van zijn vijfentwintigjarig predikantschap: Dat is het dan, dat je mensen wordt in wie is het eeuwige leven. Wordt dan de koningsmensen, waarop men wacht. Wordt het, omdat God in u werkt. God alleen zij de eer, van Hem is de heerlijkheid, Amen.

In een wereld van veel verdoling en verdwazing en schande en zonde, dat men zich dan weet een eenheid. Keren we terug tot onze oude Bijbel, Jesaja, Jeremia. Indien we zo mogen werken, indien we zo mogen getuigen en profeteren, dan is het goed. Profeteren zullen we van ernst en van roeping. En als de wereld vertrapt wil worden en vergiftigd, het zij dan zo; wij hebben het niet gewild. Van ons is dat andere, van ons is de aanbidding en de liefde.

Dat is een preek uit 1917, uit de jaren van de Eerste Wereld oorlog.

Van ons is dat andere, de aanbidding en de liefde. Een lied en een zegen.

Een mens heeft altijd die twee gestalten in zich: Martha en Maria. Martha betekent eigenlijk: koningin, die zit ook in de mens. Maria, ook een naam met een meerwaarde, Maria, die alleen maar wil luisteren; Martha, die altijd maar bezig is. En dan staat er ook zo treffend van Maria: zij heeft het dienen achter zich gelaten. Zij heeft al die bedrijvigheid achter zich gelaten, om te doen wat voor een vrouw in die tijd helemaal niet gebruikelijk was te doen: onderricht ontvangen, luisteren naar de woorden van de Torah. Zitten aan de voeten van Jezus.

Wat laat je achter? Maria had het dienen achter zich gelaten, om dan te gaan naar het horen, naar het luisteren. Maria, die, aan de voeten des Heren gezeten, naar zijn woord luisterde. Marta echter werd in beslag genomen door het vele bedienen … (Lucas 10:39,40)

En als je naar die eenvoudige kleermaker kijkt, bemerk je, dat je niet altijd van tevoren weet wie er binnen zit of wie er buiten zit. De kleermaker zit binnen in het licht, en die geleerde rabbi zit buiten, af en toe hoort hij ook wat. En dan komt er een moment, dat die man die buiten zit ook blij is met die paar woorden, die hij toch nog opvangt. Die paar woorden van Elia, die hij dan af en toe mag ‘vangen’, zijn misschien meer waard dan al het onderricht, dat hij ooit zelf gegeven heeft. Buiten leert hij nog meer dan binnen. Nu leert hij meer dan toen hij nog zelf les gaf en het allemaal probeerde te verklaren. Je kunt zoveel trachten te verklaren, maar op een keer ben je uitverklaard. Dan zit je daar, net als die rabbi, voor het raam, voor het venster van het licht, om een paar woorden te verstaan. Spreek slechts een enkel woord, een woord met macht. En dan komt dat ene woord door het venster heen. Misschien is het dan juist dat ene woord, waarin jij gekend bent. Je kunt duizenden woorden horen, zonder dat ze in je hart vallen, totdat … totdat dat ene woord komt, dat woord waar door je gepakt wordt, dat woord dat je niet meer loslaat. De dichteres Ida Gerhardt, zegt over een andere dichteres, M.Vasalis enkele opmerkelijke dingen. M.Vasalis was in haar dagelijkse leven psychiater. Ida Gerhardt zegt dan tegen haar: soms schrijf je van die gedichten, die alleen maar ‘adem en windvlaag’ zijn. Maar soms heb je gedichten, die ik ‘oerleem’ zou willen noemen. Je schrijft dan van die oerwoorden. Maar, zegt ze dan, mijn tranen zijn om die enkele, die ontstijgen alreeds bij de aanhef; de ontzegden, ook aan uzelven. Ze zegt: daar zijn gedichten waar je zelf niet eens bij kunt. Je bent dichter of dichteres, je schrijft een gedicht en zegt: nu weet ik eigenlijk zelf niet wat ik heb opgeschreven. Soms houdt een prediker een toespraak, waarvan hij later zegt: ik kan er niet bij, wat ik allemaal heb gezegd. Wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord. Ik zeg het wel en ik geef het door, maar ik kan er niet bij.

Hoeveel zou een mens niet zeggen, terwijl hij het zelf niet eens kan bevatten? Mijn tranen zijn om die enkele, die ontstijgen alreeds bij de aanhef. Bij het begin gaat zo’n gedicht al naar de hemel. De ontzegden, ook aan uzelven, zij vinden hun weg naar de sterren. Ik weet van een spreker, die een hele morgen les stond te geven aan een bijbelschool. Aan het eind van de morgen vroeg hij: mag ik het bandje, want ik weet niet meer wat ik alle maal heb gezegd. Dan is het woord groter dan je hart. Als dan het woord zijn weg maar vindt naar de sterren en naar de harten.

Elie Wiesel, hij is nu inmiddels 74, ging als jongen van dertien jaar naar het kamp. Dat beschrijft hij ook in zijn levensverhaal. Hij ging daar heen met zijn vader, maar zijn vader is niet teruggekomen. Als vijftienjarige komt hij uit het kamp vandaan. En dan moet het leven weer verder gaan. Heel wat teeners uit Auschwitz en Buchenwald worden dan bijeengebracht in een soort verblijf van het Rode Kruis. Dan moeten ze dus, als overlevenden, weer verder. Hier zou je dan ook het thema boven kunnen zetten: één is weggenomen en één is overgebleven. De vader is er niet meer en de zoon is de rest. Elie Wiesel schrijft dan: wat we in die tijden geleerd hebben is, dat je in ieder geval niet over een ander moet oordelen. Vooral niet over degenen, die Auschwitz of Buchenwald niet gekend hebben. De Joodse wijzen zeggen heel eenvoudig: oordeel je kameraad niet, voordat je je bevonden hebt op zijn plaats. Je moet niet oordelen over de weg, die een ander gaat.

Jij kunt de mensen, die dat kamp hebben meegemaakt, niet begrijpen. Maar de mensen, die het niet meegemaakt hebben, die worden door die ander weer niet begrepen. Er zijn mensen, die redelijk door de oorlogsjaren zijn heengerold en dan achteraf zeggen: die oorlogsjaren vielen nog wel mee. Misschien leefde je op het platteland; daar was nog wel wat te eten. Je kunt vaak niet bevatten, wat de ander heeft doorgemaakt. Elie Wiesel zegt dan verder: soms is daar de twijfel, die mij aangrijpt. Ik ben daar elf maanden geweest, zegt hij, maar als het nu eens elf jaren geweest waren? Had ik het dan vol gehouden, had ik dan mijn handen zuiver kunnen houden? Had ik dan niet verkeerd gehandeld? Misschien was ik dan bezweken. Moet ik me dan schuldig voelen? Ik heb andere problemen en andere herinneringen, die mij schuldig maken. En dan kun je niet spreken voor een ander. Eén werd meegenomen en één bleef over. Hoe kijk je daarnaar? Misschien moet je daar helemaal niet naar kijken, want de één heeft het niet overleefd en de ander werd vrijgelaten. Was de één nu beter dan de ander?

Primo Levi, die andere Joodse schrijver, heeft gezegd: de besten hebben het niet overleefd. En dan zegt hij: Ik wel, maar waarom ik? Ik ben er nog, of beter gezegd: ik was er nog. Maar waarom ik? Was ik beter? Nee! En boven zijn verhaal, waarom hij het overleefd heeft, zet hij één woord: Schaamte! Er zijn er geweest, die zijn gaan schrijven, die zijn gaan dichten, die liederen hebben gemaakt. En dan zegt Henk Abma: Maar zij schreven zich niet de schaamte voorbij. In hun schrijven kwamen ze de schaamte niet te boven.

Wat is beter: meegenomen worden of overblijven? Wat zou je moeten kiezen, stel dat je kiezen kon? Welke plaats zou je dan in moeten nemen? In zijn levensverhaal zegt Elie Wiesel ergens: als je nu een overwinnaar hebt, dan is er een conflict. Eén wint het, maar wie is nu het beste af, de verliezer of de winnaar? Maar, zegt Elie Wiesel, dan denk ik toch ook aan de innerlijke pijn van de winnaar. Je kunt op een gegeven moment zeggen: ik ben er doorheen gekomen, ik ben er nog. De overwinning verhindert niet, dat het lijden bestaan heeft en dat de dood is rondgegaan. Hoe kun je dan werken voor de levenden, zonder dat je daarmee de afwezigen verraadt? De overlevende staat daar en denkt: wie zijn nu mijn bondgenoten, waar hoor ik bij? Wie zijn de gidsen van mijn leven, wie nemen mij bij de hand. Aan wie moet ik trouw zijn? Voor hem is alles een vraag, en het wonder ook. Elie Wiesel zegt: in mijn dagboek heb ik genoteerd, dat ik soms kinderen zag, die zo bedroefd waren en zo bang, ook Arabische kinderen, zodat ik niet meer wist wat ik moest zeggen. De één wordt meegenomen, de ander wordt overgelaten. Ik denk aan die predikant, die ik ooit hoorde spreken: Ernest Cassuto. Die predikant, een Jood, vertelt: ik werd in de oorlog opgesloten in een cel. In verschillende cellen zaten allemaal Joodse mensen, in afwachting van hun deportatie. Boven elke cel was een gele ster aangebracht. De dag kwam, dat ze werden weggevoerd. Op de één of andere manier was er boven mijn cel geen ster en daarom bèn ik er nog. Dat was zijn verhaal. Wat zul je daarvan zeggen. Eén ster ontbrak. Eén ster was vergeten of van de deur gevallen of weggeraakt. Wie zal het zeggen; een wonder? ‘t Zou kunnen. Eén deur waaraan de verderver voorbijging. Na de oorlog is hij predikant geworden. En tenslotte, toen hij met emeritaat ging, is hij helemaal weer teruggekeerd naar zijn Joodse oorsprong.

Al die anderen werden meegenomen; één deur werd overgelaten, werd achtergelaten. Elie Wiesel heeft het ook overleefd en hij heeft zijn boeken geschreven, zijn verhalen. Hij schreef over ‘De Nacht’, de nacht van het concentratiekamp, ‘La Nuit’. Dat was zijn eerste boek. Hij heeft ook het boek geschreven ‘De Dageraad’; hij heeft geschreven ‘Mensen met hun Raadselen’, ‘De Bedelaar van Jeruzalem’, ‘De Poorten van het Woud’.

In één van zijn boeken zegt hij: Ik schrijf terwille van al die mensen, die er niet meer zijn. Ik schrijf om hun herinnering te bewaren. Er zijn zoveel mensen: een kind, een grijsaard, een dwaas, een gek, ik schrijf voor hen. De wereld heeft hen niet gewild, de wereld heeft voor hen geen plaats. In mijn verhalen zullen ze een plaats hebben. Als ze dan nergens terecht kunnen, laten ze dan terecht komen in mijn verhaal. Het is net alsof Elie Wiesel zegt: kom maar, verworpenen der aarde, uitschot, al die mensen die meegenomen werden, die er niet mochten zijn. Kom maar, ik ben overgebleven voor jullie. Kom maar, ik heb nog wel een verhaal voor je, daar kun je in wonen.

Amy Carmichael zegt: ik hoop, dat ik geen kamer oversla, geen enkele kamer van het verdriet. Ik wil door al die kamers gaan. En ze loopt dan door al die kamers van het huis, om overal de mensen te zoeken. Daar ligt er nog een op het bed. Daar staat er nog een aan de molen. Ik heb je gezien, ik wil er geen eentje vergeten.

De profeet zegt: Gij zult ingezameld worden, kinderen van Israël, één voor één.

Elie Wiesel zegt: Kom maar in het huis van mijn verhalen. Daarom zegt hij in een artikel over kunst we zullen verhalen vertellen, de rest kan wachten. Verhalen over kinderen, zo oud en zo wijs. Verhalen over oude mensen, verhalen die hoger gaan dan de hemel en die dieper gaan dan de hel. We zullen verhalen vertellen, sommige verhalen worden nooit verteld. Maar we zullen ze vertellen, de rest moet maar wachten. Dat is dan die ene, die achterbleef. En die ene die achterbleef, heeft nog een bed klaargemaakt voor de vermoeide zwervers. Die heeft de molen gedraaid voor de hongerige zielen. Laten ze een plek vinden in mijn verhaal. Elie Wiesel zegt: soms kun je het zelf niet meer, dan moet een ander het voor je doen. Is dat dan toch ook niet uiteindelijk het verhaal van het Evangelie! Als we de lijn gaan doortrekken, komen we bij het verhaal van Jezus. Hij is op weg gegaan met zijn leerlingen; Hij had een menigte mensen om zich heen, maar uiteindelijk gingen ze weg. De één ging naar zijn akker, de ander ging naar zijn zorgen, weer een ander had een vrouw getrouwd, en weer een ander moest de beursberichten in de gaten houden en de koersen liepen terug. De zaken gingen niet goed, de kinderen waren van huis weggelopen. Het was allemaal zo moeilijk en hoe moest je de eindjes aan elkaar knopen? Al die mensen, die het op aarde niet breed hadden. En ze hadden geen tijd, geen tijd om te leven, zelfs geen tijd om te sterven, maar het moest wel. Ze hadden het zo druk; en wie zou het hun euvel duiden, dat ze niet meer konden dan over leven? Arbeiders in de veenkoloniën met de turf; de kleine mensen, de kleine kruideniers. De afgebeulde arbeiders met het portret van Domela Nieuwenhuis boven hun bed, want dat was hun held; die kwam tenminste op voor hun belangen. Eindelijk eentje, die begreep, wat zij doormaakten. Zo zaten ze daar, terwijl ze geen tijd hadden om te leven. Ze konden alleen maar zwoegen voor een schamel salaris. En de rijke herenboeren zeiden: kom maar, je kunt bij mij wel komen werken. En als je nu je vrouw meebrengt, heb ik twee arbeidskrachten voor één loon. En dan kregen ze bonnen, waarmee ze bij de boer hun eten konden kopen, zo ging het geld weer in een cirkel. Kleine mensen, geen tijd om te denken. Er werd wel voor hen gedacht. Jezus ziet al die mensen gaan. Er blijft nog een handjevol over en Hij zegt: willen jullie ook niet weggaan? Al die anderen zijn al meegenomen. Weggegaan, veel te druk, het leven is veel te zwaar, en het eist zijn tol. Moet ik dan nog tol betalen? Ja, zeker wel, heel veel! De Torah zei nog: als je na zes jaar arm geworden bent, dan krijg je nog een kans. Maar in de praktijk kreeg je die kans meestal niet. En dan heeft Jezus er nog twaalf over. En even later waren het er nog elf. En dan tenslotte neemt Hij er nog drie mee in de hof van Gethsemané. Maar die werden ook meegenomen door de slaap. Want op een gegeven moment ben je zo moe, en je houdt het niet altijd vol, en de boog kan ook niet altijd gespannen blijven. Of je wordt moe van het verdriet, want dan kun je ook je ogen niet meer openhouden. En dan blijft er nog Eén over! Gij bad op enen berg alleen. Eén die nog bidt, de laatste, het overblijfsel, de rest. De anderen waren meegenomen. Eén wordt achtergelaten, een overlevende. Je zou zeggen: daar word je ook niet blij van. Maar Hij heeft het volgehouden, als laatste, als rest. Hij heeft gebeden; en het lied zegt dan:

Kent gij uw Goede Herder,

Hij gaat een steenworp verder,

drie dagen voor ons uit.

Daar lopen vele wegen,

één weg is doodgezwegen,

die heeft Hij heel alleen bereid.

Die ene weg is doodgezwegen, die weg ga je niet. Nee meneer, die weg moet u niet gaan, daar loopt het dood. Maar Jezus zegt: die weg zal Ik gaan, als het moet, alleen! En Hij als Eenling, als jachid, gaat dan het laatste traject, drie dagen gaat Hij vooruit. Dan komt het kruis, en Hij is de enige, die gaat, de laatste, de rest. Jezus aan het kruis, Eén is overgebleven. Die andere twee gaan ook voorbij, die hebben ook hun tijd gehad. Dan die ene, die overlevende, die ene, die het laatste woord zegt. Die ene, die zegt: hier ben Ik, terwille van jullie. In mijn verhalen heb ik een plaats voor jullie. Voor al die mensen; voor de kinderen en de grijsaards, voor de dwazen en voor degenen, die waanzinnig geworden zijn, voor degenen, die het niet meer weten, Ik heb een plaats voor je! Eén die overleeft terwille van allen. Eén die overblijft, terwille van die allen, die werden mee genomen. Is dat niet het hart van het Evangelie! Eên blijft er over, om al die mensen in te zamelen, die mee genomen waren, weggenomen, weggeraapt. In een oud Joods verhaal gaat het over het lijden van God. De midrasj vertelt het als volgt: Wanneer de Heilige, gezegend is zijn Naam, zal komen, dan zal Hij de kinderen Israëls bevrijden uit hun ballingschap. Dan zullen ze tegen Hem zeggen: Meester van het heelal, Melech ‘olam, hoe kan dat nou! Als ze dan teruggebracht worden, willen ze nog een vraag stellen.

En ze vragen: U hebt ons verstrooid onder de natiën, U hebt ons onder de volken laten verdwijnen, U hebt ons weggejaagd uit uw heiligdom. En nu bent U het ook weer, die ons terugbrengt; dat begrijpen wij niet.

Dan zal de Heilige, gezegend is zijn Naam, hen antwoorden met deze gelijkenis: Een koning joeg zijn vrouw weg. Hij zei tegen de koningin: ga alsjeblieft uit het paleis, ik wil je niet meer zien. Hij jaagt haar het paleis uit, maar de volgende morgen laat hij haar terugkomen. Hij zegt: ik wil je zo graag weer in het paleis hebben. Verwonderd vraagt de koningin aan hem: waarom heb je me gisteren dan verjaagd, als het was om mij vandaag weer terug te nemen? Weet, antwoordt de koning, dat ik jou gevolgd ben buiten het paleis. Ik kon daar niet alléén wonen.

Eén werd weggenomen en één bleef achter. Maar die achterbleef dacht: ik ga naar buiten, want ik ga mijn koningin weer zoeken, want ik houd het hier op mijn eentje niet uit.

Zo zal de Heilige, gezegend is zijn Naam, zeggen tot de kinderen Israëls: toen Ik jullie zag weggaan uit de tempel, toen ben Ik Zelf ook weggegaan om hier weer met jullie terug te komen. Ik wilde weer terugkomen met mijn volk.

Is dat niet het geheim van heel de Schrift! Is dat niet het geheim van Genesis tot Openbaring!

Zo zie je het ware Godsbeeld. Deze God is niet onbewogen; Hij is niet een toeschouwer. Maar als Hij ziet, dat zijn mensen de tempel verlaten, gaat Hij achter hen aan. Dan gaat Hij ook naar buiten; Hij gaat door de heggen en de steggen.

Wie was degene, die achterbleef: God!

Het volk werd in ballingschap meegenomen en wie bleef er achter: de Eeuwige.

Eén werd er meegenomen: Israël. Eén werd er achtergelaten: Godzelf.

Eén was er die het overleefde; Hij overleefde de ballingschap en Hij was daar in zijn tempel. Maar Hij kon het daar ook niet vinden zonder zijn volk. En die Ene die overbleef, ging zoeken, net zolang totdat Hij zijn mensen terughad; om weer samen met hen terug te komen.

God vergezelt zijn kinderen in de ballingschap.

Dat is een van de grote thema’s in de midrasj en in de mystieke traditie van het Joodse denken. Want, zo zegt de Joodse traditie, er is geen ruimte, die leeg is van God. Hij bevindt Zich tot in het lijden en tot in het hart van de ellende. De droefheid van Israël is verbonden aan de droefheid van de sjechina, en samen wachten ze op de bevrijding. Godzelf is Degene, die overblijft, Hij is de Laatste. En dan kan het gebeuren, dat wanneer ze daar in de balling schap zitten, ze wachten op die Ene.

  Elie Wiesel vertelt: na de oorlog zaten we daar dan als teeners. We kregen les; we hadden de oorlog overleefd, het kamp. Er kwamen mensen, heel goed bedoeld, die ons les kwamen geven. We hadden immers in geen jaren op school gezeten. Het probleem was echter, dat wij innerlijk veel meer wisten dan onze docenten. Wij hadden de dood voor ogen gehad, wij hadden mensen om ons heen zien sterven. Wij hadden gezien, wat het betekende je vader te verliezen, je moeder; wij wisten wat het betekende honger te hebben, de één na de ander naar de dodencel, naar de gaskamer te zien gaan. En dan: overleven …

De mensen die ons les moesten geven, zullen het vast wel moeilijk hebben gehad. Wat konden ze immers begrijpen van wat er in ons omging. Op een keer kwam er een docent, een heel wonderlijke man. Hij noemde zich Sjusjani, maar achteraf gezien weten we niet wat zijn echte naam is geweest. Hij had ook elke keer een ander verhaal over waar hij vandaan kwam. Als je vroeg, waar hij geboren was, zei hij de ene keer: in Uruquay, een andere keer: in Moskou, dan weer in China. Maar hij sprak ook wel al die talen. Hij sprak die talen zo goed, dat je dacht: ja, daar komt hij echt vandaan, daar moet hij geboren zijn, dat is zijn moedertaal. Die man ging ons dus les geven. Hij had nog al een rauwe stem en zag er uit als een zwerver.

We zaten daar dus met een grote groep leerlingen en Sjusjani zei: nu moeten jullie allemaal vragen gaan stellen, achter elkaar, en niet twee over één onderwerp graag. De hele groep ging toen vragen stellen en hij verzamelde die vragen en toen begon hij te spreken. Hij bracht toen al die vragen met elkaar in verband. Hij bracht Job in verband met Jeremia en met het lijden van het Joodse volk. Hij sprak over de schepping en over nog veel meer, en dat alles in een zinvol verband. Zo sprak hij met ons; het werd avond, het werd negen uur en we hingen aan zijn lippen. We zaten in stilte te hopen, dat hij nooit meer zou stoppen. Toen verdween hij ook zomaar weer uit ons leven. Er gingen een paar jaar voorbij en op een keer moest ik naar Frankrijk om onderricht te geven aan een stel jonge mensen. Ik stap in de trein, en wie stapt daar ook in de trein: Sjusjani. We reisden samen en raakten in gesprek. Op de vraag van Sjusjani wat of ik ging doen, antwoordde ik: ik ga les geven over Job. Weet je daar dan wat van, vroeg Sjusjani. Ik heb geprobeerd er wat over te lezen, ik heb de commentaren bestudeerd en wat gegevens verzameld. Ik dacht, zegt Elie Wiesel dan, dat ik het onderwerp kende, ik dacht dat ik er aardig wat van af wist. Toen zat daar opeens in de trein die ander, die zei: Wat weet je er eigenlijk van! En wat lees je daar? En hij pakte het boek, dat ik bezig was te lezen; zonder mijn antwoord af te wachten onderzocht hij de bladzijde, waar ik mee bezig was. Hij zei: kijk, hier staat een waardevolle opmerking over vers 5 van hoofdstuk 5. Ga je over Job spreken? Ja, dat wil ik proberen. Maar ik voelde me al wat onzekerder worden. Dan stopt de trein bij de plaats waar de lezing zal worden gehouden. Elie Wiesel stapt uit en tot zijn schrik stapt die ander ook uit. Hij gaat naar de zaal waar hij de studenten zal toespreken. Hij gaat achter de tafel zitten en tot zijn schrik gaat die ander ook in de zaal zitten. Dan wordt het tijd om zijn lezing aan te vangen. Elie Wiesel denkt: nu moet ik gaan spreken, en die man zit ook onder mijn gehoor. Hij voelt zich heel bedremmeld en bedeesd en denkt: wat heb ik eigenlijk te vertellen? Hij pakt zijn Bijbel en wil beginnen om de studenten welkom te heten. Plotseling staat dan die ander op, stapt naar voren en vraagt: zal ik het van je overnemen? Sjusjani gaat achter de lessenaar staan en begint over Job te spreken. En dan volgt een heel indrukwekkend betoog van Sjusjani. De spreker ziet er uit als een zwerver, en spreekt met een rauwe stem de studenten toe. Het gehoor hangt aan zijn lippen. En het betoog van de spreker gaat maar door, het is inmiddels al laat in de avond geworden. Het is vrijdagavond, en hij begint te spreken over de sjabbat. De lampen moeten eigenlijk worden aangestoken, maar niemand denkt daaraan. Iedereen vergeet de tijd en heeft het gevoel, dat hij op dat moment in het uur van het paradijs leeft. Tenslotte wordt de lezing beëindigd en we dalen weer af tot de aarde. Er begint een nieuwe week. Op zondag gaat hij ons een nieuwe cursus geven over Job. Om Job te rehabiliteren, zegt hij, in ere te herstellen. Elie Wiesel zegt: ik heb nog nooit zoiets gehoord: Job en Abraham, Job en de profeet Elia, Job en Bileam, de taal van Job, de filosofie van Job, de Joodse houding tegenover het lijden en het onrecht, de commentaren van rabbi Jochanan, waarheid en mythe, de mogelijkheden van de midrasj, maar ook zijn grenzen. Af en toe kijken de studenten even naar mij, zegt Elie Wiesel, want ik was hun leraar. Maar ik blijf gewoon zitten, ik heb mijn gezicht verloren, ik zou willen wegvluchten.

Na de cursus ga ik zo vlug mogelijk naar de uitgang. Maar ‘hij’ haalt mij in en hij zegt – zo even en passant – tegen mij: nu zul je tenminste iets beter over Job kunnen spreken. Ik wil weggaan, maar hij houdt mij vast. Dat is toch wel een heel indrukwekkend verhaal: een leraar die het overneemt. Zomaar, zonder dat je precies weet waar hij vandaan komt, waar hij geboren is, iemand die vele talen spreekt. Je weet niet waar hij heengaat en vanwaar hij komt. Ademloos blijf je zitten, de ander neemt het van je over. En die ander zegt meer dan wat jij ooit had kunnen zeggen. Die Ene weet wat jij niet wist, die vangt het op, daar waar jij het niet meer kon bedenken.

Mensen worden meegenomen in hun theorieën meegenomen in hun gedachten, maar Eén is er, die blijft lopen. En die Ene is de rest. Als al die anderen het niet meer weten, zegt die ene: kom maar, stel de vragen maar, allemaal tegelijk graag, en hij maakt er één geheel van. Hij voegt al die vragen samen tot een zinvol geheel, in één goddelijk verband. Als die Ene komt, wil ik graag achteraan gaan zitten en zeggen: neem het maar over en zeg maar alles, wat ik niet zeggen kon. Beantwoord de vragen, die ik niet eens kon bedenken.

De Joodse traditie zegt: als Elia komt, zal hij alle vragen beantwoorden, waarop nooit een antwoord op kon worden gegeven. Als de Messias komt, zal Hij alles beantwoorden wat je niet wist. Hij zal alle raadselen, waar je niet uitkwam, onthullen. Je wilde alles aan elkaar breien, maar het leven wilde maar niet rijmen. Kleermakers zullen het verstaan, die naaien alles aan elkaar. Die weten altijd nog om te gaan met naald en draad, waar een rabbijn het niet meer kan.

Of misschien zo’n vreemde zwerver, die komt van nergens en die gaat naar elders. Is dat ook niet het verhaal van Mattheüs, Marcus, Lucas, Johannes. Eén is in uw midden van wie gij niet weet. Hij staat al onder u, Jezus, de Messias. Hij zal de vragen verzamelen. Franz Delitzsch zegt in zijn Hebreeuwse vertaling van Mattheüs 24:40,41 bij de tekst: één wordt aangenomen en één achtergelaten, dit is in het Hebreeuws een woordspel.

twee zullen er zijn op het veld, één wordt verzameld = asaf (Poa)

één wordt verlaten = azab (bze)

Twee vrouwen, één wordt verzameld, één wordt verlaten.

Woordspeling: verzameld – verlaten. asaf (Poa) – azab (bze)

Wie wordt nu de Verlatene? Dat is die Ene, dat is de Messias. Dat woord komt terug. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Hij draagt de verlatenheid, Hij blijft achter. Hij blijft achter als een vergeten garve op de akker.

Here God, wij danken U, dat er in uw verhaal ook een plekje is voor ons. Al die mensen, die zich verlaten voelen, al die mensen, die meegenomen werden, meegenomen door de tirannie van het leven, meegenomen door de drukte van het bestaan. Want er moest altijd zo veel, er moest altijd te veel. Er moest zo veel, dat je aan je opdracht niet toekwam en je taak liggen bleef. Maar U bent die Ene, die overbleef en die de last heeft gedragen. U bent die Ene, die werd achtergelaten, die werd verlaten, opdat al die mensen niet meer verlaten zouden zijn, maar zouden worden ingezameld. Uw nabijheid is hetgene dat overblijft.

Een probleem bij communicatie is vaak, dat je wel probeert iets te zeggen, maar dat het dan niet ‘overkomt’. Soms lijkt het, alsof het woord niet ver genoeg reikt. Zal het woord voldoende zijn om het te kunnen overdragen? De Joodse filosoof Georg Steiner heeft gezegd: daarom hebben de oude Hebreeën het verhaal van de Toren van Babel, daar komen de woorden niet meer over.

De Grieken hebben dan het verhaal van Orpheus, die zanger, die dan uiteindelijk zijn geliefde niet mee kon nemen uit het dodenrijk. Aan de andere kant hadden ze dan de blinde zanger Homerus, die voortdurend spreekt over ‘gevleugelde woorden’. Dat is één van die typische uitdrukkingen bij Homerus. Er wordt vaak zoveel meegenomen, maar wat blijft er over? In de rabbijnse traditie wordt gezegd: als er een boekrol wordt verbrand, dan vliegen de woorden van die rol ten hemel. Die woorden en letters maken zich los van het papier en vliegen hemelwaarts. Met andere woorden: je kunt wel een boek verbranden, maar het woord kun je nooit uitwissen. Die woorden stijgen op en gaan dan een dimensie verder en dalen misschien ook wel eens een keer weer ergens neer.Het woord keert niet ledig weder.

alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt … waartoe Ik het zend … (Jesaja 55:11)

We zijn begonnen met te zeggen: aan het eind van zijn leven had Mozes nog een lied en een zegen. We zijn daarop doorgegaan en hebben toen behandeld: één wordt aangenomen en één wordt achtergelaten. In dit verband is er ook nog een uitleg, die zegt: Degenen die weggenomen worden, zijn de afbrekers, de goddelozen. En degenen, die gelaten (want zo kun je het ook vertalen) worden, dat zijn de rechtvaardigen. Het Koninkrijk wordt dan immers op aarde gevestigd! Daarom zegt het slot van Psalm 104: De zondaren zullen van de aarde vergaan, en de goddelozen zullen niet meer zijn … (Psalm 104:35)

Dus juist ‘de goeden’ blijven over, terwijl de goddelozen, de afbrekers weg moeten. Van Psalm 104 wordt wel gezegd, dat het een natuurpsalm is. Dat zal ook wel, maar die psalm vond je in Egypte ook al. Er is een oud Egyptisch lied, dat helemaal op Psalm 104 lijkt. Daar zal het dan ook oorspronkelijk wel vandaan komen. In Egypte zongen ze ook al in die trant.

Psalm 104 is zo’n prachtige hymne, die over de schepping gaat, maar ook over de hèrschepping. Dan staat er in vers 29 en 30: verbergt Gij uw aangezicht, zij worden verdelgd, neemt Gij hun adem weg, zij sterven en keren weder tot hun stof, zendt Gij uw Geest uit, zij worden geschapen (of: hèrschapen) en Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem …

Dit is een gouden tekst, om nooit te vergeten. Daar wordt dus van de Eeuwige God gezegd: Gij vernieuwt het aangezicht van de akker. De aarde krijgt weer een gezicht, de schepping wordt weer toonbaar, die krijgt weer een aangezicht, die begint weer te leven. En dat begint allemaal met: ‘Gij zendt uit uw Ruach’. In vers 29 staat eerst, dat Hij zijn aangezicht verbergt, en dan worden ze ontbonden, dan vallen ze uit elkaar. Dan wordt hun adem weggenomen. In vers 30 zie je dan wat er overblijft. Je ziet hier weer hetzelfde principe: eerst wordt gezegd wat er weggenomen wordt en in vers 30 zie je dan wat er overblijft.

In vers 35 staat dan: De zondaren zullen van de aarde vergaan, en de goddelozen zullen niet meer zijn.

De zondaren zullen van de aarde beëindigd worden en de afbrekers zijn er niet meer. De rabbijnen zeggen dan: je moet hier niet lezen: de zondaren, maar de zonden. En je moet hier niet lezen de goddelozen, maar de goddeloosheden. Je moet deze tekst dus niet betrekken op mensen, maar op de daden. Het kwaad wordt van de aarde beëindigd en weggedaan.

Als je deze gedachtegang dan in verband brengt met Mattheüs 24, krijg je dit beeld: het kwaad wordt van de aarde weggenomen en de adem van de Eeuwige blijft dan over.

In dit verband zullen we nog een tekst nemen uit Psalm 66, een tekst, die vaak verkeerd vertaald wordt. Zegt tot God: Hoe geducht zijn uw werken; vanwege uw machtige grootheid brengen uw vijanden U VEINZEND hulde … (Psalm 66:3)

Over deze tekst ‘valt’ men nogal eens. Nou is het goed om zo nu en dan over een tekst te ‘vallen’, maar hier is het meer een kwestie van verkeerde vertaling. Als hier wordt gezegd, dat er veinzend hulde wordt gebracht, is dat eigenlijk maar een troosteloze tekst. Wat heb je er nu aan, als er hulde wordt gebracht, die niet echt is, die geveinsd is. Stel je voor: je bent koning en daar komen je vijanden je hulde bewijzen. Er ligt een brede glimlach, of grimlach op hun gezicht, maar hun inwendige aangezicht ziet er wel even anders uit. Ja hoor, u bent koning, daar zijn wij allemaal erg blij om. Met zulke veinzende onderdanen is een koning toch ook niet blij! Als je even niet kijkt, glim lachen ze niet meer, maar trekken een heel ander gezicht. ‘Veinzend hulde’. Geen enkele koning, en zeker niet de Koning der koningen zit daarop te wachten. Dit is geen aanbidding! In Filippenzen 2:9-11 staat:

 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!

Elke knie zal voor Hem buigen; alle tong zal belijden, dat Jezus Heer is. Als ze dat nu alleen maar huichelend doen, is dat toch maar een trieste aangelegenheid.

In Psalm 66:3 staat het woord kachasj (Sxk), hier dus vertaald met veinzend. Het woord ‘kachasj’ betekent eigenlijk: vermageren. Die vijanden zullen dus vermageren; dat is dan een gezegende vermageringskuur. Dat betekent, dat al dat vet eraf gaat, al datgene waarmee ze zich dik gemaakt hebben en zich hebben opgeblazen. En als dat opgeblazen gedoe dan is lek geprikt, worden ze weer tot hun normale proporties teruggebracht. Alle bluf en prestige gaat eraf. Ze worden weer gewoon: mènsen! Het worden weer gewone, kleine, eenvoudige mensen.

De tweede betekenis van het woord kachasj is: loochenen, ontkennen. Ze zullen alles loochenen wat ze tot op dat moment hebben gehad en gedaan. Vandaar dat Chouraqui in zijn Franse bijbel ook vertaald: ze zullen zich verloochenen. Dus al die vijanden zullen zich verloochenen. En dan denk je: dat is een heel evangelisch verhaal, want in de Evangeliën wordt ook gezegd:

 Toen zeide Jezus tot zijn discipelen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf. (Mattheüs 16:24)

Die vijanden zullen zich verloochenen. Met andere woorden: ze zullen breken met wat ze waren en met wat ze deden. Dan worden ze weer wat ze eigenlijk van huis uit zijn. Deze tekst, Psalm 66:3, is dus in wezen, als je het op die manier vertaalt, heel positief. Dan sluit vers 4 daar ook zo mooi op aan:

 De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U, zij psalmzinge uw naam …

De hele aarde gaat dus meedoen in die lofzang. Dat woord ‘veinzen’ moeten we dus maar vergeten. Zo staat er toch immers ook in Johannes 4:23:

 de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid …

De Vader zoekt geen veinzende aanbidders. In Psalm 106:15 (Statenvertaling) staat ook zo mooi:

Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid …

Dan worden ze dus gezuiverd, het is een proces van zuivering, van puur worden. Alleen de kern blijft over. In dit verband nog een tekst uit Jeremia 17:

 Zo zegt de Here: Vervloekt is de man die op een mens vertrouwt en vlees tot zijn arm stelt, wiens hart van de Here wijkt; hij toch zal zijn als een kale struik in de steppe, die het niet merkt, als er iets goeds komt, maar staat in dorre oorden in de woestijn, een ziltachtig, onbewoond land … (vers5,6)

Jeremia heeft dat toch ook heel diep doorleefd. Jeremia was eigenlijk ook een overlevende. Hij was één van de laatsten in Jeruzalem. Boven het boek Jeremia zou je ook kunnen zetten: “De laatste dagen van Jeruzalem”. Hij heeft die laatste dagen ook helemaal doorleefd en doorworsteld, de ondergang van de stad en van de tempel. Jeremia eindigt ook in een put en daarna in Egypte. Jeremia was veertig jaar profeet, zoals Mozes ook veertig jaar het volk moest leiden. Jeremia heeft gesproken, maar hij heeft ook gezwegen. We kennen de woorden van Jeremia, maar zijn stiltes kennen we niet, en die spreken misschien haast nog meer dan zijn woorden.

die het niet merkt, als er iets goeds komt … (Jeremia 17:6)

Het goede gaat aan hem voorbij. Soms zijn er heel wat goede dingen in een mensenleven, zonder dat die tot je doordringen. Tel uw zegeningen, wordt er dan gezegd, maar vaak worden die zegeningen vergeten. Je merkt het niet eens, als er iets goeds komt. Het is niet aan je besteed; het wordt allemaal net zo hard weer van je weggenomen. Als een kale struik in de steppe, je ziet het goede niet als het komt. Zo staat het er letterlijk. Je woont in dorre oorden in de woestijn, een zout land, waar niemand gevestigd is. Dan staat daar tegenover:

 Gezegend is de man, die op de Here vertrouwt, wiens betrouwen de Here is; hij toch zal zijn als een boom, aan het water geplant, die zijn wortels tot aan een beek uitslaat, en het niet merkt, als er hitte komt, maar welks loof groen blijft, die in een jaar van droogte geen zorg heeft en niet nalaat vrucht te dragen … (Jeremia 17:7,8)

Daar zie je het contrastbeeld. De een ziet het goede niet en de ander ziet de hitte niet. De een zit in de woestijn en het blijft maar woestijn, terwijl de ander juist oog heeft voor de goede en mooie dingen. ‘die niet nalaat vrucht te dragen en het loof blijft groen’. Net zoals in dat lied van Tom Naastepad:

Niemand komt door dit seizoen

van de neergang en het einde.

Maar God maakt zijn boom weer groen,

Hij geeft bloesem in de lente.

Want zijn Zoon heeft zich gebukt,

deze boom draagt goede vrucht.

Een prediker zei: meestal als ik ergens ga spreken, vertel ik in mijn eerste preek het volgende verhaal:

Toen ik een jaar of zes was, mocht ik eens met mijn vader mee met de trein. Als jochie van een jaar of zes drukte ik mijn neus tegen het raam, om al die dingen te zien, die ik nog nooit van mijn leven had gezien. Landschappen, huizen, ik keek mijn ogen uit. Toen stopte de trein; er gingen wat mensen uit, maar er kwamen er nog meer in. Er moesten mensen met een staanplaats genoegen nemen. Mijn vader zei toen tegen me: sta eens op voor die meneer. Die meneer keek naar mij en zei: och, dat joch wil zo graag naar buiten kijken, laat hem nou maar zitten, ik kan wel staan. Hij zegt: dat ben ik nooit vergeten. Een oudere man, die oog had voor mij.

Op een keer was ik ergens en toen vroegen ze: heb je ook nog een verhaal voor de kinderen? Toen heb ik dit maar verteld. Later had één van de kinderen tegen de juffrouw gezegd: die man heeft Jezus gezien.

Het loof blijft groen. Die prediker is intussen tachtig jaar, maar dat verhaal gaat nog altijd met hem mee. In Jeremia 17:5,6 gaat het over die boom, die voorbijgaat, en dan het contrast in vers 7 en 8 die boom, die blijft. Nu staat er nog een merkwaardige tekst in het vervolg, in vers 9:

arglistig is het hart, boven alles, ja verderfelijk is het, wie kan het kennen …

Jeremia schijnt hier een pessimist te zijn van de ergste graad. Hij zegt van het hart: het is arglistig en het is verderfelijk. Wat voor mensbeeld zit daarachter? De Statenvertaling heeft hier:

 Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?

Voor arglistig staat in de Hebreeuwse grondtekst akob (bqe) en voor verderfelijk (Statenvertaling ‘dodelijk’) het woord anoesj (Sna). Nu is het bijzonder verhelderend, om de oorspronkelijke betekenis van deze woorden na te gaan. Dit is namelijk één van de teksten, waaruit men een heel negatief mensbeeld heeft afgeleid. Het is dus wel zinvol om dat dan te corrigeren. Het woord akob, hier dus weergegeven met ‘arglistig’, betekent oorspronkelijk oneffen, hobbelig. Het hart is dus oneffen, hobbelig. Door dat ‘hobbelige hart’ verloopt het leven niet zo gladjes, maar schokkend en botsend. Het hart gaat als het ware een hobbelige weg, een kronkelpad. Als je dat pad hebt afgelegd, ben je behoorlijk door elkaar geschud, dan ben je blij, dat je eindelijk aan bent gekomen op de plaats van bestemming.

Er wordt hier hetzelfde woord gebruikt als in Jesaja 40:4:

 Elk dal worde verhoogd en elke berg en heuvel geslecht, en het oneffene worde tot een vlakte en de rotsbodem tot een vallei …

Het woord anoesj, hier dus vertaald met ‘verderfelijk’, is eigenlijk een passief woord, wat betekent: zwak, gewond. Het hart is gekwetst, haast niet te genezen. Wat Jeremia hier uitspreekt is dus niet, dat de mens van nature slecht is, maar dat de mens een heel complex wezen is. In de Engelse vertaling staat ‘beyond cure’, ‘voorbij genezing’. Duitse vertalingen spreken hier van unheilbar. De vraag voor Jeremia is in wezen: kan dat hart nog genezen, wie zou dat hart nog kunnen helen.

Dat woord anoesj (Sna) hangt ook samen – dat komt van dezelfde Hebreeuwse woordstam – met het woord enosj (Swna), wat betekent: het mensje. Dat is de mens in zijn beperktheid, in zijn kwetsbaarheid. Dat is de mens uit Psalm 8: wat is de mens dat Gij aan hem denkt. In een commentaar wordt dan gezegd: In de Schrift is daar het besef van de innerlijke tegenstrijdigheid, de onordelijkheid van het menselijke bestaan. Een mens, die vanbinnen voelt: ik krijg het zelf niet meer op een rijtje, ik kan het niet meer bij elkaar voegen, ik kan de puzzel van mijn hart niet oplossen. Ik kan al die stukjes niet op zijn plaats krijgen. Ik kan zelf geen woorden vinden voor de taal van mijn hart.

Jeremia zegt over het hart dus twee dingen; het is oneffen en het is gekwetst, gewond. Het is bijna ongeneselijk. En daarmee klinkt daar als het ware de roep om de grote Heelmeester. Arts aller zielen, ‘t is genoeg, als Gij ons neemt in uw hoede. Als U heel maakt wat een mens niet helen kan. Jeremia had een hele geschiedenis achter de rug. En nu waren het de laatste dagen van Jeruzalem. Jeremia denkt: we hebben zoveel meegemaakt, wie zal het hart genezen. Wat dat betreft is het bijbelse mensbeeld juist een erkenning, dat de mens vaak heel gecompliceerd is.Het hart kent zijn wel en wee, zijn vragen en zijn dromen.

Jakob Soetendorp zegt in dit verband: Jeremia is steeds verschillende mensen, complex en weerbarstig. Jeremia heeft dat zelf, in zijn eigen leven, ervaren. Jeremia representeert verschillende kanten van het leven. Aan de ene kant is Jeremia helemaal profeet. Maar dan zijn er ook momenten, waarin hij zegt: ik doe nooit meer een mond open.

Aan de ene kant zegt Jeremia: zo dikwijls uw woorden gevonden werden, at ik ze op. Aan de andere kant zegt hij: nu zal ik verder mijn mond houden, ik spreek niet meer. Ik doe niet meer mee, en vervloekt zij de dag dat ik geboren ben. Jeremia voelt in zichzelf ook die botsing van elementen, dat ongelofelijk moeilijke, die draden die tegen elkaar in gaan. Er speelt zich een strijd in het mensenhart af van tegenstrijdige belangen, waarbij soms kortsluiting optreedt. Daarom zegt Jeremia: het hart van een mens is oneffen en het is als een gewonde, haast niet te genezen. Iemand, die Martin Buber goed gekend heeft, zegt van hem het volgende: Op een keer mocht ik bij Martin Buber op zijn studeerkamer komen. Ik heb hem leren kennen als een écht mens. Op het bureau van Buber, die grote Joodse geleerde en kenner van de Joodse wijsheid lagen altijd suikerklontjes, daar was hij dol op. Er lag ook altijd een kat; daar was hij ook dol op. Buber had altijd twee boeken binnen handbereik: dat waren de Hebreeuwse Bijbel en het Griekse Nieuwe Testament. Als je met hem in gesprek was, vertaalde hij moeiteloos dat Griekse Nieuwe Testament terug in het Hebreeuws.

Buber vertelt dan van zijn verleden. Hij was geboren in Wenen en heeft later in Duitsland gewoond, in Frankfurt. Buber had zeventigduizend boeken. Toen kwam 1933, Hitler kwam aan de macht. Toen moesten alle Joodse huizen een bord op de deur hebben. Er waren borden als: Joodse winkel, Joods magazijn. Toen kwamen ze ook bij Buber en vroegen hem: wat voor bord moeten we bij u op de muur hangen? Dat moet je zelf maar uitzoeken, zei Buber toen, ik heb geen bord besteld. Die ambtenaar kwam toen binnen, zag al die duizenden boeken en zei: ik weet het al: Joodse Bibliotheek. De jaren gingen voorbij en de toestand werd steeds moeilijker voor Joden. In het jaar 1938 besefte Buber, dat hij weg moest, dat hij als Jood daar niet meer kon blijven. Buber emigreerde toen naar Jeruzalem.

Een van de grootste problemen was de verhuizing van zijn zeventigduizend boeken. Het inpakken van de inboedel en van al die boeken diende te geschieden onder het toeziend oog van een Gestapo officier. Die Gestapoman zag wel, dat dit heel wat dagen in beslag zou gaan nemen en vroeg aan Buber: heb je geen boek voor mij te lezen? Buber had het boek geschreven: Chassidische Vertellingen, dat gaf hij toen aan die Gestapoman. Het was een verzameling verhalen over rabbi’s uit Polen, uit Rusland. Buber ging zijn boeken inpakken en die Gestapoman zat vijf dagen lang te lezen. Toen alle boeken waren ingepakt, had die man intussen het boek uit. Hij zei toen tegen Buber: ik vond het zo mooi, mag ik het houden? En wilt u er dan misschien een opdracht in schrijven? Buber nam het boek en zette voorin zijn naam en zijn handtekening. Later, als hij deze gebeurtenis aanhaalde, zei hij wel eens: ik had er toch moeilijk in kunnen zetten: aan mijn geliefde Gestapo! Een predikant, Berghuis, had ook een flinke verzameling boeken. Als de boeren dan ‘s winters bij hem op bezoek kwamen, zeiden ze: Dominee, wat heb je toch veel boeken, ik heb de hele winter genoeg aan één boek. Van al die boeken, die Buber had, bleef er uiteindelijk één tekst over, dat was om zo te zeggen, zijn laatste woord. Hij is ook zijn hele leven bezig geweest om de woorden te vertalen, te ‘verduitsen’. Toen hij oud geworden was, heeft hij nog de Erasmusprijs gekregen uit de handen van Prins Bernhard. Dan reikt Prins Bernhard de Erasmusprijs uit en Buber zit daar als een bejaarde Joodse man met een grote baard. Toen Buber oud geworden was, werd één tekst voor hem heel belangrijk geworden. Dat waren de laatste woorden van Psalm 73.

Nochtans zal ik bestendig bij U zijn,

Gij hebt mijn rechterhand gevat;

Gij zult mij leiden door uw raad,

en daarna mij in heerlijkheid opnemen.

Wie heb ik (nevens U) in de hemel?

Nevens U begeer ik niets op aarde;

Al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken,

mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig.

(Psalm 73:23 en volgende)

Zoveel boeken … maar hoeveel boeken blijven er over? Hoeveel woorden kun je meenemen? Hoeveel woorden nemen jou mee? Hoeveel woorden kun je vatten, kun je omvatten? En dan is het troostrijk te bedenken, dat het woord jou omvat. Hoeveel woorden kun je dragen? En dan is het vreugdevol, als je beseft, dat jij gedragen wordt door het woord. Ook over de grenzen heen.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410031 bezoekers sinds 07-06-2010