Job

21-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

We gaan kijken naar dat wonderlijke bijbelboek. Wat denk je bij Job? Wat is dat voor iemand en hoe zit dat? Het raadsel van het kwaad of gaat het nog een laag dieper? Of is het misschien het telkens verschuiven van het aardse naar het hemelse en dan weer van het hemelse naar het aardse per­spec­tief? Dat is het kernprobleem van het boek Job. En hoe kun je nu beide perspectieven met elkaar verbinden? Want zo begint het in hst. 1.

Aan de ene kant zie je dat er op aarde van alles gebeurt en aan de andere kant zie je dat er zich in de hemel het één en ander afspeelt. En is daar dan verband tussen? Het aardse- en het hemelse beeld. De blik naar het zichtbare en de blik achter de schermen. Want op aarde zie je een mens die geteisterd wordt door aller­lei rampen en dan krijg je een kijk achter de schermen. Daar is een vergadering aan de gang. Een heel vreemde vergade­ring. 

Het doet me denken aan één van de ge­dichten van Ida Gerhardt.

Zij heeft een aantal sonnetten geschreven in de tijd dat ze lerares klassieke talen was. Dat was ze soms en vaak tot haar verdriet. Bij de gratie van de directeur mocht ze ook nog gedichten schrijven. Ze schrijft in één van haar gedich­ten over een leraren­vergade­ring. En dan zitten daar al die leraren bij elkaar en gaan ze de rapporten vaststellen. Al die kinderen passeren de revue: Wat vind je van d e leerling, want vind je van d t kind, wat vind je da rvan? En de ene scholier na het andere gaat onder het mes of voor de bijl. En wat blijft ervan over? Af en toe kijkt ze met andere ogen naar die leerlingen. Er zit er eentje uit Urk met zijn hele Urker achtergrond; die was gewend is aan de ruimte, aan het wijde water. En die moet daar dan in een schoolbank zitten en grammatica leren, Latijn en Grieks en allemaal keurige rijtjes. Af en toe is z’n blik veel te wijd. In één van die gedichten vertelt ze over het griekse woord psyche, dat ziel betekent. Maar ze vertelt aan haar leerlingen dat psyche n g een betekenis heeft. Het betekent ook vlinder.

En dan denk je: Wat is dat eigenlijk mooi! Het is eigen­lijk ‘ziel’, maar ook ‘vlinder’. En dat probeert ze dan die tie­ners duidelijk te maken vanuit die oude griekse schrijvers. En dan opeens, terwijl ze met de les bezig is, zit er zomaar in die klas een vlinder. En alle kinderen kijken naar die vlinder en één van die jongens neemt die vlinder heel voor­zichtig op zijn hand en brengt hem naar het open raam, zodat die vlinder weer de ruimte kan krijgen. Heel voorzich­tig, want het is zo kwetsbaar. Daar zit op zich een heel verhaal in. De kwetsbaarheid van een mens, de kwetsbaarheid van een ziel, van een vlinder. Waar gaat het één in het ander over? Maar Ida Gerhardt vertelt over die vergadering van al die leraren, die dan bezig zijn de leerlingen te beoordelen en rapporten te maken. Wat heb jij er van gemaakt? En dan zitten de leraren daar bij elkaar. De één met een sigaar en de ander met z’n koffie en dan: De volgende patiënt, de volgende stu­dent, zo worden al die leer­lingen één voor een behandeld, afgehandeld, gerapporteerd. Je zou beter zeggen: Bij verstek veroordeeld.

Terrarium. Verwaarloosd en geronnen

een gruwzaam leven in de dorre spleten

het kruipen van de tijd geeft niets gewonnen

voor wie van vermoeidheid niet te sterven weten.

De groene wanden zijn met slijm besponnen.

Er is geen water. Geen weet hoe zij heten.

Vertraagd zit een zijn eigen poot te vreten.

Twee zijn voorzichtig aan elkaar begonnen.

Genade, God, – o, laat mij toch ontwaken!

Verschrikkelijk is het rond dit groene laken.

‘Wij gaan thans over tot de derde klas.’

Sigaren staan in scharen en kaken.

Aanzie toch, wat wij van elkander maken!

Suf hokt de ziel in een verdord karkas.

(Ida Gerhardt)

En zo is het eigenlijk bij Job ook. Want in het eerste hoofd­stuk van Job, die zogenaamde proloog, zie je dat alternerende, die afwisseling. Aan de ene kant dat beeld: ‘Job op aarde’ en pal daar overheen die vergadering in de hemel. Net alsof daar ook al die leraren bij elkaar zitten. Nu moet Job onder het mes en wordt z’n rapport vastgesteld. Hij heeft goede cijfers, maar hij mag niet over. Je blijft zitten en goed ook. Je blijft zitten. Ik moet dan denken aan dat andere lerarenverhaal van Borde­wijk. Die grimmige leraren, die wel van ijzer lijken. Of je zou denken aan dat verhaal van Paul Biegel. Over de kinde­ren die op school gezet worden met als enige doel om alles te vergeten: “De vergeetschool”. En het jongetje van de vuurtorenwachter komt daar bij vergissing in de klas en hem wordt de vraag gesteld: Wanneer leefde Karel de Grote? En tot overmaat van ramp blijkt hij het antwoord te weten. En dan krijgt hij straf, want je krijgt net zo lang straf totdat je niets meer weet. En dan kom je bij één of andere directeur en die bepaalt je toekomst. Hij kijkt dat jochie aan en zegt: We kunnen van jou best wat maken. Wat wil je worden? Misschien een lampenkap? Er zit best een aardige lampenkap in jou. Want iedereen wordt uiteindelijk herleid tot een voorwerp, een ding, geobjec­tiveerd, tot ding gemaakt. Allemaal ijzeren jongetjes en porseleinen meisjes en die vormen samen de school. Af en toe breekt er wat, maar dat is niet zo’n ramp. Dat wordt wel weer gelijmd of gesoldeerd.

Is dat verhaal van Job?

Gesprek op aarde en gesprek in de hemel. En telkens dat aardse beeld en dat hemelse perspectief, en hoe krijg je die bij elkaar? Dat wordt dus de vraag in het verhaal van Job. Hoe krijg je ze bij elkaar? De sc ne op aarde en het tafereel in de hemel. Of zijn dat twee aparte afdelin­gen? Is er geen contakt tussen? Zijn die twee afdelingen contactgestoord? Is er alleen maar een stoorzender tussen, of misschien hoogstens één vreemde, zonderlinge figuur die heen en weer gaat? Van aarde naar hemel en van hemel naar aarde. Hoe zit dat? Is er misschien nog een tunnel tussen aarde en hemel, of een tunnel tussen hemel en aarde? Of is er alleen maar een gat? Een breuk, een breuklijn? Rijmen ze ergens op elkaar? Want dan denk je even aan de eerste regel van het boek Gene­sis, dat is toch heel mooi? Gen. 1:1 “in den beginne schiep God de hemelen en de aarde”

Beresjit bara’ Elohim et hasjamajim we ‘et ha’arets.

Dus blijkbaar h bben ze iets samen. In ieder geval dat ze werden geschapen. Toen waren ze bij elkaar, in dat schep­pen. Toen hadden ze blijkbaar toch een bepaald verband. En dan m akt God er iets van. De God van de hemel maakt iets op de aarde. Zoals het zo prachtig staat in dat lied:

“Die chaos schiep tot mensenland

Die mensen riep tot zinsverband”

Alleen al die twee regels!

“Hij schreef ons tot bescherming

Zijn handvest van ontferming

Hij schreef ons vrij met eigen hand

Schrift, die mensenoorsprong schrijft

Woord, dat trouw blijft”

Dat Woord blijft trouw.

Dat hele lied, misschien past Job daar ook wel in. Want dat lied zou je ook voor Job willen zingen. Want waarom heeft er nooit iemand voor hem gezongen? Waarom z ngt er niemand voor Job? Waarom pr ken ze alleen maar voor hem? Preken in drievoud. Wilt u nog een preek? We hebben er nog wel een paar. We hebben nog wel een preek voor u. U kunt ook het bandje krijgen als u dat liever hebt. Wij kopiëren wel. Nog een preek? Ja hoor. We zijn tenslotte met z’n drieën. We hebben tenslotte al heel wat preekervaring. Een preekconcent hebben we ook wel en een preekbevoegdheid, daar ligt het ook niet aan. Wij preken, uit voorraad leverbaar en dogmatiek hebben we ook nog in huis, meer dan genoeg. Ook genoeg voor u. Wat wilt u nog meer? Nog een dogma? We hebben er nog wel een paar. En dan, als we toch bezig zijn, gaan we meteen u maar meten of u wel dogmatisch verantwoord bent. Recht gemeten. Dat was een woord vooraf. Zo kwamen we via Ida Gerhardt, Bordewijk en Paul Biegel bij Job. Wat doen we met Job? En ook wat doet Job met ons? Misschien is dat het boek Job. Om nog één couplet van dat lied te vervolgen.

“Het boek waarin getekend staan gezichten

zielen, naam, voor naam.

Hun overslaande liefde, hun overgaande liefde

hun weeën die niet overgaan

Schrift die mensendagen schrijft

Licht, dat aanblijft”

Dat is dan toch ook het verhaal van Job. Het gaat over dagen van mensen, maar het gaat te midden van alles, ook te midden van alle donkerheid over licht dat aanblijft.

“Woord, dat trouw blijft

Zijn onvergankelijk testament

dat Hij ons in de dood nog kent

de dagen van ons leven

ten dode opgeschreven

ten eeuwig leven omgewend

Schift die mensen toekomst schrijft

Naam die trouw blijft”

Zijn Naam blijft trouw.

Het verhaal van Job.

Die naam van Job alleen al geeft te denken, want Job op z’n Hebreeuws is ijjob. Het zijn dezelfde stamletters van ojeb – vijand. En je zou het kunnen lezen als een passieve vorm en dan is het: “De man die een vijand heeft”. De betekenis van de naam is dus: Der Gef­einde­te, de vijandig bejegende. De mens die ervaart dat er vijand­schap is, mens met een tegenpartij. U bent niet alleen, maar of u daar nu zo blij van wordt? U hebt een vijand. Een mens op aarde en een vijand in de hemel. Leven in twee verdie­pingen. Hier beneden is het niet. Maar daarboven dan wel? Of ook niet? Het wordt je niet door een mens aangedaan, nee, maar door wie dan wel? Dat werd soms zo gezegd, min of meer, als een vertroos­ting, soms ook als een berusting. En soms waren berus­ting en ver­troosting zo met elkaar verweven, dat je dacht: Wat is dit? Welke klank voert de boventoon? Is daarmee te leven? Als mensen dan bezocht werden met allerlei pijn, verdriet en narigheid, werd er gezegd: Je moet maar zo denken, het wordt je niet door een mens aangedaan. Nee, maar door wie dan wel? Tragiek. H.J. Heering schreef een boek over “het tragi­sche”. Kan een mens tragisch zijn? Door sommigen wordt dat ontkend. Dat kan niet in de Bijbel. Volgens mij kan het wel. Niet alleen bij de Grieken, maar ook in de bijbelse verhalen en de bijbelse poëzie.

Job wie ben je?

Misschien is Job heel dichtbij.

Ischa Meier hield een aantal jaren geleden een lezing in Amsterdam en hij zei: Ik was een kleine jongen van 3 of 4 jaar en ik ging met mijn vader naar de synagoge. En dan stond ik daar te midden van al die mannen. Het was vlak na de oorlog, ergens in de buurt van 1946. En hij zei: Als ik dan als klein kind om me heen keek, zag ik al die joodse mannen daar staan: Zij hadden het overleefd, de sjoa, de catastrofe, de grote tragiek. En daar stonden ze te bidden: Sjema` Jisra’el, “hoor Israël”, Sjema` Jisra’el Adona Eloheenu Adonai ‘Echad,

Deut. 6:4 “de HERE is onze God, de Eeuwige is Eén” 

Daar ston­den ze te bidden, woorden te reciteren uit de aloude boeken van de Torah. En hij zei: Dan keek ik als kind om mee heen en het ging door me heen, zeker nu ik terugkijk: allemaal Job. Een syna­goge met mensen, allemaal Job, Job in veelvoud. Hoeveel gezichten heeft Job? Misschien wel heel veel, mis­schien wel heel dichtbij. Zoals die dichter Adwaita zegt:

“Nie­mand hoorde naar mijn klachten

en stil waren de hemelnachten

en er kwam geen antwoord op mijn gebed:

Job wie ben je?”

Het is op zich al merkwaardig welke plaats het boek Job heeft in de hebreeuwse Bijbel. Bij ons in de Bijbel staat het voor de Psalmen; in de hebreeuwse Bijbel staat het er direct n . En dan hoort het bij de derde cirkel. De eerste cirkel: De Torah, de tweede cirkel: De Profeten en dan komt de derde cirkel: De Chetubim, de Geschriften. En die derde cirkel is het antwoord.

Torah, dat is het Woord.

De Profeten zijn de voortgang van het Woord.

De Geschrif­ten is het antwoord.

God wacht op antwoord. En dat antwoord komt in vele toonaar­den. Het begint met de Psalmen. In de Psalmen heb je aller­lei soorten stemmen: Uitbundig, uitzinnig, soms ook heel verdrie­tig, verstild, bijna onhoorbaar: Stem van het zwijgen. Psalmen van hoog tot laag; Psalmen van hemelhoog juichend tot ten dode bedroefd; Psalmen van paradijs tot sheol, tot doden­rijk.

“O, hoogte en diepte looft nu God”

Psalmen van Kyria tot Gloria

en terug naar Kyrië.

“Heer, ontferm U”

Psalmen tot in de uithoeken van het leven en de uitersten der aarde. En als de laatste Psalm geklonken heeft, dan heb je er 150 gehad. En in die laatste Psalm staat de dirigent ervoor en hij roept alle stemmen te zamen voor de slotzang. En die slotzang wordt heel uitbundig. Alles mag meedoen. Alles wat adem heeft. “Om de maatslag te geven van Zijn ongemeten we­zen”, naar de prachtige berijming van Martinus Nijhoff.

“Looft Hem met de stoot op de ramshoorn,

looft Hem met harp en met citer,

looft Hem met hand, trom en reidans,

looft Hem met snaren en fluit”

En de dirigent legt zijn dirigeerstok neer; het wordt doodstil in het concertgebouw. Of was het de synagoge, of was het een kerk? Waar werd het concert eigenlijk gehouden? Op nieuwjaars­morgen hadden we bij ons in Schermerhoorn een heel uniek concert: zes russische zangers, heel indrukwekkend, uit Sint Petersburg. Die hebben op nieuwjaarsmorgen alle liederen gezongen in de hele dienst, een heel unieke ervaring. Het jaar is nog amper droog van de inkt en dan zit je daar op   nieuwjaarsmorgen met zo’n 400 mensen. Waarom zou je uit­slapen als je zo’n concert kunt beleven, als je zulke liederen kunt horen? En dan heeft het laatste lied geklonken, de laatste psalm en opeens wordt het stil; geen applaus. De dirigent geeft een handgebaar. Het hele koor gaat van het podium af. En dan opeens staat er één man op het podium. Het concert was toch klaar? We gingen naar huis, er was misschien nog koffie. Wat komt er na de laatste Psalm? Een mens die geen Psalmen meer heeft. Misschien is dat het boek Job. Als je voorbij de laatste Psalm bent, achter het laatste lied. De mens na het slotlied, die zijn laatste gezang gezongen heeft en nu de mens die niet meer zingen kan. Geen lied meer, geen melodie, geen toon, geen dirigent. Daar staat hij: Job. Daarom is het – denk ik – heel zinvol, dat de hebreeuwse Bijbel het boek Job heeft geplaatst n  de Psalmen. Daar hoort het voor mijn gevoel en nergens anders. En dan stap je dat boek Job binnen en dan denk je: Dat is mooi!

Job 1:1 “Er was in het land Us een man, wiens naam was Job”.

Vier kwaliteiten worden genoemd. Twee aan twee komen ze opdra­ven. Mijnheer, u hebt een goed rapport. Met dit rapport gaan    alle deuren voor u open. U hoeft zich geen zorgen te maken over uw toekomst mijnheer. U hebt alle diploma’s, alle kwali­ficaties. Mijnheer, wij kunnen u feliciteren. U zult het m ken in het leven. Onze zegen hebt u. Wanneer leefde Job? Ik zal u vertellen wat de rabbijnen zeg­gen. Zó staat het in de babylonische Talmud. Rabbi Levi, zoon van Chama, zei: Job leefde in de tijd van Mozes. Rava zei: Hij heeft geleefd in de tijd van de twaalf verspie­ders. Rabbi Jochanan en Rabbi Eliëzer zeiden: Job was één van degenen die terugkwamen uit de babylonische ballingschap. En hij had een leerhuis in Tiberias. Een leerhuis. Misschien kunnen wij wel bij Job naar school? Job heb je nog een plaats voor ons? We willen graag studeren. Bijbelstudie, ja, dat vinden wij inte­ressant. Misschien hebt u op dat gebied nog het één en ander te bieden. Is er nog plaats? Misschien kunt u ons een folder sturen of een leerpro­gramma. Welke vakken biedt u? Kunnen wij bij u misschien ook afstuderen, doctoraal misschien? Geef ons maar een traject.

Rabbi Eliëzer zei: Job heeft geleefd in de tijd van de Rich­teren.

Rabbi Joshua, de zoon van Korcha, zei: hij leefde in de tijd van Ahasveros. (het boek Esther)

Rabbi Nathan zei: Hij leefde in de tijd van de koningin van Scheba, die bij Salomo op bezoek kwam. En toen was er een rabbijn, die was gezeten voor het aange­zicht van Rabbi Sjemoël, zoon van Nachmami en hij zei: Job heeft nooit bestaan en hij is nooit geschapen. Het is een gelijkenis, een parabel. Misschien als je al deze opvattingen optelt, dat je er dan bent. Job heeft vele malen geleefd. Vaker dan je lief is. Job is een mens van gisteren en van vandaag. Het lijden in zijn meest absurde vorm. Josy Eisenberg zegt – dat was in een uitzen­ding voor de franse radio en die gesprekken zijn later gebun­deld – Job heeft bestaan, maar helaas, hij heeft nooit opge­houden te bestaan. Als ik de krant opendoe, dan lees ik daar in vele duizenden vormen de kreet van Job. Want er staat in: Job 9:24 “De aarde is overgeleverd aan de macht van de boos­doeners”. De aarde is prijsgegeven aan degenen, die kwaad doen en daarom is Job met bitterheid vervuld. En daarmee wordt bevestigd wat er in het boek Prediker staat: Pred. 4:1 “Ik zag de verdrukking die plaatsvindt onder de zon, de tranen van de slachtof­fers en er is geen trooster en de macht is aan de kant van de beulen” Het verhaal van Job herhaalt zich. Vandaar dat men boven dit gedeelte kan zetten: Job met de duizend gezichten. Job is een mens van alle tijden. En dat hebben de rabbijnen gezien; Job komt telkens weer terug. In de tijd van Mozes, in de dagen van de Richteren, in de tijd van koning Salomo, in de tijd van Esther, in de tijd van de ballingen die terugkomen uit Babel. 

Job komt uit het land Us.

Maar waar ligt dat? Ook dat is al haast zo geheimzinnig, zo vaag. Het geeft te denken, dat het land Us nog één keer voor­komt in een ander gedeelte van de Bijbel. En dat is in het boek Klaagliederen. Uitgerekend daar.

Klaagl. 4:21 “Verblijd en verheug u maar, gij dochter van Edom, gij die woont in het land Us – ook tot u zal de beker komen”

In één van de Klaagliederen, waarin de tragiek van de bal­ling­schap zo wordt uitgezongen, een kina, een dodenklacht, een treur­zang, met dat heel speciale ritme in het Hebreeuws, daar klinkt nog eenmaal de naam van dat land Us. En dan krijg je de indruk, dat het zich ergens bevindt bij Edom. Dus ten Z.O. van het land van Israël, waar dus de Edo­mieten woonden. Ergens blijkbaar wel fami­lie. Familie van Esau, familie dus ook van Jakob. Daar zou je het land Us dus moeten zoeken bij de Edomieten, ten Z.O. van het land der belofte. Daar ergens voorbij de grenzen van het land, dat God beloofd heeft aan Zijn mensen. De rabbijnen hebben er nog verder over nagedacht. Dat land Us, dat roept bepaalde klanken op, want dat is vaak de manier waarop men dan een stukje verder komt. In het Hebreeuws: `oets, `ets, `etsah.

Die woorden zouden dan met elkaar te maken hebben. De naam van het land is Us en het Hebreeuwse ‘etsah betekent raad, advies, raadge­ven. Heb je nog een goed woord? Heb je nog een goede raad? Kun je er misschien nog iets van vertellen hoe het allemaal in elkaar zit? Kun je misschien uitleg geven hoe je de dingen moet verklaren, hoe je de werke­lijkheid kunt ver­staan?

Dus, dan zeggen de oude rabbijnse wijzen: Job komt uit het land waar men probeert om raad te geven. Het land van de wijsheid, waar men nadenkt over de dingen, waar men probeert te verstaan hoe het leven in elkaar zit. De bezinning, de wijsheid en wijsheid betekent bescher­ming. En daarmee hangt dan weer samen dat hebreeuwse woord `ets, dat betekent boom. En bomen geven ook weer bescherming. Vandaar dat Mozes de verspieders uitzendt en zegt: Als jullie nu komen in dat land der belofte dan moet je ook eens kijken of er in dat land ook bomen zijn of niet (Num. 13:20). Zijn er ook bomen? `etsim :bomen. Dat is een vreemde vraag. De Midrasj, de oude joodse verklaring zegt: De bomen vormen de beschut­ting, de beschutting van het land. Mozes bedoelde te zeggen: Kijk of er in dit heidense land Kanaän nog voldoende wijsheid is om dat land te bewaren. Is er nog beschutting? Of is het kaalslag? Voel je hoe de beelden in elkaar schuiven? Dan voel je tege­lijk dat deze vraag veel dieper gaat. (Zijn er nog bomen in het land?), dan alleen maar een interessante kwes­tie over tuinarchitectuur of over een bepaalde toestand, die alleen het uiterlijk raakt. Nee, dit gaat een laag dieper. Een land met bomen, dat is een land waar beschutting is. Denk maar even aan het contrast: Wat is een land zonder bomen? Dat wordt een steppe, nog erger: Een woestijn. Nog erger: Een land, dat kaal geslagen is en waar je overgeleverd bent aan weer en wind. Waar je huiverend staat en zoekt naar een schuilplaats, maar die is er niet. En hoe vaak is deze aarde niet geworden tot een kaal geslagen vlakte, waar mensen tevergeefs zoeken naar een plek waar nog bomen zijn! De rabbijnen zeggen ook: De mens is een boom; de mens is bedoeld om beschutting te geven. De mens is een boom, dat is zijn roeping, zijn bestemming, boom te zijn, beschuttende plek, de wind tegen te houden. Zo stuurt Mozes zijn verspie­ders uit en zegt: Kijk eens, wat het voor een land is? Is er nog wijsheid? Is er nog bescher­ming? Of is het één kale, onherbergzame vlakte? Een soort niet-land, een on-land. Een land waar je je alleen maar ellen­dig voelt, waar de wind je door je ziel snijdt en waar de koude en de kilte dwars door je hart gaan. Het is een heidens land, maar misschien staan er nog een paar bomen. Het zou kunnen. Je zou het zo kunnen zeggen: Mozes zendt de verspieders uit en hij vraagt: Nu moeten jullie gaan kijken of er in het land Kanaän nog een Job is? Is er nog iemand van het land Us? Is er nog iemand van het bomenland. Is er nog iemand die wijsheid heeft? De oude joodse vertelling zegt dan: Toen de verspieders in Kanaän kwamen, precies op die dag toen ze daar arriveerden, werd Job begraven. Ze komen daar in het land Kanaän aan en ze kijken naar elkaar en zeggen: Dat is nu ook wat, dan treffen we hier net een begrafenis. En ze vragen aan één van de voor­bijgangers of misschien wel aan één van de dragers: Kunt u ons zeggen wie hier ter aarde besteld wordt?

Jawel, zijn naam is Job.

Uitge­rekend vandaag. Wat een trieste samenloop van om­standig­heden.

Vandaar dat er in Num. 14:9 staat

“hun schaduw is van hen geweken”

Ze hebben geen scha­duw meer, geen beschutting tegen de koude en de wind en de storm en de pijn. Opdat ons leven niet in weer en wind vergaat.

Job komt uit het land Us. Vier kwaliteiten staat er in Job 1:1.

Hij was “vroom en oprecht”. In het Hebreeuws tam

En tam wil eigenlijk zeggen: gaaf. Hij was een gaaf mens. En dat woord tam wordt door de rabbijnen ook in verband ge­bracht met het woord tom; en dat betekent voleinding, tot het einde toe. Ad tom, dat is tot het einde. Dus de rabbijnen zeggen: Weet je wat het punt was met Job? Hij was gaaf tot het einde! Hij was integer en dat betekent eigen­lijk: Ongerept. Zijn geloof was zo. Het geloof van Job was totaal, was gaaf. En zijn geloof zal dat ook blijven tot het einde toe. “Job bezit de eigenschappen van de drie aartsvaders”, zegt Elie Wie­sel.

1. Hij is edelmoedig als Abraham en hij zou een soortgelijke  beproeving ondergaan als Abraham. Hij houdt van God en  heeft ontzag voor God. En daarom lijkt hij ook op Izaäk.

2. Izaäk, die in de joodse overlevering het symbool is van ontzag voor God.

3. En hij is gaaf als Jakob. Want voor Jakob wordt hetzelfde woord gebruikt. Hij was tam, eenvoudig is het eigenlijk. Simpel, de eenvoud van het hart. Niet dubbel, niet gesple-­      ten, maar één van binnen. En “daarom”, zegt Elie Wiesel, “zouden we elke dag kunnen zeggen tot de Eeuwige: God van Abraham, Izaäk, Jakob en van Job”. We zouden Job als vierde kunnen toevoegen aan de drie namen van de aartsvaders. Job, wat houdt hij over? Tam, we jasjar, eenvoudig en recht­uit. Recht door zee. Hij was ook “godvrezend en wijkende van het kwaad” (Job 1:1). Een mens naar Gods hart. Hem werden zeven zonen en drie doch­ters geboren en dan wordt z’n bezit vermeld in Job 1:3 “zevendui­zend stuks kleinvee, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhon­derd ezelinnen en een zeer grote slaven­stoet”. En dan eindigt vers 3 – en de N.B.G.-vertaling maakt er dan van: “zodat deze man de rijkste was van alle bewoners van het Oosten”

U moet toch wel even de grond­tekst horen, want er staat: “Deze man was de grootste van alle zonen van het Oosten”. En “grootste” is naar mijn besef nog steeds niet hetzelfde als “rijk”. Niet iedereen die rijk is, is ook groot. Noch omge­keerd. Het gaat dus om de grandeur van een mens, de innerlijke statuur; wat je bent.

Hij heeft wel heel wat, maar wat je bent gaat nog dieper.

Dus het boek Job vormt ook een antwoord. Die plaats heeft het gekregen in de hebreeuwse canon. Het is een antwoordboek. En toch roept het heel wat vragen op. Daar zullen we later op komen, want het is een boek met een voorwoord, een proloog:

Hoofdstuk 1 en 2.

Dan een reeks gesprekken: Hoofdstuk 3 t/m 37.

Dan een antwoord vanuit de hemel: Hoofdstuk 38 t/m 41.

Dan een epiloog, een nawoord in hoofdstuk 42.

Over dat nawoord hebben ook joodse en andere uitleggers het hoofd gebroken, want waar ligt nu de ontknoping? Maar daar moeten we nog een keer op komen. Is de ontknoping, dat Job alles weer terugkrijgt en dan dubbel?

Elie Wiesel kwam als kind van 13 jaar in het concentra­tie­kamp, met zijn vader. Hij overleefde als tiener van 15 jaar zonder zijn vader. Hij komt dan terecht in Frankrijk als overle­vende, als één van de kinderen van Buchen­wald. Elie Wiesel, die dus zelf Job was.

Je zou kunnen zeggen: Hij was het, van binnen uit. Hij heeft zich er over verbaasd, dat Job aan het eind ophoudt met protesteren, als hij alles dubbel en dwars terugkrijgt. Tussen haakjes: Behalve zijn kinderen! Hij krijgt andere kinderen Job waarom zwijg je nu? Is een kinder­hand zo gauw gevuld? Ben je nu blij? Is het nu weer goed? Protesteer je niet meer? Job waarom zwijg je? Tevreden? Maar waarom dan? Alles OK? Het is net – zeggen joodse schrij­vers – alsof het een soort schade­vergoeding is. De verzekering betaalt uit. En dan heb je verder dus niets meer te declare­ren. Wij houden ons aan de polis, mijnheer. Wat wilt u dan nog meer? Uw zaak is afgehan­deld. Uw dossier gaat dicht. En het spreekuur is ook voorbij en we sluiten het loket. Gaat u nu fijn naar huis. Job, waarom ben je zo stil? Waar is je app l, waar is je protest? Waarom zeg je niets? Maar goed, zover zijn we nog niet, we zijn nog maar bij hoofd­stuk 1. Het slot moet nog even wachten. Een heel curieus gedeelte is altijd van hoofdstuk 1, die verzen 4 en 5. Dat Job 1:4 “feestmaal van zijn zonen, ieder op zijn eigen beurt in eigen hun eigen huis”. En dan in Job 1:5 “Telkens wanneer de dagen van het feestmaal om waren, ontbood Job en heiligde hen; hij stond dan des morgens vroeg op en bracht voor ieder van hen een brandoffer” Een olah; een holocaust zegt de griekse vertaling. Job 1:6 “want Job dacht: Misschien hebben mijn kinderen gezon­digd en in hun hart God vaarwel gezegd. Zo deed Job altoos weer” En dan wordt het heel interessant: Job als vader. Hier gaan de uitleggingen uiteen. Ik zal ze even naast elkaar zetten, dan mag u doorhalen wat niet verlangd wordt.

Was Job een goede vader?

Dit is voer voor pedagogen. Wat doet u als u Job op uw spreek­uur krijgt? Hoe gaat u Job orthopeda­gogisch aanpakken? Wat heb je ervan terecht gebracht, Job? Is je opvoeding geslaagd? Tien kinderen? Een mooi gezin. En zo deed Job altoos weer, want zegt hij Job 1:5 “misschien hebben mijn kinderen gezondigd”, “en God vaarwel gezegd” Dat is de keurige vertaling; er staat eigen­lijk: “Misschien hebben ze God gezegend in hun hart” “Gezegend”, alleen daar ligt het probleem, want het woord “zege­nen” zal een sleutelwoord worden in hoofdstuk 1 en 2 van het boek Job. Het blijkt dat het woord “zegenen” een dubbele bodem heeft.

Buber heeft daar een paar prachtige regels over opgetekend bij zijn vertaling van het boek Job. Hij zegt: Het woord “zege­nen”, dat is hier een gegensinnes Wort, een tegenzinnig woord. Je zou haast zeggen, dat het hier een dwarsliggend woord is. Want het kan dus een dubbele bete­kenis hebben. Hij zegt: Daarom – in een noot tekent hij erbij aan – wijs ik het af om zulke teksten te verklaren als een soort verzachtende uitdruk­kingen, een camouflage, een eufemisme. Hij zegt: Daar geloof ik niet in. Er kan misschien oorspronkelijk gestaan hebben: mis­schien hebben ze God in hun hart vervloekt en toen hebben later die tekstredactoren gezegd: God vervloeken, dat klinkt zo akelig, zullen we het een beetje zachter zeggen? We zeggen het een beetje soft. Laten we hier nu een beetje lieve tekst van maken, want het klinkt zo akelig. Dat kun je toch niet voorle­zen? “Ze hebben God vervloekt”, nee dat kan niet. We maken ervan: “Ze hebben God gezegend” en dan bedoelen we ver­vloekt. Alsof ze bedoelen: We maken de tekst een beetje vrien­delijker, anders kunnen de mensen er niet tegen. Straks slapen ze niet meer, en dan liggen ze maar wakker en dan is dat onze schuld en dan moeten we weer tranquillizers verkopen om al deze geschokte zielen te kalmeren. Dus daarom gaan we de tekst alvast maar een beetje tranquillizen. Dan hebben we een keurig gepolijste tekst, vriendelijk. Verkoopt beter. Nee zegt Buber, dat is het niet. Dat hebreeuwse woord ber­eekh, dat betekent: Zegenen, maar het kan dus ook de beteke­nis hebben van: Iemand de zegen geven als afscheid, de afscheids­groet, de afscheids­zegen. Dan is het dus een soort woord, dat hier telkens herhaald wordt; want straks komt het ook in verband met Job zelf weer terug, dat zullen we nog wel lezen. Job, waarom dien je God? Omdat het je zo goed gaat. Maar als dat nu ni t meer zo is, misschien ga je God dan ook wel zege­nen! En Job zit elke keer maar te denken: Mijn kinderen, hoe zou het met ze wezen? Hebben ze nu een feestje gehad en zeggen ze aan het eind van het feestje: “God de groeten!” Ze geven God de zegen. Kom nu eens allemaal bij elkaar, dan gaan we een offer brengen. Na elk feestje houdt Job samenkomst met zijn kinderen en hij brengt een offer voor hen. Ik denk dat je hiermee twee kanten op kunt en dat maakt het een beetje complex. Aan de ene kant kun je zeggen: Job is een goede vader; hij zorgt voor zijn kinderen. Hij is een pries­ter, priester in zijn huis. Hij is bezorgd over hen.

De vroom­heid van Job, Job lijkt wel een engel op aarde.

Er worden feestmaaltijden gehouden. Wat zijn die zonen? Zijn het levens­lustige mensen of zijn het feestnummers, die de bloemetjes buiten zetten? De tekst laat het open. Ieder op zijn vaste dag houden ze een feest. Dit kan betekenen dat er elke dag ergens feest is, dan weer bij de ene zoon, dan weer bij de andere. Is de laatste zoon aan de beurt geweest, dan gaan ze de volgende dag weer feestvieren bij de eerste zoon. Net als je dat soms bij de computer hebt, dan opeens krijg je: u bent nu van de laatste bladzij naar de eerste gegaan. Een andere mogelijkheid is, dat de zonen ieder een vaste dag in de maand of in het jaar hebben waarop ze een feest geven. De derde mogelijkheid is, dat de zonen van Job met een zekere regelmaat feest houden, waarbij alleen gezegd wordt dat ieder om de beurt de organisatie op zich neemt. Een redelijke taak­verdeling dus. Maar Job, dat is ook niet helder als bezorgde vader. Gedragen zij zich goed of slecht, dat blijkt nergens. Job gaat uit van het negatieve, misschien hebben ze gezondigd, ze moeten gerei­nigd en geheiligd worden. En dat Job doet niet éénmaal, maar elke keer. Misschien hebben ze God wel adieu gezegd, de afscheids­groet: Adieu. Is Job overbezorgd? Hij wil het voor alle zekerheid maar herstel­len door offers. Job wil alles beheersen, er mag niets uit de hand lopen. Het is wat dubbelzinnig. Is Job de overbe­zorgde vader, die zijn dochter vergezelt tot in de college­zaal, omdat hij bang is dat haar iets zal overkomen?

Elie Wiesel heeft er moeite mee. Hij zegt: Job is een slechte vader. Zijn zonen houden een party en als Job nu een goede vader geweest was, waarom ging hij dan niet met hen praten? Waarom zegt hij niet: Jongens, nu moeten jullie eens luiste­ren. Die feestjes van jullie dat gaat niet goed. Neem liever de Talmud en ga studeren. Organiseer een bijbelstudieavond met z’n tienen. Doe dat maar, dat is beter dan feestjes bouwen. Als zijn kinderen gestudeerd hadden, was er geen boek Job geweest. De tekst laat het open en de uitleggers hebben er veel over gediscussieerd wat voor feestmalen dat wel waren. Elke maand, of misschien wel elke dag. Maar wat doet het er toe? Er zijn toch veel families waar zoiets voorkomt, elkaar uitno­digen voor een diner. Is dat zonde? Broers en zusters, regel­matig komen ze bij elkaar. Maar zijn er veel van zulke vaders, die preventief de fouten van hun kinderen gaan repa­re­ren, alvast bij voorbaat?

En dan zegt Elie Wiesel: daar heb ik nu juist moeite mee. Waarom die bedenking: misschien hebben zij gezondigd. Als hij een goede vader was, zou hij zijn kinderen kennen en zou hij weten hoe ze zijn. Dan zou hij weten, dat ze alleen maar bij elkaar komen om te bidden en om chassidische liederen te zingen en een beetje wijn te drinken. En dan zou hij denken: Ik ken ze, ik weet hoe ze zijn, niets aan de hand. En  ls hij hen verdenkt, waarom gaat hij dan offers brengen? Waarom gaat hij niet met hen in gesprek? Waarom neemt hij niet elk van hen apart om openlijk, openhartig te zeggen: mijn zoon, je hebt misschien verkeerd gedaan. Vertel maar wat er niet goed gaat. In plaats daarvan wendt hij zich af van zijn zonen en dochters en hij houdt zich alleen maar bezig met God. Hij denkt er helemaal niet aan, dat zijn kinderen menselijke wezens zijn, die misschien maar één verlangen hebben: om eens met hun vader te praten. Hetzelfde zie je bij Abraham. Abraham van wie gezegd wordt dat hij de hele opvoeding heeft overgelaten aan Sarah. Je ziet Abraham en Izaäk nooit samen. Alleen als Abraham Izaäk meeneemt naar de offerplaats, naar de berg Moria. Alleen dan staat er in het Hebreeuws: wajjelekhu sjeneehem jachdaw. Gen. 22:7 “Zo gingen die beiden tezamen”  Pas dan; arme Izaäk. Ik kan hem begrijpen. Volgens de Talmud is Izaäk dan 37 jaar oud en hij brandt van verlangen om eindelijk een keer alleen te zijn met zijn vader. Al was het maar één keer in zijn leven: “pappa, heb je een keer tijd voor mij? Vandaag misschien? Mag ik met je mee?” Om met hem te praten, om hem in vertrouwen te nemen. Of om mis­schien heel simpel samen stil te zijn, samen te zwijgen. Net als dat oude verhaal van J.H. v.d. Berg, emeritus hoogle­raar psychologie in Leiden. Een vader gaat met zijn zoon  vissen. Voor de zoon een onvergetelijke dag. De vader houdt zijn dagboek bij en schrijft over die dag niet één regel. Niets! Heb je nog wat beleefd die dag? Nee. De zoon zegt: Ik vergeet het nooit; ik had een dag met mijn vader. De vader: Niets te vermelden vandaag. Job waar was je? Misschien overbezorgd, of alleen maar be­zorgd. 

Job 1:5 “Zo deed Job altoos weer” 

Letterlijk: “zo heeft Job gedaan al de dagen” Ja, dan komt vers 6. Dan komen we bij de hemel.

Job 1:6 “En de dag ge­schiedde”

Letterlijk: “Geschiedde, de dag”.

Blijkbaar heb je dagen in soorten en hier “geschiedt de dag”.

De dag waarop de mis re begint.

Job 1:6 “de zonen van God kwamen om zich te stellen voor de Eeuwige, en onder hen kwam ook de satan” Wat moet die daar nu? Een vreemde ontwikkeling. Een vreemde verstekeling, in de leraren­vergadering. Opeens die ene, die er blijkbaar een onvoorstel­baar welbehagen in heeft om alle kinderen een onvoldoende op het rapport te bezorgen. En dat is niet zo moeilijk, daar ben je tenslotte leraar voor. Je kunt ze maken of breken en als je het wilt dan maak je de proefwerken gewoon zo moeilijk dat ze allemaal zakken. En je stopt er nog een paar strikvragen tussen en je zegt met een venijnige glimlach: dit mogen jullie maken. Bínnen de tijd. Als je het klaar hebt, lever je het maar in. Je schrijft eerst maar op wat je weet en dan wat je niet weet. Toe maar. Eén van onze leraren aan het gymnasium vroeger deed het zo – en daar kreeg je dan helemaal de schrik van – tijdens het proefwerk ging hij alvast rond om na te kijken. En dan schoof hij bij deze en gene in de bank en keek hij wat je al had. En dan zette hij er al vast een paar rode strepen door of hij zei: Je hebt ook nog niet veel en dan mocht je weer verder. Sidderend maakte je dan je proefwerk en dan moest je proberen in één uur zoveel mogelijk vogels op te schrijven met drie kenmerken. Leuke dingen voor de kinderen. Aardige herin­nerin­gen. Er was ook een leraar die een gloeiende hekel had aan nakijken en die gaf een minimum aan vragen en aan proef­werken. Maar als je net je eerste regel op papier aan het zetten was, zei hij: als je het klaar hebt, lever je het maar in. En daar zitten ze, de hemelse docentenvergadering in vers 6. En de voorzitter zegt: Nu is student Job aan de beurt. Wie wil er iets zeggen over onze leerling Job. Algemene stilte. Nu, zegt de directeur van de school: Dan wil ik zelf wel beginnen. Hij is Job 1:1 “vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad” Dat is mijn rapport. Opeens ziet hij daar die ene leraar zitten met zijn zwarte pak. Waar kom jij vandaan?

Job 1:7 “Vanwaar komt gij?”

“Van een zwerftocht over de aarde”

Letter­lijk kun je ook vertalen: “inspectietocht”. Ik houd inspec­tie. Inspecteur voor het onderwijs. Dat kon je vroeger hebben – dan ging er een huive­ring door de klas – de inspecteur kwam opeens binnen. Stel je voor dat je dan opeens bezig was met vak dat niet op het rooster stond. Wat bent u hier aan het doen? De leraar was net één of ander spannend verhaal aan het vertellen of één of andere mop. Opeens verstrakken alle gezichten: De inspecteur voor het raampje 

Intermezzo.

Een Griek en een Jood komen elkaar tegen en raken in gesprek. En die Griek zegt: Ik zal je eens wat ver­tellen: Wij doen bij ons aan opgravingen, archeologie. En nu hebben ze bij ons in Athene hele oude telefoonkabels opgegra­ven en dat bewijst, dat wij, Grieken, in de tijd van Pericles, dat is al 2500 jaar geleden, de telefoon al uitgevonden had­den. O, zegt die Jood, dat is nog niets. Bij ons in Israël doen we ook aan opgravingen. En weet je wat ze bij ons gevonden heb­ben? Hele­maal niets. En dat bewijst, dat wij in de tijd van koning Salomo de draadloze telefoon al hadden.

Nu beginnen de problemen.

Job 1:6 “Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de HERE te stellen.” Opeens gebeurt er iets op het toneel, verandering van decor. Een heel andere sc ne. We verlaten de aarde en de groene prairies waar Job geniet van een ongestoord geluk. En we worden overgebracht in de hemelen, in de Raad van God, de Troon­raad. Job weet het niet; zal hij het ooit weten dat daar in den Hoge een complot wordt gesmeed tegen hem? Job 1:6 “Het geschiedde op een dag”, “op de dag ge­schiedde”. Wat is die dag en wat zijn de “zonen Gods” en wie is de satan? Vragen genoeg. Het wordt een drama met een slecht voorteken. De Talmud zegt ook dat het iets onheilspellends in zich heeft. Er gaat iets gebeuren, want die “zonen Gods” wat zijn dat voor figuren? Soms worden de engelen zo genoemd. Soms ook de men­sen. En de zonen van Elohim. Maar welke God is dat? Is dat de God waarvan van ouds beleden wordt: Ha-Sjem, de Eeuwige, de Naam? Hij is Eén. Of is er hier iets anders aan de hand? Is dit wel de God zoals Hij Zich openbaart aan Israël? André Neher, de joodse denker, stelt o k die vraag. Wat hier gebeurt, is dit wel onze God? Een God die zomaar in gesprek gaat met een satan? Wie dat ook moge zijn, daar moeten we zo meteen nog op komen. Een God die eigenlijk z’n liefste mens ver­koopt; het lijkt wel uitverkoop. Een God die begint te zeggen: Job 1:8 “Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job?”  Heb je hem wel gezien? Graag even aandacht voor Job. En dan denk je: Waarom doet U dat? Heb je Job wel gezien? Echt de moeite waard hoor, die moet je gezien hebben en anders moet je er beslist nog even langs gaan. Job is echt de cr me de la cr me, het neusje van de zalm. Job moet iedereen gezien heb­ben. Ga even bij hem kijken. Is dat niet vreemd? Job 1:6 “De zonen Gods kwamen en stelden zich voor de Eeuwige”. De God der goden. En dan? Dan komt dat gesprek. De zitting, de vergadering. Job wordt beoordeeld. Het is dus de dag van het oordeel.Maar er is ook een andere interpretatie vanuit de joodse gedachtenwereld.

Het was de dag van Job. En dat hoeft niet te zijn de dag van zijn carri re waarop hij met glans en met vlag en wimpel wordt binnengehaald. Maar dat kan ook de dag zijn waarop Job in de schijnwerper gezet wordt. De dag waarop Job onder de loep wordt genomen. “DE satan” staat er en niet “satan” (Job 1:7). Dus met een lidwoord, want zo spreekt de Schrift daarover. Satan is een functie en niet een persoon. Het is een functie. “D  satan”. Hij wordt hier aangeduid als een titel. Buber vertaalt het woord satan met der Hinderer. De hinderaar, de dwarsligger, de saboteur. Of naar die onvergetelijke uitdrukking van Kleijs Kroon, die zelf ook onvergetelijk is. Kleijs Kroon was ooit predikant voor kerk en Israël in Amsterdam, bevriend met Jacob Soeten­dorp, de oude rabbijn. En ook bevriend met Piet de Boer, de Oudtesta­men­ticus van Leiden, die het daar ook 40 jaar heeft volgehou­den. En hij zegt: De duivel, dat is de chaotiseur, die altijd de chaos maakt.

Ik vond een heel interessant artikel over waar dat woord satan misschien vandaan komt. De satan, wat is dat voor een figuur? En het zou kunnen, dat het woord satan – want uit het He­breeuws kun je het maar moeizaam afleiden, ze hebben wel heel dapper gezegd: Dat komt van een hebreeuws werkwoord; het hebreeuwse werkwoord betekent dan hinderen, maar dat kan ook een soort cirkelredenering worden. Ja, hij is de hinderaar en dan veronderstel je ook maar dat er zo’n werkwoord bestaat. Dan ben je weer rond – uit het Egyptisch komt. Daar zou een verwantschap kunnen zijn met een egyptische woordstam, die betekent: Iemand terughouden. En er zijn egyp­tische afbeeldin­gen met teksten erbij en daar zie je dan iemand die een rover bestraft. Dus de satan is de bestraffer. Er is een loflied op Tutmoses de Eerste en dan wordt er over de farao gesproken en wordt er gezegd dat hij de rover in bedwang houdt. Bestraffen of in bedwang houden. Dat zou de grondbetekenis zijn. Een egyptisch woord, dat dan verwant is met het he­breeuwse. Dan denk je aan een soort ambtenaar, een soort uitvoerende macht, die optreedt in naam van de konin__ En dan zijn er late teksten, uit de tijd van de grieks-romein­se wereld, waar het nog duidelijker naar voren komt. Dan is het iemand, die de weg verspert, de satan is degene die ver­spert, de blokkeerder, die de weg afgesloten houdt. En dan zie je op die egyptische taferelen, waar Osiris op zijn troon zit met zijn gevolg in de crypten van de tempel van Dendera. Daar­naast is een figuur, die dan als een soort bewaker functi­o­neert. Iemand die de vijanden tegenhoudt, een soort hoveling, die moet zorgen dat er niemand ongewenst bij de koning kan binnen­komen. De bedwinger, die afweert en die wordt soms wordt afgebeeld met het gezicht van een cobra, een slang, bewa­pend met een mes. Hij moet zorgen dat er niemand onbevoegd bij de koning komt. Het is een wachter, dus iemand die zorgt, dat de koning be­schermd wordt. Dus het woord satan is dan oorspronkelijk een soort agent, een soort veldwachter. Iemand die bewaakt, controle uitoefent. Een chef in de voorkamer. Dus als iemand bij de koning wil komen, moet hij daar eerst langs. Later zie je het beeld verschuiven, bijv. Jesaja 6:2 “de serafs”. Die serafs hebben alleen nog maar vleugels om zichz­ lf te beschermen. Maar als we dat beeld even in gedachten houden, dan is het goed daar even over door te denken. Dus de satan was dan oorspronkelijk een soort wachter die de mensen tegen­houdt, zodat ze niet bij God komen. En dan kom je bij God, althans dat bedoel je, maar dan eerst kom je bij de controle­rende hoveling, die zegt: Meneer, hebt u hier iets te zoeken? Hebt u een afspraak? Hebt u enig recht om hier binnen te komen? En je wordt gefouilleerd, gewogen en getaxeerd en van alle kanten bekeken. En dan zegt de bewaker: Nee meneer, u hebt hier niets te zoeken, gaat u maar weer. Net als in dat beroemde verhaal van Kafka: Een man komt voor de poort en daar staat de poortwachter. Hij zegt: Mag ik naar binnen? Dan moet u eerst deze wachtpost passeren en als u mij gepasseerd bent, zijn er nog 49 wachtposten waar u langs moet. De man blijft zitten voor de poort en stelt vragen, einde­loos vragen en maar vragen. Tenslotte komt hij aan het eind van zijn leven en is nog steeds bezig om vragen te stellen aan de eerste wachter. Dan kijkt de wachter hem aan, want het laatste uur is aangebroken. De wachter zegt: Mijn tijd zit er op; ik ga weg. Ik ga nu vertrekken, maar ik wil je nog één ding zeggen: Deze poort was er speciaal voor jou! Almaar wachters, nog meer wachters. De oude joodse overlevering zegt, dat Mozes ook 49 wachters moest passeren om bij God te komen en de Torah te ontvangen. Hoeveel wachters moet je voorbij? In Hooglied 5:7 wordt het ook verteld: de wachters gingen rond door de stad, ze pakten mij mijn klederen af, toen ging ik de wachters voorbij, en toen vond ik Hem, Mijn zielsbe­minde. De wachters voorbij. De satan, een wachter, inspecteur. U hebt hier niets te zoeken, gaat u maar weer. En het zou dus heel goed kunnen, dat daar de oorsprong ligt: Een soort bewaker van de troon. Misschien is hij dat van huis uit geweest. Misschien is dat de oudste voorstelling, hij zou de troon bewaken. Alleen wat is het geworden? Je komt er niet meer door. Niemand wordt toegelaten. En de koning wordt een­zaam en de wachter ook. En de mens wordt eenzaam en die zit voor de poort. En zo komt hij daar tussen die “zonen van God” en het lijkt wel alsof dat altijd zo is. Waar de “zonen van God” zijn, ongevraagd komt hij ook. “Inderdaad verstekeling, functionaris, die een bepaalde func­tie vervult in het drama”, zegt Eli Wiesel. Let wel: In het drama. Het is ook opvallend dat aan het eind van het boek Job alle spelers nog een keer terugkomen, behalve hij. In Job 42 is de satan er niet meer, de enige die niet terugkomt. Hij is het obstakel, hij is de steen waar je over struikelt. Hij is tegelijk ook de aanklager, de openbare aanklager. Hij is de muur, de barri re. Hij zet een scherm tussen de mens en zichzelf. Tussen de mens en de anderen. Tussen de mens en God. Hij is het scherm waar­door je jezelf niet meer vindt. Opeens probeer je naar jezelf te kijken en je kunt jezelf niet meer vinden.

En net als in dat gedicht van Liselore Gerritsen

“Toen liep ik op het strand

en ik was de weg kwijt

en ik was mezelf verloren

wie vindt mij terug?

wie zal mij roepen bij mijn naam?

Mijn moeder is mijn naam vergeten,

mijn kind weet nog niet hoe ik heet.

Wie weet mijn naam?

Dan komt er een agent en die zegt: Waarom loop jij hier alleen op het strand? Waar woon je? Hoe heet je? En je blijft het antwoord schul­dig als een kind dat het niet meer weet” Waar moet hij Job van beschuldigen? Hij zaait de twijfel. Hij is de twijfel, die gezaaid wordt in de zielen. De verdenking, alles wordt verdacht. Zinspelingen, niet de feiten, maar mis­schien, suggesties. Voorzitter mag ik even iets zeggen? U hebt nu wel een mooi rapport gegeven van Job, maar misschien kent U Job helemaal niet. Kent U hem eigenlijk wel? Ik ken Job beter, dan dat U hem kent. Ik weet het; ik kom daar al heel lang. Ik ken de aarde tot in alle uithoeken. Ik ben tenslotte de in­specteur. En ik kan U garanderen dat als U dit of dat zou doen……. Dat is nog erger dan een aanklager.

De satan is onder hen.

Elie Wiesel zegt: Het is goed om speciaal even te letten op die uitdrukking.

De satan was

Job 1:7 “onder hen”, “temidden van hen”  

In het Hebreeuws betokham.

Dat kan betekenen, dat hij niet één van hen was. Hij hoorde er niet bij, bij die “zonen Gods”. Hij was niet één van hen, maar hij dringt zich er tussen. En wat hij zegt is heel dubbelzin­nig en zijn optreden ook. En alles wordt in twijfel getrokken. Job is wel heel “godvrezend en vroom”, maar wordt daar goed voor betaald. Boter bij de vis krijgt hij. Dan zou u toch ook vroom worden? Na­tuurlijk. Want wiens brood men eet, wiens woord men spreekt. Geen wonder. Als je zo in de watten gelegd wordt, natuurlijk dat je dan bereid bent om af en toe eens te bidden. Al was het alleen maar voor het eten. Zeker als je tafel zo rijkelijk voorzien is. Dan mag je wel af en toe een keer dank je wel zeggen. Dan heb je het tenslotte goed met elkaar ge­troffen. God en jij. Wat wil je dan nog meer? Een mens kan het maar goed hebben, en wie goed doet, goed ontmoet. Dus het lijkt wel alsof God en Job een soort onderne­ming zijn. En ze hebben aandelen bij elkaar en de zaken gaan goed. En de wel­vaart ook. En er wordt dividend uitgekeerd en het zit allemaal wel goed in elkaar. De satan geeft zichzelf hier een prachtige rol. Hij kan de rol spelen van ambtenaar. Hij heeft de aarde ge nspecteerd en zo trekt hij alles in twijfel. En ik denk dat daar dus ook meteen het hele drama komt, want in wezen gaat het zich dus toespit­sen op deze vraag: Is er op aarde één tsaddiq, één rechtvaar­dige, die het echt meent? Kort gezegd, is er op aarde wel iets echt? Kijk en in die zin zou je kunnen zeggen, is die vraag noodzakelijk en kun je ook stellen, het antwoord is ook nood­zakelijk. Er moet een antwoord komen op dat punt of er iemand is, die oprecht is, bestaat dat? Of zijn het uiteinde­lijk allemaal maar hielenlikkers en goed betaalde werknemers van God? Heeft God alleen maar een fanclub, of heeft God mensen?

Vandaar dat ook de sleutelwoorden in het boek Job wor­den: de tsaddiq, de rechtvaardige en de rasja, de goddeloze. Of beter vertaald: de afbreker. 35 keer horen we het woord tsaddiq en wel 40 keer horen we het woord rasja, afbreker. Job is een tsaddiq, een rechtvaardige, maar dat is een woord met een heel diepe bete­kenis. Een tsaddiq, is iemand die niet alleen leeft vanuit de Torah, maar dat is ook een mens met een hart. Een mens met een binnenkant, een mens die wa r is van binnen. Vandaar dat Buber ook gezegd heeft: Die woordstam van tsaddiq, tsaddak, moet je eigenlijk niet vertalen met rechtvaardig, met recht, maar met waar, waarachtig. Daar gaat het om, het gaat om de waarheid van de waarachtige. Of ook: Het gaat erom dat Job bewaarheid wordt, dat zal blijken of er waarheid is in hem. Een waarachtig mens, net zoals Jezus de Tsaddiq was, de waar­achti­ge Mens. Dan zit er dus een bepaalde innerlijke noodzaak in, dat dat getest wordt, die waarachtigheid: dat moet blijken. Want stel je voor dat die aanklager gelijk heeft, die twijfelzaaier. Dan kan hij overal rondgaan – bij wijze van spreken, om in het beeld te blijven – en gaat overal op aarde het gefluister rond, de lastercampagne. Job is, om zo te zeggen, de laat­ste der rechtvaardigen. “Le dernier des justes”, naar André Schwarzbart; hij is de laatste. En de fluisterstem zegt: Er loopt er nog eentje rond die bidt, de laatste mens, die zuiver is. Ja, maar die klopt ook niet. Dus als we nu die laatste rechtvaardige ook kunnen belasteren en bekladden, dan hebben we het gewonnen. En dan kan de fluistercampagne voortgaan en wordt verteld over het rond der aarde: Ze zijn er niet hoor, God heeft niemand. God heeft geen mens. Job dan? Ook niet, niets waard. Die wordt er ook voor betaald. Kijk maar naar zijn bankrekening, dan hoef je verder niets te vragen. “De coupons van de obligaties als bladwijzers in het liedboek” zegt Tom Naastepad ergens. O, ja we kunnen goed zingen hoor, want het gaat ons ook voor de wind. En aan “‘s Heren zegen is het al gelegen”, zeker als die nullen aangroeien. Ja hoor. De aanklacht gaat rond en de fluistercampagne ook en iemand vraagt: Is er nog een rechtvaardige op aarde? Nee hoor. Is er nog een tsaddiq? Nee, die komen niet voor. Dat is een uitge­storven soort. Vroeger wel? Dat weten we niet hoor, misschien in de pre-historie. Maar dat is geweest, als het al ooit geweest is. Nee hoor. Heeft God mensen? Nee. Job, Jezus de laatste Rechtvaardige, de laatste Tsaddiq en Hij dan? 40 dagen in de woestijn? (Mat. 4:1-11). En de agent komt en ondervraagt Hem in de woestijn. Wie ben Jij? Zoon van God, Zoon van de Eeuwige? En waarom doe Je het? Wat denk je te krijgen? Stenen die brood worden? Een zachte landing van het dak van de tem­pel? Engelen die je dragen? Alle koninkrijken van deze wereld? Tel maar op, tel maar uit. Wat is de winst? De fluistercampagne gaat rond, wie is de laatste mens? Wil de laatste tsaddiq het licht maar uitdoen, want het was toch al donker geworden. En ze waren er niet. En dan wordt het stil of juist niet. Dan kan het orkest beginnen met de marche macabre, de dodenmars. Dat wordt de vraag voor het boek Job.

Zie je, dat het eigenlijk dezelfde vraag is, als in het ver­haal van Jezus? Die laatste Rechtvaardige, waar is Hij? Bestaat Hij? Heeft God nog een Mens? Dan begrijp je hoeveel er op het spel staat. En dan begrijp je ook dat het in wezen de vraag is van alle tijden. Ik ben geneigd om me de vraag te stellen en dat is ook de vraag, die André Neher stelt: De God uit Job, hoofdstuk 1, welke God is dat? Is dat de God van Israël? Neher zegt: Dat kan niet. In wezen  s dat de God van de Schriften, van de Bijbel niet zo. Is dat onze God, de God van Jezus? De God van Genesis en van Exodus? Een God die zegt: Neem Job maar en ga je gang. Alleen Ik zal even zeggen tot hoever je mag gaan. Tot zover, Ik stel wel even de grens. Iemand die zegt tegen de kat: Hier is de muis, speel maar. Speel maar met de muis totdat je de bel hoort, dan moet je stoppen. En die kat gaat achter de muis aan en je kijkt toe en op het moment dat de kat de muis in zijn dodelijke greep zal krijgen, het belletje. Stop. Het is klaar. Vandaar dat ook de joodse traditie op een gegeven moment zegt: Wie had nu de zwaarste beproeving? In een bepaalde zin kun je zeggen: Voor de satan was het de zwaarste beproeving. Want wat moet het voor hem een kwelling zijn iets met een mens te mogen doen en op het laatste moment te moeten stoppen.

De rabbij­nen zeggen: Dat is net zoiets als dat je tegen iemand zegt: Hier heb je een glas water; je mag het glas breken, maar denk erom dat je van het water afblijft. Dan denk je: Wat is de vraag? Is dat G d, die zegt: Toe maar, ga je gang. Dat is ook altijd het probleem, dat ik blijf houden met het begrip toelaten.

Er zijn talloze theorieën die zeggen: God doet het kwaad niet, Hij laat het toe. Ik heb altijd het gevoel, dat je daarmee niets oplost, maar het probleem alleen maar verschuift. Want als iemand een kind heeft en de vader zegt: Ik zal dat kind nooit kwaad doen, want ik ben de vader. Maar dan komt er één of andere schurk binnen en zegt: Mag ik dat kind onder handen nemen? Nu, zegt die vader: Ik kijk wel even de andere kant op, dan heb ik niets gezien. En die vader kijkt even uit het raam en er is veel te zien en te bekijken op straat en intussen wordt dat kind toegetakeld, gemolesteerd, mishandeld. Ja, zegt de vader later: Ik heb niets gedaan hoor, ik heb het goede met mijn kind voor. Ik zou dat kind nooit pijn willen doen. Nee nooit, maar wat er ge­beurt als ik even niet kijk, dat is weer even iets anders. Heb je het toegelaten? Ja, ik heb het toegelaten, maar dan ben ik niet schuldig. En dan denk ik: Wat voor Godsbeeld heb je dan? Dan stapelen de vragen zich op. De klassieke dogmatiek had daar prachtige woorden voor. En dan konden ze spreken over Gods wil en dan had je ook nog Gods dadelijke wil, namelijk wat Hij d et. En dan Gods toelatende wil, Hij wil het niet maar Hij laat het wel toe. En dan denk je: Met hoeveel trauma’s moet God dan inmiddels zitten? En wie zal Hem therapeutisch begeleiden? Maar je begrijpt wel, dit klinkt al een beetje absurd. Dus Neher zegt: Is dat God wel, is dat G d? Of is dat ook één of andere agent, die in het complot zit en die dan maar zegt: Ga je gang, tot hier toe. En zo gaat dan heel ongemerkt, je zou haast zeggen tussen neus en lippen, zo even in een teamvergadering, in een groepsbe­spreking wordt zo even een mens verkwanseld. En als je de satan vraagt: Is er nog wat gebeurd vandaag? Nee, ik ben op aarde geweest en heb inspectie gehouden, maar ik heb niets gezien. Niets gezien wat de moeite waard was. Mensen sterven, mensen lijden, mensen zijn geluk­kig. Maar voor de satan komt dat allemaal op hetzelfde neer: Ik heb niets te rapporteren. Dat herinnert aan Lodewijk de Zestiende, die in zijn dagboek schreef op 14 juli 1789. Quatorze Juillet, de dag van de Franse Revolutie, vandaag niets gebeurd. Nog nieuws? Nee, niets gebeurd. Voor de satan is er ook niets gebeurd.                                                                  En zo wordt Job, ja wat wordt Job eigenlijk? Het lijkt haast wel of Job inzet wordt. De inzet van een weddenschap. En zo kan een mens zich voelen. Want Job wordt het verhaal van het schulde­loos lijden. Er is namelijk een sleutelwoord. Buber heeft daar ook op gewezen en zegt: Er is een heel bij­zonder woord in het boek Job en dat vind je o.a. in Job 2:3. Daar wordt namelijk verteld over een tweede vergadering. Want er wordt n g een vergadering gehouden. Er wordt heel wat vergaderd daar. Je zou haast denken: Het lijkt déze tijd wel. Het aantal vergaderingen neemt hand over hand toe. Net zoals iemand zei: We blijven vergaderen net zo lang tot we tot onze vaderen vergaderd worden. Is uw agenda ook zo vol? De mijne wel. Er is tenslotte heel wat te doen. Teamvergadering, team­bespreking. Zeker was het nodig, zeker als er zoveel mensen zijn waar je op moet letten. Job 2:3 “Toen zeide de HERE tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is zoals hij z  vroom en oprecht, godvrezend en wijkend van het kwaad. En nog volhardt hij in zijn vroomheid (in zijn eenvoud), hoewel gij Mij tegen hem hebt opgezet (opgehitst zegt een andere vertaling) om hem, zonder oorzaak, in het verderf te storten”. Let op: Dat is het sleutelwoord “zonder oorzaak”. Het hebreeuwse woord chinnam is eigenlijk: “zonder reden”, het kan ook betekenen “grondeloos”. Dat woord klinkt in het ver­haal van Job en komt ook in de poëzie daarna weer terug. “Umsonst”, zegt Buber, “grundlos”. Er was geen aanleiding. Het was zelfs geen verzoeking, het was alleen maar een lot, een nood­lot. Waarom? Soms hoor je mensen zeggen: Waarom? Soms, vaak: Waarom over­komt mij dit? Waarom de één, waarom de ander, de één wel, de ander niet. Soms meer dan een mens kan dragen. Te zwaar, lasten die de schouders breken. Barthold van Ginkel zegt: “Soms overkomen mensen dingen waar een burgerman niet tegen op gekund zou hebben”.

Waarom?

Ps. 22:2      “waarom” 

God waarom gaat U weg? Waarom bent U er niet?

De verbijste­ring.

En dan helpt geen formule en helpt geen keurig geleerd lesje. Ja, kijk we zullen het wel even voor u verklaren. Het zit zo. Nee, grondeloos. Zomaar opgestookt, opgehitst en dat woord komt terug in Job 9:17, dat hebreeuwse woord chinnam, Job 9:17:”Hij, die mij in de storm vermorzelt, mijn wonden zonder oorzaak vermeerdert” Daar heb je het weer, het woord “chinnam”, “zonder oor­zaak”. Een tijdje geleden hoorde ik het nog iemand zeggen voor de radio: “Waren er geen zonden, dan waren er geen wonden”. Dan kun je alleen maar heel boos worden en dan is het jammer dat je niets terug kunt zeggen. En dan is het nog dubbel jammer dat het rijmt in het Nederlands, want het rijmt ni t. Het klopt niet. Waren er geen zonden, dan waren er geen wonden. Dat is precies wat die vrienden van Job ook zeggen. Die zeg­gen: Kijk broeder het zit zo: Jij hebt wat verkeerd gedaan en als gevolg daarvan: Boontje en zijn loontje, en je snapt het wel en natuur­lijk, er moet wat zitten bij jou. Biecht nu maar op je kunt nu naar voren komen en als u nu het zondaarsgebed bidt, dan zullen wij voor u bidden. En broeder, dan gaat de zon weer schijnen in uw leven, dat houdt u niet voor mogelijk. Kom maar. En Job zegt: Ik kom niet naar voren, al doe je nog tien uitno­digingen, ik kom niet. Ja, maar Job we hebben echt het goede met je voor. En wij zijn van de nazorg, dat weet u toch? We zijn er speciaal voor u. Wij begrijpen u en uw pro­bleem. Het komt heel veel voor, want er zijn heel veel mensen zoals u en allemaal denken ze dat ze het goed hebben en op een keer zingen ze een toontje lager en zeggen ze: Sorry, ik was fout. Job kom nu maar. Wacht niet langer, maak het niet nog moeilij­ker. Is het nog niet genoeg? En natuurlijk blijft het een raadsel. Zeker de manier waarop. Want waarom moeten die tien kinderen daar de dupe van worden. Weten zij veel? En Job zelf mag nog leven. En de vrouw van Job daar komen we straks nog op. Heel interes­sant die vrouw van Job. Hij had ook een vrouw, die wordt in het begin niet eens genoemd. Wel de hele veestapel en hij had zeven zonen en drie doch­ters. Hoe is het met uw vrouw? Zullen we het daar eens over hebben? Waar blijft ze? Heel interessant om te bekijken, want zij gaat ook iets zeggen. Want het is toch een hele vreemde manier als je het op iemand gemunt hebt om dan zijn kinde­ren af te pakken. Ja, zo kun je iemand wel treffen, de be­proefde methode. Die kinderen kunnen het ook niet helpen dat hun vader Job heet. Daar hebben ze ook niet om gevraagd.

Grondeloos.

En dan is er nog een tekst waar dat woord “zonder oorzaak” terug komt. Job 22:6. Daar komt het als een aanklacht naar Job terug. Eén van de vrienden, Elifaz zegt: Het ligt niet aan God hoor. God doet zulke dingen niet. Nee hoor Job, j j doet dat. En als God jouw straft, dan heeft God daar Zijn redenen voor. Job 22:6 “Immers, zonder oorzaak naamt gij pand van uw broeders, en berooi­den trokt gij de klederen uit” Job, ik weet wel hoe dat komt. Jij hebt “zonder oorzaak” mensen uitgekleed. En mensen die niets hadden, die heb je afgepakt w t ze nog hadden. En als iemand dorst had of honger, dan heb je hem zo van de deur weggetrapt. Nee hoor, geen bedelaars graag en je hebt je deur dicht gesme­ten. Net als in dat kerstverhaal van Godfried Bomans waarin een man zegt: Nu ga ik eens echt kerstfeest vieren. Hij heeft een boom en heeft alles prachtig voor elkaar. En als hij alles klaar heeft – zijn vrouw en kinderen hebben inmiddels moeten wachten in de keuken – dan roept hij ze en zegt: Kom maar, de tafel is gedekt. En dan zegt hij: Nu gaan we heerlijk  eten en ik ga ook het kerstverhaal voorlezen. En dan leest hij, dat er geen plaats was in de herberg en hij zegt: Ja, dat was vroeger, wat een tijden waren dat. Stuurden ze zo maar iemand weg en dan nog wel een zwangere vrouw. Opeens wordt er op de deur geklopt. Hij heeft net een hap genomen van het diner en er staat een man aan de deur, die zegt: Het is zo koud en het sneeuwt. De man wordt kwaad en zegt: We zitten nu aan tafel hoor en zijn feest aan het vieren en hij smijt de deur dicht. Dat zal je altijd zien, net op zo’n dag komen ze. Hij gaat te­rug naar de kamer, maar het laat hem niet los. Dan gaat hij weer naar de voordeur en kijkt of de man er nog is. Hij ziet hem nog net om de hoek van het huis verdwijnen met een jonge vrouw bij zich, en hij ziet dat ze in verwachting is. En dan gaat hij weer terug naar binnen. Ze zeggen: Wat ben je stil. Ja, ik moet even iets verwerken. Maar het gaat wel weer over. Job, heb je dat gedaan? “Zonder oorzaak” iemand de deur gewe­zen? “Zonder oorzaak”, daar heb je het weer.  Is dat het verhaal?

En dan dat woord “zegenen”.

Heb je God gezegend, de slotzegen gegeven? Job, wat gebeurt hier? Is het grondeloos? Zo maar “zonder reden”? Waarom gebeuren dingen? In het laatste hoofdstuk van Job, gaat met chinnam iets gebeuren. Dat zullen we later zien. Want dat woord chin­nam – als je dat nu omdraait, een anagram noem je dat, dan ga je de letters omdraaien – dan wordt het nicham en dat betekent troosten. Dat is uiteinde­lijk wat er bij Job gebeurt; er komt vertroosting. Maar dan zijn we inmid­dels een heel eind verder. Wie zal Job troosten? En hoe zou die troost komen? Dat wordt dan uiteinde­lijk de vraag: Zal er troost zijn voor een mens, voor de laat­ste der rechtvaardi­gen? Voor al die mensen; hun weeën die niet over­gaan. Zal het toch zijn zoals het lied zegt: Licht dat aan­blijft? We zouden nog even kijken naar de vrouw van Job. Job 2:9 “Toen zeide zijn vrouw tot hem: Volhardt gij nog in uw vroom­heid? Zeg God vaarwel en sterf!”  “Zegen God en sterf!”

Er speelt eigenlijk nog een probleem waarvan Elie Wiesel zegt: Dat is een filosofisch probleem. Want wat gebeurt er in wezen? In feite is de diepste vraag mis­schien: Waar is de vrije wil van Job? Als God nu zo voor hem zorgt, heeft hij dan nog een vrije wil? Als God hem zo omtuint, zoals dat ook letterlijk gezegd wordt, hem met een haag omgeeft, met een muur, zodat hij helemaal veilig is, waar is dan de vrijheid om te kiezen?   Dat is ook wat. Ben je dan nog vrij? Ja, als ik nu zeg: Kom maar bij mij hoor, dan zorg ik voor je en heb ik een dak voor je en een veilig huis en daar mag je dan blijven, binnen dat huis. En ik zal voor de deur staan en ik zal de wacht houden voor je en dan ben je zo veilig, dat je niets meer zal overko­men. Dan denk je: Ja, de mensen die langs komen, wat zeggen ze? Ze zeggen: Die persoon in dat huis is helemaal veilig. Of zeggen ze: Die zit gevangen? Zit Job gevangen in die omtuining van God? Hij kan geen kant meer op. Gij hebt hem omtuind, ja fijn hoor. En je komt nooit meer de deur uit, je kunt nooit meer een eindje gaan wandelen. Binnen blijven, Ik zorg voor je. Ik houd de wacht. Maar ik wou zo graag even wandelen. Niets daarvan. Hier, hier is je plekje binnen de muren. Je kunt iemand ook verstikken in bescherming. Het kan je letterlijk de adem benemen. Ik zou zo graag willen reizen. Nee hoor, dat doen we niet. Heer geef mij vleugels dat ik reis. Nee hoor, in je kooitje blijven, want buiten zijn de roofvo­gels en de kat en de hond en alle boze dieren. Blijf maar binnen, dat is goed voor je.

Job, hoe ervaar je je leven?

Veilig, ja.

Vrij?

Moeilijk, moeilijk dat woord staat niet in mijn woorden­boek. Ik kom niet verder dan veilig. Is het dat? Dat is het geloof van Job. God heeft hem zo beschut, dat hij geen keus meer heeft. Kan hij nog kiezen? Maar nu de vrouw van Job (Job 2:9). Je zult maar de vrouw van Job zijn. Hoe voel je dat? Hier volgt een brief; een brief van de vrouw van Noach (Genesis 6-9) en de vrouw van Job. Want Noach had ook een vrouw.

Geachte lezers en lezeressen.

Mogen we ons even voor­stellen? Wij zijn de vrouw van Job en de vrouw van Noach. We hebben geen eigen naam. We komen wel voor in de Bijbel, maar alleen als naamlo­zen en echtgenotes.

Eerst iets over onze ach­tergrond. Ik treed op als figurant in het vloedverhaal van Genesis. Ik ben ook niet zo belangrijk; mijn zonen zijn belang­rijker dan ik en mijn man is n g belang­rijker. Hij is de beroemde Noach. De held van de zondvloed. Kijkt u maar in uw Bijbel, ik sta er wel in, maar ik word steeds na Noach en na mijn zonen genoemd. Ik mag niet klagen. Mijn schoondochters zijn er nog slechter aan toe dan ik. Zij worden slechts als drietal genoemd. Naamloos en alleen maar lid van de schoonfa­milie, dat is pas erg! Soms denk ik: Mis­schien ben ik te meegaand ge­weest en had ik mijn stem moeten verheffen, zodat de schrijver van het verhaal ook m jn mening verteld zou hebben. Maar och, mijn man Noach is ook niet zo’n praatjesma­ker. Hij is een goed mens, maar wel zwijgzaam. Ik ben blij dat ik hem mag dienen. Wat me wel dwars zit, dat is dat de enige persoon die mij stem gegeven heeft, de compo­nist Benjamin Brittan. Dat heeft hij gedaan in zijn muziekstuk the Flood (de vloed) en die heeft mij tot een kijvend viswijf ge­maakt. Ik geef toe, er was in die tijd met al dat water veel vis. Maar dat maakt mij toch niet tot viswijf? En hij laat mijn dierbare echtgenoot mij nog slaan ook. Terwijl Noach toch de toegefelijkheid in persoon is. Ik ben niet opgevoed om op de voorgrond te treden. Daarom heb ik me aangesloten bij de vrouw van Job. Samen hebben we deze kans aangegrepen om onze stem te laten horen. Wij, twee van de talloze naamlozen uit de geschiedenis. Alleen durfde ik niet zo goed. Zij is flinker en zij heeft ook de stijlfouten uit deze brief gehaald en alles gecorrigeerd. Ik geef haar nu graag het woord. Kent u het boek Job en hebt u ook gelezen hoe er over mij wordt verteld in het begin van het boek Job? Er wordt beschre­ven dat Job, mijn man dus, eerst rijk was en daarna huis en haard verliest. Alles en iedereen is hij kwijt. Hij is alleen op de wereld. Even later blijkt echter, dat  k nog in leven ben, maar ik tel blijkbaar niet mee. Dat ik alsnog door de verteller opgevoerd wordt, is alleen maar om de rol van satan op de aarde te spelen. Misschien had ik toch beter meteen kunnen sneuvelen. En niet de geschiedenis in kunnen gaan als die slechte vrouw van Job. Die kenau, die hem op het kwade spoor brengt, het zij-spoor. Abel Herzberg heeft in zijn boek “Drie rode Rozen” dat mooi beschreven. De hoofd­figuur die spre­kend op mijn man lijkt, zegt: Job, jouw huwe­lijk was niet zo goed. Je hebt je vrouw niet goed behan­deld en ook niet mooi afgeschilderd. Je hebt haar een rol laten spelen om er zelf positief bij af te steken en er goed vanaf te komen. Zo, die zit. Dat noem ik nog eens psycholo­gisch inzicht. Dat is beter dan Brittan, die heeft enkele van mijn assertieve eigen­schap­pen aan de vrouw van Noach toege­schreven en ach, het arme mens is er helemaal kapot van. Zij is de deugd en de beschei­denheid zelve. Dat moet ook wel om getrouwd te kunnen zijn met zo’n recht­schapen man als Noach. Mijn man heeft wat meer spirit, gaat ook wat meer te keer. De mensen om hem heen, ook zijn beste vrienden, krijgen de wind van voren en zelfs God klaagt hij aan. Noach niet, die luistert, die gehoorzaamt en doet er het zwijgen toe. Mis­schien spreekt hij alleen via offers. Maar nu, in een tijd waarin vrouwen hun stem durven te verhef­fen, grijpen ook wij de pen en doen een beroep op u allen om de historisch stemlozen een welluidende en verstaan­bare stem te geven. Het is niet, dat wij alleen voor onszelf spreken, maar namens allen die in de Bijbel en de geschiedenis zijn verdwe­nen, die niet tot leven zijn gekomen. Vandaag zijn we zelf naar voren gekomen. De vrouw van Noach wil hierbij haar ver­ontschuldigingen aanbieden voor deze brutaliteit, maar ik denk dat het wel ons goed recht is om ons te laten horen. Met vriendelijke groeten: de vrouw van Noach en de vrouw van Job. Je zult maar de vrouw van Job zijn. Vanaf het begin is er weinig plaats voor haar ingeruimd in het verhaal. Job wordt beschreven als hereboer, als vader van veel kinderen, als baas van veel dienaren en dienaressen, maar zijn vrouw wordt niet genoemd. Niet in tijden van voorspoed en niet in tijden van tegenspoed.

In Genesis spelen de vrouwen een veel grotere rol bij Abraham, Izaäk en Jacob. Ze hebben een naam, ze hebben hun eigen ver­haal. Alleen in Job 2:9 wordt de vrouw van Job ge­noemd. En ze wordt neergezet als één van die dwaze vrouwen en ze lijkt wel de satan op aarde. Haar man reageert ook heel bijtend: Je spreekt als een zotte vrouw (Job 2:10), als een dwaas. Maar in de latere joodse traditie krijgt de vrouw van Job veel meer aandacht. In de Septuagint – de griekse vertaling van de hebreeuwse Bijbel, de eerste vertaling van de Bijbel die ooit gemaakt is, derde eeuw voor onze jaartelling – daar worden bij de vrouw van Job een aantal zinnen toegevoegd. En dan luidt de tekst als volgt: Na verloop van lange tijd sprak zijn vrouw tot hem: Hoelang nog zal jij dit uithouden en zeggen: Zie ik houd nog een korte tijd vol in afwachting van de hoop op mijn redding. Zie je,  andenken is van de aarde weggevaagd, je zonen en je dochters, de smarten en de moeiten van mijn schoot, waarvoor ik tevergeefs geleden en gewerkt heb. Jij zelf zit in een vuilnis van wormen en je brengt de nacht door in de open lucht. Maar ik trek als dagloonster door het land van de ene plaats naar de andere en van huis tot huis. Ik wacht op het ondergaan van de zon om rust te vinden van het zwoegen en de smarten, die mij thans overstelpen. Spreek een enkel woord tegen de Heer en sterf. Dat zegt de Septuagint. Dan is het woord van de vrouw van Job een heel verhaal gewor­den. Ze vertelt haar verdriet, haar eenzaamheid, haar lijden. Zou de vrouw van Job niet geleden hebben? Daar wordt vaak helemaal niet over nagedacht. Job had het moeilijk. Ja maar, zijn vrouw dan? Dat wordt altijd maar verzwegen. Alleen maar een bits commentaar van: Ja, de vrouw van Job probeert hem ook van het geloof af te brengen. Klaar! Afhandelen! Zij was ook een moeder en zij heeft ook haar kinderen verloren. Wat is er door haar moederhart heengegaan? Die tekst van de Septuagint is later weer het uitgangspunt geworden voor een joods commentaar op het boek Job, dat ge­schreven is in het Grieks en het Slavisch en dat de titel heeft gekregen: “Het Testament van Job”. Een soort autobiogra­fie, Job schrijft zijn eigen verhaal. Hij vertelt zijn le­vensgeschiedenis aan zijn kinderen en benadrukt de vooraan­staande rol, die zijn vrouw in zijn leven gespeeld heeft. Hij wijdt zelfs een heel lang deel aan haar. In dat boek worden het zes hoofdstukken.

In het kort vertelt hij aan zijn kinde­ren dit:

Job spreekt: 48 jaren zat ik op de ashoop, buiten de stad vanwege mijn ziektes. Ik zag met mijn eigen ogen mijn nede­rige vrouw water dragen naar het huis van een wrede man; want daar was ze dienares geworden, huishoudster bij een wreed persoon. Zo kon ze ten­minste nog brood kopen en naar mij toebrengen; je moet ten­slotte aan de kost komen. Na elf jaren verhinderden zij zelfs, dat het brood naar mij gebracht werd en zij stonden haar alleen maar haar eigen brood toe. Mevrouw, hier hebt u brood. En voor mijn man? Nee, niet voor uw man, voor u! Niet voor twee? Nee, niet voor twee, voor één. Ze ontving het brood en ver­deelde het tussen haarzelf en mij en ze zei met pijn in haar hart: Wee mij, binnenkort zal hij niet meer genoeg brood kunnen krijgen. Die ene portie, die moet ik delen. Straks is er niet meer genoeg. Maar zij aarzelde niet naar het markt­plein te gaan om brood te bedelen op de markt bij de broodver­koopsters, om het naar mij toe te brengen, zodat ik ook kon eten. De satan wist dit en vermomde zich daarom als broodver­koper. Bij toeval gebeurde het, dat mijn vrouw naar hem toe ging om hem om een brood te vragen, want ze dacht dat hij een mens was. En de satan zei tegen haar: Betaal de prijs en neem wat je wilt. Maar zij antwoordde hem: Waar moet ik het geld van­daan halen? Weet u niet welke rampen ons getroffen hebben? Als u gevoel heeft, toon dan medelijden, maar als u dat niet heeft, dan….. Hij antwoordde haar weer: Als jij die rampen niet verdiend had, zou je ze ook niet gekregen hebben. Nu dan, omdat je geen geld hebt, geef mij dan de haren van je hoofd, als betaling en neem drie broden. Misschien kun je daarmee drie dagen langer leven. Ze zei bij zichzelf: Wat is mijn haar mij waard, vergeleken met mijn man die honger lijdt. Ze maakte haar haren los en zei tegen hem: Knip maar en scheer ze maar af. Toen pakte hij een schaar en verwijderde de haren van haar hoofd en gaf haar drie broden, terwijl iedereen toekeek. Nadat zij de broden ontvangen had, bracht zij ze naar mij toe. Maar de satan was haar gevolgd op haar weg en bracht haar hart in de war. Zodra mijn vrouw bij mij aankwam, brak ze in tranen uit en zei tegen mij: Job, Job hoelang zal je nog op deze ashoop zitten? Buiten de stad, terwijl je denkt nog even. Want je hoopt nog steeds op redding. Ik ben een dienares geworden en een zwerfster en ik ga van de ene plaats naar de andere, want je nagedachtenis is al van de aarde verdwenen. Mijn zonen en mijn dochters, ze zijn er niet meer. De pijnen en de smar­ten van mijn schoot om wie ik tevergeefs gevochten heb met pijn en moeite. Iedereen zegt verbaasd: Is ze dit? Is dit nu Sitidos, de vrouw van Job? Degene die haar kamer afschermde met veertien kleden. En een deur had achter andere deuren, zodat alleen degene die het werkelijk waard was toegang tot haar kreeg? Nu verruilt zij haar haren voor brood. Job, Job, vele woorden zijn gezegd, maar ik zeg je: De zwakte van mijn hart verplettert mijn gebeente. Jij dan, sta op. En wanneer je de broden gegeten hebt, wees dan verzadigd. Zeg dan iets tegen de Heer en sterf, dan zal ik vrij zijn van alle ellende, die komt door mijn ploeteren voor jouw lichaam. Ik antwoordde haar: Zie, ik heb zeventienjaar geleefd met mijn ziektes, de wormen in mijn lichaam verdragen en ik ben nog nooit zo terneergeslagen geweest als nu omdat jij zegt: Zeg nu iets tegen de Heer en sterf. Ik lijd evenzeer onder alle mis re als jij, onder de ondergang van onze kinderen en ons bezit. Zou jij het op je geweten willen hebben, dat wij door ons spreken tegen de Heer vervreemd raken van onze grote schat? Of weet je het niet meer, waarom herinner jij je niet meer het grote aantal g ede dingen waarmee we gewend waren te leven. Als we dan de goede dingen uit de handen van de Heer ontvangen, moeten we dan ook niet de slechte dingen verdragen? (Job 2:10). Laat ons geduldig zijn in alles totdat de Heer met ons meevoelt en medelijden heeft. Zie je niet de duivel, die achter je staat en je denken in de war brengt, zodat hij ook mij kan misleiden? Want hij probeert je uit te spelen als één van de ongevoelige vrouwen, die de integriteit van hun man ondergraven. Dat is dan de latere joodse uitwerking in “Het Testament van Job”.

Hier komt de vrouw er veel beter af. Nu is er ook aandacht voor de ellende, die ook h ar overkwam. Ze spreekt wel dezelf­de woorden als in de hebreeuwse tekst, maar de context is veel uitvoeriger. En je ziet de wanhoop, haar bezorgdheid voor haar man. Dat ze op het laatst wanhopig wordt: Ik heb alles gedaan wat ik kon. Nu kan ik alleen mijn haren nog geven om brood te krijgen. En daarom spoort ze haar man aan om het hoofd in de schoot te leggen. Haar lijden wordt erkend, haar zwoegen. En nu ga je begrijpen wat ze zegt tegen haar man. Bovendien is het goed nog even terug te gaan naar Job 2:9, de hebreeuwse tekst, want wat zegt ze nu eigenlijk precies? Job 2:9 “toen zeide zijn vrouw tot hem: Volhardt gij nog steeds in uw vroomheid? Zegen God (zeg God adieu) en sterf”. Het eerste is een letterlijke herha­ling  van Job 2:3. Job volhardt nog steeds in zijn “vroom­heid”. Het tweede lijkt over­een te komen met wat de satan zei: Laten we eens zien of Job niet God zal zegenen (Job 1:11). Of hij U niet in uw gezicht adieu zegt. De vrouw van Job herhaalt dus wat God zegt in Job 2:3 en wat de satan zegt in Job 1:11. En daar voegt ze een nieuw element aan toe, namelijk “sterf”. Nu is het punt in de verhalen en teksten van Job, dat de beel­den vaak meervoudig zijn. Er zitten meer lagen in. Het is niet één laag, maar er zitten verschillende bodems in de tekst. En ik denk, dat dit juist in overeen­stem­ming is met het leven. Want het leven heeft ook vaak meer lagen. Het leven van een mens is ook niet zo keurig dat je kunt zeggen: Ja kijk, zo is het, keurige oplossing. Dat lijkt vaak heel aantrekkelijk, maar in de praktijk klopt dat meestal niet. Het leven is vaak heel verward. Draden die door elkaar lopen, dubbelzinnig, ambivalent. Je kunt niet zeggen: O ja, kijk je kunt het prach­tig in een schema passen. De goeden worden beloond, de kwaden gestraft, leer dat nu maar uit je hoofd dan weet je het. Nee, wat de vrouw van Job zegt daar zitten woorden van God en van de satan in. En dan dat woord “zegenen”. “Zegen God nu maar”.

Roept ze haar man op om God vaarwel te zeggen, adieu? En dan zal Job dus sterven als gevolg daarvan. Of zit er nog iets anders in? Dat zou kunnen als je let op de reactie van Job. Hij weigert in te gaan op de uitdaging van zijn vrouw. Hij wil God niet groeten, in de zin van afscheid nemen. Hij wil God niet in de steek laten. Hij wil ook niet de slotzegen geven en dan zichzelf van het leven beroven. Maar meestal heeft men de uitspraak van de vrouw van Job alleen maar negatief uitgelegd. En het kan dus ook betekenen dat zijn vrouw zegt – in de normale betekenis van het woord – “zegen God”, “zegen God dan maar”. Laat dat dan het einde zijn. Sterf dan maar met de zegen op de lippen.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384917 bezoekers sinds 07-06-2010